home
info cursusnieuws  — sidra vd week varia


Sidra van de week

Bijbelgedeelte van de week, in de joodse traditie parasha of sidra van de week genoemd, commentaar door Rob Cassuto     © Rob Cassuto
Wilt u reageren? Klik hier.
Naar alle commentaren van Rob Cassuto

Parasja van de week

Parasjat Wajisjlach   Beresjiet /Genesis 32:4 – 37

Van Bet-el naar Bet-el: de spanningsboog van Jacobs leven

De parsjiot Wajetsee en Wajisjlach 1 beschrijven het psychologisch, spiritueel en geografisch parcours van een onvolwassen bedrieger naar de status van een wijs man met een door inzicht en ommekeer getekende levenservaring. Dat parcours speelt zich af tussen Bet-el en Bet-el .

Vertrek van Bet-el

Als de jonge Jacob op de vlucht voor zijn woedende broer Esau aan het begin van zijn reis naar het noorden in the middle of nowhere wakker wordt uit zijn beroemde ladderdroom waarin de Eeuwige zijn bescherming heeft beloofd roept hij uit: ‘op deze plaats is de Eeuwige aanwezig. Dat besefte ik niet'. Hij noemt de plaats Bet-el, het huis van God, en richt een gewijde steen op. Hier krijgt Jacob werkelijk besef van zijn missie als drager van de boodschap van Abraham over de ene God en diens attributen van gerechtigheid en compassie. Van een moederszoontje met slinkse streken, die als zijn sterke grote broer Esau wilde worden, begint hij nu een man te worden. Hij doet de gelofte dat hij voortaan de koers van de ene God zal volgen. Vele jaren later, tegen het einde van de parasja,Wajisjlach zal hij weer in Bet-el aanlanden. In die tussentijd is er veel in Jacobs leven gebeurd en zijn beproevingen niet uitgebleven.

In Charan

Met niets anders dan zijn kleren aan het lijf komt hij aan in Charan en ontmoet bij de put de mooie Rachel, liefde op het eerste gezicht. Dat hij toen huilde kan van ontroering over de schoonheid van het meisje zijn geweest, maar volgens Rasji omdat hij geen cent bij zich had voor een bruidsschat (hoe anders dan toen Eliezer tien kamelen met kostbaarheden bij zich had om voor Jacobs vader Isaac een bruid te verwerven, zijn moeder Rivka!). Haar vader Lavan geeft hem de bruid weg in ruil voor zeven jaren arbeid en bedriegt Jacob in de bruidsnacht door eerst haar oudere zuster Lea in zijn bed te schuiven, de bedrieger bedrogen. Nog weer zeven jaar jaar werkt Jacob als veehoeder voor Rachel en nog eens zeven jaar daarna om eigen fortuin te vergaren; lees hoe Jacob en zijn schoonvader in die periode elkaar wederzijds misleiden, waarbij Jacob uiteindelijk aan het langste eind trekt en een vermogend man wordt. De nog steeds angstige Jacob heeft nog niet de moed om openlijk van zijn baas en schoonvader zijn deel te eisen en vertrekt na 20 jaar als een dief in de nacht met zijn twee vrouwen, elf zonen en een dochter en al zijn hebben en houden.

Confrontaties

Het is een duidelijk groeimoment in Jacobs leven als hij zijn achterna gereisde en boze oom nu wel met open vizierconfronteert met de onheuse behandeling die hij jarenlang van hem heeft ervaren (31:36). Dat stevig optreden hielp en ze verzoenden zich met elkaar. Maar een grotere beproeving wacht als hij hoort dat zijn broer met een leger tegen hem optrekt. Nu is een openlijke confrontatie niet aangewezen. In een onvergetelijke doorwaakte nacht worstelt de doodsbange Jacob met zichzelf of met een schim van zijn broer of met een engel van God – kies uw uitleg – en komt eruit als een nieuw mens met een nieuwe naam erbij: Israël; niet langer list of bedrog zal hij gebruiken en ook geen geweld, maar zijn kracht zal vertrouwen zijn en kennis van zichzelf en van mensen. Hij zal zijn broer pragmatisch en met wijs beleid benaderen 2 . Hij weet hij ondanks alle bedrog uit het verleden zijn onstuimige broer gunstig te stemmen en een onverhoopte verzoening volgt.

Wraakoefening van Jacobs zonen

Toch is het daarmee voor Jacob nog geen pais en vree. Als hij zijn tenten heeft opgeslagen bij de stad Sjechèm vind er een rampzalig incident plaats. Zijn dochter Dina wordt verkracht door de prins van Sjechèm en de broers van Dina nemen op stuitende wijze wraak. De mannen van de stad hadden zich besneden om zo een door de broers zogenaamd toegestemd huwelijk tussen de prins en Dina mogelijk te maken en een fusie met de familie te bewerkstelligen. Zo weerloos gemaakt werden ze een willoze prooi voor het wrekende zwaard van met name Simon en Levi, de broers van Dina die de mannen ombrachten en de stad plunderden. Dit tot afgrijzen van Jacob, die met alle recht vreesde voor de wraak van de naburige stammen. Het is opvallend hoe de zonen van Jacob eigenlijk (nog) geen idee hadden van de ene godheid van hun vader en diens voorvaderen en de daarbij behorende levenswijze. Jacob staat eigenlijk als enig lichtbaken in het halfduister van het veelgodendom. De aartsvader gelast een reinigende clean actie, de afgodsbeeldjes moeten ingeleverd, het lichaam gewassen, schone kleren aan. Wonder boven wonder lieten de omwonende volken represailles na. Maar het was duidelijk dat ze weg moesten van Sjechèm. Waarnaartoe?

Terug naar Betel en hereniging met vader Isaac

Naar Bet-el. Jacob moet vertwijfeld zijn geweest door de godgeklaagde misdaden van zijn zonen. Hij zocht wanhopig naar nieuwe bevestiging en geruststelling over dat hij op de goede weg was en waar was die beter te vinden dan op de markante plek van het begin van zijn levensreis, de plaats ‘waar de Eeuwige aanwezig is' en waar Zijn leiding en bescherming werd beloofd. Daar bouwt Jacob een altaar en niet lang daarna verschijn de Eeuwige aan hem en spreekt(wederom) de abrahamitische zegen uit betreffende het land dat hem en zijn vele nakomelingen zal toekomen; ook krijgt hij wederom de nieuwe naam Israël toegevoegd. En wederom richt hij zoals jaren eerder een gedenksteen op en noemt hij de plaats Bet-el. 3
Vandaar reist Jacob verder naar het zuiden. Rachel geeft hem nog een zoon maar ze sterft in het kraambed, haar laatste woorden waren: “noem hen Ben-oni” – zoon van mijn ellende – maar daar wil Jacob niet aan: de jongen wordt Ben-jamin – zoon van kracht – genoemd 4 . Dan komt Jacob eindelijk na vele jaren aan in Hebron, waar zijn oude vader Isaac nog woont. Als de aartsvader sterft, 18o jaar oud, wordt hij begraven door beide zonen Jacob en Esau.
Zo is de cirkel rond en kan een nieuw parcours rond Jozef en zijn broeders beginnen.

noten

1. Meer commentaren op Wajisjlach in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1.

2. In het eerste bericht van Jacob aan de naderende Esau staat: ‘Uw dienaar Jakob laat u weten: ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond – Hebreeuws garti - en pas nu bij hem is weggegaan'. Gart i heeft de nummerwaarde 613, het getal van de mitswot, waaruit Rasji afleidt dat Jacob te midden van zijn afgodische omgeving de goddelijke geboden in acht heeft genomen

3. In de bijbelwetenschap zouden deze passages ‘doubletten' worden genoemd, verhalen die door een warrige redactie tweemaal verteld worden. Ik kies echter voor de interpretatie, dat Jacob in vertwijfeling terugging om nogmaals de bescherming af te smeken op de plaats waar hij die eerder kreeg.

4. ‘Ben-oni' ook wel ‘zoon van mijn rouw', ‘Ben-jamin', ‘zoon van kracht' (Nachmanides), ‘zoon van het zuiden' (Rasji).

nov 2021

Parasjat Toldot   Beresjiet/Genesis 25:19-28:9

polariteit

Het boek Genesis/Beresjiet zou deels gezien kunnen worden als een boek met case histories voor gezinstherapeuten. De voorgeschiedenis van Israël loopt niet via voorbeeldige harmonische families. Het begint al meteen met de frictie tussen Adam en Eva in het paradijs en daarna de ruzie tussent hun zonen Kajin en Abel met fatale afloop. De familie van Abraham en Sara blijft schokkende belevenissen niet bespaard en de wrijving tussen de twee echtgenoten rond de halfbroers Isaac en Ismael mag niet ongenoemd blijven. In deze parasja treedt de crisis in de familie van Isaac en Rebekka rond de twee-eiige tweeling Esau en Jacob op de voorgrond. Ook Jacobs grote gezin zal later rijk blijken te zijn aan conflicten, waarbij zijn zonen Jozef en Juda centraal staan. Merk ook op de essentiële rol van de moeders Eva, Sara en Rebekka. Van Adam als vader vernemen we niets en Abraham en Isaac schikken zich volgzaam naar de moeders van hun zonen.

gezinssituaties

Interessant om vanuit psychologisch standpunt deze verhalen te bekijken. We zien hoe Sara haar laat geboren enig kind Isaac wil beschermen, maar ook hoe ze daarin te ver gaat als ze zijn oudere halfbroer Ismaël en zijn buitenlandse moeder Hagar met slechts wat brood en water de woestijn in laat sturen. Abraham, nogal slapjes, gaat daar met tegenzin in mee. Wij zouden als beste stuurlui aan wal de familie bij elkaar gezet hebben om het uit te praten, misschien met een familieopstelling, en met een beroep op het morele gebod een buitenlandse vrouw, een vreemdeling, niet zomaar op straat te zetten.

Ook de huidige parasja 1 biedt een interessante casus. Moeder Rebekka heeft na een moeilijke zwangerschap een tweeling gekregen. Haar favoriet is Jacob, die een paar minuten jonger is dan zijn broer Esau, de favoriet van vader. Jacob is fysiek de zwakkere, hij blijft liever in het tentenkamp met zijn neus in de boeken, Esau is de macho en trekt erop uit bos en veld in om te jagen. Rebekka heeft ingegeven gekregen dat Jacob degene is die Isaac moet opvolgen wat betreft het gedachte- en geloofsgoed van Abraham, maar Isaac is veel meer gecharmeerd van Esau die hem verwent met uitgelezen wildgerechten uit diens cuisine. Maar Rivka steekt daar een stokje voor met een geraffineerde truc. Ze kleedt Jacob in de kleren van Esau en stuurt hem met zo'n heerlijk wildgerecht naar Isaac die zwaar ziek en halfblind zijn zoons aan zijn vermeend sterfbed heeft ontboden. Jacob moet zodoende de oude man verleiden tot het geven van de zegen die hij in gedachten heeft voor zijn geliefde oudste zoon Esau. Isaac aarzelt maar geeft toch de zegen. Esau komt net te laat en de hel breekt los als hij hoort dat zijn broer zijn zegen heeft gestolen. Jacob moet vluchten voor Esau. Eigenlijk is hij niets opgeschoten want de zegen waarom het eigenlijk gaat, de zegen dat hij degene zal zijn om de lijn van Abraham voort te zetten is niet eens gegeven. De gezinstherapeut zou er een aardige kluif aan gehad hebben om de ouders met elkaar in gesprek te brengen en tot het inzicht dat het beter is hun favoritisme in te dammen en de kinderen gelijkwaardig te behandelen.

Onderliggende polariteiten

Maar a ls we al die gezinssituaties in Genesis wat diepgaander bekijken valt er iets anders op. Behalve de leerzame pedagogische lessen over hoe het vaak gaat maar niet moet is er toch achter het decor van de gezinsproblemen een belangrijke kerngedachte te bekennen. Waarom hebben de verhalen een voorkeur voor Abel, Isaac en Jacob boven resp. Kajin, Ismael en Esau? Het zijn de door passies gedreven gewelddadige zonen die uiteindelijk verdwijnen naar de rand van het verhaal. Het zijn de ogenschijnlijk zwakkere figuren die de lotsgeschiedenis verder brengen. De schijnwerper richt zich op de meer op reflectie, overleg en verstand gerichte personages, die van de Eeuwige een steuntje in de rug krijgen. Moest Abel nog het loodje leggen tegen Kajin, niet de boogschutter Ismael maar de verstandige Isaac krijgt de taak om Abrahams het geloof in de Ene godheid en de ideeën van rechtvaardigheid en compassie te midden van niet altijd welgezinde buren met verstandig beleid door de tijd te loodsen naar de volgende generatie waar de slimme Jacob, slinkse streken niet schuwend, toch standhoudt tegen de wilde en hartstochtelijke Esau, de man van het zwaard. Later zal de begaafde en schrandere Jozef aanvankelijk slachtoffer zijn van zijn onstuimige broers maar later hun meester.

We zien in het broederpaar Jacob en Esau – en ook min of meer in de andere broederparen – een polariteit weerspiegeld, die in de geschiedenis steeds terugkeert: reflectie (Jacob) – impuls (Esau), verstand - hartstocht, kalm - gepassioneerd, ordening – anarchie, sociaal - individualistisch, vredelievend – oorlogszuchtig etc. In ethische zin gaat het om moreel – amoreel. Op het filosofische vlak zien we de polariteit terug in de rationele denkers van de Verlichting die de democratie hebben voorbereid en de gepassioneerde denkers van de Romantiek die in de kiem de potentie van het fascisme in zich bergen. Ik denk dat de romantische Nietsche minachtend op de stille, slimme en bedachtzame Jacob zou neerkijken maar vol bewondering zou opkijken naar de hartstochtelijke sterke amorele krijger Esau. Misschien mogen we in deze polariteit het paradoxale paar geest – materie ontwaren die in de mens sinds onheuglijke tijden tot een synthese probeert te komen, een proces dat nooit klaar is, niet in ons zelf en niet in de maatschappij. De verhalen van Genesis zijn daar een neerslag van. Het is duidelijk dat de Eeuwige partijdig is en aan de kant staat van Abel, Isaac en Jacob.

noot

1. Meer commentaren op Toldot in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1.

Parasjat Chajee Sara    Beresjiet/Genesis 23:1–25:18

Bij de waterput

Als Abraham de geschiedenis betreedt is hij al lang en breed getrouwd met Sara.
Hoe hij haar ontmoet heeft blijft in het duister; waarschijnlijk is het huwelijk met Sara (vermoedelijk zijn halfzuster) familiair gearrangeerd. Over hoe de andere aartsvaders, de zoon en kleinzoon van Abraham aan hun vrouwen kwamen weidt de Tora wel degelijk bloemrijk uit. In deze parasja 1 lezen we hoe Rivka haar intrede doet in het leven van Isaac. De parasja begint met dood van Sara – de eerste woorden zijn ‘De levensjaren van Sara ( chajee Sara ) waren honderdzeventwintig - en de bejaarde Abraham maakt zich zorgen over hoe zoon Isaac maar niet aan de vrouw komt. De continuïteit van Abrahams gedachte- en geloofsgoed is in gevaar als zijn uitverkoren zoon geen nageslacht krijgt. Hij zendt zijn vertrouwde knecht Eliezer naar Charan, de streek waar de kinderen van zijn broer Nachor wonen om daar een vrouw voor zijn zoon te zoeken.

Op zoek naar een vrouw

Eliezer vertrekt met een karavaan van tien kamelen beladen met kostbaarheden. Als hij is aangeland bij de stad waar Abrahams familie nog woont kiest hij een strategische plaats: de waterput buiten bij de stadspoort. Daar wacht hij totdat de meisjes van de stad de poort uit zullen komen om het kleinvee te gaan drenken. Uit die meisjes zal de vrouw van Isaac moeten komen, besluit hij. Biddend om een goede afloop spreekt met zichzelf af, dat dit het teken zal zijn: het meisje dat hem op zijn verzoek onmiddellijk te drinken zal geven uit haar kruik en uit zichzelf zal aanbieden ook voor zijn kamelen water uit de put te halen om de beesten te drenken, dat zal de juiste vrouw zijn. En daar komt Rivka (Rebekka) de poort uit, jong, beeldschoon en maagd. Het lijkt wel of de oude knecht plaatsvervangend voor Isaac verliefd wordt op de knappe herderin. Op zijn verzoek om een slok geeft ze die onmiddellijk en inderdaad drenkt ze daarna de kamelen, snel en efficiënt.

Rivka

Opvallend in deze passage over Rivka's handelingen is hoe een aantal keren woorden met de stam ‘snel' en ‘rennen' –  maher  ,  rats  – voorkomen; het tekent de houding van achting en respect van de jonge vrouw voor de vreemdeling. We zijn deze woorden ook tegengekomen in de houding van Avraham als hij in de voorgaande parasja voor zijn tent de drie boodschappers ontvangt en een maaltijd bereidt De verraste knecht ziet in stille verbijstering aan hoe het meisje haar diensten voor hem verricht en als ze klaar is hakt hij de knoop door: God moet hem hebben verhoord, dit is de ware. Hij geeft haar de bedoelde geschenken een gouden neusring en twee gouden armbanden van tien sjekels goud zwaar. Twee armbanden, dat verwijst naar de twee stenen tafelen en tien sjekel verwijst naar de tien uitspraken (geboden) weten de Oude Wijzen 2

Dan pas vraagt Eliezer naar haar afkomst. En dan pas blijkt zij tot de familie van Abraham te behoren, Rivka is de kleindochter van de broer van Abraham. Dat was wel een gok. Blijkbaar waren de schoonheid, vriendelijkheid en hulpvaardigheid van Rivka zo overweldigend dat zij voorrang kregen boven status en afkomst, zaken die toch wel van eminent belang plachten te zijn. Als Avrahams afgezant later het verhaal doet aan Rivka's broer en vader draait hij in zijn verslag wijselijk de volgorde van de gebeurtenissen om, lees het maar na. (Beresjiet/Genesis 24:47)

De nieuwe aartsmoeder

Eliezer voert Rivka mee terug naar de tenten van Abraham en Isaac.  
Rivka heeft kennelijk een scherpe intuïtie over haar lotsbestemming en de vastbeslotenheid om daar onvoorwaardelijk naar te luisteren en te handelen: ondanks de pogingen van de familie haar nog een tijdje te houden zegt ze op de vraag of ze onmiddellijk mee wil gaan: ‘Ja, ik wil gaan'. Zo werd Rivka de nieuwe aarstmoeder. Isaac ‘bracht haar in de tent van Sara, hij nam haar tot vrouw, hij beminde haar en troostte zich met haar na Sara' (Beresjiet/Genesis 24:67). Dat de vrouw de plaats van de moeder inneemt (zoals Rasji dit ook uitdrukkelijk interpreteert) is misschien voor vele mannen wel herkenbaar maar misschien psychologisch niet ideaal.

Hiermee bereikt dit verhaal een happy end. Idyllische momenten bij een put daar zijn er in de Tora, meer van in. Tenslotte is de put een archetypische ontmoetingsplaats in de samenleving van herders en kleine landbouwers. Denk aan Jacob, die een generatie later zijn grote liefde Rachel ontmoet bij een waterput ver van huis ook in Charan, misschien wel dezelfde als waar Rivka haar vee drenkte. Ook Mozes ontmoette Zippora bij een waterput in de streek van Midjan. Waar het water vloeit zijn de condities voor geluk aanwezig. 3

Noten

1. Meer commentaren op Chajee Sara in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1.

2. Rasji ad loc

3. Ik moet ook denken aan de ontmoeting van Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de waterput – de Jakobsbron -, Joh. 4:5, waarin opvalt hoe Jezus over 2 taboes heenstapt: hij spreekt met een Samaritaanse, waar ‘Joden niet mee omgaan' en hij spreekt met een vrouw, waarover de discipelen hun verbazing uitspreken.

RC okt 2021

Parasjat Bo   Exodus/Sjemot 10:1–13:16

Wiedergutmachung

In hoeverre mogen de slachtoffers van slavernij of vergelijkbare uitbuiting alsnog het loon vragen voor de arbeid die zij of hun voorouders hebben geleverd al dan niet met vergoeding voor het leed dat zij hebben geleden? Of compensatie claimen voor het door hen gederfde aandeel in de opbrengsten, die hun onderdrukkers over hun rug hebben genoten? Het is een vraag die in deze tijd eerder aan actualiteit heeft gewonnen dan ingeboet. In de parasja Bo (1) vinden we een eerste behandeling in de geschiedenis van deze kwestie. 

Als het vertrek van de Israëlieten uit Egypte aanstaande is - net voordat de laatste plaag, de dood van de eerstgeborenen, over het land zal komen - verzoekt Mozes zijn landgenoten dringend (11:2  ), dat iedereen zilveren en gouden sieraden aan zijn (Egyotische) b uren moet vragen, de mannen aan hun buurman, de vrouwen aan hun buurvrouw. De Eeuwige zorgde ervoor dat de Egyptenaren het volk goedgezind waren.

Mozes bracht daarmee tot uitvoering wat al eerder hem was opgedragen in hoofdstuk 3 vers 22:  Alle vrouwen moeten aan hun buurvrouw en aan de vrouwen die bij hen in huis wonen, zilveren en gouden sieraden en ook kleren vragen. Die moeten jullie je zonen en dochters laten dragen. Zo zullen jullie de Egyptenaren beroven.
En bij de uittocht wordt nog eens bevestigd dat ze het ook gedaan hebben, zie hoofdstuk 12 35: Ze hadden gedaan wat Mozes had opgedragen en de Egyptenaren om zilveren en gouden sieraden en om kleren gevraagd. 36 En de Eeuwige had ervoor gezorgd dat de Egyptenaren hun goedgezind waren, zodat ze op hun verzoek ingingen. Zo beroofden ze de Egyptenaren.

De Tora spreekt van ‘vragen' (werkwoord sja'al ) om deze kostbaarheden. Veel rabbijnen uit vorige eeuwen maakten zich niettemin zorgen over een mogelijk immoreel imago van plunderaars (2). Zij wijzen er graag op, dat de Israëlieten tijdens de laatste plaag van de driedaagse duisternis, terwijl hun eigen woonplaatsen in het licht waren, al die tijd de kans hadden alles van de Egyptenaren te stelen wat los en vast was; maar dat hebben ze niet gedaan en daarmee hun hoge morele peil bewezen in de ogen van de Egyptenaren. Daarvoor waren de Egyptenaren dankbaar en was het voor hen niet moeilijk hun kostbaarheden vrijwillig weg te geven.

Maar was dat vragen ook niet gebaseerd op een recht van de Israëlieten op materiële genoegdoening voor vele jaren slavenarbeid - gederfd loon zou je kunnen zeggen - en compensatie voor daarmee gepaard lijden. Rabbeinu Chananel (11 e eeuw) zegt het heel duidelijk: De Eeuwige zorgde ervoor dat de Egyptenaren zich terdege van bewust waren, dat niets dat ze zouden geven kon opwegen tegen het loon dat deze mensen al die jaren nooit hadden ontvangen. Net zoals vele andere commentatoren wijst hij op de parallel met het voorschrift aan de eigenaar die zijn slaaf vrijlaat (Devarim/Deuteronomium 15: 12): u moet hem met gulle hand een deel geven van uw kudde, van uw graan en uw wijn, of van wat de Eeuwige u ook maar heeft toebedeeld. 15 Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte totdat de Eeuwige, uw God, u bevrijdde. Daarom geef ik u vandaag dit gebod

De Israëlieten hadden het recht om na zoveel jaren slavenarbeid niet met lege handen te vertrekken. Waar er geen werelds gerechtshof bestond om de Egyptische overheid te dwingen om aan deze verplichtingen te voldoen, zorgde een hemels gerechtshof ervoor, dat in de loop der gebeurtenissen dit universeel recht op genoegdoening werd gerealiseerd, aldus ongeveer commentator Umberto Cassuto (3). En dan hebben we het nog alleen maar over het gederfde loon en niet over de gepleegde misdaden zoals de door farao bevolen moord op de Israëlitische pasgeboren jongetjes.

Het hemels gerechtshof heeft nu zijn plaats afgestaan aan menselijke gerechtshoven en politieke commissies. Herstelbetalingen voor tijdens perioden van slavernij en oorlog geleden leed en gedane dwangarbeid staan momenteel weer in het centrum van de belangstelling, evenals emotionele genoegdoening in de vorm van excuses. Een voorbeeld is de discussie over de slavernij periode in de Nederlandse koloniale geschiedenis.

Nederland heeft in de 17 e tot begin 19 e eeuw zeshonderdduizend slaven vanuit Afrika verhandeld, deels naar Suriname. Toen de slavernij in Nederland in 1863 werd afgeschaft zouden volgens de rabbijnse uitleg deze slaven recht hebben gehad op uitbetaling van het loon voor de vele jarenlang geleverde arbeid. In plaats daarvan kregen de slavenhouders 300 gulden schadeloosstelling en moesten de ex-slaven nog verplicht 10 jaar lang op de plantages doorwerken alvorens als vrij man te mogen gaan en staan waar ze wilden. (4) Momenteel klinkt de roep om emotionele en materiele genoegdoening weer luid, mede onder de invloed van de Black Lives Matter beweging. Spijt heeft de Nederlandse regering betuigt in 2013, excuses (dat is kennelijk een stapje verder) kunnen er nog niet af, gezien de financiële claims die daarna zouden kunnen volgen. Overigens zouden de juridische kansen voor een succesvolle claim minimaal zijn, nu de slavernijperiode vele generaties achter ons ligt. (5) Een causaal verband tussen het slavenbestaan van meer dan honderdvijftig jaar geleden en de materiele en psychische toestand van de individuele nakomelingen nu (die hun afstamming ook zouden moeten kunnen aantonen) is haast niet juridisch aantoonbaar, al is de morele verantwoordelijkheid voor de sociaal culturele gevolgen daarmee niet verdwenen. (6) Aantoonbaarheid van causaal verband was uiteraard geen centraal probleem bij de Duitse herstelbetalingen aan de (nakomelingen van) de Joodse oorlogsslachtoffers in de Tweede Wereldoorlog.
Ook nu is slavenarbeid of daarmee gelijk te stellen uitbuiting wereldwijd aanwezig en zal de roep om compensatie nog vaak klinken.

Toch zou je je kunnen afvragen: als de Israëlieten recht hadden op compensatie waarom moest Mozes er dan op aandringen dat ook te vragen? Het zou te maken kunnen hebben met de walging die de vernederden en onderdrukten kunnen voelen als ze contact moeten hebben met hun voormalige folteraars of beulen,  de weerstand om nog iets met hen te maken te hebben, de trots om iets van hun rijkdommen aan te nemen, waar compensatie voor het onrecht en psychisch leed eigenlijk onmogelijk is. Een aanmoedigging om hierom tocht vragen is dan nodig: vandaar de aandrang van Mozes. (7) Nog recent in het begin van de nieuwe natie Israël hebben we dat zich zien afspelen.

Begin vijftiger jaren van de vorige eeuw was Menachem Begin rabiaat tegen onderhandelen met de Bondsrepubliek Duitsland over herstelbetalingen ter waarde van anderhalf miljard dollar. Kon dit akkoord wel geaccepteerd worden? Heftig werd het debat gevoerd. Het was een klap in het gezicht van de overlevenden en hij zou het akkoord bestrijden op leven en dood. Het merkwaardige is dat een enquête onder het volk uitwees, dat 80% het met hem eens was, aanhangers van hem bestormden zelfs de Knesset. Ben Gurion loodste het niettemin door hem met de Bondsrepubliek gesloten akkoord succesvol door het parlement (61 vóór, 50 tegen, 5 onthoudingen); uiteindelijk heeft de opbouw van Israël hier wel bij gevaren.(8)

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Bo zijn te vinden in mijn boek    REIZEN DOOR DE TORA  , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) Naast ‘vragen' is er sprake van ‘beroven' (werkwoord ‘  nitseel  ') van Egyptenaren, althans zo wordt het vrijwel overal vertaald, soms zelfs met plunderen (Engels: spoil). Het kenmerk van roven is toch dat je neemt tegen de wil van de beroofde en niet vraagt (tenzij onder dreiging van geweld). Is het wel een zuivere vertaling? Het woordenboek van Pimentel geeft voor ‘nitseel' ook de betekenis van ‘exploiteren, gebruik maken van'. Omdat de Egyptenaren zoals de tekst meldt graag hun goud, zilver en kleren gaven – wellicht ook uit angst voor verdere rampen – lijkt een vertaling van ‘van de gelegenheid gebruik maken', ‘ausnützen' beter op de plaats. Umberto Cassuto spreekt over dit ‘roven' van een stilistische overdrijving. Een samenvatting van rabbijnse meningen in het commentaar van Rabbijn Samson Raphael Hirsch ad loc.

(3) Umberto Cassuto, a Commentary on the Book of Exodus, p. 44

(4) https://historiek.net/slavernij-suriname-a-curacao/4386/

(5) Over de excuses van de gemeente Amsterdam

(6) Bij het congres van de US ligt een voorstel over reparations voor de black community

(7) uitgebreider zie https://www.hagalil.com/archiv/2004/10/wiedergutmachungsabkommen.htm

(8) Hoewel de omstandigheden tussen deze Wiedergutmachung en de Exodus niet volledig vergelijkbaar zijn, zou Nachmanides dit waarschijnlijk hebben ondersteund. Hij ziet het geven van de gouden en zilveren voorwerpen als een erkenning van schuld door de Egyptenaren en als een impliciete vraag om vergiffenis; het ontvangen van de geschenken geeft de Israëlieten de gelegenheid vergiffenis te schenken en daarmee hun wrok en boosheid in Egypte achter te laten en zich te openen voor een nieuwe vrijheid (zo ongeveer de weergave in Harvey Fields, in zijn ‘Commentaar voor deze tijd'  Exodus, p 30).

Parasjat Waëra                 Sjemot / Exodus 6:2 – 9:35

De hardheid van het hart

Al in hoofdstuk 4 als Mozes de reis is aangevangen vanaf de tenten van zijn schoonvader Jetro en nog voordat hij in Egypte is teruggekeerd hoort hij dat de
Eeuwige het hart van de farao, van wie hij de vrijlating van de Israëlitische slaven gaat eisen, zal verharden. (4:21 achazek ). En inderdaad, na elke plaag die over Egypte kwam (behalve de laatste, de dood van de eerstgeborenen) staat er dat de farao zijn hart verharde. (1)

Wat betekent dat verharden? In het Hebreeuws worden hiervoor drie werkwoorden gebruikt, die resp. afgeleid zijn van kasjè , hard, chawed , zwaar en chazak , sterk. Farao dan wel de Eeuwige maakt farao's hart resp. hard, zwaar of sterk. Rabbi Samson Raphael Hirsch (19 e eeuw)(2) onderscheidt hier een verschil in betekenis. Daarbij moeten we beseffen, dat de betekenis van lev (soms Levav ), hart, in het oude Hebreeuws niet zozeer een emotionele associatie met liefde heeft als wel met wil, moed, intentie. Een hart dat kasje is, hard, staat niet open voor indrukken, is afgesloten, onverschillig. Een hart dat chawed, zwaar, is staat wel open voor indrukken, maar laat zich niet bewegen tot koersverandering, maar kan uiteindelijk met veel moeite toch geraakt worden. Een hart dat chazak, sterk, is is vastbesloten en weert alle met die wil tegenstrijdige indrukken af. In die zin is het verharde hart onvrijheid; de overmatig versterkte wil staat niet open voor wat de werkelijkheid nog voor andere mogelijke aanzichten en mogelijkheden biedt. Het is blind voor welke tekenen, signalen, mogelijk zelfs wonderen zich voor ogen afspelen. Het tegendeel van een ‘open mind'

Een bekende theorie in de sociale psychologie - de dissonantie-theorie van Leon Festinger – sluit eigenlijk mooi aan op deze uitleg van Rabbijn Hirsch en werpt mede een licht op de koppigheid van farao en zijn verharde hart. Festinger signaleerde en toonde in experimenten het volgende aan.(3)
Als we eenmaal een beslissing hebben genomen of een keuze hebben gemaakt veroorzaakt alle informatie die we daarna (bijvoorbeeld over ongekozen alternatieven) opdoen en die tegenstrijdig is met onze keuze of onze beslissing tegenspreekt dan wel die in twijfel trekt een onaangename gevoel, een dissonantie. We zullen dan heel ver kunnen gaan om die dissonantie ongedaan te maken. Dat doen we dan door informatie te zoeken die de voordelen van onze keuze of beslissing overmatig zal vergroten. We zullen de voordelen van de ongekozen alternatieven minimaliseren en de nadelen ervan overdrijven. We kunnen zelfs informatie over die alternatieven geheel negeren of vermijden. De auto die we net na veel twijfel en prijsvergelijking hebben gekocht is achteraf altijd veel beter dan de auto's die we ook hebben bekeken maar niet gekocht. We zien dat heel sterk bij ideologische overtuigingen, die zich rotsvast in onze geest hebben genesteld en die moeilijk toegankelijk zo niet immuun zijn geworden voor welke alternatieve of tegenstrijdige informatie dan ook. We zijn bijvoorbeeld alleen maar bezig ze bevestiging te zoeken op internet of in onze sociale media bubbel. Zo'n overtuiging wordt een onderdeel van de identiteit en is geladen met prestige.  Echt gevaarlijk wordt het als die overtuigingen zijn gebaseerd op valse of foute informatie en gepaard gaan met het systematisch afweren van kennisneming van de feiten die die overtuiging onderuit zouden kunnen halen. Het geweld ligt dan om de hoek. U mag zelf invullen waar u dat om u heen ziet (of herkent u het een beetje in u zelf?).

Farao is het prototype van de ideologische machthebber. Hij houdt, gesteund door zijn adviseurs ( chatoemiem , zegt de Tora, schriftkundigen), tot het uiterste vast aan zijn besluit het volk van Israel niet te laten. De funeste gevolgen van dat beleid zal hij minimaliseren en negeren. Niet alleen telt zijn overtuiging dat het nuttige en goedkope arbeidsreservoir van stenenbakkers en stedenbouwers behouden moet worden, ook zijn prestige van politieke en theologische opperbaas, de kern van zijn identiteit, staat op het spel. Hij is verblind en verdoofd voor de signalen, die hem bereiken – of op zijn minst bagatelliseert hij ze –, signalen die hem aan het verstand proberen te brengen, dat zijn beleid van tirannieke onderdrukking van een hele bevolkingsgroep onrechtvaardig is. Alleen een totale crisis kan nog verandering brengen. De rampzalige consequenties moeten zo groot worden, dat het bastion van zijn politieke en theologische prestige bezwijkt; dat gebeurt pas als hij in zijn eigen familie wordt getroffen door het verlies van zijn zoon.

Rabbi Jonathan Sacks z.l. geeft nog een bijzondere ingenieuze interpretatie, die ik waag kort aan te raken.(4) Hij beziet de ‘zwaarte' ( chawed ) of het ‘gewicht' van farao's hart in het licht van het Egyptische geloof, dat na de dood het hart van de dode gewogen wordt op een weegschaal met op de ene schaal het hart en op de andere schaal een veer, die het Egyptische principe van kosmische orde en gerechtigheid (de godin Maät) belichaamt. De handhaving daarvan was zijn goddelijke taak. Met iedere daad van onderdrukking van de Israëlieten (eerst misschien nog begrijpelijk als strategische beslissing) werd het hart van farao zwaarder, zijn schending van de kosmische orden en gerechtigheid groter; het gewicht zal dan doorslaan naar onheil. Met dit voor Egyptenaren te begrijpen metafoor van het gewicht van het hart werd het verhaal van de plagen en de uittocht een verhaal dat niet alleen aan de Joden maar ook aan de Egyptenaren was gericht en belicht het de universaliteit van gerechtigheid. Het is een verhaal voor de hele wereld met als boodschap dat het ingrijpen van de Almachtige in de geschiedenis aan de kant staat van machteloze minderheden, aldus heel pregnant samengevat rabbijn Sacks.

noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Waëra zijn te vinden in mijn boek    REIZEN DOOR DE TORA  , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) R. Samson Raphael Hirsch, The Pentateuch, Exodus, Judaica Press, 1973, ad Ex. 7:3

(3) Zie bijv. https://www.apa.org/pubs/books/Cognitive-Dissonance-Intro-Sample.pdf

(4) In zijn commentaar van 5780 https://rabbisacks.org/vaera-5780/

 

Parasjat Sjemot |  Sjemot/Exodus 1:1–6:1  

Vreemdelingen    


De familiekroniek van Genesis gaat in het boek Sjemot/Exodus over in de geschiedenis van een natie in wording. Al snel groeien de nakomelingen van Avraham, Isaac en Jacob, die ontkomend aan de honger en op zoek naar een beter leven zich dankzij de bemiddeling van de tot onderkoning opgeklommen Jozef in Egypte hadden mogen settelen, uit tot een talrijk volk, zo lezen we in de sidra Sjemot (1). De farao, die Joseef niet meer heeft gekend en die verontrust is geraakt door het groeiend aantal immigranten aan de grens van zijn rijk, noemt de aanvankelijk vrije immigranten aan de grens van zijn rijk een ‘ am benee jisrael' , een volk van kinderen van Israel (1:9), maar dan begint de gedwongen bouwarbeid aan steden (en misschien ook pyramiden). Even verderop in deze sidra als de onderdrukking door de Farao genocidale vormen heeft aangenomen met als doen de groei van het volk te stoppen worden de dwangarbeiders ook aangeduid als Hebreeën, ivriem , namelijk bij de episode van de ‘vroedvrouwen van de Hebreeën' Sjifra en Poea, die het bevel van de farao om na de bevalling de jongetjes te doden, trotseerden (1:15). De populaire etymologie van de term Hebreeën legt een link met avar , voorbijgaan, overtrekken (van een rivier). Avraham is op zijn weg naar Kenaän rivieren als de Eufraat overgetrokken en wordt een Ivri , een Hebreeër, ‘eentje van de overkant van de rivier', genoemd (Genesis/Beresjiet 14:13).  De bekende semiticus en commentator Umberto Cassuto († 1951) legt echter een verband met een andere woordstam die ook in Akkadische en Egyptische documenten voorkomt en die de betekenis heeft van vreemdeling of nieuwkomer in een vreemd land die harde arbeid verricht, zeg maar een antieke vorm van gastarbeider.(2)

De Hebreeën als een met harde arbeid onderdrukte minderheid van vreemdelingen ver van hun land van herkomst dat is het onderwerp van de sidra Sjemot. De Tora schrijft over hoe die Hebreeën van het juk van de farao loskomen en worden tot een vrij volk van Israëlieten, maar vraagt in haar voorschriften meermalen nadrukkelijk dit vreemdelingschap nooit te vergeten. Een markant voorbeeld: eenmaal in het beloofde land moesten de eerste opbrengsten van de oogst ( bikoeriem ) aan de Tempel worden aangeboden met de plechtige recitatie van een beknopte samenvatting van het bevrijdingsverhaal waaronder de woorden (Deuteronomium/Devariem 26:5): ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen etc.', zinnen die we herkennen als centraal onderdeel van de Hagada, de handleiding van teksten en liederen bij de seidermaaltijd op de eerste twee dagen van Pesach.

Vanaf het ontstaan van het Israëlitische (later Joodse) volk heeft zich in de psyche een diepgaande vertrouwdheid genesteld met het vreemdeling zijn. In Exodus lijkt wel een scenario vastgelegd dat zich talloze malen zou herhalen.
Vele exodussen zijn nog gevolgd, meestal niet vrijwillig. Vele eeuwen Joods vreemdelingschap zijn er nog gevolgd in bijna alle landen van deze wereld! En hoe vaak is het niet voorgekomen, dat net als we denken geen vreemdeling meer te zijn we er verbaal en soms hardhandig weer aan worden herinnerd.
Ergens binnenin hebben we nog voeling met het vreemdeling zijn en het verlangen naar een ooit komende veilige thuiskomst. Als Joden zijn we het prototype voor allen die zijn gedwongen huis en haard te verlaten om elders toevlucht trachten te vinden. Als minderheid in andere landen zijn we gemakkelijk de bliksemafleider geweest voor economische, psychologische en spirituele frustraties. Alertheid op mogelijke ontwikkelingen in die richting is een tweede natuur geworden. Ook in het herwonnen thuisland van de relatief nieuwe staat Israël is die alertheid te midden van een wereld met antizionistische tendensen terecht nog niet verdwenen.

Eigenlijk zijn we als archetypische vreemdelingen exemplarisch voor het existentiële vreemdelingschap van ieder mens. Israël als pilotproject voor de mensheid. Want zijn we deep down niet allemaal, Joden en niet-Joden, hoe verschillend vaak ook, vreemdelingen op deze aardbol. "… want het land behoort mij toe en jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn. ", zegt de Eeuwige (Leviticus/Wajikra 25:23 ) .
Moeten wij, zonder zin vooraf geworpen in het bestaan op aarde, zoals de existentialistische filosofen beweren, ons leven zelf ontwerpen? Wij willen er liever vanuit gaan, dat in ieder leven een zin verborgen, ontdekt en ontplooid wil worden tijdens het aards verblijf, dat ons is gegeven en dat naarmate je ouder wordt maar een korte tijd in beslag lijkt te nemen. Het besef dat we als mens het vreemdelingschap existentieel met alle andere mensen gemeen hebben kan ons helpen elkaar met nieuwe en meer liefdevolle ogen te bezien. Een gezegend en gezond 2021!

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Sjemot zijn te vinden in mijn boek    REIZEN DOOR DE TORA  , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) U. Cassuto: Commentary on the Book of Exodus, Magnum Press, Jerusalem. 1951,1967, p 13

RC jan 2021

Parasjat Wajechi Beresjiet/Genesis 47:27 – 50:26

Een leugen om wille van de vrede?

Als Jacob op zijn uitdrukkelijk verzoek met veel eerbetoon is bijgezet in de grot van Machpela, in Kena'an – mede om zijn nakomelingen te herinneren aan hun land van herkomst, zeggen de geleerden – worden de broeders van Jozef opeens bang, dat de machtige heerser hen alsnog zal straffen, nu het oog van zijn vader niet langer op hem rust. Jozef huilde toen hij de boodschap hoorde en besefte hoe bang zijn broeders waren en hoe zij dus niet door hadden, dat ondanks alle geleden misère alles nu goed was. 
Zo staat het in Genesis 50:16 ev (HSV): 16 Daarom zonden zij Jozef deze boodschap: Uw vader heeft vóór zijn sterven geboden: 17 zo moet gij tot Jozef zeggen: och, vergeef toch de overtreding uwer broeders en hun zonde, want zij hebben u kwaad aangedaan. Nu dan, vergeef toch de overtreding der dienaren van de God uws vaders. En Jozef weende, toen men zo tot hem sprak 

Die al dan niet vermeende order van de oude vader om zijn zonen te sparen heeft de nodige vragen opgeroepen. Was Jacob überhaupt wel ingelicht over de wandaden van zijn zonen ten aanzien van Jozef? De vader leefde waarschijnlijk nog steeds in het geloof dat zijn zoon verdwaald was op zijn weg en als slaaf terecht was gekomen in Egypte. Nachmanides (1) zegt, dat de broeders het niet verteld hebben uit angst voor hun vader, en Jozef niet om zijn vader geen verdriet te doen. Want had de oude man het wel geweten, dan had hij hen misschien op zijn sterfbed wel vervloekt in plaats van gezegend of dan hadden zijn zonen wel gesmeekt om zo'n bevel aan Jozef te geven. 

Heeft Jacob inderdaad dit dringende wel gedaan?
Rabbi Sjimon ben Gamliel zegt in een midrasj op Genesis (2): ‘ Groot is vrede, want zelfs de stammen brachten verzinsels te berde om de vrede tussen elkaar en Jozef te bewaren, zoals geschreven staat: “Daarom zonden zij Jozef deze boodschap: Uw vader heeft vóór zijn sterven geboden…”. Want waar staat dat hij heeft geboden? We vinden nergens dat hij aldus heeft geboden'  .   
Een latere midrasj brengt deze R. Sjimon ben Gamliel weer ten tonele (3): ‘Groot is de vrede, omdat de Heilige, Hij zij gezegend zaken in de Tora heeft geschreven, die niet waar zijn, maar daar staan om wille van de vrede. Het zijn de volgende: ‘ Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader gestorven was, zeiden zij: Als Jozef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons ten volle al het kwaad vergeldt, dat wij hem hebben aangedaan ' Wat deden ze? Ze gingen naar Bilha en spraken tot haar, ‘Ga naar Jozef en zeg tegen hem ‘Voordat hij stierf gaf je vader een bevel, dat inhield: dit moet jullie zeggen tegen Jozef, “Alstublieft, vergeef toch de overtreding van je broers”. Maar niets daarvan heeft Jacob bevolen; Het waren hun eigen woorden. Etc.'
Ze hebben het dus verzonnen om als het ware vaderlijke autoriteit te verlenen aan hun smeekbede niet alsnog gestraft te worden. 

Is een leugen om bestwil af en toe geoorloofd om de vrede te bewaren?
De oude Talmoedgeleerden twijfelden (4), zoals R. Ilea die verklaarde in de naam van R. Eleazar, zoon van R. Sjimon: men mag een verklaring wijzigen in het belang van de vrede; en hij verwijst naar de onderhavige passage, ‘ Uw vader heeft vóór zijn sterven geboden, etc'. Rabbi Nathan wijst daarop op een onmiskenbare autoriteit die het verhullen van de waarheid bekrachtigt en die het verzinnen van een beetje misleiding ten behoeve van een groot belang zelf beoefent: namelijk niemand minder dan de Eeuwige zelf; kijk maar naar 1 Samuel 16:1 ev (NBG): ‘ De Eeuwige zeide tot Samuël: Ik zend u naar de Betlehemiet Isaï, want onder zijn zonen heb Ik Mij een koning uitgezocht. 2 Maar Samuël zeide: Hoe zou ik kunnen gaan? Als Saul het hoort, zal hij mij doden. De Eeuwige zeide: Gij zult een jonge koe meenemen en zeggen: ik ben gekomen om de Eeuwige een slachtoffer te brengen. 3 Dan zult gij Isaï tot dit offer nodigen, en Ik zal u te kennen geven wat gij doen moet; gij zult voor Mij zalven wie Ik u zal aanwijzen'.  
Schiet Samuel te kort in zijn geloof in de bescherming van zijn God? Neemt de Eeuwige het ook niet zo nauw met de waarheid en suggereert hij aan zijn profeet zelfs een list of een smoesje om diens eigenlijke missie – om David tot volgende koning te zalven - te verhullen?
Diverse rabbijnse autoriteiten worstelen met de rol van de Eeuwige in deze teksten. Nechama Leibowitz (5) citeert in haar behandeling van dit vers met instemming de mening van de vroegmiddeleeuwse Bachya Ibn Pakuda die over deze passage zegt, dat de Eeuwige de voorzichtigheid van Samuel juist waardeert: ‘Hij die zijn eigen leven neemt verzaakt aan de dienst van de Eeuwige en loopt over naar de vijand. Daarom zegt Samuel: Hoe zou ik kunnen gaan? Als Saul het hoort, zal hij mij doden. Dit wordt niet gezien als het betoon van een gebrek aan geloof. Het antwoord van de Eeuwige toonde aan, dat zijn (Samuels) voorzichtigheid te prijzen was door hem te bevelen: neem een jonge koe.'
Waarmee aangegeven wil zijn, dat soms de waarheid moet wijken voor een groter belang als vrede of levensbehoud. Het gedrag van Jozefs broers kan als gerechtvaardigd gezien worden op grond van het principe, dat soms de waarheid ondergeschikt moet worden gemaakt voor een groter belang, in dit geval hun leven, dat in hun ervaring in de waagschaal stond.
 
We leven in een periode waarin desinformatie en fake news woekert in een mate die chaos, polarisatie en destabilisatie gevaarlijk bevordert. Maar in het algemeen wordt dit ook expliciet door hen die fakenews verspreiden en desinformatie de wereld insturen beoogd. De vraag die het leugentje van Jozef broers met zich meebrengt is: is fakenews ook als juist daarmee polarisatie of zelfs oorlog wordt voorkomen en de vrede -persoonlijke vrede of vrede tussen groepen en naties – wordt gediend daarentegen wel geoorloofd? De rabbijnse commentaren neigen ertoe dat dit geoorloofd is en dat de morele schade van de leugen niet opweegt tegen het kostbare goed van de vrede.

Ik kan mij een chassidische anekdote herinneren van een Oost-Europese rebbe, die bekend stond om zijn compassie. In zijn kille (gemeente) was een man stervend, die op zijn doodsbed vertwijfeld worstelde in wanhoop, dat hij geen plek zou krijgen in de komende wereld, de olam haba . Hij kon zich niet aan de dood overgeven. De Rebbe ging naar de man en zei hij dat hij zijn eigen plek in de komende wereld aan de stervende afstond en hij liet dit geschenk vastleggen in een document, dat hij samen met getuigende omstanders tekende en aan de arme man gaf, die daarop rustig heenging. Leugen om bestwil? (6)

Noten

(1) in: Nechama Leibowitz, Studies in Bereshit, WZO, p.563 ev, waaraan ook een en ander is ontleend in mijn commentaar
(2) Midrasjverzameling op Genesis uit plm 200-300 gewone jaartelling Bereshit Rabba 100,9

(3) Midrasjverzameling uit plm 700 gj Tanchuma Tzav 7
(4) in Talmoed Jevamot 65b
(5) Nechama Leibowitz, op cit
(6) Zie ook bv de anekdote rond vredebrenger Aharon in midrasjverzameling Avot de Rabbi Nathan 14b, 25a (geciteerd uit Marcus v Loopik ) ‘En evenzo, wanneer twee mensen met elkaar twistten, dan ging Aharon bij één van hen zitten en sprak tot hem: 'Mijn zoon, let op wat jouw kameraad zegt; terwijl hij zich op de borst [let. het hart] slaat en zijn kleren scheurt, zegt hij: "Wee mij, hoe kan ik mijn ogen opheffen en mijn kameraad aanzien? Ik schaam mij voor hem, want ik heb verachtelijk tegenover hem gehandeld!''' Hij bleef dan bij hem zitten totdat hij de vijandigheid (naijver) uit zijn hart had verdreven. Dan ging Aharon bij de ander zitten en sprak (ook) tot hem: 'Mijn zoon, let op wat jouw kameraad zegt;  terwijl hij zich op de borst slaat en zijn kleren scheurt, zegt hij: "Wee mij, hoe kan ik mijn ogen opheffen en mijn kameraad aanzien? Ik schaam mij voor hem, want ik heb verachtelijk tegenover hem gehandeld."' Hij bleef (ook) bij hem zitten totdat hij de vijandigheid (ook) uit zijn hart verdreven had. Wanneer zij elkaar (vervolgens) troffen, omarmden ze elkaar en kusten elkaar. Daarom is er gezegd:  'En zij huilden om Aharon dertig dagen (lang), het gehele huis Israëls'  (Num. 20:20). 
Maar van Mosjè   die hen met harde bewoordingen terechtwees, is gezegd: 'En de  zonen  Israëls weenden om Mosjè' (Deut. 34:8)'

RC 2018


Parashat Wajigasj  Beresjiet/Genesis 44:18 – 47:27

De paradox van de twee lagen

Als Joseef na de emotionele pletrede van Juda de overtuiging heeft gekregen, dat zijn broeders werkelijk ten goede zijn veranderd, kan hij zich bekend maken als de broer, die zij ooit verkocht hebben aan de karavaan van de Midjanieten. De broeders zijn eerst verbijsterd en bang, maar de onderkoning Joseef stapt als het ware van zijn troon af en laat de geschrokken schare dichtbij hem komen. Hij bezweert hen niet bang of boos te zijn. Niet met zoveel woorden vergeeft hij de mannen hun schuld – maak jezelf niet langer verwijten, zegt hij – en hij plaatst de hele keten van gebeurtenissen, die hebben geleid tot de hoge en machtige positie die hij nu heeft in een ander perspectief, dat van de Goddelijke voorzienigheid:  
Beresjiet Genesis 45: 7 (NBV) ‘God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen; zo wilde hij veel levens redden'. 

Die Goddelijke voorzienigheid is in de laatste eeuwen van verlichtingsdenken en moderniteit nogal in discussie gekomen, zo niet door de meeste moderne denkers als idee verlaten.  
In de 18e eeuw deden de vaak nog christelijk georiënteerde filosofen een poging om het beeld van een God die een goede wereld heeft geschapen en een voortreffelijk plan heeft uitgestippeld te verenigen met enerzijds de onloochenbare feiten van de natuurrampen en het morele kwaad en anderzijds met de steeds verfijndere concrete wetenschappelijke feiten van een wereld die voor de verklaring van de verschijnselen geen God nodig heeft. In veel van hun redeneringen werd het kwaad gezien als een door God ingestelde onvermijdelijke omweg naar de uiteindelijke goede eindbestemming. (1)
Later werden door moderne filosofen en wetenschappers deze soort pogingen geheel gestaakt en gingen vele (existentialistische) denkers de menselijke positie zien als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de uitdaging het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen levensontwerp maken, enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Moedig en opstandig bepaalt hij zijn eigen lot.   Sterk wordt de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid voor het eigen leven en de vrijheid om vorm te geven aan dat leven, dat in grote mate maakbaar is.

In die sfeer kan Joseef gezien worden als een schoolvoorbeeld van iemand die er het beste van heeft gemaakt. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn lot. Hij had een helder verstand, een prima intuïtie, een vermogen om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen. Die gaven heeft hij uitstekend gebruikt. De misdaad die zijn broers aan hem gepleegd hadden heeft hem uitgedaagd zijn talenten tot het uiterste uit te buiten. De hele reeks gebeurtenissen rond Joseef kunnen prima geduid worden als bepaald door de acties van een man, die verantwoordelijkheid neemt, zelfvertrouwen heeft en vastbesloten is. Zò is hij opgeklommen uit het dal naar de top, misschien een beetje geholpen door gelukkig toeval.   Waar is er die superviserende Voorzienigheid voor nodig?  

En bovendien: een Goddelijke voorzienigheid, die misdaden nodig heeft om zijn voorziene doelen te bereiken, is die wel te verdedigen? Het is opvallend hoe vaak de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, dwalingen, vooruit: zeggen we ‘zonden', de geschiedenis juist essentieel vooruit hebben helpen duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis van de mensen; de jaloersheid van zijn broers brengen Joseef - en uiteindelijk de Israëlieten – in Egypte; de zonde van Juda met Tamar brengt het nageslacht voort dat zal leiden tot koning David en diens zonde met Batsjeva en de moord op haar man brengen de grootste koning van Israel voort, Sjlomo ha-melech, koning Salomo.   ‘Overtredingen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israel; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen'. (2)

Het blijft een lastige kwestie. Hoe het ook zij, Joseef zelf had de ervaring, dat hij instrument was van een Goddelijke hand. Had hij dat verkeerd? Hoe kunnen we dat in ons hedendaags denken rijmen?
Mijn indruk is, dat in het beste van het Joods gedachtegoed de paradox geduld kan worden, dat er als het ware twee bestaanswijzen naast elkaar kunnen bestaan, twee lagen van bewustzijn, waarin de wereld en het menselijk bestaan gepercipieerd en onderzocht kan worden.  (3)

De eerste laag is de laag van het contingente en concrete gebeuren in de wereld, waarin de mens tot op grote hoogte de vrije wil ervaart om binnen gegeven voorwaarden beslissingen te nemen en zijn leven en omgeving vorm te geven. Het is goed te doen om in deze laag te leven zonder idee van voorzienigheid; er is geen vooraf ingebouwde voorzienigheid of zin.   De wetenschap is de meest rationele uitbouw van deze bestaanswijze.
De met hoe dan ook met enige reflectie (misschien mogen we zeggen met religiositeit in de meest ruime zin) behepte mens is daar toch niet tevreden mee. Hij vermoedt een tweede laag, een hogere of diepere laag, die zich stelt boven (of onder) alle contingente fenomenen en menselijke onderscheidingen zoals bijv. goed en kwaad, een laag waarin iets gewaar of vermoed kan worden omtrent onder- of bovenliggende richting, sturing, bestemming.   Wat je als mens kan doen is je daarvoor trachten open te stellen en proberen te zien of te luisteren naar wat de weg is die hem wordt aangeboden vanuit een volstrekt andere dan de vertrouwde dimensies.

In die termen is de kwaliteit van Joseef geweest om in de nood van het moment open te staan voor die diepere/hogere laag en voor de tekenen, die de noodzakelijke richting aangaven; wie weet geeft een dergelijke openstelling voor die andere dimensie (God zo je wilt, maar je mag het ook ongenoemd laten) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is. Dat inzicht over hoe dat bij hem het geval was moet bij Joseef ten volle ingedaald zijn, toen hij zijn broeders na ruim twintig jaar weer voor zich zag.

Parasjat Wajisjlach    Genesis/Beresjiet 32:4 – 37

Overwinnen met een litteken

Jacob is op de terugris vanuit Charan naar de tenten van zijn jeugd. Zijn broer Esau, die hij tweeëntwintig jaar geleden ontvlucht was trekt hem tegemoet, beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jacob de ontmoeting met zijn vermoedelijk wraakzuchtige broer naderen en hij vreest het ergste. Verschillende preventieve maatregelen treft hij. Hij verdeelt zijn mensen over verschillende plaatsen, zend rijke geschenken aan vee vooruit. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de beek Jabbok en vecht met een onbekende man

De nacht van Jacobs worsteling met de ‘man'   (iesj  ) ontpopt zich als een beproeving. De paradox is dat de duistere kracht die Jacob aangrijpt en het op zijn ondergang voorzien lijkt te hebben, hem kwetst aan zijn heupspier, zich in de loop van het gevecht onthult als engel van licht die Jacob kan zegenen en hem een nieuwe identiteit (als ik dat beperkte woord kan gebruiken) in leidt. Het is Jacob die zijn inzet ten volle moet geven, maar als hij dat dan ook doet, wil de tegenstand wijken en blijkt daarachter de goddelijke zegen schuil te gaan.

In zijn jonge jaren was Jacob jaloers op Esau, hij wilde de macht en de ongeremde spontaniteit van de door de vader zo geliefde Esau hebben en aan het ziekbed van zijn vader kleedde hij zich zelfs in Esau's kleren, wilde als het ware in zijn schoenen staan. Nu vindt hij zijn werkelijke identiteit en zijn missie: man te zijn van de geest, die het primaat heeft boven de illusie van fysieke macht en materiële rijkdom. Het nachtelijk gevecht betekent ook de rekenschap die Jacob zich moet geven over zijn leugenachtig en jaloers gedrag tegenover zijn vader en zijn broer, een ‘  chesjbon hanefesj'  , een afrekening op diep psychisch niveau; Jacob heeft ommekeer –  tesjoeva  – gedaan. Van een Jaäkov, een hielenvolger, een bedrieger, is hij een Godstrijder, Israël, geworden.

Toch is Jacob er niet zonder ‘kleerscheuren' vanaf gekomen.
Hij is gewond geraak aan zijn dijbeen, meer speciaal aan de zenuwpees die over de heup loopt, de  nervus striaticus  . Hebreeuws  gied nasjee  , je zou kunnen zeggen een variant van de Achilleshiel.  Daar op die plek wist de nachtelijke man/engel net nog voor het ochtendgloren, toen hij ‘op verlies' stond, Jacob nog te raken. De rabbijnen associëren dit met een stukje kwaad, dat Jacob zo met zich meenam en (zelfs dat dit mystiek gezien een opening bood voor rampzalige gevolgen als de verwoesting van de tempel), een denkwijze die doet denken aan soort van negatief ‘karma', dat toch aan de gelouterde aartsvader bleef kleven. Het staat dan voor de zwakke plek die wij allemaal hebben om te bezwijken voor hartstochten, die ons op een onbewaakt ogenblik kunnen overweldigen.  Gied nasjee  , letterlijk ‘de zenuw van het vergeten' , want wanneer die zwakke plek – volgens de Zohar niet voor niets vlak bij schaamstreek, - eenmaal geraakt is kunnen we alle morele scrupules en al het  rationele denken vergeten, overboord zetten. Zo verklaart men het taboe, dat de Tora voor het eten van de heupzenuw geeft (1).

Als alternatieve uitleg zou je ook kunnen zeggen, dat Jacobs kwetsuur op indringende wijze weergeeft, dat alle intens ingrijpende ervaringen van fysiek en psychisch geweld een trauma nalaten. Jacob hield er een mank been aan over. De overwinning is nooit absoluut. Je kan er overheen komen, er rijker uitkomen, maar een litteken blijft schrijnen. Dat herinnert de mens aan zijn worsteling om de crisis te boven te komen, sadder and wiser.

Noot
1) zie de een uitgebreide kabbalistische behandeling door Isaiah ben Abraham Horowitz (c. 1555 – March 24, 1630) ofwel de Shelah in  Shney Luchot Habrit  op sefaria.org

Parasjat Wajetsee Beresjiet /Genesis 28:10 – 32:4

Vertrekken en opnieuw beginnen

In deze parasja (1) vertrekt Jacob uit zijn vaderhuis te Berseba (Beër Sjeva) op de vlucht voor zijn op wraak beluste broer, wiens vaderzegen hij slinks aan vader Isaac had ontfutseld. Zijn bestemming is Paddan Aram (in het tegenwoordige Syrië) de woonst van zijn oom Lawan. Nav de vorige parasja belichtte ik het thema broederstrijd, dat door het hele boek Genesis (en de geschiedenis) heen speelt. Het thema dat ik nu graag naar voren haal is vertrekken en opnieuw beginnen, dat kenmerkend is voor Jacob, de geschiedenis van de Israëlieten en de Joden in breed verband.

Het vertrekken en opnieuw beginnen neemt een aanvang bij Jacobs grootvader Avraham (voorafgegaan door het vertrek van vader Terach uit Ur). Het afscheid van zijn vertrouwde familie in Charan is voor Avraham noodzakelijk om onafhankelijk van de religieuze praktijken van zijn familie een nieuw leven te beginnen naar zijn eigen inzichten over de Ene godheid van rechtvaardigheid en mededogen. Avraham vertrok in het gezelschap van zijn vrouw Sara, zijn personeel en zijn vee naar Kanaän en vaak brak hij op om weer elders in deze streken neer te strijken.

Zijn kleinzoon Jacob die zich ambitieus – als was het meer met list dan met eerlijke middelen - had opgeworpen als erfgenaam van Avrahams geloofsgoed stond misschien nog wel voor een grotere onderneming toen hij moederziel alleen uit Berseba vertrokken was en met een volstrekt open toekomst voor zich zijn moede lijf voor een eerste nachtrust onder de blote hemel neerlegde met een paar stenen om zijn hoofd als bescherming en hoofdkussen. Daar kreeg hij zijn beroemde droom over de ladder naar de hemel met de engelen die naar boven en beneden gingen. De meest eenvoudige uitleg van de engelen is misschien dat de naar boven gaande engelen vooral smeekbeden om bescherming waren van de eenzame man in een vreemde omgeving. De neergaande engelen waren dan de tekenen van bevestiging van die bescherming. Bescherming klonk ook door in de woorden die Jacob in zijn droom hoorde van de Eeuwige die bij hem ( alav ) stond (28:13).

De midrasj vertelt hoe Jacob in de droom door de Eeuwige een ver zicht in de toekomst werd gegund. (2) Laten we ons eens voorstellen dat hij gezien zou kunnen hebben hoe hij en na hem zijn nakomelingen tot in honderden generaties ver menigmaal zouden opbreken, inpakken (of zelfs dat niet), vertrekken, zich weer zouden vestigen en opnieuw beginnen.

Bij zijn oom Lavan zag Jacob zich uitgroeien tot een vermogend man met een groot gezin, maar na twintig jaar zag hij het moment aangebroken voor vertrek en een nieuw begin, dat zijn culminatie zou vinden toen tijdens zijn existentiële gevecht met de engel hem een nieuwe naam werd gegeven: Israël. Na bijlegging van het conflict met zijn broer Ezau zou na vele jaren Jacob nog eenmaal moeten opbreken om naar een heel nieuw land te gaan, Egypte. Daar was zijn zoon Jozef al eerder naar vertrokken om daar beginnend als slaaf op te klimmen naar vicekoning. Maar niet alleen Jacob vestigde zich op zijn oude dag nog in een vreemd land, ook zijn elf andere zonen deden dat door hongersnood gedwongen en bleven daar om gedurende vierhonderd jaar uit te groeien tot een grote menigte die na dat lange verblijf toch ook weer geroepen werd te vertrekken om te horen bij de heilige berg hoe Avrahams erfenis door bemiddeling van Mozes nu in een revolutionaire verbale vorm werd gegoten als basis voor een functioneren als een nieuw volk: de Tora.

Gesetteld in de streken waren de aartsvaders als nomaden hadden geleefd waren ze toch niet bestemd om daar voor altijd te blijven. Een vernieuwing vormden de profeten die steeds waarschuwden om de richtlijnen van de Tora te blijven volgen, maar dat mocht niet baten Na vijfhonderd jaar roerig verblijf in Kanaän werden de Judeeërs afgevoerd in ballingschap naar het Babylonische rijk in Mesopotamië, een ballingschap die na zeventig jaren werd afgesloten met een terugkeer in Judea. Die ballingschap luidde die tegelijkertijd een vernieuwing in van het geloofs- en gedachtegoed in de vorm van de definitieve optekening daarvan onder leiding van Ezra, hetgeen het begin betekenden van een nieuwe praktijk van uitleg en commentaar. Vanaf het jaar 70, de verwoesting van de tempel te Jeruzalem begon het massale vertrek uit de Romeinse provincie Palestina. Het einde van de tempel en het verblijf in vreemde landen bracht wel weer een vernieuwing met zich mee, de mondelinge leer werd opgetekend en zo behouden voor volgende generaties: de Talmoed en de midrasj.

Tweeduizend jaar ballingschap nam een aanvang, tweeduizend jaar waarin steeds gemeenschappen van Joden – soms na vele eeuwen - door vervolging of verbanning werden gedwongen, soms na moordpartijen en met achterlating van vele doden, te vetrekken en elders opnieuw te beginnen. Maar steeds werd de geestelijke erfenis van Avraham en Mozes en de daaropvolgende leraren meegenomen en ieder generatie bracht weer nieuwe vernieuwende inzichten aan. De twintigste eeuw kende een ongekende opleving van antisemitisme en tegelijk in toenemende golven de terugkeer van Joden naar de plek van oorsprong. Het verbijsterende dieptepunt van de sjoa gaf niettemin een definitieve push aan de stichting van de staat Israël.

Vertrekken en opnieuw beginnen gaf zoals boven geschetst vaak een impuls tot creatieve vernieuwing van het gedachte- en geloofsgoed in de Joodse gemeenschap. Is dat fenomeen nu met de massale terugkeer en thuiskomst in het zo lang beloofde land nu tot stilstand gekomen? Om weer een nieuw begin te maken met de toekomst, om uit de verstarring van een volhardende en benauwende status quo of een proces van verval in routine en vastgeroeste posities te stappen naar nieuwe creatieve nieuwe verhoudingen moeten we in Israël (en als we Israël zien als pilot project voor de wereld ook in de wereld) beslist niet wachten tot geweld of noodzaak daartoe dwingt.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek    REIZEN DOOR DE TORA    , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn    website  

(2) Bijv. De midrasj veronderstelt dat Jacob in de engelen die de ladder op en neer gingen zijn de komende rijken ziet die in de verre toekomst zullen opkomen en weer verzinken, zoals de Babyloniërs, de Meden en Perzen, de Grieken en de Romeinen. (Pirké de Rabbi Eliezer 35)
Gen 28: ‘Je zult zo veel nakomelingen krijgen als er stof op de aarde is' ontlokt het rabbijns commentaar, dat dit slaat op de behandeling van de Joden in hun verbanning als stof waar je op trapt, maar ook op stof als het positieve fenomeen: stof dat hoger opwaait dan de persoon die erop trapt, verwijzend naar dat de Joden hoger zullen rijzen dan de volken die hen vernederen. (Rabbeinu Bachya ad loc)

Parasjat Toldot Beresjiet/Genesis 25:19-28:9

Twee naties

Genesis is mede een verslag van een fundamentele broederstrijd. Het is een strijd, die de ontwikkeling van het volk van Israël zal bepalen en die misschien wel iconisch is voor de ontwikkeling van de mensheid. Het is een strijd tussen twee polen: de pool van de grove macht van het fysieke en mentale geweld en de zachte kracht van de geest en moraliteit. Vaak lijkt de laatste ondergeschikt aan de eerste. De eerste manifestatie hiervan in de bijbel vind plaats als Kajin zijn jongere broer Abel (Hevel) doodslaat. Abrahams stuurt zijn oudste zoon Ismael (Jisjmael) vanwege diens spot om zijn jongere halfbroer Isaac weg de woestijn in. Het volgende bedrijf speelt zich in deze parasja (1) af als Isaacs vrouw Rebekka (Rivka) zwanger wordt van een tweeling. In de baarmoeder botsen de twee al tegen elkaar (2) en maken de moeder wanhopig. Ze vraagt raad aan de Eeuwige, die antwoordde (de midrasjiem zeggen bij monde van Avraham, resp via de jesjiewa van Sjem) (HSV 25:23):
Er zijn twee volken in uw schoot,
en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden.
Het ene volk zal sterker zijn dan het andere
en de meerdere zal de mindere dienen
.
(rav jaäwod jaïer )

In de boezem van Isaacs familie komt deze strijd tussen de macht, kracht, impulsiviteit en emotie enerzijds en geest, overleg, bedachtzaamheid weer boven en tot volle ontplooiing. Hij wordt nu belichaamd door Ezau (Esav) en zijn enkele minuten jongere tweelingbroer Jacob. Dat hij in de baarmoeder van Rebekka al is begonnen laat zien hoe fundamenteel deze tweespalt is. Moest Abel, de man van de geest nog het onderspit delven voor zijn impulsieve en sterke oudere broer Kajin en moest de vreedzame Isaac nog worden beschermd voor zijn onstuimige broer Ismael, Jacob zal het zelf moeten doen en hij zal uiteindelijk niet wijken voor de macht van Ezau, al is de strijd niet beslist en duurt hij nog steeds voort.

Samson Raphael Hirsch (1808-1888, grondlegger van de moderne orthodoxie) ziet (3) de twee broers twee soorten naties representeren. De ene staat bouwt zijn grootheid op grond van geest en moraliteit en het menselijke in de mens, de ander zoekt zijn grootheid in berekening en macht, geest en macht, moraliteit en geweld staan tegenover elkaar en al vanaf hun ontstaan zullen ze tegenover elkaar staan. De ene staat zal steeds machtiger zijn al de andere. De schaal zal voortduren nu eens naar de ene kant dan weer naar de andere kant doorslaan. De hele geschiedenis is niets anders dan een strijd over of de geest of het zwaard de dienst uit zal maken of zoals de Oude Wijzen zeggen: Jeruzalem of Caesarea (destijds de Romeinse hoofdstad van het bezette beloofde land).

Dat schreef de rabbijn in de 19 e eeuw, nog onbewust van wat er allemaal komen zou. Ook nu in deze wereld van nieuwe politieke en maatschappelijke verschuivingen zien we deze worsteling plaatsvinden. Maar ook in onszelf kunnen we met enige reflectie de impulsieve, manipulerende amorele, egocentrische stem ontwaren naast een beter weten over wat de menselijkheid van ons vraagt.
Ik ontkom niet aan het beeld, dat ik in Barak Obama meer een persoon in de buurt van Jacob zie en Donald Trump als een manifestatie van Ezau

De meerdere zal de mindere dienen, rav jaäwod jaïer . Hirsch benadrukt dat rav niet de ‘oudere' betekent (zoals in sommige vertalingen zoals de NBV) maar ‘groot in aantal en macht'. Uiteindelijk zal de machtige zich moeten schikken naar de geest en de moraliteit. M acht en geest kunnen niet zonder elkaar maar de macht zal de geest moeten erkennen en dienen. Dat is misschien ook de kern van de verzoening (misschien een groot woord, wederzijdse erkenning is misschien beter) die Jacob later met Ezau zal bereiken in de volgende parasja.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek    REIZEN DOOR DE TORA    , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn    website  

(2) Wanneer botsten Ezau en Jacob in de buik van Rebekka? De vrome Oude Wijzen wisten: als Rebekka voorbij de Tora academie van Sjem kwam schopte Jacob om eruit te komen en als ze voorbij een heidense tempel kwamen wilde Ezau door schoppen uit de baarmoeder komen (Genesis Rabba 63:6)

(3) In zijn Tora commentaar ad loc

Parasjat Chajee Sara Beresjiet/ Genesis 23:1–25:18

Zinvol leven, rustig heengaan: in memoriam Jonathan Sacks

De parasja Chajee Sara (1) gaat over dood en nieuw leven. Het begin van de parasja beschrijft de dood en begrafenis van Sara en aan het eind de dood en begrafenis van Avraham. Daartussen in lezen we het ontroerende verhaal van hoe Avrahams knecht een vrouw voor Isaac (Jitschak), Rebekka (Rivka) vindt en naar Avrahams tenten brengt. Zo is de basis gelegd voor de continuïteit van Israëls bijzondere geschiedenis.

In de week van deze parasja over de dood van de aartsvader en de aartsmoeder, is ook - te vroeg - na een kort ziekbed overleden Lord Jonathan Sacks, zijn stem die inzake religieuze verdraagzaamheid en antisemitisme gezag had in de Joodse wereld en ver daarbuiten zal niet meer klinken. Aan de boeken en frisse, erudiete en ruimhartige visie op de Tora van deze emeritus opperrabbijn van het orthodoxe Jodendom in Engeland hebben velen waaronder mijn persoon nieuwe inspiratie opgedaan. (2)
Hij is als trouwe commentator op de parasja van de week niet meer toegekomen aan een nieuw commentaar op de parasja Chajee Sara voor 5781. Laten we eens kijken wat hij heeft geschreven in zijn commentaar van het jaar daarvoor, Dat gaat over hoe Sara en Avraham na een leven vol beproevingen toch in volle vrede zijn gestorven.(3)

Van Avraham weten wij dat hij in volle vrede is heengegaan omdat dat expliciet vermeld is in 25:8 : ‘Toen gaf Abraham de geest en stierf in goede ouderdom, oud en (van het leven) verzadigd'.
Van Sara veronderstellen we dat op grond van Rasji's uitleg van de Hebreeuwse tekst over haar heengaan, die letterlijk vertaald luidt: ‘Het leven van Sara was honderd jaren en zeventig jaren en zeven jaren, de jaren van het leven van Sara'. Waarom wordt dat nogmaals vermeld aan het eind, de jaren van het leven van Sara, nu zonder getallen? Dat is om aan te geven dat alle jaren voor Sara even goed waren (dus ook het laatste), annoteert de middeleeuwse meester.

Beiden overleden in een serene kalmte ondanks de tegenslagen die zowel Sara als Avraham te verduren hadden, tegenslagen die hen niet tot verbitterde slachtoffers maakten. Sara moest de gevaarlijke tijd in de harems van de farao en koning Avimelech doorstaan, waarin zij was terechtgekomen toen zij om haar echtgenoot voor represailles door deze machtige heersers te behoeden zich als zijn zuster had voorgedaan. Ook haar lange kinderloosheid ondanks alle goddelijke beloften aan haar en Avraham was een aanslag op haar moreel geweest. Ook moest ze lange tijd verduren dat haar noodgedwongen aan Avraham als bijzit afgestane slavin Hagar bij Avraham een zoon had en zij niet, tot eindelijk Isaac was gekomen. Sacks ziet als bittere pil voor Avraham, dat hij ondanks alle beloften van God van een hem toekomend land toch nog steeds een nomade is gebleven, een vreemdeling in Kanaän, die met veel moeite een eerste stukje grond van de Hethieten had losgekregen voor een graf voor zijn vrouw, de trouwe metgezel van zoveel jaren die hij moest verliezen. Ook het bijna-offer van zijn lang beloofde geliefde zoon (zie vorige parasja) deed hem niet van zijn rotsvast geloof vallen. Ondanks al deze beproevingen was zijn gevoel van goddelijke nabijheid ongeschokt, gezien de mededeling in 24:1, dat de Eeuwige Avraham in alles had gezegend.

Wat is de inspiratie die Avraham en Sara deed opbreken uit een vertrouwde omgeving naar een vreemd land, waar onzekerheid en onveiligheid hen wachtte?
Wat maakte, dat hun vastbeslotenheid niet wankelde en zij hun innerlijke rust konden bewaren? Het is het geloof dat zij hadden in de betekenis van hun leven om, ondanks dat de schijn vaak tegenzat, voorlopers te zijn van een bijzonder volk, dat uit hen zou voortkomen, en om als zodanig pioniers te zijn van een levenswijze op basis van rechtvaardigheid en compassie, die de wereld als voorbeeld zou dienen. Dit weten waarom je leeft geeft een geestelijke rust die je de grootste ontberingen doet trotseren. (4)

Sacks zegt dan: ‘de kalmte van Sara en Avraham ten overstaan van de dood kwam voort uit een diepgaande kalmte ten overstaan van het leven. Avraham wist, dat alles wat hem overkwam, zelfs de slechte zaken, deel uitmaakten van de weg, waarop God hem en Sara had gezonden, en hij had het geloof om door de vallei van de schaduw van de dood te gaan zonder vrees voor het kwaad, omdat hij wist dat God met hem zou zijn.'
Ik ben ervan overtuigd, dat deze zinnen ook gegolden kunnen hebben voor Jonathan Sacks, hij ruste in vrede.

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek    REIZEN DOOR DE TORA    , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn    website  

(2) We laten evenwel in deze noot niet onvermeld dat de propagandist van religieuze tolerantie met zijn ruime stellingname in zijn boek ‘The dignity of Difference' inzake het spreken van God in verschillende religieuze talen en meervoudige waarheden – een moeizame relatie had met het progressieve Jodendom in zijn land.
https://www.theguardian.com/global/2020/nov/08/lord-jonathan-sacks-obituary

(3) https://rabbisacks.org/to-have-a-why-chayei-sarah-5780/

(4) In zijn commentaren noemt Sacks vaak survivors van de Sjoa als voorbeelden van mensen, die ondanks de geleden verschrikkingen zich niet opstelden als slachtoffers van hun verleden, maar als scheppers van een zinvolle toekomst, zoals Israel Kristal , de oudste man van de wereld die op 114-jarige leeftijd overleed in Israël, Edith Eger, de psychotherapeut die haar ervaringen op 90-jarige leeftijd publiceerde (Edith Eger,  The Choice , Rider, 2017), psychotherapeut Victor Frankl (Man's search for meaning). De bekendste Engelse survivor en populaire voorman van de Reform in Engeland, Hugo Gryn (overleden 1996), voert hij niet op. Het doet pijn, dat hij onder druk van de rechtervleugel van de orthodoxie niet op diens begrafenis was.

RC 2020

Parasjat Wajera   Beresjiet/Genesis 18:1 – 22:24

Spreken en zwijgen

In de parasja Wajera worden een aantal sleutelgebeurtenissen verhaald uit het leven van Avraham. Na het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Avraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen, de verzen komt er een opmerkelijke passage18:17 t/m 19 (HSV):
‘En de Eeuwige zeide: ‘Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe? Aangezien Abraham gewis tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden. Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zou bevelen, en zij de weg van de Eeuwige houden, om te doen gerechtigheid en gericht'.
‘Ik heb hem gekend' ( jadativ)  is een uiting van liefde en wil eigenlijk zeggen; ‘Ik houd van hem' en zo vertaalt Dasberg het ook. Andere vertalingen hebben gekozen voor (uit)gekozen. Dat ‘opdat ( lema'an ) hij zijn kinderen etc' is geen opdracht van de Eeuwige, maar is eerder causatief op te vatten: Hij kende Avraham en wist dat hij zijn kinderen zou opdragen de weg van de Eeuwige te bewandelen, daarom koos Hij hem. En wat is de ‘weg van de Eeuwige' dan? Het doen van  tsedaka  en  misjpat, ‘deugd en recht' vertaalt Dasberg,

Dan onthult de Eeuwige zijn voornemen om de twee ontaarde steden Sedom en Amorra te vernietigen. De aartsvader trekt zich het lot aan van de onschuldigen, die mogelijk zouden worden meegesleept in het fatale goddelijke oordeel (18:22 ev). ‘ Wilt U ook de rechtvaardige verdelgen samen met de boosdoener?' was Avrahams verbaasde – misschien wel verontwaardigde - reactie. We zien in Avraham het besef ontluiken dat religie en ethiek niet los van elkaar staan. Hij houdt zich bezig met wat gerechtigheid is en de morele afweging die daarbij hoort. Voor de eerste keer waagt de mens Avraham het erop de strenge godheid daarover te bevragen. In een lang gesprek pleit hij voor matiging van de goddelijke woede en rekening te houden met gerechtigheid en compassie. God moet een zucht van verlichting hebben geslaakt en wie weet even hebben geglimlacht – als ik even op de antropomorfe toer mag blijven - , toen Hij merkte dat zijn geliefde pupil met zijn vragen inderdaad bleek te beschikken over compassie, een besef van rechtvaardigheid en het vermogen om daar denkend uiting aan te geven en in daden vorm te geven. 

De principes van gerechtigheid en compassie – hoe vervormd soms ook in de contingente praktijk van het mensdom – vormen sindsdien het fundament in het Jodendom en, soms anders begrepen, in het Christendom en de Islam. Religie is niet alleen gehoorzaam het ritueel volgen maar ook daarmee verbonden moreel bewust leven. Avrahams leven geldt als een lichtend voorbeeld. Maar als ‘Jood avant la lettre' kan hij het debat niet nalaten. ‘Als God ons verstand heeft gegeven, heeft Hij ook de bedoeling gehad, dat we dit zouden gebruiken, zelfs als dat zou betekenen, dat we daarmee de hoogste bevelen zouden uitdagen', aldus de Joodse denker en ethicus Susan Neiman over Avraham.(3)

Een contrast met Avrahams dialoog met de Eeuwige over Sedom en Amorra lijkt het gebeuren rond het offer van zijn geliefde zoon Jitschak dat de Eeuwige van hem vraagt (22:1 ev). Zonder morren zadelt de vader zijn ezel en gaat met zijn zoon op reis naar de offerplaats op de berg Moria.

Het mainstream Jodendom ziet dit als een staaltje van Avrahams toewijding. Jewish Renewal-rabbijn Michael Lerner (4) daarentegen meent dat Avraham was bevangen in het halfduister van oude ‘heidense' opvattingen en dat hij pas toen de engel bij het altaar hem toeriep het offer van zijn zoon te staken de ware stem van gerechtigheid en compassie hoorde. De grootheid van Avraham is  niet  (curs. ML) dat hij zijn zoon naar de berg Moria (….) neemt zodat hij hem kan offeren. Nee, de grootheid van Avraham is dat hij er niet mee doorgaat.

Emeritus opperrabbijn van Engeland Rabbi Jonathan Sacks (5) wijst op de gangbare familie opvatting in het oude Midden-Oosten - en ook vaak nog te vinden in het moderne veelal Islamitische Midden-Oosten - dat de vader de absolute macht heeft over zijn gezin, een macht over leven en dood. In Sacks' uitleg gaat de Tora tegen deze opvatting in. Het verzoek ging niet om een kinderoffer maar om iets heel anders: de Eeuwige wilde dat Avraham  ervan af zou zien zijn zoon als zijn eigendom te beschouwen . Het verhaal wil ons bijbrengen, dat kinderen geen bezit van de ouders zijn maar individuen op zichzelf. Sacks noemt dit inzicht de geboorte van de mogelijkheid van individualiteit.

Mij intrigeert het zwijgen van de vader tijdens de bijna drie dagen durende reis naar de offerplaats. Er is geen dialoog van Avraham met de Eeuwige over gerechtigheid, geen beroep op compassie. In hem moet de pijn hebben geschuurd van het besef, dat in het leven soms de allerliefste moet worden losgelaten.

noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Wajera zijn te vinden in mijn boek    REIZEN DOOR DE TORA    , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn    website  

(2) Jadativ van   jada , weten in het oud-Hebreeuws. heeft een rijke betekenisonderlaag van beminnen (tot en met het fysieke beminnen toe), zoals Rasji ook toelicht in zijn aantekening bij dit vers: het is een uiting van liefde

(3) In:  ‘Is Morality Driven by Faith?  ' Washington Post, okt. 2008 .

(4) Michael Lerner, Jewish Renewal: A Path to Healing and Transformation (1994), hfst 2, Abraham and the psychodynamics of childhood, controversieel en boeiend…

(5) Jonathan Sacks:  http://www.rabbisacks.org/binding-isaac-vayera-5775/

Parasjat Lech lecha Beresjiet/Genesis 12-18

Avraham en Hagar

Als Avrahams vrouw Sara maar steeds geen kinderen krijgt stelt zij haar echtgenoot voor dat hij dan maar een kind moest proberen te krijgen bij de Egyptische slavin Hagar.(1) Toen Hagar zwanger werd en hooghartig begon te doen naar haar meesteres maakte Sara haar het leven zwaar, dit met uitdrukkelijke toestemming van Avraham, die hierin de partij koos voor zijn vrouw ondanks dat eindelijk een eerstgeboren zoon op komst was. Hagar hield de pesterijen niet uit en vluchtte van Avrahams tenten weg. Een engel maande haar terug te gaan naar haar strenge meesteres en stelde haar de geboorte van een zoon in het vooruitzicht die een machtig man zou worden met vele nakomelingen. Het bezoek van de engel vond plaats bij de bron Be'er Lachai-Roï (Gen 16:14). Die bron zullen we later in dit verhaal nog een keer tegenkomen. Hagar krijgt een zoon, Ismaël (Jisjmael). Maar de relatie tussen Sara en Hagar zal er niet beter op worden als 14 jaar later Sara alsnog een lang verhoopte zoon krijgt: Isaac (Jitschak). Hoe liep het verder af met Avraham, Hagar en Isaac?

Als Sara meent te zien dat op het feest gegeven ter gelegenheid van het spenen van de peuter Isaac de puber Ismael hem bespot ( metsachek , let op de woordgelijkenis met Jitschak = ‘hij zal lachen) dring ze er bij Avraham op aan de slavin en haar zoon weg te sturen.(21:10 ev) Dat doet Avraham met grote tegenzin. Telkens kiest de aartsvader de partij van zijn vrouw (daartoe trouwens aangemaand door de stem van de Eeuwige). Hij stuurt de Egyptische en haar zoon met wat brood en een zak met water de woestijn in. Als het water op is en de jongen van dorst dreigt te sterven en Hagar om dit niet aan te zien een pijlschot verderop huilend neerzit komt een engel haar zeggen dat het kermen van de jongen is gehoord en haar ogen ontwaren opeens een waterput die zich vlakbij haar blijkt te bevinden. Na deze wonderbaarlijke redding groeit Ismael voorspoedig op en Hagar koos een Egyptische vrouw voor hem uit.

In de rabbijnse traditie heeft Ismael geen goede naam. Toch is er niets wat daar aanleiding toe geeft. Rabbijn Jonatan Sacks (2) wijst erop, dat de tekst van de Tora weliswaar Isaac als opvolger van Avrahams erfenis aanwijst maar beslist Ismael niet afwijst; ook aan hem wordt macht, land en een overvloedig nageslacht beloofd. In een late midrasj uit de 7 e eeuw, de Pirkee deRabbi Eliezer (3), wordt de figuur van Ismael als goddeloos en losbandig voorgesteld – misschien wel om de persoon van Sara te disculperen van haar minder mooie jaloersheid. Maar het geschrift vertelt ook dat een bezorgde vader Avraham drie jaar na het vertrek van Ismael hem ging opzoeken, nadat hij de jaloerse Sara had bezworen niet van zijn kameel af te zullen stappen. Midden op de dag trof hij Ismaels vrouw aan, die hem zei, dat zijn zoon weg was om fruit te oogsten. De vermoeide reiziger vroeg om een stukje brood en wat water, maar dat weigerde ze. Avraham zei haar, zeg Ismael, dat een oude man uit Kenaän langs is geweest en dat de ontvangst niet goed was. Ismael begreep de hint, scheidde van zijn vrouw en nam een andere (‘Fatima' wil de legende). Na drie jaar waagde Avraham het weer en zittend op zijn kameel hoorde hij wederom, dat Ismael niet thuis was en wederom vroeg hij een stukje brood en een slok water. Ditmaal voldeed de vrouw graag aan het verzoek en Avraham ‘stond op en bad voor zijn zoon en Ismaels huis werd vervuld met al het goede en met zegen. Toen Ismael thuiskwam vertelde ze dit alles en Ismael wist, dat Avraham hem liefhad, zoals een vader zijn zoon liefhad.' Dit verhaal is in verschillende varianten in de Islamitische traditie overgenomen en bewerkt (4). Het biedt mogelijkheden voor een dialoog met de Islam. Ismael verwekte twaalf zonen, die vorsten zouden worden van twaalf stammen.

Een wat werd er van Hagar? De midrasj (5) vertelt nog over een happy end van haar relatie met Avraham. Avrahams knecht Eliezer had in Haran de aanstaande vrouw van Isaac, Rebekka (Rivka), gevonden. Op de terugweg en bijna thuis was hij tegen de avond aangekomen bij de bron Be'er Lachaj-Roï (Gen 25:62)- weet je nog, de bron waar de gevluchte Hagar de engel ontmoette die maande dat ze weer terug naar Sara moest. In een veld daar vlakbij trof hij Isaac aan. Waarom was Avrahams zoon bij die bron geweest? Omdat hij net Hagar had opgehaald opdat zijn vader en weduwnaar Avraham haar weer tot vrouw zou nemen, aldus deze legende . In de tekst van de Tora heet Avrahams nieuwe vrouw Ketoera(25:1ev), maar dat is dus niemand minder dan een teruggekeerde Hagar.
Was Sara hem ten behoeve van de geschiedenis van Israël als eerste echtgenote voorbeschikt, misschien was Hagar wel de romantische vrouw van zijn leven. Zo'n tweespalt zou zich herhalen bij zijn kleinzoon Jacob en diens vrouwen Lea, de minder geliefde, en Rachel, de innig geliefde. De bejaarde patriarch krijgt bij haar nog zes zonen (over dochters wordt niet gesproken), die op hun beurt de stamvader zullen zijn voor vele stammen.
Inderdaad, vele volken zijn uit Avraham voortgekomen

Noten

(1)  Verschillende commentaren op de parasja Lech lecha zijn te vinden in mijn boek   REIZEN DOOR DE TORA   , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn   website  

(2) in zijn boek ‘Niet in Gods naam', met name tav de rol van Avraham, Hagar en Ismael, zie hfst 6, ‘De halfbroers'

(3) Pirkee deRabbi Eliezer. Hfst 29

(4) Zie uitgebreid hierover Marcel Poorthuis, ‘Hagar's Wanderings: Between Judaïsm and Islam' Der Islam 2013; 90(2): 220–244

(5) In de midrasjverzameling Beresjiet Rabba (60:14)

Parasjat Noach  Beresjiet Genesis 6:9-11:32

Hoe rechtvaardig was Noach ?

De vorige Parasja Genesis/Beresjiet eindigt met de constatering, dat de mensen alleen nog maar slechte en gewelddadige dingen deden en de Eeuwige spijt had van zijn schepping. Hij besloot tot een algehele eliminatie van mens en dier door een immense watervloed. Alleen de man Noach, de enige rechtvaardige onder de verdorven mensheid, besloot Hij te sparen.
Zo wordt Noach in het begin van de parasja Noach (1) geïntroduceerd: 6:9: ‘ Dit zijn de generaties van Noach. Noach was een rechtvaardig man, onberispelijk (een iesj tsaddiek tamiem ) onder zijn generaties ( be-dorotav ), Noach wandelde met God.'

Je zou zeggen dat de kwalificatie van Noach als een rechtvaardig en onberispelijk bijna niet te overtreffen is. Toch zetten de Oude Wijzen een paar stevige kanttekeningen bij de persoonlijkheid van deze redder van mens en dier.

Rabbi Jehoeda (2 e eeuw) haalt uit dat ‘onder zijn tijdgenoten' ( be-dorotav , ‘in zijn generaties') een sterke relativering van Noachs goede eigenschappen. Had Noach geleefd in de generaties van Mozes of Samuel dan was hij niet opgevallen als een bijzonder rechtvaardige; onder de blinden wordt de eenogige helderziend genoemd en de kleuter een geleerde. In een verdorven wereld is valt een klein beetje rechtvaardigheid al snel op.
Maar - zoals het in het rabbijns discours vaak toegaat - heeft zijn collega rabbi Nechemja een tegenovergestelde mening: als hij in die generatie destijds al een rechtvaardige was, hoeveel te meer zou hij dat niet in de tijd van Mosjee (Mozes) zijn geweest! (2). Als je in een verdorven wereld rechtvaardig leeft, wat voor power heb je dan niet om desondanks rechtvaardig te zijn!

De twee genoemde rabbijnen gaan verder met de grootheid van de persoonlijkheid van Noach te vergelijken met die van zijn nakomeling van tien generaties later: Avraham.
Van Noach hebben we net gelezen dat ‘hij rechtvaardig was en dat hij wandelde met God' (6:9). Dat is toch niet niks. Maar wanneer Avraham in de volgende parasja wordt geïntroduceerd staat er weliswaar niets over zijn karakter of goede eigenschappen, maar wel (in het vers, waarin de Eeuwige hem een verbond aanbiedt (17:1)): ‘Wandel voor mij uit en wees onberispelijk', een opdracht voor de toekomst, hij moet het allemaal nog waarmaken.
Maar de twee geleerden ontwaren niettemin een markant verschil ten gunste van Avraham. Rabbi Jehoeda ziet het wandelen met God van Noach als minder groots dan het wandelen voor God uit van Avraham: de morele kracht van Noach was zwak als een kind, waarvan de vader zegt: wandel bij mij. De morele kracht van Avraham was groot als van een volwassene, waarvan de vader zegt: wandel voor me uit. Rabbi Nechemja ziet dat ook ongeveer zo als hij Noach vergelijkt met een vriend van de koning; de vriend zakt weg in de modder en de koning zegt: wandel met mij hier is de grond stevig. Abraham is de vriend van de koning, die vanuit zijn raam de koning ziet wandelen in een donkere steeg en hem met een licht bijlicht; de koning zegt dan: kom je huis uit, vriend, en loop met je licht voor mij uit.(3)

Maar er is nog iets met dat wandelen met God: het klinkt nogal geïsoleerd, zo signaleert onder anderen R. Levi Jitschak van Berditchev (18 e eeuw) (4). Het bewijst Noachs afstandelijkheid naar zijn medemensen. Hij wandelde met God maar niet met zijn medemensen, sterker nog hij had moeten proberen ze tot ommekeer te brengen en de rechte weg te wijzen. En mocht dat niet gelukt zijn, dan had hij toch in gebed om coulance kunnen vragen. (5)

Men wijst dan op het contrast met Abraham en Mozes in situaties waarin de catastrofale vernietiging van grote collectieven aanstaande was. Abraham trok zich het lot aan van mogelijk onschuldige burgers in de verdorven steden Sodom en Gomorra en pleitte voor compassie. (Gen/Ber 18:22 ev). Mozes trachtte na de zonde van het gouden kalf Gods woede van het volk van Israel af te wenden en riep Zijn barmhartigheid in; Mozes bood zelfs aan dat in plaats van het afvallige volk van de Israëlieten hìj zou worden uitgeschreven ‘uit het boek dat U geschreven hebt' (Ex/Sjem 32:32). Zijn levenswerk was gericht op de gemeenschap en het bouwen van een fundament van recht en omzien naar de ander. In de tijd dat Noach zijn ark bouwde – de midrasj weet te melden dat dat 120 jaar duurde - zweeg de man (5). Hij was alleen bekommerd om de redding van zichzelf en zijn familie. (6) Zo zien we een zekere volwassenwording van moreel besef van Noach naar Avraham en dan naar Mozes.
Parallel daaraan zien we ook hoe de Eeuwige ‘opgroeit' in Zijn verhouding tot de mensen.(7) Bij Noach is de Eeuwige slechts een zender van goddelijke mededelingen. Bij Avraham is de Eeuwige een partner in de dialoog geworden als Hij op Avrahams moedige vragen over gerechtigheid antwoorden geeft. Tot Mozes heeft Hij zich gericht als interactieve inspirator bij de uitvaardiging van een complex van richtlijnen voor een rechtvaardige samenleving.

RC 2020

Noten

(1) Verschillende commentaren op de parasja Noach zijn te vinden in mijn boek  REIZEN DOOR DE TORA  , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website  .

(2) Midrasj Beresjiet Rabba, 30,9

( (3) Midrasj Beresjiet Rabba, 30,10

(4) In zijn Tora commentaar Kedushat Levi

(5) Een andere midrasj voert Noach wel sprekend op. Talmoed Sanhedrin 108b: ‘Noach de rechtschapene placht de mensen van zijn generatie te berispen en hij deed uitspraken die streng als fakkels waren en zij behandelden hem met verachting'

(6) Vgl Talmoed Kidushin 40a onderscheidt twee soorten rechtschapenheid: ‘Iemand die zowel goed is naar de hemel als naar mensen is een goed rechtschapen person. Iemand die goed is naar de hemel maar slecht naar mensen is een rechtschapen person maar niet goed'.

(7) Deze kant van de zaak haalde ik uit het commentaar op My Jewish Learning

Parasjat Beresjiet  Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 

man en vrouw schiep hij hen

De schepping van de mens, man en vrouw, wordt in Genesis/Beresjiet hoofdstuk 1 in vers 27 uiterst summier weergegeven, bijna zakelijk, in de context van de weliswaar ontzagwekkende, maar toch ook functioneel omschreven ontvouwing van de zes scheppingsdagen. (1) De termen, die hier gebruikt worden voor man en vrouw, ‘zachar' en ‘nekewa' zijn Hebreeuwse woorden die verwijzen naar de functie van voortbrenging en verwijzen naar de opdracht om samen over de aarde te heersen en haar te bevolken. Man en vrouw worden in deze korte introductie als nevengeschikt opgevoerd. ‘Man en vrouw schiep hij hen' (1:27 ) is een indicatie van de volstrekte gelijkwaardigheid van man en vrouw. De uitwerking van de man- en vrouwschepping in meer detail vindt plaats in Genesis 2. Wat is daar te zeggen over hun relatie?

De introductie van de vrouw in Beresjiet 2 komt voort uit een gemis, een inzicht dat er iets mankeert, dat er iets in de schepping nog niet goed is.(2) De Eeuwige constateert dat het niet goed is dat de mens alleen is. Dat gemis als een functioneel te duiden als de behoefte van de mens aan praktisch partnerschap en tegelijk als een emotioneel te duiden verlangen naar liefde en geborgenheid van de nietige mens in een overweldigende kosmos. Dat is een ander perspectief dan het eerste hoofdstuk biedt op de mens als onderwerper en heerser over de aarde met haar dieren en planten.
2:  18 ‘ De Eeuwige God zei: Het is niet goed dat de mens alleen is' – dan volgt: ‘ik zal een helper voor hem (Adam, de mens) maken die bij hem past', in het Hebreeuws: ezer ke-negdo.

Wat is af te leiden uit dat ezer ke-negdo , in de Nieuwe Bijbelvertaling vertaald als: een helper die bij hem past ? Dasberg kiest:  passende hulp'. Maar deze vertalingen zijns ‘te harmonisch'. De Herziene Statenvertaling vertaalt: ‘Ik zal een hulp voor hem maken als iemand tegenover hem'. Inderdaad is ezer ke-negdo als je het letterlijk vertaalt ‘een helper (als) tegen hem' een paradoxale uitdrukking die een spanningsboog in zich bergt, een term die de suggestie van ambivalentie wekt. Bijbelcommentator Umberto Cassuto (3) vat ‘ezer ke-negdo' niet zo paradoxaal op en interpreteert ‘ke-negdo' als ‘gelijk aan', ‘evenwaardig aan' en ‘ezer ke-negdo' als ‘soul mate'. Maar anderen hebben de ambivalentie van de uitdrukking meer gehonoreerd in de sfeer van een dialogische relatie.

Met name de middeleeuwse meester Rasji tekent aan bij ‘ezer ke-negdo': ‘als hij het verdient – een helper, als hij het niet verdient – tegenover hem, om met hem te strijden'.
De Maharal (16 e eeuw) heeft daarover gezegd (geciteerd door Nechama Leibowitz in haar commentaar (4)): ‘deze uitleg bevat een diepe waarheid. Man en vrouw vertegenwoordigen twee tegengestelden. Als de man het verdient smelten zij samen tot één geheel. In alle gevallen smelten twee tegengestelden samen om één geheel te vormen wanneer zij het verdienen, dat wil zeggen als de Almachtige die vrede maakt tussen tegengestelden hen verbindt en verenigt. Maar wanneer zij het niet verdienen, dan heeft het feit dat zij tegengestelden zijn tot gevolg dat zij “tegen hem” is'. Een relatie-ethiek in een notendop!

De Joodse filosoof Emmanuel Levinas (1906-1995) redeneert ongeveer in deze trant: Eveneens komt het er in de tussenpersoonlijke relatie niet op aan mij en de ander te-zamen te denken, maar tegenover elkaar te staan, en elkaar in 't gezicht te kijken. De werkelijke vereniging of het werkelijke te-zamen is niet het te-zamen van de synthese, maar dat van het van aangezicht tot aangezicht' (5).

Volgt in hoofdstuk 2 het relaas van een zoektocht naar een partner. Onder de dieren die de Eeuwige schiep en aan de mens toonde was die niet te vinden. De geschikte partner werd gevonden in een medemens die tijdens een diepe slaap uit de mens - uit zijn rib of zijde , tsela - werd afgesplitst en hem werd getoond.
Verheugd roept de mens uit:
2:23 ‘Deze keer is zij het!
been van mijn been,
vlees van mijn vlees.
Ze zal vrouw – ‘iesja' – genoemd worden,
want uit een man – iesj – is zij genomen'
(7)

Van oudsher zagen commentatoren zagen in de creatie van de vrouw uit 'Adams rib' een overduidelijke aanwijzing naar de ondergeschiktheid, zo niet inferioriteit van de vrouw. De bewoording weerspiegelt natuurlijk de patriarchale optiek van waaruit de Tora is geschreven. Dat dat helemaal niet onvermijdelijk in de teksten ligt opgesloten en ook andere duiding mogelijk is hebben moderne bijbelgeleerden (met name vrouwen) proberen aan te tonen; daarover een andere keer.
Overigens wekken de lyrische welkomstwoorden van Adam – de mens - sterk de indruk dat vreugde overheerst en de machtsstrijd over wie de baas is en wie de ondergeschikte niet aan de orde is of in ieder geval nog niet begonnen.

noten

(1) Verschillende commentaren op de parasja Beresjiet/Genesis zijn te vinden in mijn boek  REIZEN DOOR DE TORA  , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn  website  .

(2) Dan was alles dan toch niet ‘zeer goed' (1:31)? Gaat men uit van dat het paradijs drama van hfst 2 en 3 plaatsvond op vrijdagmiddag van de zesde dag – waarvoor Umberto Cassuto pleit - en dat van de schepping van de mens niet wordt gezegd dat die goed was (de goedheid van de mens moet deze steeds waarmaken) dan klopt het; als God daarna zegt van de hele schepping dat alles zeer goed was, dan is dat eerder principeverklaring dan een feitelijke weergave van de realiteit

(3) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Genesis, part one, from Adam to Noah, The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998,

(4) Nechama Leibowitz Studies in Bereshit/Genesis, WZO, Jerusalem, 1981, 4 e ed.

(5) 'Ethisch en oneindig', gesprekken met Philippe Nemo

Haftara bij de parasja Nitsaviem/Wajelech

Jesaja 61:10 - 63:9

De haftara bij de parasja Nitsaviem/Wajelech (1) is de zevende en laatste in de reeks haftarot van vertroosting na de treurdag Tisja be-Av. Intussen is met de toenemende troost ook de maand van reflectie, Elul, al gevorderd en Rosj Hasjana breekt over een week aan, het Joods Nieuwjaar dat op vele plaatsen in deze coronatatijd op een speciale manier – op gepaste afstand van elkaar of zelfs op zoom-distantie - zal worden gevierd.

De haftara begint op himmelhoch jauchzende toon:
61 10 Ik ben zeer vrolijk in de Eeuwige (JHWH),
mijn ziel verheugt zich in mijn God (Elohiem),
In het Hebreeuws zit er meer nuance in de tekst dan in de Nederlandse vertaling.
Het vers begint met sos asis , waarin twee keer de stam voor blij zit (letterlijk: ‘wees blij, ik zal verblijden', sasson=blijdschap), hetgeen een bijzonder versterkend effect heeft. In ‘mijn ziel verheugt zich‘ – tagèl nafsji – zit een ander woord voor blijdschap: gila . Waar sasson een meer extraverte blijdschap verwoordt, duidt gila op het meer innerlijk verheugen, dat volgt op de juichende uiterlijke blijdschap. In de naam JHWH klinkt het attribuut van de liefde ( chesed ) door, in Elohiem het attribuut van de gerechtigheid ( din, gevoera ).

Wie is de ik die zich verheugt? Jeruzalem (targoem Jonatan), het volk (Rasji), de gojiem (Ibn Ezra)? Ik denk Jeruzalem als belichaming van het Joodse volk.
Beelden van jonggehuwden vertolken de frisheid en energie vaneen vernieuwd Jeruzalem (resp vernieuwde wereld) in messiaanse tijden, een thema dat ook verder doorspeelt (2). Jeruzalem zal zelfs een nieuwe naam krijgen:
u zult met een nieuwe naam genoemd worden,
die de mond van de Eeuwige bepalen zal.
Talmoedwijze R. Levi haalt uit diverse citaten zes zaken, die de Heilige zal vernieuwen in de komende (messiaanse) tijd, welke zijn: de hemel en de aarde. Het hart, de geest, de naam van de Masjieach en de naam van Jeruzalem, waarvoor hij bovengenoemd vers aanhaalt (3)

De Eeuwige doet een gelofte: nooit meer Jeruzalem (het Joodse volk) in de steek te laten, de wereld zal mogen weten, dat de weg vrij is voor de inzameling van de ballingen, dat de grote verlosser op komst is en dat hij Jeruzalem zal vestigen als een centrum van heil.

Maar in het begin van hoofdstuk 63 treedt er een treffende omslag in stemming op. Van blijdschap om verlossing gaat de focus naar woede om de vervolgers. De Eeuwige ontpopt zich als almachtige krijgsman, die een meedogenloze strafexpeditie zal ondernemen tegen de vijanden van Israël (belichaamd onder de noemer ‘Edom'), gehuld in rode mantel, rood door het vergoten bloed. Het zijn weerbarstige passages. De forse plastische beelden van agressie en bloedvergieten roepen een door wraakzucht gedreven God op, die ons als verfijnde en verlichte burgers niet lekker zit. Nu zegt rabbi Abraham Heschel () wel dat de ‘gevoelens' van de Eeuwige (hij noemt dat ‘pathos') niet zijn als menselijke gevoelens, maar eigenlijk een aparte theologische categorie vormen. De profeet vertolkt niet zijn eigen gevoelens maar ‘resoneert mee' met dat goddelijke pathos, die hij verwoordt in onvolmaakte menselijke woorden. (4) Middeleeuwse commentator Rasji komt daarbij in de buurt als hij noteert ad loc: aldus is de gewoonte van de Schrift: die spreekt van ‘de Sjechina (goddelijke aanwezigheid in de wereld) op antropomorfe wijze om het zo aan te passen wat het oor instaat is om te horen'. Toch vraag ik mij af of de profetie hier niet ook is opgeladen met de al te goed invoelbare opgekropte razernij van een langdurig intens vernederd, maar trots volk.

Noten
1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Nitsaviem /Wajelech mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bij bol.com
(2) Culminerend in Jesaja 65:17 ev: Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wat er vroeger was raakt in vergetelheid , De apostel Johannes echoot dit in Openbaringen hfst 21.
(3) Pesikta de Rav Kahana, piska 22
(4) Abraham J. Heschel, The Prophets, pp 285 ev, m.n p 291,292

Haftara bij de parasja Ki tetsee

Jesaja 54:1-10

Tot Rosj Hasjana worden de zogenoemde zeven haftarot van vertroosting ( Sjiva de-nechamta ) gelezen, allen uit het tweede deel van het boek Jesaja, waarin vele messiaanse beloften klinken. We zijn nu aangeland bij de haftara bij de parasja Ki tetsee.(1 De tekst van de haftara gaat vooraf aan de haftara die we twee weken geleden hebben gelezen., de haftara bij de parasja Reëe.

Een geliefd beeld dat profeten graag gebruiken is dat van Jeruzalem, resp. Israel als vrouw die haar man (de Eeuwige en zijn voorschriften) heeft verlaten, resp. door haar man verlaten is.
Deze haftara begint met de kinderloze vrouw, die echter nu grootse woorden van troost mag horen over de vele kinderen die ze ondanks alles weer in haar tent mag ontvangen:
54 1 Zing vrolijk, onvruchtbare, u die niet gebaard hebt,
breek uit in gejuich en jubel het uit, u die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen van de eenzame zijn talrijker
dan de kinderen van de getrouwde, zegt de Eeuwige.
2 Vergroot de plaats voor uw tent,
laat men uw tentkleden wijd uitspannen

De onvruchtbare vrouw is Jeruzalem (Rasji), resp. het overgebleven en gedecimeerde Israël (Ibn Ezra)
Misschien is de onvruchtbare vrouw een toespeling op andere onvruchtbare vrouwen die toch kinderen kregen, zoals Sara en Chana (moeder van Samuel) (2). De onvruchtbaarheid is niet letterlijk maar figuurlijk bedoeld en soms wordt de vrouw ook een weduwe genoemd. De wisselende metaforen rond de vrouw laten een driedubbele verlatenheid zien: de vrouw (Israël, Tsion) heeft haar echtgenoot (de God van Israël) verlaten (door andere goden achterna te lopen), de echtgenoot heeft toen de vrouw verlaten en vervolgens hebben haar kinderen (de Israëlieten, Judeeërs) haar verlaten (zijn in ballingschap gevoerd). Maar … aan dit alles zal een eind komen:

7 Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten,
maar in grote barmhartigheid zal Ik u bijeenbrengen.
8 In een stortvloed van (andere vertaling: met een klein beetje)(3) toorn heb Ik voor u
Mijn aangezicht een ogenblik verborgen,
maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij over u ontfermen.

Een klein ogenblik? Gezien de millennia lange ballingschap zou je dit een ironische uitspraak kunnen noemen. Maar dat ‘ogenblik', daar zijn de commentaren het over eens moet gezien worden in relatie tot de eeuwigheid van de tijd van verlossing. ‘De dagen van ballingschap, hoeveel dat er ook zijn, zullen een ogenblik lijken vergeleken met de messiaanse tijd', zegt bijvoorbeeld Abraham Ibn Ezra (12 e eeuw).
Misschien kan de presentie van de Eeuwige ons per definitie niet verlaten en is zij ons ook in de meest grote pijn nabij. Maar binnen de materie die Zij heeft geschapen zoals die nu eenmaal is heeft Zij de mens de vrije keuze geschonken, zodat Zij niet anders kan dan tot Haar grote ‘verdriet' toezien hoe mensen die vrije ruimte gebruiken om zichzelf en hun medemensen van kwaad tot erger het lijden aan te doen. Het eist veel reparatiewerk van mensen zelf om in beter vaarwater te komen.
Misschien zijn wij allemaal, Joden en niet-Joden, ballingen op deze aarde, een karavaan van vreemdelingen al een eeuwigheid op weg tussen twee oasen. Steeds lijkt de komende oase in zicht maar hij is altijd verder weg dan de horizon. Maar als we er eenmaal zijn aangekomen zal de tocht maar een klein ogenblik lijken te zijn geweest.

noten
(1) Zie voor meerdere commentaren op de parasja Ki tetsee mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bol.com
(2) Zo Pesikta Rabbati 32:1
Pesikta de Rav Kahana 20:1: Er zijn zeven onvruchtbare vrouwen: Sara, Rivka, Rachel and Lea, Manoach's vrouw Chana en Tsion
(3 ) Be-sjetsef ketsef (woede): sjetsef wordt vertaald met of ‘uitstorting' of ‘een beetje', het woord komt alleen hier voor.

Haftara bij de parasja Sjoftiem

Jesaja 51:12-52:12

Tot Rosj Hasjana worden de zogenoemde zeven haftarot van vertroosting gelezen, allen uit het tweede deel van het boek Jesaja. We zijn nu aangeland bij de haftara bij de parasja Sjoftiem . Vermoedelijk heeft de schrijver van deze zeven haftarot – hij wordt ook wel de tweede Jesaja, deutero-Jesaja, genoemd - 200 jaar later geleefd dan de ‘eerste Jesaja', in een tijd dat het Babylonische rijk op zijn laatste benen liep; de machtige koning Cyrus was bezig op te rukken naar Babylon en de Joodse ballingen moeten gevoeld hebben hoe het tij mogelijk zou keren. De vurige hoop van de ballingen op teugkeer naar Judea zal de vonk van profetie, die smeulde onder dikke lagen as van het verwoeste Jeruzalem hebben aangewakkerd tot visionaire vergezichten van een vernieuwd Jeruzalem, die samenvielen met de zekerheid van de terugkeer van Gods concern voor het lot van zijn volk. De ballingen met hun vele traumatische herinneringen werden getroost met het vooruitzicht van een betere toekomst, de mogelijkheid die gloorde om een nieuw begin te maken met een gemeenschap waarin voortaan gerechtigheid en zorg voor de naaste prioriteit zou krijgen.

In teksten van dit deel van Jesaja wordt steeds meer geanticipeerd op een persoonlijke werkzaam zijn van de Eeuwige – ‘Ik, Ik ( anochi, anochi ) ben het Die u troost', zo begint deze haftara in vers 51:12. Zijn persoonlijke presentie zal toenemend in het bewustzijn komen: ‘Daarom zal Mijn volk Mijn Naam kennen; daarom, op die dag (van de verlossing), zal het weten dat Ik het Zelf ben Die spreekt: Zie, hier ben Ik ( hinenni ) (52:6). Het is tijd om wakker te worden: ontwaak, ontwaak! klinkt meerdere keren, ontwaak uit de ellende en kom weer in je kracht zouden we nu zeggen; bijv. in 51:17:
Ontwaak, ontwaak,
sta op, Jeruzalem!
U die uit de hand van de Eeuwige gedronken hebt
de beker van Zijn grimmigheid;
de droesem uit de beker van bedwelming hebt u gedronken, opgedronken.

Gaandeweg zwellen de woorden van de profeet aan tot een apocalyptisch maestoso:
52 9 Breek uit in gejubel, juich tezamen,
puinhopen van Jeruzalem,
want de Eeuwige heeft Zijn volk getroost,
Hij heeft Jeruzalem verlost.
10 De Eeuwige heeft Zijn heilige arm ontbloot
voor de ogen van alle heidenvolken;
en alle einden der aarde zien
het heil van onze God
.

Als we even weer neerdalen in de geschiedenis zien we, dat inderdaad
niet lang na de val van Babylon de Perzische koningen Cyrus en Artaxerxes twee golven van terugkerende Judeeërs uit Mesopotamië hebben laten vertrekken om Judea, Jeruzalem en de tempel weer op te bouwen.
Vijfentwintighonderd jaar zijn sindsdien vestreken. Als we een slow motion camera op Jeruzalem zouden hebben gehad zouden we een film zien waarin Jeruzalem meerder keren werd opgebouwd, werd verwoest, weer werd opgebouwd, weer verviel tot een dorp, weer opbloeide. De woorden van Jesaja zijn als het ware losgezongen van de geschiedenis, waarin verdrijving, ballingschap en vervolging en tijdelijke grote bloei van Joodse gemeenschappen elkaar bijna voorspelbaar afwisselden. Maar de woorden van de profeet bleven hun kracht houden. De intens blijde verwachting van de aanstaande verlossing uit de greep van Babylon is in zulke sterke beelden gesteld, dat zij de middeleeuwse rabbijnen inspireerden er de verlossing uit hun ballingschap in te zien. En ook nu nog resoneren zij met het verlangen van niet alleen van de Joden naar een blijvend welvarend en spiritueel bloeiend eigen land, maar zij spreken ook het – misschien wel diep verborgen - verlangen aan van ieder bewust levend mens naar een wereld, waar geen ziekte, armoede en ellende bestaat en waar recht, gelijkwaardigheid van alle mensen en waardigheid van ieder persoonlijk voorop staat, een wereld waarvan je weet, dat je die persoonlijk niet meer mee zal maken, maar die toch als leidbeeld voor je handelen kan dienen. Want het kenmerk van de messiaanse tijd is dat hij per definitie niet nu komt, maar wel altijd komende is.

noot
(1)Zie voor meerdere commentaren op de parasja Sjoftiem mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, Mastix Press, 2016, te bestellen bol.com
Zie ook het commentaar op mijn website

Haftara bij de parasja Choekat

Rechte rs 11:1-33

https://youtu.be/s7yAOWsp5sM
Stream van een korte versie 

Na de dood van Jozua , de opvolger van Mozes, werd het verblijf van de Israëlieten in Kanaän een paar eeuwen lang gekenmerkt door perioden waarin ze onderdrukt en uitgebuit werden door andere volken zoals de Filistijnen, Ammonieten en Midjanieten. De in nood verkerende stammen beseften dan dat ze met de import van Kanaänitische goden als Baäl en Astarte afgedwaald waren van het rechte pad. Ze smeekten de oorspronkelijke en enige God, die hen ooit van de Egyptenaren had bevrijd, om redding uit de benauwenis. Die kwam dan periodiek in de vorm van een rechter, ongeveer te omschrijven als een persoon, die goddelijke bezieling paarde aan militair, politiek en juridisch gezag. Sommigen zijn heel bekend zijn zoals Gideon, Debora, Simson en Samuel en anderen alleen bij naam. De meeste rechters versloegen de vijand en brachten weer een tijd rust tot de volgende crisis van afgodendienst en vijandelijke dreiging zich aandienden.


In de haftara treedt de rechter Jefta (Jiftach) ons tegemoet. Het zijn nu de Ammonieten, die de Israëlieten levensgevaarlijk bedreigen. Ze hebben claimen het gebied ten oosten van de Jordaan, dat Gilead wordt genoemd en bewoond wordt door de stam van Ruben en Gad. Ze hebben het al bezet en dreigen de Jordaan over te steken. Jefta was een bastaard of zelfs de zoon van een hoer ( ben-isja zona ) en was door zijn stiefbroers van huis weggejaagd. Hij had zich ergens in het buitenland gevestigd, in het land Tov en leidde een bende vrijbuiters. De oudsten van Gilead zochten in barre nood hun toevlucht tot de geducht krijgsman, die Jefta was. De gekwetste man was zich zijn traumatiserende uitstoting uit Gilead nog niet vergeten en weigerde aanvankelijk, maar gaf toe toen het leiderschap van heel Gilead hem werd toegezegd.

Legerleider Jefta probeerde het eerst op een vreedzame manier (1) en zond een gezantschap naar de koning van Ammon om uit te leggen waarom het betwiste gebied, Gilead, rechtens aan de Israëlieten toekwam. Nu komen we aan de link tussen de haftara en de parasja Choekat. In die parasja, waarin heel wat geschiedenissen zich afspelen (2) wordt in het laatste stuk verhaald van de eerste militaire succes van de Israëlieten. Nadat ze rond het land Edom en Moab zijn getrokken verslaan ze de vijandige koning  Sichon en zijn Amorieten, en Og, de koning van Basjan en ze nemen de landstreek ten oosten van de Jordaan in bezit, Gilead dus. Dit verhaal is aan Jefta en zijn tijdgenoten blijkbaar nog goed bekend! Het wordt uitgebreid voorgehouden aan de koning van Ammon; er is dus niets van de Ammonieten die verder oostelijk wonen afgenomen. Bovendien, als de Ammonieten recht menen te hebben op Gilead waarom hebben ze dan driehonderd jaar de Israëlieten met rust gelaten?

De koning laat zich niet bepraten en een veldslag wordt onvermijdelijk. Jefta doet een gelofte aan de Eeuwige: als hij de Ammonieten zal overwinnen, zal het eerste levende wezen dat hem bij behouden thuiskomst tegemoetkomt voor de Eeuwige zijn en als brandoffer worden gebracht. De gedreven veldheer boekt een riante overwinning op de Ammonieten. Hier eindigt de haftara. Maar hoe is het met Jiftach's gelofte afgelopen? Tragisch. Hij had er misschien op gerekend dat het eerste levende wezen dat hem bij zijn thuiskomst tegemoet zou komen een ezel, rund of schaap zou zijn. Maar het is niemand anders dan zijn dochter die hem in een vrolijke reidans tegemoet danst. Jiftach scheurt ontsteld en verbijsterd zijn kleren, maar hij zal zijn gelofte inlossen. Het meisje, wier naam wij niet kennen, schikt zich in haar lot, maar bedingt dat zij nog twee maanden uitstel zal krijgen om met haar vriendinnen te treuren over dat zij nooit de vrouw van een man zal zijn.


De midrasj (3) vraagt zich af: waarom ging Jiftach niet naar de hogepriester? Die had hem toch van de gelofte kunnen ontslaan? In sommige gevallen is het immers mogelijk om in een ritueel van onzinnige geloften ontslagen te worden (4). En waarom bekommerde de hogepriester Pinchas (5) zich niet om de nood van Jiftach en zijn dochter en kwam hij niet tussen beiden om de gelofte ongedaan te maken? Het antwoord luidt, dat een prestigestrijd de beide mannen verhinderde te doen wat nodig was om het leven van Jiftachs dochter te redden. Pinchas voelde zich te hoog verheven, 'ik ben immers hogepriester en de zoon van een hogepriester; zou ik mij moeten vernederen om naar een domkop ( am ha-arets ) als Jiftach te gaan?'. En Jiftach voelde zich precies zo hoog verheven, ‘ik ben het hoofd van de stammen van Israel en de chef van de rechterlijke macht, moet ik mij vernederen om naar een gewoon burger te gaan?'. De midrasj knoopt aan het verhaal van Jiftach de uitspraak van Misjlee/Spreuken vast (11:30): ‘ De vrucht van de rechtvaardige is een boom des levens, en  een wijs man vangt  zielen  ( lokeach nesjamot )' .  Misschien mogen we dat nu vertalen als: een wijs man zorgt ervoor dat hij geen domme commitments maakt, zich niet door valse trots laat leiden en daardoor het leven van mensen niet in gevaar brengt. Zo zien we, dat de midrasj een eeuwig probleem van de mensheid aankaart: prestige, hoogmoed, valse trots, arrogantie, noem maar op. Prestigestrijd heeft mensenlevens gekost en dat doet het nog steeds.

noten

(1) Vgl Deut/Devariem 20, bepalingen over oorlog, speciaal vers 10, ‘Voordat u een stad aanvalt, moet u eerst een vredesregeling aanbieden'.
(2) Zie voor meerdere commentaren op Choekat mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA , deel 2, Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium Mastix Press, 2016
(3)  Midrasj Tanchuma Buber  Bechukotai 7:1
(4) ‘ Wanneer men zich realiseert, dat het onmogelijk is om een gedane gelofte te vervullen, kan men naar een grote geleerde gaan of naar drie leken om de gelofte te laten opheffen. Men moet dan verklaren dat men op het moment van het afleggen van de gelofte niet volledig de implicaties daarvan realiseerde. Had men zich dat wél gerealiseerd, dan had men deze gelofte nooit afgelegd. Daarom is de gelofte in dwaling geschied en kan hij opgeheven worden' (ontleend aan rabbijn mr. Drs. R. Evers, commentaar Matot-Masee, NIK)
(5) Chronologisch gezien kan het Pinchas niet geweest zijn, het drama speelt zo'n driehonderd jaar later

Haftara bij de parasja Korach

I Samuel 11:14-12:22

In de parasja Korach (Numeri/Bemidbar 16:1–18:32) (1) komen Korach en zijn aanhangers in opstand tegen het leiderschap van de oude leider Mozes en het hogepriesterschap van zijn broer Aharon. In de haftara gaat het om het leiderschap van Samuel (Sjemoeël). Samuel is de laatste rechter in een lange reeks rechters die 400 jaar lang de stammen van Israel hebben gericht. In de passages vòòr deze haftara wil het volk de oude profeet ervan overtuigen, dat alleen met het wereldlijk leiderschap van een koning de Israëlieten een kans maken in de strijd met de Filistijnen en andere naburige volken, zoals de Ammonieten.

Samuel voelt daar niets voor; weet wat je vraagt, zegt hij en besef wat de nadelen van een koning zijn, hoe deze uitgebreid beslag zal doen op zonen, dochters, have en goed, maar het volk houdt voet bij stuk. Samuel (als spreekbuis van de Eeuwige) geeft toe. Zo vindt de profeet met goddelijke leiding de stoere jongeman Saul (Sjaoel), die ook enige tijd later nog eens in een soort lotingsproces wordt aangewezen als de eerste koning van Israël, overigens niet met aller instemming. Saul bewijst zich echter als een succesvol legeraanvoerder tegen de Ammonieten en nu is iedereen overtuigd van zijn kwaliteiten. Samuel besluit zijn terugtreden als politiek en militair leider en het koningschap van Saul nogmaals te bevestigen in een massale bijeenkomst en viering te Gilgal; hier begint de haftara.

Na de feestelijkheden houdt Samuel een toespraak, die begint met een zelfrechtvaardiging; heeft iemand hem kunnen betrappen op onderdrukking, bedrog, wederrechtelijke verrijking of enig andere misdaad? Heb ik ooit iemand zijn ezel afgenomen? vraagt Samuel bijvoorbeeld (2) Het volk erkent dat Samuel het voorbeeld van integriteit is geweest. Dat geeft de profeet carte blanche om het volk nog eens voor te houden hoe het geprofiteerd heeft van de weldaden die de Eeuwige ook zonder een wereldlijke koning hen heeft bewezen, te beginnen met de uittocht uit Egypte. Maar telkens vergaten ze dat, vervielen in het dienen van afgoden en kwamen dan telkens in de macht van hun vijanden, waarop het volk dan spijt kreeg, de Eeuwige om hulp riep, die dan weer een redder in de nood stuurde zoals Gideon, Simson, Jefta en tenslotte Samuel zelf. Als jullie dan per se een koning willen, hier hebben jullie dan je koning, parafraseer ik de oude profeet, die zich in een onoplosbare spagaat voelt bevinden: hij is het totaal oneens met dat nieuwe koningschap en memoreert, dat eigenlijk de Eeuwige hun koning is.
Als klap op de vuurpijl demonstreert Samuel zijn bijzondere verhouding met de Eeuwige door het op zijn verzoek te laten donderen en stortregenen op de te velde staande nieuwe oogst zodat het volk zal inzien dat ‘een groot kwaad de Eeuwige is aangedaan door om een koning te vragen'. Het volk smeekt om redding van de atmosferische uiting van goddelijke woede maar blijft vasthouden aan Sauls koningschap. Samuel zegt dat de Eeuwige het volk desondanks niet in de steek zal laten mits het op het rechte pad blijft. Hijzelf zal zijn functie van profeet blijven vervullen.(3)

Het leiderschap van Mozes en de rechters na hem tot en met Samuel is een leiderschap dat profetie, wetgeving, rechtspreken en beleid in een nog ongedeeld geheel samenhoudt; Martin Buber noemt het theo-politiek leiderschap. Samuel lijkt op Mozes. Evenals Mozes had hij als profeet een lijntje' met de Eeuwige, functioneerde hij als priester, sprak recht en trad op als politiek en militair leider voor de twaalf stammen Israëls. Ook hij oefende theo-politiek leiderschap uit, maar in de passages van en rond deze haftara komt daar een verandering in, die bepalend zal zijn voor de verdere geschiedenis van de Israëlieten.

De stammen vormden aanvankelijk nog een overzichtelijke samenleving waar principes als rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid van de stamleden en hulp aan de naaste nog ongedeeld samenvielen met ontzag voor de Eeuwige. Met de instelling van het koningschap leverden de Israëlieten zich met huid en haar uit aan een heerser. Het theo-politiek gezag werd gesplist in een seculier-politieke macht en een priesterstand voor godsdienstig gezag. Israël zal weliswaar als koninkrijk gaan meetellen met de andere rijken van het Midden-Oosten, maar ook vatbaar worden voor de misstanden die inherent zijn aan absolute heerschappij en autoritair geleide staten: immorele en in weelde levende elites, uitbuiting van verarmde massa's, onverantwoorde oorlogen. De clerus van priesters praten de heersers veelal naar de mond en laten het afweten hun taak van morele educatie te vervullen.

Is Israël met Saul en de koningen die nog zullen volgen echt opgeschoten ondanks de uiterlijke bloeiperioden onder koning David en Salomo? Misschien is het koningschap een onvermijdelijke fase geweest voor Israël (of de mensheid) in de geschiedenis. Eeuwen na het koningschap van Saul zal een nieuw soort profeten, eenlingen als Hosea, Amos, Jesaja en Jeremia met hun dringende stemmen herinneren aan de oorspronkelijke boodschap van Sinaï van rechtvaardigheid en omzien naar de naaste. De vraag is of we nu in morele zin erg veel verder zijn gekomen. Ook in deze tijd, waar sterke leiders oplossingen beloven en waar de CEO's van kolossale concerns machtiger zijn dan koningen en presidenten hebben we de dringende stemmen van moderne profeten nodig om de grote problemen van ongelijke verdeling van welvaart, medische voorzieningen en discriminatie tot ons te laten doordringen.

noten
(1) Commentaren op de parasja Korach zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) en dat rijmt met de vraag van Mozes in de parasja Korach:  ‘Heb ik ooit iemand zijn ezel (Num/Bam 16:15)
(3) Het zou best kunnen, dat de bepalingen over het koningschap in Deuteronomium zijn geïnterpoleerd na minder goede ervaringen met koningen: Deut. 17:14-19 (bijv. mag hij niet teveel paarden en vrouwen hebben)

RC juni 2020

Haftara bij de parasja Sjelach lecha

Jozua 2:1-24

In de parasja Sjelach lecha lezen we hoe na twee jaar zwerftocht door de woestijn de Israëlieten zijn aangeland bij de grens van Kanaän. Vanuit het kamp worden twaalf mannen uitgezonden om het beloofde land incognito te verkennen en de morele en militaire kracht van de bewoners in kaart te brengen. De missie resulteert in een ontmoedigend verslag door tien van de twaalf uitgezondenen, hetgeen weer een grote crisis tot gevolg heeft onder het volk. (1) Pas veertig jaar later is een nieuwe generatie weer aangekomen bij de grens en zendt de opvolger van Mozes en nieuwe leider Jozua (Jehosjoea) vanuit Sjittim ten oosten van de Jordaan twee mannen de rivier de Jordaan over om het beloofde land te verkennen, in dit geval de stad Jericho en omgeving. Daarover gaat de haftara, het begin van het tweede hoofdstuk van het boek Jozua.

In Jericho aangekomen vinden de twee spionnen – de midrasj oppert, dat het Kaleb en Pinchas zijn (2) - een schuilplaats bij de prostitué ( zona ) Rachab (Rachav), die een woning heeft in de stadsmuur. Hoe ze daar gekomen zijn vermeld het verhaal niet. De koning van Jericho heeft er lucht van gekregen en hij sommeerde Rachav de mannen uit te leveren. De slimme vrouw had ze verborgen op het dak onder bundels vlas en zei met overtuiging dat de twee gezochten allang door de poort vertrokken waren, geen idee waarheen. De koning liet een achtervolging in gang zetten richting Jordaan. Daarna liet Rachab de mannen tevoorschijn komen. Ze vertelde, dat de inwoners van Jericho gehoord hadden over de wonderlijke doortocht van de Israëlieten door de Rietzee en over de recente nederlagen van de machtige koningen Sichon en Og ten oosten van de Jordaan, zaken die grote angst hadden veroorzaakt. Rachab zei, dat de God van Israël wel een God moet zijn die macht heeft in de hemel en op aarde. De verovering van de stad was niet meer te vermijden. Ze stelde de twee spionnen voor hen met een koord uit het raam van haar muurwoning te laten zakken naar buiten de stad op voorwaarde dat de Israëlieten haar en haar familie zouden sparen als ze de stad hadden veroverd, wat ongetwijfeld zou gaan gebeuren. De spionnen gingen daarmee akkoord als Rachab haar familie dan op dat moment in haar huis zou hebben verzameld en als teken daarvan het rode koord, waarmee ze nu neergelaten zouden worden, uit het raam zou laten hangen. Zo gebeurde het; de twee mannen hielden zich drie dagen schuil in het bergland en staken toen de Jordaan weer over. Ze meldden zich bij Jozua en ‘ze zeiden hem: “De Eeuwige heeft ons het hele land in handen gegeven, de inwoners zijn doodsbang voor ons.''' (2:24)

Uit het verhaal springt Rachab als een bijzondere vrouw naar voren. Ze besefte dat het volk van Israël onder bescherming stond van een heel bijzondere godheid en voorzag met een bijna profetische blik dat het lot van haar stad bezegeld was. Niet alleen heeft ze gezorgd voor levensbehoud voor haar en de haren. Met het partij kiezen voor de Israëlieten en de hulp aan de spionnen had ze de kans gegrepen om uit haar miserabel leven als hoer te stappen en ommekeer te doen naar een waardiger leven. Bij de regel ‘Ze liet de spionnen langs een touw door het venster naar beneden zakken.' (2:15) noteert de commentator Rasji (11 e eeuw), dat met hetzelfde koord haar minnaars naar boven kwamen om haar te bezoeken. Volgens de middeleeuwse meester zei Rachab: “Meester van de wereld met dit koord heb ik gezondigd, om dit koord (waarmee ik nu de mannen van uw volk redt) vergeef mij”. Het is nooit te laat en voor iedereen en in iedere levenssituatie mogelijk om ommekeer te doen.

Rachav, haar familie en bezittingen werden na de spectaculaire val van de muren van Jericho en bij de meedogenloze verovering van de stad inderdaad gespaard en ze sloot zich als een soort voorloopster van Ruth aan bij de Israëlieten. De midrasj (3) knoopt er nog een romantisch staartje aan, ze zou getrouwd zijn met Jozua en haar afstammeling was de profetes Hulda (Choelda), die aan koning Josia (7 e eeuw BCE) bevestigde, dat de bij de restauratie van de tempel gevonden boekrol inderdaad de woorden van de Eeuwige bevatte.(4)

Noten
(1) Commentaren op de parasja Sjelach lecha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Midrasj Tanchuma Sjelach 1
(3) Talmoed Megilla 14b
(4) Zie 2 Koningen 22:14, men veronderstelt dat de wetsrol een (voorfase van het) boek Deuteronomium was

Haftara bij de parasja Behaälotcha

Zacharia 2:14-4:7

De parasja Behaälotcha (Numeri/Bamidbar 8:1-12:15) (1) begint met een bepaling over het aansteken door Aharon van de lampen van de tempelkandelaar, de menora. Hier ligt het aanrakingspunt met de haftara, die o.m. een visioen beschrijft van de profeet Zacharia (Zecharja), waarin de menora prominent voorkomt.

Zacharia was evenals de profeten Chaggai en Malachi sterk betrokken bij de herbouw van de tempel in Jeruzalem na de terugkeer van een groot deel van de ballingen uit Babylonische gevangenschap. Hij enthousiasmeerde de Joodse leiders om de bouw, die na een veelbelovend begin jaren stil had gelegen wegens de tegenstand van de in Judea achtergebleven bevolking, weer te hervatten. Dat gebeurt dan ook onder leiding van de Zerubbabel (Zeroebavel), de door de Perzen benoemd Joodse gouverneur, en de hogepriester Jozua (Josjoea) ben Jehozadak. De profeet voorziet een voorspoedig verder verloop.

Het (vierde) visioen van Zacharia begint met een beeld van de toekomst, waarin de Eeuwige present is te midden van een hersteld Judea en een herbouwd Jeruzalem met een nieuwe tempel. Vele andere volken aansluiten zich eerbiedig aan. Dan ziet de profeet in zijn visioen de hogepriester Jozua in vuile kleren voor een gerechtshof staan met een fervent beschuldigende aanklager ( satàn ) (2) en een engel die hem vrijpleit van de beschuldigingen (3). Jozua krijgt schone kleren aangetrokken en een schone tulband om het hoofd. Er zal een avdi tsemach – letterlijk: ‘mijn knecht spruit' - worden gezonden, woorden die in de Nieuwe Bijbelvertaling nogal vrij vertaald zijn met ‘mijn dienaar, de telg aan de stam van David'. De Engel zegt verder, dat als Jozua in Gods wegen zal wandelen hij hogepriester te midden van zijn metgezellen zal zijn en blijven. Een steen met zeven ogen op hem gericht zal voor hem neergelegd worden met een gravering daarop, die een vergeving van alle ongerechtigheid uit het verleden zal inluiden. Die steen is een toespeling op de gevelsteen van de nieuwe tempel, de zeven ogen verwijzen naar de zeven lampen van de menora, die ‘de ogen (zijn) van de Eeuwige, die over de hele aarde rondgaan' (zie 4:10). Het visioen besluit met een idyllisch beeld van buren die ooit vredig bij elkaar zullen zitten onder de wijnrank.

In een volgend (vijfde) visioen wordt de profeet het beeld van die gouden tempelkandelaar getoond, de menora met zijn zeven armen en daarop de olielampen, geflankeerd door twee olijfbomen (die de hogepriester Jozua en Zerubbabel symboliseren); de olie druipt uit de olijven via een opvangbakje en een kanaaltje automatisch naar de olielampen van de menora. Wat betekent dat? Vraagt de profetische dromer en de engel die hem dit beeld getoond heeft antwoordt:
Dit is het woord van de Eeuwige tot Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de Eeuwige van de legermachten.

Op onze beurt vragen wij weer wat dit betekent. De middeleeuwse commentator Rasji heeft een nuchtere historische verklaring: de herbouw van de tempel door bouwleider Zerubbabel zal verder ‘geolied' verlopen zonder te hoeven vechten tegen allerlei vijanden en de ‘geest Gods' zal rusten op de koning van Perzië, Darius (die inderdaad zijn volle medewerking zal blijken te leveren, zie Ezra 6).

Het beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen, wordt gebruikt als meditatieobject, gecombineerd met psalm 16:8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar een joodse mantra: Sjiviti Hasjem lenegdi tamied' .Zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Sjiviti', hij hangt in vele synagoges en wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor meditatie en meditatief tekenen en schilderen

‘Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest'. Het is een adagium, dat gezien de enorme problemen van nu extra actualiteit krijgt. Ik denk bijvoorbeeld aan de nu weer bloot komende rassenongelijkheid, de schrijnende verschillen tussen de rijke elite en de arme massa's en de ongelijke kansen op medische hulp, die in de coronacrisis extra (gaan) spelen. De toevlucht tot gewelddadige actie ligt al te vaak op de loer. Uit Zacharia's adagium is inspiratie te putten voor het idee, dat met geloof, enthousiasme en intelligentie grote heilzame oplossingen ook zonder dwang en geweld tot stand kunnen worden gebracht

Noten
(1) Commentaren op de parasja Behaälotcha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Het is hier dat het woord ‘satan' voor de eerste keer in de bijbel voorkomt. In de Joodse geschriften en de midrasj is hij niet de christelijke duivel, maar meer een funktionaris aan het hof van de Eeuwige, een aanklager, een soort officier van justitie, vgl ook het boek Job.
(3) Vele priesters onder de uit ballingschap teruggekeerde Joden werden gemakzuchtig en verwaarloosden hun educatieve taak, vgl Malachi hfst 2. Josjoea hoorde hier kennelijk niet toe.

RC juni 2020

Haftara bij de parasja Bamidbar

I Samuël 20:18-42 (Sjabbat Machar Chodesj )

Gewone Jaren Hosea 2:1 - 2:22 (1)

Dit jaar valt de sjabbat op de dag voor de eerste dag van de nieuwe maand (Rosj Chodesj), het is Sjabbat Machar Chodesj (letterlijk: sjabbat morgen nieuwe maand) en dan wordt niet de reguliere haftara gelezen maar I Samuël 20:18-42, het prachtige verhaal over de grootste mannenvriendschap in de hele Tanach.

Al bij hun eerste kennismaking was het raak. Toen de jonge David na het verslaan van de reus Goliat bij koning Saul (Sjaoel) en diens zoon Jonatan (Jehonatan) kwam, het hoofd van de Filistijn nog in de hand, ‘werd de ziel van Jonatan verbonden met de ziel van David en Jonatan hield van David als van zichzelf ‘(1 Sam 18:1). David werd opgenomen in het gevolg van de koning en bleek een rijzende ster te zijn in allerlei militaire ondernemingen tegen de Filistijnen. Naarmate de populariteit van de jonge legeraanvoerder bij het volk steeg vatte een groot wantrouwen bij de koning post: David was vast van plan hem van de troon te stoten. Toen de ook muzikaal begaafde David de melancholieke koning met harpspel in een betere stemming trachtte te brengen wierp de koning plotseling een speer naar de muzikant, die deze maar net kon ontwijken; een boze geest was in de koning gevaren. Nu zouden we zeggen, een ongeneeslijke paranoia kwam over hem.

Dat was het begin van een reeks pogingen van Saul om David te doden, hoewel de man daartoe geen aanleiding gaf, zoals zijn vriend Jonatan aan zijn vader Saul trachtte uit te leggen. Dat leidde ertoe dat David zich schuil moest houden op een plek buiten de stad. Hij vroeg de hulp van Jonatan om uit te zoeken of de koning het werkelijk op zijn leven had voorzien. De prins zegde zijn medewerking toe.

Hier beging de haftara met vers 18, waarin - zie het verband - de nieuwe maan wordt vermeld: ‘Daarna zei Jonathan tegen hem: Morgen is het nieuwemaan ( machar chodesj ); dan zul je gemist worden, want je zetel zal leeg zijn'. Op de eerste dag van de nieuwe maand zat de koning immers altijd met zijn staf aan een feestmaal aan. Rondom dit gegeven werd een plan gesmeed. David was er deze nieuwemaansdag dus niet bij. Op de tweede dag van het nieuwemaansfeest merkte de koning dat David alweer afwezig was en vroeg een verklaring. Jonatan zei volgens plan: David was op familiebezoek in Betlehem. De vrienden hadden afgesproken: als de koning dit zou accepteren was er niets aan de hand, als hij razend zou worden zou het duidelijk zijn: David was ten dode opgeschreven. Het laatste was het geval: de koning kreeg een woedeaanval, viel uit tegen Jonatan en beval David onmiddellijk op te sporen. Jonatan ging de volgende dag de stad uit en schoot drie pijlen af op een rots in de buurt van Davids schuilplaats. Als er geen gevaar voor David zou blijken te zijn zou hij naar de schildknaap die de pijlen moest oprapen roepen: dichterbij! Was Davids leven in gevaar dan zou hij roepen: verder weg! Dat laatste deed hij dus nu Sauls voornemen duidelijk was: David moest vluchten voor zijn leven. Toen de schildknaap was weggestuurd kwam David tevoorschijn, hevig geëmotioneerd. (20:41) ‘Hij wierp zich met het gezicht ter aarde. Hij boog zich driemaal, zij kusten elkaar, en huilden met elkaar, totdat David zich vermande'.
Zo namen ze afscheid van elkaar, zworen elkaar nog eenmaal trouw en hebben elkaar nooit meer gezien.(2)

David heeft daarna jarenlang een leven geleid als een niets en niemand ontziende roverhoofdman van een bende getrouwen met wie hij vele plundertochten ondernam. Af en toe zette Saul de jacht op zijn vermeende concurrent weer voort, maar kreeg hem nooit te pakken. Jonatan bleef zijn vader trouw. Jaren later verloor Saul een grote slag tegen de Filistijnen, waarbij hij sneuvelde. Ook Jonatan kwam daarbij om het leven.
Toen David daarvan hoorde hief hij een klaagzang aan over Saul, de koning die hij altijd ‘als gezalfde door de Eeuwige' altijd heeft willen respecteren en ondanks vele kansen daartoe nooit heeft willen doden.
Maar het diepste verdriet betrof Jonatan (2 Sam 1,25):
Jonatan ligt gesneuveld op de heuvels. Het verdriet verstikt me, Jonatan, je was mijn broeder, en mijn beste vriend. Jouw liefde was mij dierbaar, meer dan die van vrouwen.

De vriendschap tussen David en Jonathan oversteeg de gewone vriendschap, die toch meestal berust op gedeelde belangen, lotgenootschap, aantrekkingskracht of sympathie. Jonathan had geen enkel voordeel van David, integendeel als kroonprins had hij eerder van David voor zijn positie te vrezen. Het was een zielsverwantschap die boven alle belangen uitsteeg en die je zelden aantreft. Hij deed mij denken aan de vriendschap van Michel de Montaigne (1533-1592) voor Etienne de La Boétie, ‘een vriendschap die zo volmaakt en totaal was, dat je iets dergelijks in de literatuur beslist niet gauw zult tegenkomen en waarvan onder onze tijdgenoten al helemaal geen spoor valt te bekennen. Om een dergelijke vriendschap op te bouwen moeten zoveel gunstige omstandigheden samenwerken, dat het al veel is, als zoiets eens in de drie eeuwen voorkomt', zegt hij in zijn bekende essay ‘Over vriendschap'.(3) De erudiete Montaigne dist een aantal voorbeelden uit de klassieke oudheid op, maar verwonderlijk is dat hij de liefde van David en Jonathan onvermeld laat.

noten

(1) De parasja Bamidbar gaat voornamelijk over de volkstelling die Mozes houdt alvorens op te breken en verder de woestijn in te trekken. De eerste woorden van de reguliere haftara – in dit geval Hosea 2:1 - 2:22 – bij de parasja sluiten daar mooi bij aan (2:1): Maar eens zullen de kinderen van Israël talrijk zijn als zandkorrels aan de zee, die niet te meten en niet te tellen zijn. En waar tegen hen gezegd is: “Jullie zijn mijn volk niet meer,” zullen ze weer kinderen van de levende God worden genoemd'. De verzen gaan verder met de metafoor van de ontrouwe vrouw, die Israel is.
Commentaren op de parasja Bamidbar zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Aldus zegt de Herziene Statenvertaling. ‘Ze kusten elkaar terwijl hun de tranen over de wangen liepen, tot Jonatan zich vermande', zegt de Nieuwe Bijbelvertaling. Dat vermannen en wie zich vermant is een problematische vertaling. Het Hebreeuws zegt: ad Dawied higdiel . Het is dus David, die ‘higdiel', wat elders wordt vertaald met dat David Jonatan in huilen overtrof. Zie ook de Engelse vertaling op sefaria.org en Strongs Hebrew op biblehub.com. De Oude Statenvertaling zegt: tot dat het David gantsch veel maeckte.
(3) Michel de Montaigne, Over vriendschap, vertaling F. de Graaff, in de Revisor,
jaargang 18, p. 90 ev
. Zie ook dit citaat uit het essay: ‘Onze zielen zijn zo eensgezind samen hun weg gegaan en hebben elkaar met zoveel innige genegenheid bezien en elkaar met dezelfde gevoelens tot in het diepst van hun innerlijk doorschouwd, dat ik hem niet alleen even goed ken als mijzelf, maar, waar het mijzelf betreft, nog eerder op hem dan op mijzelf afga'.

RC 2020

Haftara bij de parasja Emor

Ezechiël 44: 15-31

Ezechiël (Jechezkel) profeteerde aan de rivier de Chebar in Mesopotamië als balling door de geest bevangen doem en retributie voor Jeruzalem, Israël en de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten. In het derde deel van het boek breken echter vergezichten door over de opstanding en het herstel van Israël in een verre toekomst van messiaanse allure. Beroemd is het visioen over de dode botten die zich weer voegen tot levende lichamen.

In het laatste deel, de hoofdstukken 40-48 heeft de profeet een gedetailleerd vergezicht over de toekomstige tempel in Jeruzalem inclusief alle bijbehorende heilige attributen.

Ezechiel, zelf uit een priestergeslacht, moet ontsteld zijn geweest door het verval van de geestelijke stand rond de tempel in de tijd van de koningen van Juda. Zijn passie is als het ware om ooit terug in Jeruzalem opnieuw te beginnen met een splinternieuwe tempel en een gezuiverde priesterstand. Bijna als een tweede Mozes krijgt hij in visioenen de details voor die tempel doorgegeven samen met de rituelen en de regels voor de priesters ( kohaniem ). De haftara, de verzen 44: 15-31, handelt over de priesters van de nieuwe tempel en resoneert daarmee op het eerste deel van de parasja Emor (Leviticus/Wajikra 21:1-24:23) waarin Mozes voorschriften geeft over hoe de priesters hun heiligheid voor de cultische diensten dienen te bewaren. Het gaat bijv. over welke huwelijken zijn toegestaan, over hun kleding en uiterlijk, over het aanraakverbod van doden, over wie wel en wie niet mag eten van de offergaven.(1) Ezechiël doet dat in de haftara nog eens dunnetjes over.

Alleen de afstammelingen van Zadok ( Tsadok ), de hogepriester tijdens de koningen David en Salomo, de enigen die nog enige wetsgetrouwheid hebben betracht, komen in aanmerking. Ook Ezechiël die een goed kenner was van de heilige geschriften heeft het over de kleding van de priesters(linnen) binnen het heiligdom, kapsel (niet kaal, netjes gekapt), gedrag (geen wijn drinken), huwelijk (maagden, geen weduwen of gescheiden vrouwen). Ze zullen ook een onderwijstaak hebben en geschillen beslechten in overeenstemming met de regels van Tora. Contact met dode lichamen is taboe, uitgezonderd die van enkele naaste familieleden. Van alle soorten verplichte en vrijwillige offers en gaven mogen ze eten en ook hebben ze recht op de eerstelingen van de oogst en het vee en ook van het eerste deeg ( challa , dat is de eerste betekenis). Onroerend bezit mogen de priesters niet hebben, want
‘Ik ben hun erfelijk eigendom. U mag hun in Israël geen bezit geven: Ik ben hun erfelijk bezit.'
Niet ritueel geslachte dode dieren of vogels mogen de priesters niet eten.

De voorschriften van Ezechiël wijken in details af van wat de Tora voorschrijft en laten nogal wat weg. Niet veel later zullen de overgeleverde teksten die zijn collega-priester en geleerde Ezra heeft samengesmeed tot wat wij nu de Tora noemen richting gevend zijn voor de tweede tempel.

Tot de verwoesting van de tweede tempel in 70 CE hebben priesters grote invloed gehad in het religieuze en politieke leven. Met name de hogepriesters in Jeruzalem hadden een politieke macht die niet veel onderdeed voor die van een koning en soms viel de functie soms samen. Priesters namen in aantal in de loop der tijd tot duizenden toe en woonden overal in Judea; je kan spreken van een priesterstand met aanzienlijke sociale status. Volgens een rooster hadden ze een paar dagen per jaar dienst in de tempel. Op den duur ontstond er een aristocratische elite van in luxe levende hogepriesterlijke families. Van werkelijk religieus leiderschap kon nauwelijks meer gesproken worden. In de eerste eeuw BCE werden hogepriesters zelfs benoemd door de Romeinse gouverneur. Tot de zeloten tijdens de opstand tegen de Romeinen een aantal over de kling joegen en uit hun midden een hogepriester benoemden, Pinchas ben Samuel, een eenvoudige metselaar en familie van de beroemde geleerde Hillel. Dat was de laatste hogepriester in de geschiedenis. De clerus is altijd vatbaar geweest voor corruptie en collaboratie.

Vanaf het begin van de religieuze geschiedenis zien we de priesterlijke stand steeds meer verweven met politieke macht. Tegelijk zien we tegenbewegingen opkomen, die trachten de authentieke spirituele een morele essentie van het Jodendom tegen hen veilig te stellen. Eerst zijn dat de profeten, waarvan wij er vele al de revue hebben laten passeren. Na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap komt er geleidelijk een nieuwe groepering op van deskundigen in de leer, die de Tora weer als leidraad voor de praktijk van het leven in een nieuw licht gaan uitleggen, de farizeeën, de ‘liberalen' van toen. Na de verwoesting van Jeruzalem gingen zij over in de geleerden van de Talmoed en legden de basis voor wat wij nu het rabbijnse Jodendom noemen. Rabbijnen zijn geen geestelijken, maar leraren.

Toch zijn de priesters niet verdwenen. In talloze families is de afstamming van priesters van generatie op generatie overgeleverd, wat tot uiting kan komen in de naam Cohen, Cohn, Cahen, Katz en vele andere varianten. Ze worden in de dienst als eerste voor de Toralezing opgeroepen en mogen (althans in de orthodoxie) de priesterzegen uitspreken; ook het contact met een dode is voor hen taboe en op begraafplaatsen zijn speciale voorzieningen getroffen om hun aanwezigheid mogelijk te maken.

Noten
(1) Commentaren op de parasja Emor zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Een uitgebreid overzicht van de geschiedenis van het priesterdom vond ik in de Jewish Encyclopedia Vol 13 ed 1972 p.1082 ev

Haftara bij de parasjot Acharee Mot-Kedosjiem

Amos 9 :7-15

De parasjot Acharee Mot-Kedosjiem (Leviticus/Wajikra 16:1–20:27 ) van deze week gaan resp. over de grote verzoendag, priesterlijke reinheid en (in hoofdstuk 19) belangrijke morele voorschriften over goede en rechtvaardige omgang tussen mensen.
De haftara bij deze parasjot bestaat uit de laatste acht verzen van hoofdstuk 9 van het boek Amos. Amos, de eerste van de zogenoemde late profeten die hun woorden op schrift hebben gesteld (of laten stellen), was een klokkenluider van zijn tijd - het woelige Midden-Oosten in de 8 e eeuw BCE. Hij stelde de kloof tussen arm en rijk, uitbuiting, corruptie en schijnheiligheid van zijn wereld, het toen tamelijk welvarende noordelijke rijk Israël, aan de kaak en kreeg daaromtrent een aantal visioenen.
De haftara is het sluitstuk van zijn profetieën.
Nadat in de eerste helft van hoofdstuk 9 Amos nog eens in een vergezicht veel destructie en ellende voor Israël heeft gezien nemen zijn woorden een wending:
7 Bent U niet als de Cusjieten
voor Mij, Israëlieten?
spreekt de Eeuwige
Heb Ik Israël niet weggeleid
uit het land ?Egypte,
de Filistijnen uit Kaftor
en de Syriërs uit Kir?
Hier ligt waarschijnlijk een link met de parasja Kedosjiem. De woorden uit dit vers geven een tegengewicht tegen de hoogmoed die de Israëlieten zouden kunnen ontlenen aan een passage zoals die in Leviticus/Wajikra 20:26: U moet ?heilig? voor Mij zijn, want Ik, de Eeuwige, ben ?heilig. Ik heb u van de volken afgezonderd om van Mij te zijn . De Israëlieten moesten niet denken dat ze zo bijzonder onder de volken zijn. De Cushieten (Ethiopiërs) lijken door de profeet at random gekozen als volk, waar God ook naar omziet, al heeft Rasji een verklaring met een beroep op Jeremia (Jirmeja): zoals de donkere kleur van de huid van de Ethiopiërs aan hen vastkleeft, zo kleven ook Israëls zonden hardnekkig aan hen vast. God heeft de Israëlieten weliswaar geholpen om uit Egypte te vertrekken, maar ze zijn niet de enigen; hij heeft ook de Filistijnen uit Kaftor (Kreta) geholpen om Gaza en omstreken te bezetten en wat betreft de Syriërs (Arameeërs): Amos profeteerde eerder, dat ze naar Kir zullen worden weggevoerd, maar hij voorziet kennelijk (Rasji's uitleg volgend) dat ze weer uit Kir worden teruggebracht. Toch heeft de Eeuwige deze volken niet (Lev. 20:26) ‘ afgezonderd om van Mij te zijn . Dat geeft echter dus geen zekerheid, dat goddelijke bijstand in nood in alle omstandigheden is gegarandeerd. Integendeel, juist die speciale opdracht om een heilig volk te zijn door de toevertrouwde voorschriften van de Tora te volgen maken het niet makkelijker. Het is als een klas met leerlingen. De onderwijzer of onderwijzeres houdt van alle leerlingen, maar eentje krijgt extra bijles van meester of juf; als hij of zijn er een potje van maakt is de mislukking des te groter.

Amos voorziet echter ook een uiteindelijke goede afloop. Hiermee zet hij het paradigma voor de latere profeten: eerst komt de berisping, dan de rampen voor het ongehoorzame volk, dan een vorm van ommekeer ( tesjoeva ) en een visioen voor herstel van tenminste een overblijfsel van het volk in een voorspoedig en welvarend land.
Het lijkt wel of hij het heeft over het Israël, dat in de vorige eeuw tot nieuwe bloei kwam:

9:14-15 Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de
? wijn ? ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
15 Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.

Hoe zou hij reageren op het Israël van nu – en breder, op de wereld van nu?

RC 2020

naschrift

1. In de tijd van Amos waren er nog geen ‘Joden', hoewel je die term vaak in commentaren op teksten daterend van voor de ballingschap tegenkomt. Er waren bewoners van het noordelijke koninkrijk Israël (in bijbelteksten ook wel Jozef en Efraïm genoemd). De tien stammen die het rijk vormden zijn door de Assyriërs weggevoerd en uiteengevallen. We komen hen in de geschiedenis niet meer tegen behalve op duistere websites waarop mensen beweren af te stammen van de verloren stammen. Daarnaast had je de bewoners van het koninkrijk Juda (Judeeërs), bestaande uit de stam Juda waarin de stam van Simeon (Sjimon) was opgegaan en de stam Benjamin. Joden ontstonden in de ballingschap, toen de Judeeërs en de Benjaminieten samenbleven in Babylonie en een groot deel na de ballingschap naar Judea terugkeerde. We moeten ook de stam Levi deels meetellen, dus de met hen mee verbannen Levieten en priesters.

2. Het is velen opgevallen, dat als beloning van getrouwheid aan de voorschriften van de Tora bijv. in Deuteronomium en bij de profeten altijd alleen materiele zaken worden genoemd: welvaart, goede oogsten, tijdige regens, volle akkers, rijke wijngaarden, veel kinderen en overwicht op mogelijke vijanden. Waarom worden nooit spirituele beloningen beschreven, zoals wijsheid, verlichtheid, en – voor het rabbijnse Jodendom een item van belang - een leven na de dood (olam ha-ba)? Dat zijn toch de belangrijker zaken waar het om gaat. Rabbijnen hebben die vraag vaak gesteld. Veel te kort samengevat: je leest bijvoorbeeld over de opvatting, dat het voor de Tora zo vanzelfsprekend was, dat de ziel van de goede mens voortleeft na de dood, dat het niet nodig was dit expliciet te vermelden.
Maimonides stelt (Hilchot Tesjoeva 9:1) dat al die materiele zegeningen niet het doel zijn, maar het middel. Alleen in goede materiele omstandigheden heb je de tijd en de rust om Tora te studeren, wijsheid te vergaren, je te ontwikkelen en je verzekerd te weten van een plek in de komende wereld. Al in deze wereld (olam haz è) kan je een voorproef van de nabijheid van de Eeuwige ervaren. Zie de samenvatting van de rabbijnse discussie bij Nechama Leibowitz .

3. Twee opmerkingen: de Tora richt zich in de regel tot het collectief, is minder gefocust op het indidividu, dat nog niet zo als bepalende entiteit uit het collectief springt als in de individualistische moderniteit. Het welzijn en de (spirituele) ontwikkeling van het individu is ingebed in het collectieve proces.
Ten tweede is een paradigma van een straffende en belonende goddelijke autoriteit, heel onbevredigend geworden en niet meer houdbaar. Over hoe het wel werkt, laten we daar vol nieuwsgierigheid naar zoeken, over twijfelen, over antwoorden en dan weer open zijn voor nieuwe twijfel en nieuwe antwoorden. Want één ding is duidelijk: wij zijn maar een heel klein onderdeel van de schepping en de schepping is oneindig veel groter, ruimer, complexer dan wij zelfs met onze moderne wetenschap kunnen bevroeden. Laat ik Emmanuel Levinas parafraseren (uit een interview met France Guwy). Hij vat hier heel pregnant samen, waar het op aankomt: Het beroep dat mijn medemens op mij doet spreekt tot mij als een inbreuk op mijn natuurlijke neiging om alles om mij heen uitsluitend te zien, te duiden en te organiseren in het licht van mijn eigen lust of belang. Die potentiële goedheid, die in de mens geraakt wordt door (het gelaat zoals Levinas zegt van) de ander is eerder de weg naar het goddelijke dan het omgekeerde: dat hij tot het goede komt, uitgaande van een God. Ik zou zeggen, dat deze potentiele - Levinas zegt zelfs aangeboren – goedheid van de mens resoneert in de Tora, althans zeker in het ethische deel van de voorschriften, zoals die zijn neergelegd in bijv. hoofdstuk 19 van de parasja Kedosjiem

Haftara bij de parasjot Tazria-Metsora

Jesaja 66:10-23

De parasja Tazria (Wajikra/Leviticus 12-14) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over de huidziekte tsaraät , vermoedelijk een vorm van melaatsheid. Het is aan de priester om de diagnose te stellen en de verschillende reinigingshandelingen te verrichten. In de volgende parsje Metsora (Wajikra/Leviticus 14-16) volgen vergelijkbare reinigingsprocedures voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsaraät en voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen.(1)

Het is logisch, dat dan een parallel met melaatsheid wordt gezocht in het boek Neviïem (Profeten) en zo komen we als haftara bij het mooie verhaal in 2 Koningen 4:42-5:19 over de genezing door de profeet Elisja van Naäman, de Aramese generaal, die leed aan melaatsheid ( metsora ). Maar nu hebben we deze week een andere haftara, Jesaja 66:10-23. Als een sjabbat valt vlak na of op het begin van een nieuwe maand (Rosj Chodesj) wordt er een andere dan de reguliere haftara gekozen. Dat is nu het geval. De maand Niesan is afgelopen en nu begint de maand Ijar

De verzen van deze haftara vormen het sluitstuk van het boek Jesaja. Ze zijn vermoedelijk geschreven onder de naam Jesaja door een man die eeuwen later leefde dan de Jesaja van het eerste deel van het boek. Hij moet het einde van de Babylonische ballingschap hebben zien aankomen of heeft hem zelfs meegemaakt.

Bij monde van deze Jesaja propageert de godheid en maker van alles nog eenmaal zijn grootheid. De hemelen zijn zijn troon en de aarde zijn voetenbank. Een tempel heeft hij niet nodig en de rituele offers van hypocrieten en kwaaddoeners verafschuwt hij, maar wel ziet hij om naar de arme die berouw heeft en naar Zijn woord luistert. Maar de spotters en zij die voor het kwaad kezen zullen hun trekken thuis krijgen (2)

Maar dan verandert de toon en komt de profeet met een letterlijk beeld van verlossing. Zoals een vrouw zwanger is en de geboorte van het kind aanstaande, zo zal Israël uit de ballingschap geboren worden in een snelle bevalling, een geboorte zonder weeën. Het is met dit ongebruikelijke vrouwelijke beeld van een moeder, dat de Eeuwige zich hier als een vroedvrouw ontpopt. En niet alleen wedergeboren wordt Israel, het zal ook bloeien en welvaren en goddelijke bescherming geniete tegen de vijanden die tegen Israel zullen optrekken.

De tekst krijgt nu steeds meer eschatologische trekken. Er wordt in vlammende bewoordingen gerept van een eindstrijd te vuur en te zwaard en een eindoordeel over kwaaddoeners en rechtvaardigen. De rabbijnen (zoals Rasji) zien parallellen met Ezechiël hfst 38, waarin de profeet een visioen heeft over hoe de gezamenlijke volken onder leiding van Gog van Magog tegen Israël zullen optrekken en het onderspit zullen delven, getroffen door een vreselijke natuurrampen en ziekten.
Na deze strijd ziet Jesaja in een groots vergezicht de terugkeer van de Joden uit alle delen van de wereld (een kiboets galoejot ) zich voltrekken. Diep onder de indruk van de macht van de Eeuwige zullen de volkeren de bij hen wonende Joden terugbrengen (66:20) ‘op paarden en op wagens, met huifkarren, op muildieren en op snelle  ? kamelen, naar Mijn ? heilige ? berg ? toe, naar  ? Jeruzalem, zegt de Eeuwige, zoals de Israëlieten het ? graanoffer ? in ? rein ? ? vaatwerk ? naar het ? huis ? van de Eeuwige brengen.'

Het boek eindigt met het visioen van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde (vers 22) waarop elke ? nieuwe maan ? ((3) en elke ? sabbat ? alles wat leeft opnieuw naar Jeruzalem zal komen ‘om zich voor mij neer te buigen – zegt de Eeuwige', aldus de profetie van Jesaja'. Het is een beeld, waarin alle naties zich zullen verenigen rond een (symbolisch) Jeruzalem. Het is wellicht een wat judeocentrisch beeld van de eindtijd, maar het idee dat alle naties in één groot spiritueel basisverbond (met allerlei verscheidenheid in uitwerking) verbonden zijn, spreekt dat niet aan?

De visoenen van eindstrijd en eindoordeel in Ezechiël, Jesaja (en ook Daniel) klinken nog na in het Tweede Testament waar Johannes in het boek Openbaringen op Ezecheliaanse wijze eerst de catastrofale veldslag tussen de goeden en de kwaden in Armageddon (4) heeft beschreven en daarna de eindstrijd met de satanische legers van Gog en Magog. In de christelijke traditie heeft de apocalyptische literatuur grote invloed gehad en nog steeds, vooral in meer sektarische en evangelicale kringen, waarin het op handen zijnde Armageddon wordt geassocieerd met de acceptatie door alle Joden van Christus als messias.

Ik denk, dat we apocalyptische visioenen moeten toetsen aan een nuchtere kennis van de mens. Deels komen de fantasierijke beelden van een verenigd Joods volk en een verenigd en gezuiverd mensdom voort uit een authentiek verlangen in de diepten van de ziel naar een wereld van rechtvaardigheid en vrede, waarin het kwaad is bedwongen. Deels komen de beelden van genadeloze afrekening met bliksemend vuur, flitsende zwaarden en vreselijke ziekten voort uit bronnen van angst, ressentiment, overmatig zondebesef en onzekerheid, vooral in tijden van onderdrukking en rampen. Die bronnen zijn maar al te menselijk, een echte leidraad voor ons leven bieden deze horrorbeelden niet; ze vinden tegenwoordig een betere uitweg in goede romans en in de volkscultuur van spannende films.

De afgelopen week hebben we een dieptepunt in de Joodse geschiedenis herdacht, de Sjoa (Jom Ha-sjoa we-hagevoera). In de komende week herdenken we een hoogtepunt, Onafhankelijksdag (Jom ha-Atsmaoet). De sjabbat wordt ook wel Sjabbat Tekoema genoemd (sjabbat van de stichting) en dan wordt in sommige synagogen ook Deuteronomium/Devariem 8:1-10 gelezen, waarin Israël op het hart wordt gedrukt ook in betere tijden God en zijn geboden niet te vergeten en waar als haftara Zacharia/Zecharja 8 :1-19 wordt gelezen, waarin een profetisch en messianistisch beeld van een hersteld en vredig Jeruzalem wordt geschetst.

noten
(1) Commentaren op de parasjot Tazria en Metora zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Dit is mijn parafrase van het onduidelijke Hebreeuws, dat meerdere uiteenlopende rabbijnse uitleggingen heeft opgeleverd
(3) Die nieuwe maan is waarschijnlijk de link met Rosj Chodesj
(4) Grieks-Romeinse verbastering van har Megiddo, de heuvel van de stad Megiddo, waar vroeger vele veldslagen zijn uitgevochten

Haftara bij de parasja Sjemini

2 Samuel 6:1-19

In de parasja Sjemini (Leviticus/Wajikra 9:1 - 12:1) brengen Nadav en Avihoe, de twee oudste zonen van Aharon, tijdens de plechtige inwijding van de tabernakel impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur' ( eesj zara ), een vurige daad waarom de Eeuwige niet gevraagd had. De twee overenthousiaste zonen worden door een vuur uit de hemel verteerd en komen om tot schrik en ontsteltenis van de menigte. Wat heeft de Eeuwige aan hun zo toegewijd gebracht reukoffer niet behaagd? Wat hebben ze verkeerd gedaan?

De plotselinge dood van Nadav en Avihoe vindt een parallel in de haftara uit het tweede boek Samuel. Daar speelt zich een vergelijkbaar incident af. De nog jonge koning David wilde na een succesvolle veldtocht tegen de Filistijnen de heilige ark terughalen van de plek waar hij na zijn verblijf in Filistijnenland was terecht gekomen (1). Twintig jaar had hij gestaan bij Avinadab in het dorp Kirjat Jeariem. De ark werd opgeladen op een splinternieuwe wagen met een os ervoor en begeleid door de twee zonen van Avinadab, Uzza en Achio. Vergezeld door een dansende David en een leger van 30.000 man en veel muziek ging de ark op weg naar Jeruzalem. Op een bepaald moment struikelde de os. Blijkbaar dreigde de wagen te kantelen. De man Uzza strekte zijn hand en greep de ark vast uit om hem voor vallen te behoeden. We citeren vers 7: Toen ontbrandde de toorn van de Eeuwige tegen Uzza, en God strafte hem daar om deze onbedachtzaamheid, en hij stierf daar bij de ?ark? van God .'

Dat roept vragen op en wekt verontwaardiging over deze onbillijk lijkende goddelijke sancties. Ook David werd aanvankelijk kwaad over de gewelddaad tegen Uzza (vers 8). In het geval van Nadav en Avihoe zijn er nog wel nog wel een aantal verklaringen te construeren. In theïstische termen uitgedrukt: God houdt niet zo van fanaten die in extatische vergetelheid de zorgvuldige regels omtrent benadering van het heilige overtreden. (3)
In het geval van Uzza ligt het moeilijker. Hij wilde de ark voor vallen behoeden. Wat heeft deze arme trouwe dienaar nu verkeerd gedaan? Ook de rabbijnen van de Talmoed hebben zich het hoofd gebroken over de vraag wat de onbedachtzaamheid – in het Hebreeuws sjal (4) - van Uzza was. (5) Rabbi Jochanan (3 e eeuw  CE ) zegt, het was onachtzaamheid, omdat de goede man was vergeten, dat de ark zichzelf draagt. Want ga maar na het boek Jozua: het volk betrad het beloofde land en stak droogvoets lopend de Jordaan over. Toen sloten de wateren zich weer en droeg de ark die nog aan de ene kant stond zichzelf en de priesters vliegend over het water naar de overzijde, zo was Jochanans uitleg (6). Een andere geleerde, Rava (4e neeuw), legt de schuld bij David zelf. De koning had het vervoer van de ark te licht opgevat; hij had uit de Tora moeten weten, dat de heilige ark niet in een wagen mag worden vervoerd maar door de levieten moet worden gedragen (7) en nu is dit zijn straf.

Nu weten wij tegenwoordig beter dat een correlatie tussen twee gebeurtenissen in tijd niet altijd een causale relatie hoeft te betekenen (post hoc ergo propter hoc). Uzza's aanraken van de ark en zijn dood vlak daarna kan toeval zijn geweest. Misschien had hij een hartafwijking en werd de schrik hem fataal. Door de aanwezigen en late verklaarders werd het als een negatief wonder (straf) ervaren. Een begrijpelijke reactie. De plotselinge en ontijdige dood van een verdienstelijk mens dringt ons tot wanhopige vragen naar het waarom, toen en nu. Ieder antwoord lijkt beter dan het bitter besef, dat het louter toeval is. Maar misschien is het een vorm van (al dan niet religieuze vaak moeizaam verworven) levenskunst het toeval te laten zijn voor wat het is en onze boosheid, wanhoop, verbijstering erover te aanvaarden in een vorm van overgave, die zich dan pas kan onthullen als betekenis.

Koning David was aanvankelijke boos, maar daarna werd hij bevreesd. Hij liet de ark drie maanden lang staan bij een man genaamd Oved-Edom, die opeens met allemaal weldaden werd gezegend. Toen pas waagde de koning een nieuwe etappe en nam het vervoer van de ark met zijn onberekenbare effecten weer op. Nu werd de ark inderdaad gedragen door levieten. Na iedere zes stappen werd er een stier en een koe geofferd (dat moet hele kudden hebben gekost). Hij bracht de ark niet naar zijn oorspronkelijke tabernakel in Sjilo, maar plaatste hem in een tent in Jeruzalem. Daar vatte hij het plan op om een tempel te bouwen, hetgeen pas door zijn zoon Salomo zou worden verwezenlijkt. (7)

De ark van het verbond heeft vele eeuwen in de tempel gestaan in het heilige der heiligen. In het begin van de periode van de Babylonische ballingschap is hij verdwenen, opgelost in de mist van de geschiedenis. Verschillende legenden zijn van oudsher in omloop. Ligt hij begraven in de tempelberg of verscholen diep in een grot aan de Dode Zee? Rust hij in de kerk van de heilige Maria in het Ethiopische Aksum? Of in Rome, in de Aartsbasiliek van Sint-Jan van Lateranen? Daar zou hij gelegen kunnen hebben in de rijke fantasie van schrijver Harry Mulisch in zijn ‘Ontdekking van de Hemel', een boek met een pessimistische ondertoon, waarin aan het slot de letters van de Tien Geboden de aarde hebben verlaten. In de hedendaagse volksmythologie is de ark en zijn stenen tafelen niet verdwenen en nog steeds een bron van inspiratie voor literatuur en malle maar spannende films als Raiders of the lost Ark. De geest van de tien geboden tracht in allerlei moderne vormen in onze (westerse) cultuur te overleven. Hij heeft onze moraliteit diepgaand beïnvloed ondanks altijd werkzame tegenkrachten van amorele ideologieën.

Noten
(1) Hoe hij daar terecht is gekomen wordt beschreven in 1 Samuel 6
(2) Zie over verklaringen van Chazal (de Oude Wijzen) o.a. Wajikra Rabba 20: 8 en 9 en het commentaar op mijn website en in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA deel 2, p. 44
(3) In het Hebreeuws komt het woord sjal, dat is vertaald met onbedachtzaamheid, onachtzaamheid, vergrijp of indiscretie maar één keer voor in Tanach, nl op deze plaats (tps://biblehub.com/hebrew/79)
(4) Uit de uitgebreide rabbijnse discussie in he Talmoed tractaat Sota 35a
(5) Zie Jozua 4:18 (in combinatie met vers 11); de Hebreeuwse tekst maakt deze geforceerde uitleg met enige moeite mogelijk. De Talmoed kent nog niet de latere preutsheid in taal en gedachten: een andere uitlegger R. Elazar meent, dat Uzza in het aanzicht van de ark zijn kleed heeft opgetild en zijn behoefte heeft gedaan…
(6) Numeri/Bamidbar 7:9
(7) De overgang van tent (tabernakel) naar tempel is een evolutie met twee gezichten. Het is een ontwikkeling van eenvoud naar complexiteit, van onschuld naar sophistication, van innerlijkheid naar uiterlijkheid .

Pesach overdenking 2020

Pesach is het feest waarin de bevrijding meer dan drieduizend jaar geleden van de Israëlieten uit Egyptische onderdrukking wordt herdacht. De afstammelingen van Jacob, de Israelieten, ooit in Egypte aangeland op de vlucht voor hongersnood, waren in de loop van ruim vierhonderd jaar uitgegroeid tot een groot volk, maar gaandeweg tot slavernij gebracht en steeds wreder door de Farao onderdrukt; onder brandende zon moesten de slaven zwoegen tot de uitputting toe, tranen van wanhoop werden vergoten. Maar de tien plagen brengen de Farao uiteindelijk tot hun vrijlating van de slaven.

Ons land en de wereld ondergaan nu een grote plaag, van een tot nu toe onbekend virus. De hele wereld is in zekere zin als het bijbelse Egypte. Egypte, vertaald in het Hebreeuws, is Mietsrajiem . Er zit het woord 'tsar' in, dat betekent ‘nauw'. Het woord is een dualis, een tweevoud van ‘meetsar', benauwenis, zee-engte. Eigenlijk betekent Egypte ‘twee benauwenissen'. De wereld lijdt ook aan twee benauwenissen. Letterlijk lijden een groot aantal mensen aan de adembenauwenis van de door een virus aangetaste longen en wij voelen de angst om de ziekte te krijgen; van overheidswege daartoe dringend verzocht sluiten we ons op in een onzichtbare cel van anderhalve meter afstand.
De tweede benauwenis is de angst van heel veel mensen voor een economische crisis in wording en de onzekerheid over hoe we het materieel gaan redden komt op ons af.
We leren weer het verlangen naar bevrijding uit benauwdheid kennen. We hopen met de dag meer onze cel te mogen verlaten zodat we weer vrijuit kunnen ademen, onbekommerd naar buiten kunnen, onze geliefden weer in de armen kunnen sluiten. We staan te springen om onze dagelijkse activiteiten om brood op de plank te krijgen weer op te vatten of zonder zorgen te kunnen uitoefenen.
We verlangen naar de vrijheid van voor de Coronaplaag.
Maar waren we toen eigenlijk wel vrij?
De Hebreeuwse slaven waren duidelijk niet vrij. Ze waren gevangen in een hiërarchisch systeem en als slaven werden ze opgejaagd in een genadeloze productierace van bouwstenen voor steden en paleizen van de farao. Ze kregen slaag en veel te weinig te eten en hun kinderen werden hen afgenomen en gedood. Zo erg is het met ons in het grootste deel van de wereld niet. Wel zijn ook wij meer onmerkbaar in een productie- en consumptiesysteem gevangen, het kapitalisme. In ons woont zowel een slavendrijver als een slaaf. Bij de een is het meer de slavendrijver, die de overhand heeft, bij de ander is het meer de slaaf. Ieder draagt heel Egypte in zich. We worden door elkaar in het systeem gehouden, een systeem waarin we keihard moeten werken om te consumeren en keihard moeten consumeren om aan het werk te kunnen blijven.

We worden niet fysiek gemarteld en komen niet om van de honger. Integendeel. We worden verleid tot productie en consumptie van een overvloed aan producten die we meestal zorgeloos consumeren, goedkope etenswaren, ontelbare gadgets, verre exotische reizen. We worden constant aangespoord om steeds nieuwe dingen en diensten te kopen, zodat de economie op gang kan blijven en winsten gegarandeerd blijven. De meesten van ons althans in Europa voelen zich best senang omgeven als we zijn door een staat en een gezondheidszorg die ons in de regel opvangt bij tegenslag.

De corona heeft een spaak gestoken in het steeds voortdraaiende wiel van deze vicieuze cirkel. Het heeft ons voor het blok gezet, zet ons tot denken aan. Onze onzichtbare cel van 3 meter breed en 3 meter lang dwingt ons tot reflectie op dieper niveau over onze plek in het leven en over onze relatie met medemens en maatschappij. De discussie over wat er mis ging en hoe het beter moet gaan worden zijn al begonnen. De plagen van de bijbel doen denken aan de huidige verstoringen van het ecologisch evenwicht. Denk bv aan de milieuvervuiling of het massaal ophokken en doorfokken van dieren. Het ongelimiteerde reizen en wereldwijd handelen werkt globale verspreiding van virussen en bacteriën in de hand.

De Israëlieten, de slaven van toen, is het gelukt was om te ontkomen aan de farao en zijn leger. Toen ze na de doortocht door de rietzee in de weidse leegte van de woestijn beland waren, lachte een eindeloze openheid van mogelijkheden hen toe. Ze konden nu als vrije mensen en nieuw samenleving gaan vormen. Ook onze wereld wordt nu mijns inziens een kans geboden om het leven en de samenleving op een andere manier vorm te gaan geven

RC april 2020

Haftara bij de parasja Tsav

Malachi 3:4-24

Deze sjabbat is het de sjabbat ha-gadol, de grote sjabbat. Zo wordt de laatste sjabbat voor Pesach genoemd. Waarom is niet duidelijk, misschien wegens het noemen van de ‘grote en ontzagwekkende dag' (des oordeels) aan het slot van Malachi 3:4-24, de verzen die in vrijwel alle liturgische tradities dan als haftara worden gelezen, ook als een andere parasja dan de parasja Tsav (1) die nu aan de orde is valt op deze sjabbat. De link met Tsav (Leviticus /Wajikra 6: 1-8:36), waarin de tempeloffers, die in de parasja Wajikra al werden beschreven, nog eens opnieuw worden doorgenomen, is dan ook mager; alleen het vernieuwde graanoffer wordt in het begin van het haftara-gedeelte genoemd.

Malachi - ‘mijn engel', vermoedelijk een pseudoniem - was de laatste profeet van de zogenoemde twaalf kleine profeten. Hij leefde in de tijd toen de tweede tempel was opgebouwd in het weer opnieuw door Joden bewoonde Jeruzalem. Het boek is de laatste profetische donderpreek die in Judea over de mensen worden uitgestort. Kennelijk zag hij alweer nieuwe rituele en morele missstanden ontstaan; de offerdienst werd verwaarloosd, de priesters gaven geen goede uitleg, de mannen bleven niet trouw aan hun vrouwen.
In het nu aan de orde zijnde hoofdstuk drie verschijnt een nieuwe gestalte in Malachi's vergezicht: mijn bode (er staat letterlijk: malachi van malach , bode, afgezant, engel), die de weg zal bereiden voor de komst van de Almachtige persoonlijk. Deze bode of afgezant zal met name de in het slop geraakte tempeldienst en haar lakse levieten zuiveren ‘als iemand die zilver smelt en het zuivert' . In het christendom denkt men, dat met de bode de Johannes uit het Tweede Testament wordt bedoeld. Waarschijnlijker is dat dit verwijst naar de komst van Elia, die in vers 23 wordt aangekondigd. Als dan die zuivering heeft plaatsgevonden, dan zal ‘ het ?graanoffer? van Juda en ?Jeruzalem voor de Eeuwige aangenaam zijn ' als vanouds, zoals staat in vers 4, het begin van onze haftara. Daarna zal ook de Eeuwige persoonlijk komen voor wat niet anders dan een angst inboezemende dag des oordeels genoemd kan worden. Wie moeten vooral dan hun hart vasthouden?
3:5 (NBV ) Tovenaars en echtbrekers, mensen die ?meineed? plegen en mensen die hun dagloners uitbuiten, en allen die ?weduwen? en wezen? onderdrukken en ?vreemdelingen? geen plaats gunnen. Want geen van allen hebben zij ?ontzag? voor mij – zegt de Eeuwige van de hemelse machten .

Als iemand ontzag voor de Eeuwige, godvrezendheid (godsvrucht met een archaisch woord) had kon je erop aan, dat hij of zij betrouwbaar, eerlijk, gastvrij, was. (2) Een waarachtig godvrezend mens geeft zijn tienden (ontduikt geen belastingen), blijft bi zijn vrouw, verkoopt geen leugens, is geen kwaadspreker, geen oplichter, ziet om naar zijn behoeftige medemens en bij hem of haar ben je veilig als gast. God was (of is voor wie wil geloven) de absolute autoriteit die de mensen nodig hadden (en vaak nog hebben) om dit gedrag over een hele gemeenschap ingang te doen vinden ten einde een leefbare samenleving mogelijk te maken. De hem toegedichte almacht hield (en houdt voor sommigen nog steeds) in, dat hij ‘goddeloos' gedrag (op den duur) zou bestraffen en godvrezend (vroom) gedrag (op den duur) zou belonen. Voor de meer mystiek angehauchte is ontzag voor de Eeuwige losgemaakt van straf en beloning en verwijst naar ervaring van eigen nietigheid tegenover de schepper van de kosmos en schenker van levend bewustzijn.
Toch is het maar al te begrijpelijk, dat ook in de tijd van Makachi de twijfel van de vromen aan de steeds maar uitblijvende beloning voor hun goed gedrag toesloeg:
NBV 3:14 (…) ‘ Wat heeft het voor nut om God te dienen, wat hebben we eraan dat we zijn voorschriften in acht nemen en ons in een boetekleed hullen voor de Eeuwige van de hemelse machten? We moeten de hoogmoedigen wel gelukkig prijzen, want wie zich goddeloos gedraagt gaat het voor de wind, en wie God beproeft komt er goed vanaf!'
Dit gevoel van blijkbare grote willekeur in de verdeling van wel en wee, geluk en ongeluk, is van alle tijden.

Het paradigma van beloning voor ‘goed' gedrag (goede oogst, welvaart) en straf voor ‘slecht' gedrag (ziekte nederlaag, ballingschap, ondergang) is toch veel te simpel, meestal onwaar en zelfs gevaarlijk. Zo is het onzin – in veel extreem religieuze kringen wordt misschien zo gedacht - de Corona crisis te zien als een straf voor de hoogmoedige mensheid. Maar de crisis is wel een signaal. Als met veel opoffering van mensenlevens, ten koste van een hoge economische en psychische prijs en met grenzeloze inzet van geweldige medische hulpverleners en wetenschappers het virus hopelijk is ingedamd kan de crisis mede begrepen worden als een wake up call om ons te bezinnen op onze eigen levenswijze en op onze hectische, kapitalistische en consumentistische samenleving. Neem bijvoorbeeld onze uitbuiting van dieren, waar immers vele soorten virusbesmettingen vandaan komen. Velen van ons hebben nu al de tijd om thuis met reflectie te beginnen. Nieuwe inzichten en voornemens kunnen uit deze crisis voortkomen Of gaan we als dit achter de rug is onze gedwongen retraite met zijn ontberingen zo snel mogelijk vergeten om ons weer over te geven aan consumptieve uitspattingen, waanzinnige events en festivals en te gekke exotische reizen?.

De laatste woorden van Malachi zijn ook de laatste woorden van het boek Neviïem, zoals de geschriften van Jozua tot en met Malachi worden genoemd. Die woorden vormen ook een laatste wake-up call
3:22 Houd je aan het onderricht van ?M o zes, mijn dienaar, aan wie ik op de ?H o reb? regels en wetten heb gegeven die gelden voor heel  I sraël.  23 Voordat de ?dag van de Eeuwige? aanbreekt, die groot is en ontzagwekkend, stuur ik jullie de ?profeet? ?El i a,
Niet meer zou de Eeuwige rechtstreeks via de menselijke mond spreken met de mensen, tenminste volgens de opvatting in het mainstream rabbijnse Jodendom. Met Malachi kwam aan het profetendom een einde. Vanaf toen was het aan de Joden (mensen) zelf om de Tora en zijn geboden te bewaken, uit te leggen en de toepassing aan te passen aan nieuwe omstandigheden; niet lang daarna deden de rabbijnen hun intrede, rabbijnen die geen profeten waren, geen priesters, maar leraren.
Maar nog eenmaal zal er een profeet komen – zo voorziet Malachi - die die messiaanse dag zal voorbereiden: Elia (3). Voor hem wordt tijdens de seidermaaltijd nog altijd de deur opengedaan voor het geval hij dan mocht komen. Ik wens allen te midden van de geldende beperkingen een Pesach kosjer we-sameach en een gezegend Pasen en blijf gezond!

Noten
(1) Commentaren op de parasja Tsav zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Zie bijv Genesis 20:11 Hier verklaart Abraham aan Avimelech, dat hij bang was, dat er in het huis van de laatste geen vreze Gods zou zijn, reden waarom hij heeft gezegd, dat zijn vrouw Sara zijn zuster was. “ Er is vast geen vreze Gods in deze plaats, daarom zullen zij mij omwille van mijn vrouw doden”.
(3) Zie mijn artikel over Elia op mijn website
Over de nabijbelse Elia is een interessant stuk https://www.uscj.org.il/commentaries/haftarah-parshat-tzav-shabbat-hagadol-2/

Haftara bij de parasja Wajikra

Jesaja 43:21-44:23

We leven momenteel in een uitzonderlijke periode. Onder invloed van de corona crisis zijn we aan huis gebonden. Straten zijn verlaten. Ouderen als het ware gevangen in hun appartement. Zij die tot de vitale beroepen behoren werken zich een slag in de rondte om levens te redden. Vele mensen uit het MKB maken zich grote zorgen. Kerk- en sjoeldiensten zijn opgeschort. Eigenlijk zijn we min of meer ballingen in eigen land. Het bespreken van een haftara die betrekking heeft op een situatie van 2500 jaar geleden lijkt opeens een futiele zaak. Maar in het beeld van ballingschap ligt misschien een link met de haftara van deze week.

Het gaat om dat deel van Jesaja (Jesjajahoe), dat vermoedelijk is geschreven door een tweede Jesaja (zg deutero-Jesaja) die twee eeuwen later leefde dan de eerste Jesaja. Hij verbleef in ballingschap in Babylonië, het grote rijk dat toen al wankelde onder de aanstormende Perzen en Meden. De Joden konden in Babylon hun normale rituelen in de tempel niet verrichten. Het is niet zeker in hoeverre de Babylonische regering de Joden vrijliet in andere aspecten van hun godsdienstoefening. (1) Tegelijk waren die 70 jaren ballingschap een kweekbed voor vernieuwing. Geleerden herinnerden zich de oude verhalen, herlazen oude geschriften, bespraken ze en redigeerden ze tot een bruikbaar boek. Een van hen was Ezra, die de hand zou gaan hebben in de totstandbrenging van een gezaghebbende versie van die geschriften, ongeveer wat wij nu kennen als de Tora. Intussen verlangden de Joden hevig naar normalisatie van hun situatie, dat wil zeggen om terug naar huis, naar Judea, te gaan en hun normale leven weer op te pakken, het land te gaan bewerken en hun stad en tempel weer op te bouwen.

Jesaja voorzag de val van de machthebbers die hen verbannen hield en voorvoelde dat een massale terugkeer van de joodse ballingen naar huis op komst was. Zo'n tweede exodus bezingt hij in de verzen die voorafgaan aan het gedeelte dat is gekozen voor de haftara (het zou ook een haftara kunnen zijn, gezien het binnenkort aanstaande Pesach).
De haftara begint met verzen die betrekking hebben op het nalaten van de tempeloffers – en hier ligt waarschijnlijk het verband met de parasja Wajikra (Leviticus/Wajikra 1:1 – 5:26) die ook gaat over de verschillende offers, die in de tabernakel verricht moeten worden. (2) Zo staat er bijv in de haftara

43:23: U hebt Mij niet uw ​brandoffers​ gebracht van kleinvee
en met uw slachtoffers hebt u Mij niet geëerd.
Ik heb u Mij niet laten dienen met het ​graanoffer,
en Ik heb u niet vermoeid met ​wierook.

Ik denk, dat het hier niet een verwijt betreft. Immers in de ballingschap was er geen tempel voorhanden, waar offers konden worden gebracht. In dit vers gaat het meer om een constatering. Sowieso was al de God van de ‘eerste Jesaja' geen enthousiast voorstander van offers.  Dat maakt dan logisch dat er staat in vers 43:25

Ik, Ik (Anochi, Anochi) ben het Die uw ? overtredingen ? uitwist omwille van Mijzelf, (dwz niet om jullie verdiensten) en aan uw ? zonden ? denk Ik niet .

Je zou dit kunnen opvatten als een divine dispensatie, opschorting van het normale strakke regiem van rituelen, iets waartoe een toestand van ballingschap aanleiding geeft. Het gaat immers niet om de rituelen en de offers. (3) Waar gaat het dan om?

1:16 Houd op met kwaad doen,
17leer goed te doen,
zoek het recht!
Help de verdrukte,
doe de wees recht,
bepleit de rechtszaak van de ​weduwe

Waarhebben de Joden dan hun ballingschap aan verdiend? Een raadselachtig vers geeft antwoord>
43:27 Uw eerste vader heeft gezondigd,
en uw uitleggers zijn tegen Mij in opstand gekomen.

Wie is die eerste vader? Wie zijn de uitleggers? Volgens Abraham Ibn Ezra (12e eeuw) is Jerobeam bedoeld, de koning van het noordelijk rijk Israël die twee gouden kalveren ter verering installeerde (zie 1 Koningen 12:28). De uitleggers zijn de priesters en Levieten (en misschien de valse profeten), die om de koning naar de mond te praten de wet van Mozes verdraaiden en verkeerd uitlegden. Ook toen waren nepnieuws, halve waarheden, structurele desinformatie en pertinente leugens bijkomende virussen die fataal konden uitpakken.

In hoofdstuk 44 slaat de profeet een heel andere toon aan. Nu klinkt weer het verlangen naar en de verwachting van een tijd van heil en verlossing door zoals in 44:3
Want Ik zal water gieten op het dorstige
en stromen op het droge.
Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten
en Mijn ​zegen​ op uw nakomelingen

Noten
(1) De profeet Jeremia bepleitte aanpassing aan de situatie waarin ballingen zich bevinden in zijn brief aan hen Jer 29:7: Zoek de ​vrede​ voor de stad waarheen Ik u in ballingschap heb gevoerd. ​Bid​ ervoor tot de Eeuwige, want in haar ​vrede​ zult u ​vrede​ hebben.
(1) Commentaren op de parasja Wajikra zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2, Leviticus, Numeri en Deuteronomium, en op mijn website
(2) Sowieso was de God van de ‘eerste Jesaja’ al geen enthousiast voorstander van offers.
Jesja !:11 Waartoe dienen voor Mij uw vele ​offers?
zegt de Eeuwige
Ik heb genoeg van de ​brandoffers​ van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het ​bloed​ van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.

RC 2020 

Haftara bij de parasja Bo

Jeremia 46:13-28

Jeremia (Hebreeuws: Jirmejahoe) is de tweede van de drie zogenoemde grote latere profeten. Als jongeman tijdens de regering van koning Josia (Josjijahoe, 7 e eeuw BCE) werd hij geroepen in het koninkrijk van Juda te profeteren tegen wetteloosheid en zedeloosheid, verwaarlozing van armen en afgodendienst die gepaard ging met afschuwelijke misstanden zoals kinderoffers. Hij bleef dat doen met een aandoenlijke vasthoudendheid tot zijn dood ondanks dat zijn boodschap zelden gehoor vond. Hij voorzag de val van Jeruzalem, de verwoesting van de stad en de wegvoering in ballingschap van talloze Judeeërs naar Babel. Hij was het archetype van de profeet die in eigen stad niet geliefd was. Hij had iets van een combinatie van klokkenluider, boeteprediker en politiek commentator met fijne intuïtie voor wat aanstaande was. Bespot werd hij, weggehoond en meerdere keren hij gevangengezet zoals door de laatste koning van Juda, Zedekia (Tsidkijahoe), met wie hij vele aanvaringen had. Na de verwoesting van Jeruzalem door de koning van Babel, Nebukadnetsar (Nevoechadnetsar), kwam hij terecht in Egypte waar vele Judeeërs heen waren gevlucht. Ook daar zette de veelbeproefde profeet zijn profetieën voort. Vermoedelijk heeft hij daar de passages, die nu de haftara van de parasja Bo ( Exodus/Sjemot 10:1–13:16 ) (1) vormen, geschreven, verzen die voor Egypte en zijn farao nederlagen in de oorlog en verwoesting in schrille beelden beschrijven, zoals in onderstaand fragment

46 22 Egypte ? kruipt sissend terug als een slang, (2 )
nu de legers ertegen oprukken.
Met bijlen gewapend komen de houthakkers aan.
23 Ze vellen de bossen die ondoordringbaar leken
– godsspraak van de Eeuwige.
Talrijker zijn ze dan de sprinkhanen,
ze zijn niet te tellen.
24 Zo wordt
? Egypte ? vernederd,
overweldigd door een volk uit het noorden.'

De parallel tussen de Parasja Bo en deze passages uit Jeremia is duidelijk: Evenals in de tijd van de plagen in het boek Exodus/Sjemot zullen de farao, Egypte en zijn afgoden het zwaar te verduren hebben. De hoogmoed van de zich god wanende farao mag niet ongestraft blijven. Ook de Judeeërs in Egypte die niet naar Jeremia wilden luisteren delen in dit lot. De retributie komt vanuit het noorden, in de vorm van de soldaten van Nebukadnetsar. Die zullen als de spreekwoordelijke sprinkhanen Egypte verwoesten. In alles ziet de profeet de hand van de Eeuwige en hij noemt in die anti-Egyptische operatie de koning van Babel een instrument van de Eeuwige, letterlijk ‘een knecht van God'.

Ditmaal een korte theologische excursie (of een poging daartoe).
Profeten zoals Jeremia begrepen de wereld en haar geschiedenis zoals dar veel in Tora en Tenach gebeurt in een strak model van de goddelijke voorzienigheid, die de mens gebruikt als pionnen in zijn plan. Het paradigma van een superregisseur die beschikt, beschermt, beloont en bestraft – zo figureert Hij ook in de gezangen van de eredienst – lijkt mij in deze moderne tijden toch te simpel. Twintigste-eeuwse filosofie heeft God met zijn voorzienigheid helemaal afgeschaft en ziet de menselijke positie als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de opdracht het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen leven ontwerpen en enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Wanhopig, moedig en opstandig neemt hij zijn eigen lot in handen à la Albert Camus in zijn ‘mythe van Sisuphus'.

Een half leven lang heeft deze visie mij wel verleidelijk geleken, maar toch, nu probeer ik een stapje verder te gaan. Het joods gedachtegoed kent de paradox, dat mij (tot op zekere hoogte) een vrije wil is gegeven, maar dat er daarnaast en vooral ver boven mij of onder mij, meestal buiten zicht, sprake is van een oneindige dragende presentie. Die presentie is dynamisch. Op het niveau van ons mensen kunnen we soms opvangen als een stem die ons coacht in een bepaalde richting, een stem die de wil opwekt om de dwingende regie van primaire emoties en instincten te boven te komen en om ons te ontwikkelen in de richting van een leven in eerlijkheid, respect voor de ander, solidariteit met verdrukten, een stem die het verlangen wekt om dat te doen met oorspronkelijkheid en creativiteit. Misschien is voorzienigheid niets meer dan dat in het voortschrijden door de woestijn van de tijd het streven in de mensheid om dat verlangen naar het goede te realiseren net iets de overhand blijkt te hebben over de neiging tot toegeven aan en morele onverschilligheid tegenover het kwade. Die paradox lees ik in de Spreuken der Vaderen, waar rabbi Akiva zegt: ‘Alles is voorzien en de vrije wil is gegeven'. (2)

noten

(1) Verschillende commentaren op Bo zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(3) Volgens mij een toespeling op de grote slag bij Karchemish aan de Eufraat (605 BCE), waarbij de legers van farao Necho II een grote nederlaag leden en door de koning van Babel werden verdreven uit Palestina en Syrië, dat onder Egyptisch gezag had gestaan.
(2) Talmoed Pirkee Avot 3:15

Haftara bij de parasja Wa'era

Ezechiël 28:25-29:21

Ezechiël (Hebreeuws  Jechezkel ) is de derde van de drie ‘grote' profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar Babel waar hij bivakkeerde bij de rivier de Kebar (6 e eeuw BCE). Daar profeteerde hij door de geest bevangen over de ondergang van Jeruzalem en Israël, maar ook over hun toekomstige verrijzenis. Ook de ineenstorting van de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten komt uitgebreid aan bod.
In deze haftara bij de parasja Wa'era (1) profeteert Ezechiël vooral over het lot van Egypte en zijn farao, vermoedelijk mede ingegeven, omdat Egypte de ondergang van Juda niet heeft voorkomen, zie bijv Ezechiel 29:6 (2). De parallel met Wa'era is duidelijk; Mosjee waarschuwt daarin de farao telkens om zijn koppigheid en hooghartigheid te laten varen en de Israëlieten vrij te laten; Mosjee's woorden en de door hem opgeroepen catastrofes die deels de levensader van Egypte, de Nijl, treffen doen de zich god wanende farao het hoofd niet buigen voor de hogere wil van de God van Mozes.

Vele eeuwen later is Egypte nog steeds een grootmacht in de toenmalige wereld van het Midden-Oosten, naast het Babylonische rijk van Nebukadnetsar. Het heeft wel iets weg van onze wereld met Amerika en Rusland (of is het nu China?) als centrale politieke machten.
De hoogmoed van de farao is in Ezechiëls tijd niet afgenomen:

29:3 ‘ Zie, Ik zál u, ? farao,
koning
? van ? Egypte,
groot
? zeemonster,
dat in het midden van zijn rivieren ligt,
dat gezegd heeft: Mijn
? Nijl ? is van mij
en ik heb die zelf voor mij gemaakt!'

Ezechiël voorspelt voor Egypte een reeks van rampen, die iets weg hebben van de plagen uit Exodus. Het lijkt wel of hij over de Egyptenaren een soort contra-narratief vertelt van het Israëlitisch lot van verstrooiing en herinzameling der ballingen. Want de Eeuwige – zo gaat de profeet verder – ;

(29:12 ev) ‘ van het land ? Egypte ? een woestenij maken te midden van verwoeste landen, en zijn steden zullen een woestenij zijn te midden van verwoeste steden, veertig jaar lang. Dan zal Ik de ? Egyptenaren ? verspreiden onder de heidenvolken en Ik zal hen over de landen verstrooien.
Merk op, dat de profeet hier ook een verstrooiing van de Egyptenaren voorspelt, zoals dat ook al in Deuteronomium is gedaan voor de Israëlieten (Deut 28:63,64). Maar ook de Egyptenaren zullen ooit weer verzameld worden, zo zegt de God volgens Ezechiël (29:13):
Na verloop van veertig jaar zal Ik de ? Egyptenaren ? bijeenbrengen uit de volken waaronder zij verspreid zijn. 14 Ik zal een omkeer brengen in de gevangenschap van de ? Egyptenaren ? en hen terugbrengen naar het land Pathros ( andere naam voor het zuiden van Egypte, RC ), naar het land van hun oorsprong. '
Maar de rol van het ooit zo machtige rijk op het wereldtoneel is dan uitgespeeld.
‘Daar zullen zij dan een onbeduidend koninkrijk zijn. Het zal onbeduidender zijn dan de andere koninkrijken en het zal zich niet meer boven de heidenvolken verheffen. Ik zal hen namelijk zo klein maken dat zij niet over de heidenvolken kunnen heersen.'

Inderdaad hebben de Egyptenaren als imperium nooit meer een rol van betekenis gespeeld. Nebukadnetsar plunderde Egypte en daarna kwamen al snel de Perzen, de Grieken, de Romeinen, de Arabieren, de Turken en tenslotte was het lange tijd een vazalstaat van het westen.

Als we nog even verder lezen voorbij de verzen van deze haftara blijkt het leed van de farao volgens de profeet nog lang niet geleden. Nog lange hoofdstukken gaan over het strafgericht over hem en zijn Egypte. In zogenoemde klaagliederen over de Farao en Egypte (hfst 32) geeft Ezechiël een lange beschrijving hoe de farao en alle andere heersers en helden die aan de profeet uit de geschiedenis van zijn Midden-Oosten bekend zijn in het dodenrijk zijn afgedaald en naast elkaar de eeuwige rust genieten. De schrijver had een sterk gevoel voor de vergankelijkheid van de macht. Het doet denken aan
‘Opgaan, blinken, en verzinken, is het lot van ieder dag (…) Of de kronen luister tonen, volken, staten, bloeiend staan, langer stonde duurt hun ronde, maar hun avond spoedt toch aan', zoals een Hollands dichter zong in de tijd van Napoleon. (3) Vele rijken, al dan niet onder keizers, zonnekoningen en dictatoren, zijn opgekomen, hebben gebloeid en zijn verzonken. Ook van Europa wordt wel gezegd, dat het in die derde periode van verzinken verkeert. En spoedt de avond van Amerika – op het toppunt van economische bloei – onder zijn huidige president niet aan?

noten

(1)29:6 En al de inwoners van ? Egypte ? zullen weten dat Ik de Eeuwige ben, omdat zij voor het ? huis ? van Israël een rietstaf geweest zijn. 7 Toen zij u bij uw hand grepen, knakte u. De middeleeuwse commentator Rasji: ‘vaak vertrouwden de Israëlieten op hen in de dagen van de Assyrische koning Sanherib en in de dagen van Nebukadnetsar, maar het haalde niets uit zoals een rietstengel, die zacht is en geen steun geeft aan wie op hem leunt.' Zie ook Jeremia 46
Koning Josia (Josjijahoe) stond de farao Necho II in de weg toen de laatste optrok tegen de Babyloniers. Het Egyptische leger versloeg de Judeeërs in 609 BCE bij Megiddo, waarbij Josia sneuvelde. Vijf jaar later werd het Egyptische leger verpletterend verslagen bij Karchemisj aan de Eufraat. Dat betekende het einde van de Egyptische dominantie.
(2) Verschillende commentaren op Wa'era zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(3) Willem Bilderdijk in ‘Afscheid'

 

Haftara bij de parasja Sjemot © Rob Cassuto

Jesaja 27:6-28:13, 29:22-23.

Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja (Jesjajahoe) is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Tot hoofdstuk veertig spreekt de eerste Jesaja, die leefde in de turbulente achtste eeuw, vanaf hoofdstuk veertig is een tweede Jesaja aan het woord die waarschijnlijk leefde in de babylonische ballingschap in de zesde eeuw.
De Jesaja van deze haftara profeteert tegen de misstanden in het noordelijk rijk Israël – meestal aangeduid met Efrajim - , dat in Jesaja's tijd na de val van de hoofdstad Samaria (Sjomron) en de deportatie van de inwoners naar Assyrie al verdwenen was. Maar ook het zuidelijke koninkrijk Juda dat nog even zal bestaan krijgt ervan langs.
De jammer over ellende, verwoesting en verbanning wordt afgewisseld met profetieën van herstel, verlossing van Israël en grote nieuwe bloei. Wat betreft de parallel met de parasja Sjemot: het boek Genesis eindigde met het settelen van Jacob met zijn huishouding in Egypte, de parasja Sjemot - de eerste parasja van het boek Exodus/Sjemot - treft de afstammelingen van Jacob aan in grote ellende en beschrijft de eerste stappen die worden gezet door Mosjee op de weg naar verlossing die leidt naar de uiteindelijke bestemming van het land Israël.(1)

De haftara begint in majeur:

27 6 In de dagen die komen, zal ? Jakob ? wortel schieten,
Israël zal bloeien en groeien
en zij zullen het wereldoppervlak met vruchten vervullen.

Rasji ziet in zijn middeleeuws standaardcommentaar in deze niet geheel heldere Hebreeuwse tekst overigens geen toekomende tijd, maar een verleden tijd; hij meent een toespeling te lezen op Jacobs komst naar Egypte en de uitgroei van zijn nakomelingen tot een vruchtbaar volk.
Dan komen wat mistige passages van tegenslag en ontbering, bv over een stad die is gestraft en die nu leeg en verlaten is, vermoedelijk de stad Samaria (staande voor het noordelijk rijk Israël), die na een lange belegering in 721 BCE viel. Maar ooit komt er een betere dag:

27 12 Op die dag zal het gebeuren
dat de Eeuwige de aren zal uitkloppen
vanaf de rivier tot aan de Beek van
? Egypte;
en ú, Israëlieten, zult worden opgeraapt,
één voor één.

Het beeld van het dorsen van graan wordt hier gebruikt. Eerst worden de aren geklopt en dan worden de korrels opgeraapt en verzameld. Zo zullen de ballingen worden verzameld, vanaf de rivier (dwz de Eufraat) en vanaf de rivier de Nijl, zeg maar vanaf de vier hoeken van de aarde, wat genoemd wordt de kibboets galoejot , inzameling der ballingen. Dat beeld wordt nog sterker aangezet in het volgende vers.

13 Op die dag zal het gebeuren
dat op een grote bazuin geblazen zal worden
Dan zullen zij komen die verloren waren in het land van
? Assyrië,
die verdreven waren naar het land
? Egypte.
En zij zullen zich voor de Eeuwige neerbuigen
op de
? heilige ? berg ? in ? Jeruzalem.

De grote bazuin ( sjofar gadol ) is in eschatologische uitleg de bazuin van de messiaanse tijd, die de komst van alle ballingen naar Jeruzalem met een geweldig geluid zal aankondigen.
Natuurlijk is dit in het Jodendom als een letterlijk te nemen profetie over een politieke toekomst opgevat. En gedeeltelijk lijkt het uitgekomen. Tegenwoordig woont de helft van de Joodse wereldbevolking in het wonderlijk herrezen Israël, dat nu een bonte en diverse verzameling Joden (en Arabieren) huisvest maar tevens ook een potentiele thuishaven blijft bieden voor de Joden in de diaspora.

Toch doen we er beter aam de voorzegging van Jesaja niet politiek maar meer allegorisch op te vatten als een visioen over een grote spirituele ommekeer van alle Joden (cq alle mensen), ‘ één voor één' , zegt de tekst en dat betekent volgens de rabbijnen: onverschillig of we orthodoxe, liberale of seculiere Joden zijn. Die terugkeer uit Egypte en Assyrië uit het vers kan je ook symbolisch uitleggen. Egypte is in het Hebreeuws mitsrajiem wat ook te vertalen is als ‘nauwten', ‘benauwenis', een plaats van psychische en materiele onderdrukking, waar de ziel verkwijnt. Assyrië is in het Hebreeuws asjoer , dat verwant is met osjer , rijkdom en luxe, een plaats van overdaad, waar de ziel wordt vergeten.(2) Terugkeer uit Egypte en Assyrië naar Jeruzalem is terugkeer uit respectievelijk slopende repressie en verblindende luxe naar een plek waar de ziel zich kan manifesteren in zijn ware gedaante van dankbaarheid en liefde, mag ik dat ‘neerbuigen op de ? heilige ? berg ? in ? Jeruzalem' zo duiden? Die terugkeer hoeft niet massaal te zijn en je hoeft niet te wachten tot de messiaanse tijd. Iedere moment van persoonlijke terugkeer naar die plek brengt de messiaanse tijd juist een heel klein beetje meer nabij.

De haftara gaat verder met een beeldende beschrijving van hoe volk en priesters in het noordelijk en zuidelijk rijk in hun beschonken staat de boodschap van Jesaja niet begrijpen; priesters en (valse) profeten ‘ zwalken bij het uitleggen van het ? visioen, zij struikelen tijdens hun gerechtelijke uitspraak. Ja, alle tafels zitten vol walgelijk braaksel, geen plek is schoon.'
? De haftara besluit echter met een hoopvolle noot, zie de verzen 22 en 23 uit hoofdstuk 29,

Noten

(1) Verschillende commentaren op Sjemot zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Deze uitleg is een vrije bewerking van mij van een weergave van een uitleg door de Lubawitscher rebbe

Haftara bij de parasja Wajechi

1 Koningen 1-12

In de parasja Wajechi  (Beresjiet/Genesis 47:28-50:26) wordt beschreven hoe aartsvader Jacob op zijn sterfbed zijn elf zonen toespreekt in een vorm die soms het karakter van zegening heeft en dan weer meer op een orakel lijkt. (1) De haftara bij deze parasja is uit het eerste boek Koningen en beschrijft hoe een ander icoon uit Tanach, koning David, op zijn sterfbed zijn zoon en opvolger Salomo (Sjelomo) toesprak. De vader moedigde hem aan op om sterk en een man te zijn en in Gods wegen te wandelen. Maar dat was niet alles.

Er was nog wat ‘unfinished business' in 's konings leven. De hoogbejaarde David, keek terug op een veelbewogen leven met hoogtepunten maar ook diepe dalen.  Oorlogen had hij met succes gevoerd en opstanden had hij overleefd. Hij was geen heilige geweest, maar had zijn best gedaan rechtvaardig en lankmoedig te zijn. Op kardinale momenten was hij bereid geweest fouten toe te geven en boete te doen. Weliswaar was hij nu verzadigd van dagen, rijkdom en ?eer zoals Kronieken (1:28,28) het uitdrukt, maar een aantal zaken stonden zijn gemoedsrust in de weg, zaken die te maken hadden met de grootste crisis in zijn koningschap rond de opstand van zijn geliefde zoon Absalom. Gedachten aan een aantal personen die daar een rol in hadden gespeeld maakten, dat hij niet in vrede kon gaan. In verband daarmee lag er nog een taak voor Salomo weggelegd.

In de eerste plaats was daar Joab (Joav), de trouwe legeraanvoerder van David sinds zijn jonge jaren. Joab had een aantal keren op eigen houtje bloed doen vloeien. Abner (Avner), de generaal van Davids voorganger, mentor en later vervolger koning Saul was destijds naar David overgelopen en door de laatste als zijn legeraanvoerder in genade aangenomen. Dat was niet naar de zin van Joab, die hem verraderlijk neerstak. De ontstelde koning reageerde toen aldus met een welbespraakte vervloeking (Sam 2:3,29); ‘Laat de ?bloedschuld op het hoofd van ?Joab? blijven en op heel zijn ?familie, en laat er in het ?huis? van ?Joab? nooit iemand ontbreken die een ?vloeiing? heeft, melaats is, die op een stok leunt, door het ?zwaard? valt of gebrek aan brood heeft.' Maar Joab bleef wel als generaal gehandhaafd, zelfs ook nadat hij later nog een militaire concurrent uit de weg had geruimd, Amasa, die tijdens de opstand van Davids zoon Absalom diens generaal was geweest, maar door de koning weer in genade was aangenomen, ook weer tot ongenoegen van Joab.
Wat in de passages van deze haftara niet is vermeld is, dat Joab de opstandige Absalom toen die aan het eind van de door hem verloren slag hulpeloos met hoofd en haar in de takken van een boom bungelde hem met pijlen doorboorde en hem door zijn lijfwacht liet afmaken, ondanks dat David gesmeekt had zijn lievelingszoon te sparen. De wanhoop van de vader klinkt nog door alle eeuwen heen als we lezen hoe hij bij het doodsbericht van zijn zoon roept (2 Sam 18:33) ‘Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom! Och, was ík maar in jouw plaats gestorven, Absalom, mijn zoon, mijn zoon!' Ik kan mijn niet indenken dat David hier niet ook aan heeft gedacht.
Dat Joab zijn positie steeds heeft kunnen blijven houden heeft hij waarschijnlijk te danken aan zijn onverbiddelijke loyaliteit aan de koning en zijn aan zijn militaire gaven. Maar nu geeft de koning een hint aan Salomo om Joab alsnog de prijs voor zijn eigenmachtig optreden te laten betalen, door ‘zijn grijze haar niet in ?vrede? in het ?graf? (te laten) neerdalen'.

Toen David op de vlucht was voor Absalom, die zich tijdens zijn opstand even koning mocht wanen in Jeruzalem, bivakkeerde hij met zijn manschappen in het stadje Machana'iem ten oosten van de Jordaan. Daar werd het leger royaal gesteund door de familie Barzillaï met  (2 Sam 17:28): bedden, schalen, ?aardewerk, tarwe, gerst, ?meel, geroosterd koren, bonen, linzen – ook geroosterd –  honing, boter, kleinvee en kazen van koeienmelk'. Dat heeft David nooit vergeten. Barzillaï zelf sloeg als hoogbejaarde de beloning af. Maar zijn zonen reisden met de koning mee terug naar Jeruzalem en werden daar door hem levenslang onderhouden. David draagt nu op zijn sterfbed aan Salomo op goed voor Barzillaï's nakomelingen te blijven zorgen.

Toen David op de vlucht voor zijn opstandige zoon Absalom was naar Machana'iem werd hij onderweg uitgescholden door Simeï, de zoon van Gera, een aanhanger van Davids voorganger koning Saul. Al vloekend en stenen gooiend begeleidde hij een tijd lang het voortvluchtige gezelschap. (2 Sam 15:16). Op de terugweg naar Jeruzalem na de overwinning op Absalom en zijn leger kwam Simeï de triomferende koning tegemoet en smeekte David om hem zijn vervloekingen en verwensingen van destijds te vergeven. David heeft toen gezworen hem niet te doden ondanks de aansporing van zijn generaals om dit wel te doen en hij liet hem vrijuit gaan, vermoedelijk ook om de vele aanhangers van koning Saul niet van zich te vervreemden. Vergeten heeft David dit voorval niet. Salomo is niet aan de eed om Simeï niet te doden gebonden, heeft David bedacht, dus draagt hij zijn zoon op Simeï alsnog te laten boeten.

Salomo bracht de verzoeken van zijn vader ten uitvoer en wie wil weten hoe dat in zijn werk ging leze de rest van dit tweede hoofdstuk van het boek 1 Koningen.

Noot
(1) Verschillende commentaren op Wajechi – met name op de ‘orakels' van Jacob -   zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .

Haftara bij de parasja Wajigasj

Ezechiel 37:15–28

Ezechiël (Hebreeuws Jechezkel )  is de derde van de drie ‘grote' profeten naast Jesaja en Jeremia. Als jonge man werd de priesterzoon als balling weggevoerd uit Jeruzalem naar de ‘rivers of Babylon'. Daar profeteerde hij door de geest bevangen doem en retributie voor Jeruzalem, Israël en de omringende landen in het toenmalig Midden-Oosten. In het derde deel van het boek breken echter vergezichten door over de opstanding en het herstel van Israël in een verre toekomst van messiaanse allure. Ezechiëls profetieën kwamen tot hem in de vorm van een reeks wonderlijke visoenen die later grote invloed zouden hebben op meer mystieke richtingen in het Jodendom.

De haftara bij de parasja Wajigasj (Beresjiet/Genesis 44:18 - 47:27) (1) komt uit dat derde deel. Ezechiel voorziet, dat ooit de twaalf stammen van Israël weer herenigd zullen worden. We brengen in herinnering dat na de regering van koning Salomo de Israëlieten werden verdeeld in twee koninkrijken; het merendeel, tien stammen, vormden het noordelijke rijk Israel onder koning Jerobeam ( Jeravam ) en een zuidelijk deel, het koninkrijk Juda (waartoe ook de stam Benjamin hoorde) onder koning Rehabeam ( Rechavam ) uit de davidische dynastie.(2)  In de 8 ste eeuw BCE waren de tien stammen die het noordelijke rijk Israël hadden gevormd, door de Assyriërs gedeporteerd naar verre streken, waar ze opgingen in de volken aldaar. De stammen Juda en Benjamin van het zuidelijke koninkrijk Juda hadden leefden nu in ballingschap in Babylonië, waar ze niet opgingen in de Babylonische bevolking maar bij elkaar bleven.
Bevangen door de geest krijgt Ezechiël van de Eeuwige de opdracht om door middel van een rituele handeling deze droom van toekomstige eenheid van alle stammen te illustreren. Hij moet twee stukken hout in de hand nemen. Het ene stuk hout symboliseert (de stam van) Juda (en Benjamin), het andere stuk hout symboliseert de andere tien stammen van het noordelijke rijk Israël. In de tekst wordt het noordelijke rijk aangeduid met Jozef, omdat de koningen van het noordelijke rijk Israël kwamen uit de stam van Efraïm, de zoon van Jozef.  Ezechiël moet dan in aanwezigheid van zijn medeballingen de twee stukken hout in de hand nemen en ze als het ware tot één stuk hout maken. Hij moet dan uitleggen, dat de Eeuwige (37:21 ev)

het stuk hout van ? Jozef ? (…) bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. (…)  Zo zegt de Eeuwige: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één ? Koning ? als ? koning ? hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn .

Er zal weer één koning zijn, uit de dynastie van David en

Ik (de Eeuwige) zal met hen (de Israëlieten) een ? verbond ? van ? vrede ? sluiten. Het zal een eeuwig ? verbond ? met hen zijn.

Nu komt de link met de haftara in zicht. Ezechiëls droom van vereniging van het volk van Juda met het volk van Jozef (dus de tien verloren stammen) weerspiegelt de vereniging van de broeders met hun verloren gewaande broer Jozef, het thema van de parasja Wajigasj. De hoofdpersonen daar zijn Jozef, die onderkoning van Egypte is geworden en Juda, die het leiderschap over zijn broeders heeft genomen in het proces van verzoening, wanneer hij het opneemt voor zijn broertje Benjamin en zijn oude vader Jacob.

De geschiedenis heeft later een heel gedeeltelijke, grillige en schoksgewijze realisatie van Ezechiëls visioen te zien gegeven. Er is inderdaad een tweede tempel gekomen en er is zelfs een kleine tweehonderd jaar een koninkrijk Israël onder de dynastie der Makkabeeën geweest. Daarna kwamen de Romeinse overheersing en vervolgens een millennia lange ballingschap (galoet), die sinds kort na de ongeëvenaarde catastrofe van de sjoa enigszins ingelost lijkt met de democratische staat Israël; daar zijn we blij en verheugd over. Maar een ‘verbond van vrede' lijkt daar bepaald nog niet aangebroken. Wel heeft ontegenzeggelijk het Jodendom als volk, religie en gedachtegoed de eeuwen getrotseerd en een onuitwisbaar stempel gedrukt op het denken en de ethiek van de (westerse) mensheid.

De tien stammen zijn ondanks Ezechiels bezwerende handeling met de twee stukken hout niet teruggekeerd en zullen dat waarschijnlijk nooit meer doen; ze zijn 2800 jaar geleden in andere volken opgegaan.(3)

Toch mogen we misschien deze boodschap destilleren of her-vertalen uit Ezechiëls metaforen: de tien verloren stammen zijn opgegaan in niet-Joodse groepen en staan nu symbool voor alle andere volken, Juda staat voor het Jodendom. Zo mogen ook in een messiaanse toekomst de Joden en alle andere volkeren verenigd worden in een verbond van vrede ( briet sjalom ), dat wil zeggen: mogen zij ooit in vrede met en naast elkaar samenleven.

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajigasj zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Opmerkelijk is dat de splitsing in twee rijken zijn oorsprong vond in een belastingconflict. Het volk vroeg om verlichting van de zware lasten die koning Salomo had opgelegd. De jonge koning Rehabeam sloeg het advies van zijn raad van oudsten om naar het volk te luisteren in de wind en volgde de raad van de zijn gevolg van fanatieke jonge mannen, die juist op extra verzwaring aandrongen: ‘1 Koningen 12 11 Welnu, mijn vader heeft een zwaar ? juk ? op u geladen, maar ik zal aan uw ? juk ?  nog meer toevoegen. Mijn vader heeft u met gesels gehoorzaamheid bijgebracht, maar ík zal u met schorpioenen gehoorzaamheid bijbrengen' .
Aldus sprak Rehabeam en tien stammen van de Israëlieten stelden toen de ex-opstandeling Jerobeam als koning aan. Alleen Juda en Benjamin bleven Rehabeam trouw. Een in overmoed genomen onverstandig besluit inzake een belastingconflict maakte, dat alleen de stammen Juda en Benjamin de voorouders van de latere Joden zouden worden!
(3) Ook de visionair Johannes uit het nieuwe testament zag in zijn Openbaringen de twaalf stammen in de eindtijd herenigd: zie hfst 7. In de talmoedische discussie wie er in de komende wereld zal komen sluit Rabbi Akiva uit, dat de tien stammen ooit zullen terugkeren ( Talmoed sanhedrin 110b ). Wie op internet ‘ten lost tribes of Israel' intypt komt een bonte verzameling groepen tegen die op een of andere manier zich beroepen

Haftara bij de parasja Mikeets

Zacharia 2:14-4:7

Heel gebruikelijk is het om op sjabbat Chanoeka het beroemde verhaal over het ‘salomonsoordeel' te lezen, 1 Koningen 3:5 – 28, dat begint met: In Gibeon verscheen de Eeuwige 's nachts aan ? Salomo ? in een ? droom, en God zei: Vraag wat Ik u geven zal . Salomo vraagt om wijsheid en die wordt hem geschonken en ook nog de rijkdom en het lange leven, dat de meeste mensen zouden hebben gevraagd. Salomo kan al snel zijn wijsheid in praktijk brengen als twee vrouwen voor hem verschijnen met een baby. De ene vrouw beschuldigt de andere vrouw de baby stiekem ‘s nachts van haar gestolen te hebben, toen haar eigen kind dood bleek te zijn. De andere vrouw ontkent bij hoog en bij laag. Salomo beveelt het kind doormidden te klieven, ieder van de vrouwen de helft te geven en laat een zwaard halen. De eerste vrouw schreeuwt, niet doen, laat het kind maar bij de andere vrouw, zodat het in leven blijft. Salomo weet nu, dat zij de echte moeder is. Alom wordt de wijsheid van de koning geroemd.
Het verband met de parasja Mikeets ligt vooral in de zojuist geciteerde eerste regel van de haftara;  koning Salomo droomt, en dat doet de farao, de Egyptische koning, ook, maar daar houdt de overeenkomst op. In Mikeets droomt de farao de droom over de zeven vette en zeven magere koeien, de zeven volle en de zeven lege aren, de droom die Jozef, zelf ook een begaafd dromer en droomuitlegger, zoals eerder gebleken, verklaart. (1)

Er wordt ook wel een ander stuk uit de profeten als haftara gelezen – en dat geeft ook de indeling van de liberalen aan – Zacharia (Zecharja) 2: 14-4:7. Zacharia was evenals de profeten Chaggai en Malachi sterk betrokken bij de herbouw van de tempel in Jeruzalem na de terugkeer van een groot deel van de ballingen uit Babylonische gevangenschap. Hij enthousiasmeerde de Joodse leiders om de bouw na aanvankelijke tegenslagen weer te hervatten. Dat gebeurt dan ook onder leiding van de Zerubbabel (Zeroebavel) en de hogepriester Jozua (Josjoea), zoals ook in het boek Ezra (6:14) is beschreven: En de ? oudsten ? van de ? Joden ? bouwden en maakten goede vorderingen onder de ? profetie ? van Hagga ï , de ? profeet, en Zacharia, de zoon van Iddo. Ze bouwden en voltooiden het overeenkomstig het bevel van de God van Israël en overeenkomstig het bevel van Kores (Cyrus) en ? Darius ? en Arthachsasta (Artaxerxes), de ? koning ? van Perzi ë . En dit huis werd voltooid op de derde dag van de maand ? Adar; het was het zesde regeringsjaar van ? koning ? ? Darius.

In het eerste stuk van de haftara ziet de profeet in een visioen de hogepriester Jozua vrijgepleit van een aantal beschuldigingen. Maar het verband met Chanoeka en de bijbehorende chanoekakandelaar met zijn lichten ligt in het tweede deel. Daarin wordt in een visioen de profeet het beeld getoond van de gouden tempelkandelaar, de menora, met zijn zeven armen met daarop de olielampen geflankeerd door twee olijfbomen (Josjoea en Zerubbabel); de olie druipt uit de olijven via een opvangbakje en een kanaaltje automatisch naar de olielampen van de menora. Wat betekent dat? Vraagt de dromer en de engel die hem dit beeld getoond heeft antwoordt:
Dit is het woord van de Eeuwige tot ? Zerubbabel:
Niet door kracht en niet door geweld,
maar door Mijn Geest,
zegt de Eeuwige van de legermachten.

Op onze beurt vragen wij weer wat dit betekent. De middeleeuwse commentator Rasji heeft een nuchtere historische verklaring: de herbouw van de tempel door bouwleider Zerubbabel zal verder ‘geolied' verlopen zonder te hoeven vechten tegen allerlei vijanden en de ‘geest Gods' zal rusten op de koning van Perzië, Darius (die inderdaad zijn volle medewerking zal blijken te leveren, zie Ezra 6).
In de regel ‘Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest' is altijd wel een messiaans visioen van vrede' gevoeld, een inspiratie naar het idee, dat als de geestkracht groot is grote werken ook zonder dwang en geweld kunnen worden volbracht. (2)

De volksfantasie heeft nog mooie verhalen rondom de tempelbouwer Zerubbabel gesponnen. Zo zou hij aan het hof van koning Darius een van zijn drie lijfwachten zijn geweest. Eens toen de koning sliep besloten de drie mannen ieder op te schrijven wat het machtigste was in de wereld. De koning zou dan moeten beslissen wat de meest wijze uitspraak was en die belonen. Ze schoven hun papiertjes onder het kussen van de monarch. Zodra hij wakker was riep hij de vooraanstaanden van zijn rijk bij elkaar en mochten de drie mannen hun uitspraak toelichten. ‘Wijn is het machtigste wat er is; als de mens onder zijn invloed is vergeet hij zijn zorgen en verdriet', zei de eerste. De tweede maakte meer indruk met zijn verklaring, dat de koning de machtigste op aarde was. Zerubbabel betoogde gloedvol, dat vrouwen de machtigsten waren, maar dat waarheid heerst boven alles; vrouwen zijn zelfs koningen de baas, maar waarheid is het hoogste goed, de hele aarde vraagt om waarheid, de hemel prijst de waarheid, de schepping beeft voor waarheid, gezegend is de God van waarheid. Dat ontlokte een groot applaus. Vraag wat je wilt, antwoordde de koning, ik zal het je geven. Niets voor zichzelf vroeg Zerubbabel, maar wel des konings toestemming om Jeruzalem en zijn tempel te herbouwen en de tempelschatten terug te geven. Aldus deed Darius en hij gaf een vrijgeleide aan hem mee voor hem en al zijn metgezellen en nog vele andere giften.(3)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Mikeets  zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Het beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen, is geworden tot een meditatieobject, gecombineerd met psalm 16:8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar een joodse mantra: ‘ Shiviti Hashem lenegdi tamied' en zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Shiviti', hij hangt in vele synagoges en wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor meditatief tekenen en schilderen
(3) Legend of the Jews IV-11

RC dec 2019

Haftara bij de parasja Wajesjev

Amos 2:6-3:8

Wanneer Amos zijn doem-profetieën over allerlei landen, maar vooral over het noordelijke rijk Israël uitstort tot de menigten bij de tempel in Bet-el, waar nota bene een gouden kalf ter aanbidding is opgericht door koning Jerobeam (Jerovam) (1), wordt hem dat niet in dank afgenomen. De priester Amazia maant hem het land te verlaten richting het zuidelijk koninkrijk Juda. Amos antwoordde: ik ben helemaal geen profeet en ook niet de zoon van een profeet. Ik ben een veehouder en een moerbeikweker, maar God riep mij om te profeteren tegen mijn volk Israël (7:15). Hij distantieerde zich duidelijk van de gilde van zich noemende profeten, die heulden met de machthebbers en hun roeping verzaakten. Dat speelde zich af rond 750 BCE in een tijd, dat het eigenlijk economisch en politiek best goed ging in het noordelijke rijk Israël tijdens de lange regering van koning Jerobeam de Tweede.

Amos was de eerste van de zogenoemde late profeten (2) die hun woorden op schrift hebben gesteld (of laten stellen). Hij was daarmee gelijk al een rolmodel voor alle na hem komende profeten, zowel inhoudelijk - met zijn protest tegen onrechtvaardigheid en corruptie - als qua stijl - in de krachtige poëtische  metaforen waarmee hij zijn boodschap de wereld inslingerde. Literaire begaafdheid en beheersing van het schrift moet deze veehouder niet vreemd zijn geweest.
Weliswaar was het gouden kalf in Bet-el een doorn in zijn vroom oog, maar wat hem werkelijk bewoog was het enorme verschil tussen de welvarende bovenlaag en de armen, de onverschilligheid van de rijken voor het lot van de minder bedeelden. Het boek begint met dat hij eerst andere landen de mantel uitveegt maar dan komt het noordelijk rijk Israël aan de beurt. Hier start de haftara en de lezer mag raden welke regel aanleiding heeft gegeven tot het benoemen van dit deel van Amos' profetieen tot haftara bij de de parasja Wajesjev (Beresjiet/Genesis 37:1-40:23), het bijbelstuk waarin wordt verhaald hoe Jacobs zonen hun broer Jozef (Joseef) als slaaf verkopen aan een naar Egypte reizende handelskaravaan.

2 6 Zo zegt de Eeuwige:
Vanwege drie ? overtredingen ? van Israël,
ja, vanwege vier, zal Ik er niet op terugkomen,
omdat zij de rechtvaardige voor ? geld ? verkopen
en de arme voor een paar schoenen.
7 Zij snakken ernaar dat het stof van de aarde op het hoofd van de geringen is,
zij duwen de zachtmoedigen van de weg .

De link tussen haftara en het verhaal over de jonge Jozef zit hem in de regel: ‘omdat zij de rechtvaardige voor ?geld? verkopen'. Dat herinnert aan de verkoop van onschuldige Jozef voor twintig zilverstukken. (Genesis 37:28)

Het lijkt of Amos nog meer dan andere profeten er de nadruk op legt dat omkeer naar de Eeuwige onlosmakelijk verbonden is met: het betrachten van rechtvaardigheid en compassie met de weerlozen. Sprekend is bijv. deze tekst (geen deel meer van het haftara, maar het citeren waard):

5 10 Zij (de elite van de Israëlieten RC) haten wie in de ? poort ? opkomt voor het recht,
zij hebben een afschuw van wie de waarheid spreekt.
11 Omdat u de arme vertrapt
en van hem een heffing op koren neemt,
daarom hebt u ? huizen ? van gehouwen steen kunnen bouwen,
maar u zult er niet in wonen;
(…) u drijft de rechtvaardige in het nauw, u neemt zwijggeld aan,
u duwt armen in de ? poort ? opzij.
13 Daarom zwijgt de verstandige in die tijd,
want het is een kwade tijd.
14 Zoek het goede en niet het kwade,
opdat u leeft!

Op zich hebben rituelen, ook al ze vroom en volgens de regels worden uitgevoerd, geen waarde, is het principe van Amos, als ze niet gepaard gaan met het opkomen voor recht en het betrachten van integriteit en betrouwbaarheid. Daarvan getuigt deze tekst die Jesaja 1:11 ev al vooraf schaduwt,

5: 21 Ik haat, Ik versmaad uw feesten.
Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten,
22 want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers,
Ik schep er geen behagen in.
En het dankoffer van uw gemest vee:
Ik wil het niet aanzien.
23 Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg,
en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!
24 Laat het recht stromen als water,
de gerechtigheid als een altijd stromende beek.

Moet de catastrofe eerst plaats vinden om een betere wereld te bereiken? Dat zou je al lezend kunnen gaan denken. Hoe het ook zij, Amos besluit zijn epische donderpreek met een hoopvolle profetie over Israël. Na de rampen zullen betere tijden aanbreken. Het lijkt wel of hij het heeft over het Israël, dat in de vorige eeuw tot nieuwe bloei kwam:

9:14-15 Zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen,
zij zullen wijngaarden planten en de ? wijn ? ervan drinken,
zij zullen tuinen aanleggen en de vrucht ervan eten.
15 Ik zal hen in hun land planten,
en zij zullen nooit meer weggerukt worden uit hun land,
dat Ik aan hen gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.

Amos was een klokkenluider van zijn tijd - het woelige Midden-Oosten in de ijzertijd. Hij stelde de kloof tussen arm en rijk, uitbuiting, corruptie en schijnheiligheid van zijn wereld aan de kaak. Hoe zou hij nu reageren op het Israël van nu – en breder op de wereld van nu? Hij kende nog geen kloof tussen orthodox, liberaal en seculier. Hij kende geen kloof tussen hoog- en laagopgeleiden, geen globale kloof tussen de allerrijksten en de allerarmsten (De 26 rijkste mensen op aarde hebben samen meer vermogen dan de armste helft van de wereldbevolking, 3,8 miljard mensen). Er was nog geen kloof tussen wit en zwart, geen kloof tussen de koortsige wildgroei van menselijke productie en consumptie en de draagkracht van de planeet (opwarming, vervuiling). De schaal is sinds Amos' tijd gigantisch vergroot, maar de primaire structuur van de misstanden is misschien niet essentieel veranderd. Profeten zijn er niet meer, maar Amos-achtigen van nu begrijpen de tekenen des tijds en hun stemgeluid is hier en daar te horen.

Noten
(1) 1 Koningen 12; er was ook een gouden kalf in de streek Dan. Bijbelwetenschappers opperen dat hier de basis is te vinden van de sage van het gouden kalf in Exodus
(2) De late profeten zijn ingedeeld in de grote profeten Jesaja, Jeremia en Ezechiel, en de kleine profeten, Hosea, Joel, Amos, Obadia, Jona, Micha, Nachoem, Chabakuk, Zefanja, Haggai, Zecharja en Malachi

RC dec 2019

Chanoeka sameach 5780 Happy Hanukkah 2019! 

Haftara bij de parasja Wajisjlach

Obadja 1:1-21

De haftara bij de parasja Wajisjlach (Genesis/Beresjiet 32:4 – 37) is een heel bijbelboek, het kleinste boek van alle profeten, Obadja, dat uit maar 21 verzen bestaat. Het boek is een aaneenschakeling van rampen en ellende voorspellende orakels over het volk van Edomieten, dat ten zuiden van Judea woonde tussen de Dode zee en de Golf van Akaba op en rond het Seïr gebergte. Het waren de afstammelingen van Jacobs broer Ezau (andere naam: Edom). Dat verklaart de link met de parasja Wajisjlach, waarin Jacob en zijn door hem bedrogen broer Ezau de hoofdpersonen zijn; bevreesd voor diens wraak vlucht Jacob naar het noordelijke Aram en na tweeëntwintig jaar trekt hij (nu ook genaamd Israël) bang maar moedig Ezau tegemoet, die hem niettemin in de armen  sluit (1) Ondanks de verzoening van deze stamvaders, in de parasja Wajisjlach beschreven, is de verdere geschiedenis tussen de Israëlieten en de Edomieten er een van voortdurende twisten en oorlogen geweest, hetgeen o.a doorklinkt in de woorden:

10 Vanwege het geweld tegen uw broeder ?Jakob
zal schaamte u bedekken
en zult u voor eeuwig uitgeroeid worden.

Wie was Obadja?
Volgens de Talmoed (2) was hij de Obadja, die wordt vermeld in het eerste boek koningen hoofdstuk 18 als hofmeester van koning Achab en koningin Izebel (plm 900 BCE). Hij was een zeer vrome man, volgens de Talmoedleraren vromer dan Abraham, want staat er over hem niet: Nu vreesde Obadja de Eeuwige zeer ( 1 Koningen 18:3), terwijl van Abraham niet meer wordt gezegd dan: nu weet ik dat gij de Eeuwige vreest ( Genesis 22:12), dus zonder zeer , de Oude Wijzen zijn heel precies met woorden. Obadja had zijn profetische gave te danken aan zijn hulp aan de door Ba'alvereerster Isebel rabiaat vervolgde profeten (wellicht volgelingen van Elia); vijftig van hen liet hij onderduiken in de ene grot, vijftig in een andere grot. Waarom in twee grotten? Als de ene grot zou worden ontdekt, dan waren in ieder geval de andere vijftig profeten gespaard gebleven. Hoe kwam hij op dat idee? Dat had hij van Jacob, die zijn mensen, have en goed verdeelde over twee kampen voor het geval zijn broer Ezau tot de aanval over zou gaan (lees Genesis 32:7). Misschien was hij zelf een Edomiet, veronderstelt een van de talmoedgeleerden; vandaar het door hem gereleveerde gezegde: vanuit het bos komt de bijl ofwel: de steel van de bijl komt van de boom die hij omhakt

Toch is het waarschijnlijker, dat hij geleefd heeft in de 6 e eeuw BCE, een tijdgenoot van Jeremia (Jirmeja), die een sterk op Obadja gelijkend stuk (Jer 49:7-22) heeft opgetekend, geïnspireerd op de val van Jeruzalem in 587. Blijkbaar heeft de schrijver de plundering van de stad en het wegvoeren door de Babyloniërs van de Judeeërs meegemaakt en is zijn boosheid is vooral gericht op het leedvermaak van de Edomieten over het wegvoeten van de Judeeërs in ballingschap en op hun medeplichtigheid aan de plundering.

12 U (Edom) had niet mogen toekijken op de dag van uw broeder (Jacobs volk),
op de dag dat hij een vreemde  was.
U had niet blij mogen zijn vanwege de Judeeërs
op de dag van hun ondergang.
U had geen grote mond mogen opzetten tegen hen
op de dag van hun benauwdheid.
13 U had de ?poort? van Mijn volk niet binnen mogen trekken
op de dag van hun ondergang.
U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof
op de dag van zijn ondergang.

Edom werd later in vaak als een pars pro toto voor alle vijandige niet-joden gebruikt, bijv. voor de Romeinen (3) en later voor het hele joodsvijandige westen.  Peinzend over deze verzen in het kader van de geschiedenis kwamen ze heel bekend voor. Hebben we dat later niet zo veel vaker meegemaakt? De verdrijving van de Joden uit Engeland in 1290, uit Spanje in 1492 enzovoort. Neem bijv. de zin: ‘U, juist u, had niet mogen toekijken bij het kwaad dat hem trof op de dag van zijn ondergang'. Opeens moest ik denken aan hoe die vele Nederlanders toekeken hoe het kwaad de Joodse landgenoten trof op de dag van hun ondergang. Hoe de verleiding groot is maar toe te kijken als het kwaad weer wortel lijkt te schieten.

noten

(1) de parasja bevat ook het bekende gevecht van Jacob met de engel en verhaalt - na de broederlijke verzoening -   de verkrachting van Jacobs dochter Dina door de prins van Sichem (Sjechem) en de wraak van haar broeders op de bewoners van die stad, de dood van Rachel in het kraambed en de dood van Isaac (Jitschak), die door Jacob en Ezau samen wordt begraven. Zie ook de verschillende commentaren op Wajisjlach, die zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) Talmoed Sanhedrin 39b
(3) bv door Nachmanides in Gate of Redemption

Haftara bij parasja Wajetsee

Hosea 11:7-13:5

Een korte historische aanloop naar de profeet Hosea (Hosjea), waaruit de haftara bij de parasja Wajetsee  (Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:4) afkomstig is (1). In de loop van de 8 ste eeuw BCE stond een nieuw type profeet op onder de Israëlieten. Al sinds oudsher waren er profeten – nevi'iem , meervoud van navi - actief, te beginnen bij de eerste en grootste onder hen Mozes (Mosjee), die zijn profetische activiteit verenigde met politiek leiderschap. Hij stichtte een verlichte theocratie, zou je kunnen zeggen. Met hem is nog enigszins vergelijkbaar de profeet Samuel (Sjemoeël), die bij tijden als profeet ook staatkundig actief was. Maar juist hij stelde op uitdrukkelijke aandrang van het volk een koning (Saul) aan en initieerde zo een scheiding tussen de morele bewaking van de erfenis van de Mozes en het politieke bestuur van de koning en zijn dienaren. In de tijd van Samuel en daarna waren er nog vele andere profeten. Je zou het een beroep kunnen noemen. Ik stel me voor, dat het een soort sjamanen waren, die naast religieuze begeestering ook voorspellingen deden, zieken behandelden en andere adviezen gaven inzake lot en leven. Ze worden in Tenach vaak genoemd als mannen (geen vrouwen) ‘over wie de geest (roeach) Gods kwam'. Zie bv Samuel 1:10:10. Een aantal waren adviseurs van de koning (bv Nathan, die het geweten van David was). Ook koning Achab (Achav, van het noordelijke rijk, 9 e eeuw BCE) had honderden profeten. Die stonden echter in de dienst van de godheid Ba'al; zij moesten op de berg Karmel het onderspit delven tegen de God van de profeet Elia. Elia was als het ware een gedreven hervormer, die met kracht opkwam voor de zuiverheid van de leer van de Ene god en het ambt van profeet wilde ontdoen van alle magische en afgodische smetten die eraan kleefden. Hij en zijn opvolger Elisa (Elisja) hadden vele volgelingen die in kleine groepen het land doortrokken of samenwoonden in gemeenschappen. Toch kwam er in de loop van de tijd de klad in hun gilde; de meeste profeten spraken de mensen en de politieke leiders naar de mond. Afgodendienst aan Ba'al, Moloch en andere afgoden, moord, corruptie en seksuele losbandigheid woekerden in de inmiddels in het tweeën gedeelde land, het koninkrijk Juda in het zuiden en het koninkrijk Israël in het noorden. De ware leer van Mozes over de eenheid van God en de in zijn naam gegeven geboden van rechtvaardigheid en mededogen raakte vergeten.

Er stonden nu mannen op, die de misstanden aan de kaak stelden, een nieuw soort profeten, Amos, Hosea, Micha en Jesaja. Wat was het nieuwe aan hen? Het waren mannen uit alle standen. Amos was veehouder. Hosea was boer, Jesaja was een hoveling. Ze waren eenlingen met ieder zijn eigen roeping en onderscheidden zich uitdrukkelijk van de ‘professionele' profeten. Ze liepen vaak risico om vervolgd te worden om hun brisante uitspraken en onverschrokken politieke prognoses. Ze waren de klokkenluiders van hun tijd in een verslechterd klimaat van maatschappelijk en moreel verval. (2) En niet onbelangrijk, ze hebben als eersten hun profetieën opgeschreven of laten opschrijven, zodat wij ze nog kunnen lezen. Zo stijgen hun geschriften boven de contingente historische omstandigheden, waartegen ze reageerden uit.

Hosea leefde in de tijd, dat de Assyriërs het Noordelijke rijk Israel belaagden, het rijk dat hij in zijn geschrift vaak aanduidt met Efrajim. Vanaf 740 BCE af waren er voortdurend invallen en werden de grote aantallen krijgsgevangenen uit het land weggevoerd. In 722 viel de hoofdstad Samaria (Sjomron) en werden de laatste bewoners, vele duizenden, in ballingschap gebracht naar verre streken. Deels worden deze gebeurtenissen in de voorzeggingen van Hosea vooraf geschaduwd. Het is de vraag of hij de val van Samaria nog heeft meegemaakt. Hij stoelt zijn oratie over de toestand in het land op het beeld van de echtgenoot (de Eeuwige) en diens overspelige echtgenoot (Israël), die haar man in de steek laat en haar toevlucht zoekt in overspel en hoererij. Zijn eigen huwelijk met zijn overspelige vrouw Gomer ervaart hij als een door de Eeuwige hem opgelegde existentiële doorleving van het verraad van Israel. Hij vertaalt als het ware zijn eigen ongelukkige situatie om Israël aan te klagen en haar te herinneren aan de opdracht om alleen de Ene te dienen in (6:6: Want Ik vind vreugde in goedertierenheid ( chesed ) en niet in offers, in kennis van God meer dan in brandoffers!). In heftige beelden stelt hij de teloorgang van de oorspronkelijke boodschap en het moreel verval aan de kaak, wat zich onder meer uit in de dienst aan Ba'al en tempelprostitutie. (3) Wat is het verband met de parasja Wajetsee? In zijn poëtisch vertoog verwijst hij naar de oorsprong van Israels kennismaking met de Eeuwige in de verhalen van stamvader Jacob:

12 3 De Eeuwige heeft een rechtszaak met Juda.
Hij zal ? Jakob ? vergelden naar zijn wegen,
Hij zal zijn daden op hem doen terugkeren.
4 In de moederschoot pakte hij zijn broer bij de hielen;
in zijn kracht streed hij met God.
5 Hij streed met de ? Engel ? en overwon;
wenend vroeg hij Hem om ? genade.
In Bethel vond Hij hem,
en daar sprak Hij met ons,
6 namelijk de Eeuwige, de God van de legermachten,
Eeuwige is Zijn gedenknaam.
7 En u, bekeer u tot uw God,
houd u aan goedertierenheid en recht ( chesed we-misjpat ),
zie voortdurend uit naar uw God.

We herkennen in deze kernverzen van de haftara de wederwaardigheden van stamvader Jacob zoals die in de in de parasjot Toldot, Wajetsee en Wajisjlach worden verteld -
Jacob vlucht na het bedriegen van Ezau en Isaac naar het land Charan, en verblijft bij zijn oom Lawan. Hij huwt diens dochters Lea en Rachel, krijgt daar 11 zonen en een dochter, wordt ondanks Lawans list en bedrog een welvarend man en aanvaardt na twintig jaar trouwe dienst de terugtocht naar het land van zijn vaderen, waar onderweg Ezau hem opwacht.
De profeet smeekt Israël om omkeer te doen en verwijst naar Jacob: Jacob belandt uiteindelijk met veel inspanning op de goede weg en wordt gezegend met Gods presentie en bescherming, zoals even verder in hfst 12 nog wordt benadrukt;

12 13 Jakob ? vluchtte naar het gebied van Syrië,
Israël ? diende om een vrouw
en om een vrouw hoedde hij  vee
14 Door een ? profeet ? heeft de Eeuwige Israël echter uit ? Egypte ? geleid
en door een ? profeet ? werd het gehoed.

Met die laatste regel wordt Mozes bedoeld en Hosea zegt daarmee (volgens Rasji), vergeet niet dat het een profeet was, die Israël uit Egypte leidden, dus geef aandacht aan de woorden van een profeet (als ik). Zoals bijna alle profeten geeft Hosea geen voorspellingen als gebeurtenissen die onvermijdelijk gaan gebeuren. Er is altijd een keus: je kan omkeer (tesjoeva) doen en als dat het geval is beschrijft Hosea het dan mogelijke welzijn in even bloemrijke aan natuur en agricultuur ontleende bewoordingen.

noten
(1)Verschillende commentaren op Wajetsee zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website
(2) Misschien mag je Johannes de doper en Jezus ook in deze traditie zien
(3) Martin Buber stelt, dat het niet zozeer om nieuwe afgoden ging, maar meer om wat hij de baälisering van de God van Israel noemt. JHWH verviel van een metaseksuele God naar de gemaal van een moedergodin en van de rechtvaardigheid eisende God naar de gruwelijke mensenoffers eisende koningsgod. In plaats van hem als God van chesed (compassie) te kennen verafgoodt men hem en vertroebelt zijn dienst met heiligverklaarde ontucht (Martin Buber, Het geloof der profeten, Servire, 1972, pp 138, 139, iets geparafraseerd)

RC dec 2019


Haftara bij de parasja Toldot

Malachi 1:1 – 2:7

Malachi (Maleachi) was de laatste van de twaalf zogenoemde kleine profeten (1) Hij leefde vermoedelijk in de eerste helft van de 5e eeuw BCE. De Joden waren deels uit Babylonische ballingschap teruggekeerd en gezien Malachi's kritiek op de tempeldienst moet hij de herbouwde tempel persoonlijk hebben bezocht. Malachi betekent ‘mijn engel' en men veronderstelt, dat het een bijnaam is of een latere aanduiding voor een anonieme auteur. Abraham Ibn Ezra, de middeleeuwse voorloper van de bijbelwetenschap, meent dat het Ezra zelf geweest is en dat zou kunnen, omdat ook Malachi evenals Ezra in het gelijknamige bijbelboek (hfstn 9 en 10) de gemengde huwelijken van de teruggekeerde ballingen luid aanklaagt. In feite is het boek Malachi een reactie op de laksheid en onverschilligheid onder de teruggekeerde ballingen, die bij hun hervestiging in Judea vele tegenslagen ondervonden. Het ging over vragen als: we merken niets van Gods hulp, waarom gaat het andere volken goed en ons niet? Malachi geeft een boodschap door van de Eeuwige:

(1:2: Ik heb u liefgehad, zegt de Eeuwige,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was
? Ezau ? niet de broer van ? Jakob? spreekt de Eeuwige
Toch heb Ik
? Jakob ? liefgehad,
en
? Ezau ? heb Ik gehaat .

Hier zien we waarom de haftara wordt gerelateerd aan de parasja Toldot ( Beresjiet/Genesis 25:19-28:9) waarin de verhaald wordt hoe in een reeks kleurige gebeurtenissen en met veel intriges Jacob tot erfgenaam van Abrahams spirituele inzichten en voortzetter van diens missie wordt gekozen boven de eerstgeboren en sterke Ezau (Esav) (2). Malachi brengt deze keuze weer in herinnering. De afstammelingen van Ezau, de Edomieten - die ten zuiden van Judea woonden – hadden nog kort geleden triomfantelijk toegekeken hoe de Judese ballingen uit Jeruzalem werden weggevoerd en tezamen met de Babyloniërs hadden ze de stad hadden geplunderd (2). Dat alles lag nog vers in de herinnering. Heeft de Eeuwige misschien Jacob laten vallen en Ezau gekozen? Het heeft er alle schijn van, maar – zo verklaart de profeet - de Eeuwige draagt het volk van Juda nog steeds in zijn hart. De goddelijke zegen, ooit aan Jacob gegeven, is er in principe nog. Wat een actieve werking daarvan in de weg staat is het laakbare gedrag van de opnieuw in Judea gevestigde repatrianten. Drie misstanden stelt de profeet met indringende beelden aan de kaak, waarvan twee in deze haftara:

1. De tempeloffers werden met aanstootgevende slordigheid gebracht.
Als we ons losmaken van het personalistisch godsbeeld kunnen we ons indenken hoe beledigend het is als zieke of blinde dieren ten offer worden aangeboden, zoals Malach ons rapporteert. Zelf willen we door wie ons een zaak, dienst of prestatie schuldig is ook met toewijding en zorgvuldigheid worden behandeld. Stel je voor als je de gouverneur van de koning zo tegemoet treedt, zegt Malachi zelf. Verwaarlozing van heilige of rituele (of sowieso formele) handelingen is ook een signaal: wanneer die worden afgeraffeld kan dat duiden op verdergaand verval in een samenleving.
Malach zegt nog iets opmerkelijks, als hij de ‘heidenvolken' ten voorbeeld stelt;

(1:11) Want vanwaar de zon opkomt tot waar hij ondergaat, zal Mijn Naam groot zijn onder de heidenvolken; in elke plaats zal aan Mijn Naam een ? reukoffer ? gebracht worden, en een ? rein ? ? graanoffer. Voorzeker, Mijn Naam zal groot zijn onder de heidenvolken, zegt de Eeuwige van de legermachten.

De Eeuwige is er dus niet alleen voor Israël, maar voor alle volken en Hij kan dus ook toegewijde rituelen van anderen dan Joden waarderen. Dat is toch een pluralistische stap vooruit! (4)
Maar hoe zit dat dan met dat emotionele en partijdige ‘ Ezau ? heb Ik gehaat' uit het boven geciteerde vers? Dat moeten we met een korrel zout nemen; dat Jacob is gekozen betekent niet, dat Ezau is afgewezen, maar dat hij alleen geen deelheeft aan het verbond en het lot van Israël. (5)

2. De priesters verzaakten hun plicht om het volk goed onderricht te geven.
2:7: Voorzeker, de lippen van een ? priester ? moeten kennis bewaren, uit zijn mond moet men onderwijs in de wet zoeken , zegt de profeet, en dat gebeurde kennelijk niet meer. De vraag is of dat ooit weer goed gekomen is. Malachi leefde op het keerpunt van een belangrijke ontwikkeling: de opkomst van de zogenoemde Grote Vergadering (ofwel de Grote Synagoge, ansjee knesset ha-gedola ). Deze club van Wijzen rond de wetgever Ezra – 120 waren het er (6) - namen de taak van redactie, onderricht en verklaring van de Tora op zich. Het waren geen religieuze ambtsdragers, maar geleerden, uit wie tweehonderd jaar later de farizeeën voortkwamen en daarna rond het begin van de christelijke jaartelling de rabbijnen. De priesters zouden voortaan op dit gebied geen belangrijke rol meer spelen.

3. De Judeeërs trouwden met de niet-Joodse vrouwen en slaan in het algemeen de Mozaïsche wet in de wind. Dat laten we even rusten. Punt drie valt buiten de haftara, evenals de daaropvolgende oproep tot ommekeer, de aankondiging van een profeet als Elia en de voorspelling van een dag van gerechtigheid, oordeel en heil.

noten
(1) In Jodendom ook wel Tree Asar genoemd; kleine profeten omdat hun boeken kort zijn. Na Malachi is volgens de Joodse traditie de profetie opgehouden
( 2) Verschillende commentaren op Toldot zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(3) Ook andere profeten varen uit tegen het gedrag van de Edomieten tijdens het wegvoeren van de Judese ballingen, Jesaja34:5–34:8, Jeremia 49:7–49:22,Obadja 1:10 ev
(4) Baruch Spinoza haalt deze passage ook aan in zijn betoog over de relativiteit van de uitverkiezing van Israël (Theologisch-politiek traktaat, Wereldbibliotheek, 1997, p 143)
(5) zoals Rabbijn Jonathan Sacks In zijn boek ‘Niet in Gods Naam' (Kok, 2016, deel II) nadrukkelijk betoogt in een diepgaande herlezing van de tekst
(6) Volgens het tractaat Avot de Rabbi Nathan 1b (annotaties bij het Talmoedtractaat Pirkee Avot , dat begint met de ‘stamboom' van overlevering van de Tora) was Malachi, de laatste profeet, tegelijk een van de eerste leden. Ook het Israëlisch parlement, de Knesse t, heft 120 leden.

RC nov 2019

Haftara bij de parasja Wajera

2 Koningen 4:1-37

In de haftara 2 Koningen 4:1-37, die aan de parasja Wajera (Genesis/Bereshiet 18 – 23) is toegevoegd, wordt verteld over twee wonderen verricht door de profeet Elisja, aan wie Elia tegen het einde van diens leven de profetenmantel had overgedragen. Hij zou twee keer zoveel wonderkracht als zijn voorganger Elia hebben gekregen.

Het is de tijd, dat Israël verdeeld was in een noordelijk en zuidelijk rijk. Alom werden afgoden vereerd, zoals de Ba'al, geintroduceerd door koning Achav onder invloed van zijn vrouw Izewel. Dankzij de grote inzet van de profeet Elia waren er nog zevenduizend mensen die de knieën niet gebogen hadden voor de ?Baäl, zoals 1 Koningen 19:18 vermeldt.
Een daarvan was de weduwe van een van Elia's volgelingen, die in grote materiele nood Elisja te hulp riep. Deze zorgde ervoor, dat het kleine beetje olie, dat de vrouw nog had tot zo'n grote hoeveelheid vermenigvuldigd werd, dat ze haar schulden kon betalen.

De link tussen de haftara en de parasja Wajera is te vinden in het daarop volgend verhaalde mirakel. Gemeenschappelijk thema is de profetische belofte van een zoon aan een oud echtpaar. In Wajera zijn dat Avraham en Sara. Aan hen voorzeggen drie engelen (Gen/Ber 18:10): Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal uw vrouw ?Sara? een zoon hebben . In de haftara lezen we, dat de profeet Elisja tot een kinderloze vrouw in Sjoenem met een oude echtgenoot en een kinderwens zegt (4:16 ) : Op deze zelfde tijd over een jaar zult u een zoon omhelzen . En in beide gevallen wordt inderdaad een jaar later een zoon geboren.

De context van Elisja's belofte is echter wel een andere dan die bij Avraham en Sara. De welgestelde vrouw uit Sjoenem had voor Elisja, die bij zijn rondreizen vaak bij haar te gast was, een bovenkamer laten maken met een ?bed, een ?tafel, een stoel en een ?kandelaar?. Haar kinderwens werd door de dankbare profeet vervuld. Maar daar hield zijn bemoeienis als ware wonderdoener nog niet op. Een van zijn grootste mirakels voltrok hij aan de zoon van de vrouw uit Sjoenem, toen de jongen de puberleeftijd had bereikt. De knaap hielp bij het maaien en kreeg een zware hoofdpijn. Hij werd naar huis gebracht en stierf op de knieën van zijn moeder, die hem op het bed in het kamertje van Elisja legde. De wanhopige moeder liet een ezel zadelen en spoedde zich naar Elisja, die zich op de berg Karmel bevond. De profeet was door het verdrietige nieuws aangedaan en zond zijn dienaar Gehazi vooruit. Die legde in opdracht van zijn meester diens staf op het gezicht van de dode jongen. Dat hielp niet en Elisja wist dat zijn hoogstpersoonlijke optreden vereist was. (2 Koningen 4:33) Toen ?Elisa? binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de Euwige. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen . Deze profetische reanimatie-handeling bleek te helpen en de jongen werd wakker uit de dood.
Mogelijk is nog een parallel uit de parasja Wajera te vinden rond het bijna-offer van de eveneens aan een lang kinderloze Sara laat geboren zoon Isaac (Jitschak). In het bekende verhaal heeft Avraham, gehoorzaam aan een door hem gehoord goddelijk bevel, zijn zoon op het altaar gelegd en hij staat op het punt om met een mes zijn zoon om het leven te brengen, als een stem de vader gebiedt daarmee op te houden. Isaac is weliswaar niet uit de dood opgestaan, maar wel van een welhaast zekere dood door tussenkomst van een engel van de Eeuwige op het nippertje gered.

Opmerkelijk is, dat veel van de wonderen van Elisja rond voedsel, water en opwekking uit de dood in een of andere vorm terugkomen in de evangeliën, zie bijv. de opwekking van Lazarus en het dochtertje van Jaïrus. (2)

Noten
(1) Verschillende commentaren op Wajera zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) bv Marcus 5:40 over het dochtertje van Jaïrus: Hij (Jezus) stuurde hen allen weg, nam de vader en de moeder van het ? kind ? en hen die bij Hem waren, mee en ging het vertrek binnen waar het ? kind ? lag. En Hij pakte de hand van het ? kind ? en zei tegen haar: Talitha, koemi! Dat is vertaald: Meisje (Ik zeg je), sta op. En meteen stond het meisje op en het liep, want het was twaalf jaar

Haftara bij de parasja Lech Lecha

Jesaja 40:27- 41:16

We roepen even de parasja Lech Lecha in herinnering. Abraham, die hier voor het eerst in de geschiedenis verschijnt, wordt geroepen door de Eeuwige om Charan te verlaten en op weg te gaan met zijn Sara naar Kena'an, dat ooit aan zijn nageslacht zal toevallen. Daar drijft weldra een hongersnood hem naar Egypte waar de mooie Sara, door de farao werd ingepalmd maar weer met schadeloosstelling ongedeerd teruggegeven Als welgesteld man keert hij terug naar Kena'an, waar hij een succesvolle oorlog uitvecht met de vier koningen, die neef Lot hadden meegenomen. Omdat Sara maar geen zoon kreeg werd haar slavin Hagar aan Abraham als bijvrouw gegeven. Hagar baarde Ismael. De pasja besluit met het gebod tot en de uitvoering van de besnijdenis . (1)

De haftara bij Lech Lecha is uit Jesaja (Hebreeuws: Jesjajahoe), de verzen 40:27 tot 41:16. Na een forse berisping over Israëls kleingelovigheid volgen vele verzen van bemoediging en optimisme. De Eeuwige presenteert zich in de visie van de profeet als een machtige heerser over hemel en aarde, die de vijanden van Israël verslaat en verjaagt, hun afgoden ontmaskert als machteloze beelden en Israël, hoe klein het ook is, beschermt.

Waarom deze passages als haftara zijn gekozen berust niet alleen op het voorkomen van Abrahams naam in vers 41:8: ‘Ik heb jou ?(Israël) uitgekozen. Je stamt af van mijn vriend ? A braham'. Aanleiding gaf ook het vers 41:2;

‘Wie heeft uit het oosten een rechtvaardige opgewekt, hem geroepen om te gaan, volkeren aan hem overgeleverd en hem koningen doen overheersen?' (2)

De rabbijnen van de Talmoed meenden, dat deze rechtvaardige mens uit het oosten doelt op Abraham, die immers uit het oosten kwam. (3) Bekende middeleeuwse commentatoren als Rasji (1040-1105) en Radak (David Kimchi, 1160-1235)) namen dit over. Wie zijn de hier genoemde koningen anders dan de vier koningen die Abraham heeft verslagen toen hij Lot te hulp kwam (Gen. 14). De wonderlijke daden, die in deze en volgende verzen worden beschreven zijn de daden die de Eeuwige voor de rechtvaardige mens uit het oosten – Abraham dus in deze uitleg - heeft verricht. Ze zijn een hoopgevend voorbeeld. Zoals God Abraham tegen zijn vijanden heeft geholpen, zo zal hij dat ook doen voorzijn benarde volk Israël, de afstammelingen van Abraham, doen, dat is de impliciete boodschap van deze profetische poëzie.

De commentator en dichter Abraham Ibn Ezra (1089-1167) is een andere mening toegedaan. Hij volgt een meer historiserende benaderingen (4) en kiest voor de uitleg dat het hier Cyrus (Kores) betreft, de koning van de Meden en Perzen, die bestemd is om het onderdrukkende Babylon te verslaan en die de Joden hun vrijheid terug zal geven. Cyrus wordt later in Jesaja's profetieën zelfs met name genoemd, zoals in 45:1:
‘Zo zegt de Eeuwige tot zijn ? gezalfde, tot Kores (Cyrus), wiens rechterhand Ik gevat heb om volken vóór hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren vóór hem te openen, geen ? poorten ? blijven gesloten.'
Ibn Ezra's veronderstelling lijkt aannemelijk. Immers de schrijver van deze verzen – ook wel deuteron-Jesaja genoemd – leefde waarschijnlijk in de tijd, dat onder de druk van Cyrus oprukkende legers het Babylonische rijk wankelde en de door de Joodse ballingen vurig verhoopte val van Babylon aanstaande was.

Het volgende vers trekt nog onze aandacht, 41:14 : Vrees niet, gij wormpje ? Jakob, gij volkje (5) Israël! Ik ben het, die u help, luidt het woord van de Eeuwige, en uw Verlosser is de ? Heilige ? Israëls'.

Dat ‘wormpje' lokt tot uitleggingen. Rasji: Israel is zwak als een worm, die geen kracht heeft, behalve in zijn mond. Radak weidt verder uit: de sterke mond vreet zich door de sterkste ceders, die mond is het krachtige gebed van Israël, dus dat ‘wormpje' is eigenlijk een compliment! Maar Ibn Ezra plaatst het beestje weer in de historische context: de Babyloniërs keken op Israel neer als op een worm, maar desondanks hoeft het niet te vrezen nu Cyrus in aantocht is.

noten

(1) Verschillende commentaren op Lech Lecha zijn te vinden in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 1 Genesis en Exodus, en op mijn website .
(2) De vertaling is van mij en geeft de bedoeling van het wat duistere Hebreeuws m.i. beter weer
(3) Bv Talmoed tractaten Bava Batra 15a:9 en Sanhedrin 108b:21
(4) Hij lijkt met zijn historiserende benadering een vroege voorloper van Baruch Spinoza (In zijn Theologisch-politiek tractaat) en de moderne bijbelwetenschap
(5) ‘volkje' lijkt een merkwaardige vertaling (zowel van de HSV als de NBV) van metee Jisrael . Letterlijk staat er ‘mannen van Israel'. Dat verkleinwoord staat in verband met dat metee vaak voorkomt in de samenstelling metee mispar en dan betekent het ‘weinigen (in aantal)'. Misschien speelde deze connotatie bij de vertalers mee. De Willibrord vertaling vertaalt gewoon ‘mensen van Israël'.

RC nov 2019

Parasjat Noach    Beresjiet Genesis 6:9-11:32

Bij de parasja Noach: Haftara Noach Jesaja 54:1-55:5

De haftara (wekelijkse lezing uit de prefeten) die aan de sidra (of parasja) Noach is toegevoegd is Jesaja hoofdstuk 54 en 55 tot vers 6. In poëtische termen wordt gesproken over een verlaten, kinderloze vrouw die (weer) in genade zal worden aangenomen door de echtgenoot, die haar ooit in boosheid heeft verstoten. De echtgenoot is de Eeuwige, maar wie is die vrouw? De algemene rabbijnse opinie is: Jeruzalem (Rasji) dan wel het volk Israel (Ibn Ezra). In vele krachtige en gepassioneerde beelden wordt bezongen hoe de Eeuwige zijn woede laat varen. haar weer tot vrouw zal nemen, haar nooit meer verlaten en het haar verder nooit meer aan iets zal ontbreken.
54:6 Je was een verlaten, wanhopige vrouw
toen de Eeuwige je terugriep.
Kan iemand de vrouw van zijn jeugd verstoten? – zegt je God.
7 Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
8 Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ?liefde,

Waarom is dit stuk van Jesaja aan de sidra Noach vastgeknoopt? Dat zit hem in de passage van het volgende vers 54:9:
Dit (deze gelofte) is voor mij als bij de vloed van ?N o ach:
zoals ik heb gezworen dat het water van ?N o ach
nooit meer de aarde zou overspoelen,
zo zweer ik dat mijn toorn jou niet meer treft
en dat ik je nooit meer bedreig.
De vergelijking is duidelijk. De verwijzing is naar Ber/Gen 9:11: ‘ Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten'. Zoals de Eeuwige, na de eerste verdorven mensheid te hebben vernietigd met de rampzalige vloed, aan de enig overgebleven familie Noach heeft gezworen nooit meer de mensheid met een dergelijke catastrofe te verdelgen, zo heeft de Eeuwige eerst zijn handen van Israël afgetrokken (door het in ballingschap te laten wegvoeren), maar nu weer gezworen zich weer om het verlaten en wanhopige volk te bekommeren, als het ware een nieuw verbond sluitend (zie 55:3).

Laten we deze passages eens in een historische context plaatsen. Veel bijbelwetenschappers zijn het erover eens, dat het bijbelboek Jesaja is geschreven door minstens twee personen. Men onderscheidt een eerste Jesaja en een tweede Jesaja, die dan deutero(tweede)- Jesaja wordt genoemd. Jesaja de eerste leefde ten tijde van koning Hizkia (8 e eeuw BCE) en de tweede ruim tweehonderd jaar later tegen het einde van de Babylonische ballingschap.. Deutero-Jesaja heeft de hoofdstukken 40 tot 56 voor zijn rekening genomen, zo neemt men aan (sommigen veronderstellen nog een derde Jesaja, die de laatste hoofdstukken heeft geschreven). Hij kende de wanhoop, de ellende en de heimwee van de ontheemden, die weggerukt uit hun thuisland treurden aan de rivieren van Babylon. Een door haar man in de steek gelaten en van haar kinderen beroofde vrouw, dat is het krachtige beeld, dat het gevoel van de profetische dichter vertolkt, een beeld dat hij al eerder heeft gebruikt (bv 49:19, 51:18-20; kende men toen nog niet de wanhoop van de man, die door zijn vrouw en kinderen is verlaten?). Maar naast de wanhoop kende hij ook het vurig verlangen naar de terugkeer naar een thuis, waar de zorgen over veiligheid en levensonderhoud voorgoed voorbij zouden zijn., sterker nog, waar de vrijheid en waardigheid van zijn volk zou zijn hersteld. Dat verlangen zal zijn verhevigd door de politieke omstandigheden van die tijd; het rijk van Babel wankelde en Cyrus, de koning van de Meden en de Perzen, maakte zich klaar om Mesopotamië te veroveren. De hoop op terugkeer naar het land en op hernieuwde welvaart vertaalt zich in het beeld van de verstoten vrouw die in haar positie als geliefde echtgenote wordt teruggenomen. We herkennen de situatie van de Judeeërs aan de Eufraat en de Tigris van toen als archetypische situatie van vluchtelingen en bannelingen van alle tijden en zeker ook van nu. Ik laat graag aan de lezer over om actuele voorbeelden voor ogen te halen.

Het hartstochtelijk verlangen van de profeet schetst een ideaalsituatie van welvaart, bestendigheid, onkwetsbaarheid van de bruid, die utopisch of zelfs messiaans aandoet.
Heeft hij een messiaans Jeruzalem in gedachten als hij dicht:
2 Ik maak je torens van ?robijn,
je ?poorten? van ?ber i l,
je ?muren? van kostbare edelstenen.
Refereert hij aan een messiaanse tijd als hij roept:
55 1 Hierheen! Hier is water,
voor ieder die dorst heeft.
Kom, ook al heb je geen ?geld.
Koop hier je voedsel en eet.
Kom, koop voedsel zonder ?geld,
koop ?wijn? en melk zonder betaling.

Deze utopie van soliditeit en solidariteit krijg je niet cadeau, Jeruzalem zal wel moeten luisteren naar de stem van de Eeuwige:
Luister aandachtig naar mij,
en je zult ruimschoots te eten hebben
en genieten van een overvloedig maal.
Leen mij je oor en kom bij mij,
luister, en je zult leven.

Wat is dat luisteren? Het is Tora in ruime zin, onderricht in de zin van de Jesaja van hoofdstuk 1: 18.17:‘ Vermijd alle kwaad en leer goed te doen. Zoek het recht, houd tirannen in toom, bied wezen bescherming, sta ?weduwen? bij'.
De terugkeer van (een deel van) de ballingen naar Judea heeft inderdaad plaatsgevonden – met goedkeuring en met materiele steun van Cyrus - maar de realisering van een messiaanse samenleving is niet gerealiseerd. De verheven en toch aardse beelden in deze verzen raken nog steeds een snaar raken in ons gemoed, dat verlangt naar uitbanning van uitbuiting, corruptie, honger, armoede en omarming van compassie en gerechtigheid in deze wereld.

De traditie ziet Jeruzalem ook op allegorische wijze. Je kan Jeruzalem, (of Tsion) zien als de heilige plek die in iedere Jood, cq in iedere mens, in principe is te vinden. Een plek, die geheven is boven de alledaagse zorgen en wanen, boven de tijd/ruimte, een plek waar de ziel zich even verbonden en verzoend kan weten. (1) Op dat niveau van uitleg is de terugkeer naar Jeruzalem de terugkeer naar die heilige plek, onze essentie, ons beste weten omtrent het goede, onze ziel, de we eens in de hectische rat race van de wereld hebben verlaten. Dan slaat de vertroosting van de verzen 54:7,8 niet zozeer op de geschiedenis van Israel, waar de Eeuwige zijn gezicht (presentie) meermalen voor meer dan een ogenblik heeft verborgen (en nog steeds verborgen houdt?), maar vooral op onze individuele weg van bewustwording, de weg van de banneling die thuiskomt.
Ik heb je slechts een ogenblik verlaten,
maar met open armen zal ik je weer ontvangen.
Ik verborg mijn gezicht voor je
in laaiende toorn, één ogenblik lang,
maar ik zal me weer over je ontfermen
met eeuwigdurende ?liefde

noot

(1) In de kabbala wordt Jeruzalem veelal geassocieerd met de sefira Malchoet.

Parasjat Beresjiet   Beresjiet/Genesis 1:1-6:8

Er zij licht en er was licht

We gaan een gedachtenreeks spinnen rond dit vers uit Beresjiet/Genesis hoofdstuk 1.

1:3 God zei: ‘Er zij licht' en er was licht. (wa-jomer Elohim: jehi or) (1)
4 God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis;
5 het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. Een dag.

Volgens de modern orthodoxe commentator en expert oud-semitische talen Umberto Cassuto die vaak dicht bij de letterlijke bedoeling van de tekst blijft heeft de redacteur het licht als fysisch fenomeen voor ogen gehad. Dat is wel waarschijnlijk, maar toch is het is het interessant eens na te gaan, hoe deze gebeitelde pregnante woorden latere generaties geïnspireerd hebben er veel meer in te zien dan het zichtbare licht.

Dat is begrijpelijk, als je stil staat bij hoe het woord ‘licht' geladen is met associaties, die weliswaar gebaseerd zijn op de eigenschappen van het fysieke licht, maar daar verre boven uitgaan. Neem alleen al in het Nederlandse spraakgebruik uitdrukkingen als ‘het licht zien', ‘een lichtend voorbeeld' en de term ‘verlichting', welk laatste woord merkwaardigerwijs zowel een religieuze betekenis kan hebben en dan duidt op een staat van verheven vrede en diep inzicht, alsook een min of meer antireligieuze strekking heeft als ze duidt op 18-eeuwse omhelzing van het principe dat de rede en rationele analyse de enige manier is om waarheid te vinden. Altijd al heeft het begrip ‘licht' een centrale plaats ingenomen in het weergeven van essentiële ervaring op geestelijk gebied. Het hoeft het geen verbazing te wekken, dat het monumentale bijbelvers over de creatie van het licht ook allegorische en esoterische uitleg heeft gevonden. Van mijn prille bestudering van deze aspecten waag ik enkele bevindingen weer te geven.

In de midrasjverzameling op Genesis, Genesis Rabba (2), wordt geconstateerd, dat het licht van vers twee niet het licht is, dat later uitgaat van zon en maan. Zo staat het er:
‘Men onderwees, dat het licht, dat werd geschapen in de zes dagen van de schepping de dag niet kan verlichten, omdat dit licht het licht van de zon zou doen verdwijnen en ook de nacht niet, omdat het alleen geschapen was om de dag te verlichten. Waar is het dan gebleven? Het is opgeslagen voor de rechtvaardigen in de messiaanse toekomst, zoals is gezegd' - en dan volgt een regel uit een messiaans visioen van de profeet Jesaja - (30:26): ‘ dan is het licht van de maan als het licht van de zon, en het zonlicht wordt verzevenvoudigd, als het licht van zeven dagen tegelijk'. 
We moeten er met de kennis van nu niet aan denken, dat de maan de zon wordt en de zon zevenmaal zo hard schijnt, maar dat fysiele aspect is hier natuurlijk niet bedoeld, het gaat om een verlichte staat van volmaakte vreugde en wijsheid, die aan het eind der tijden wacht. (3) Is er dan niets van dit primordiale scheppingslicht meer werkzaam in onze huidige wereld?

In de kabbalistische mystiek zijn tot in groot detail ideeën over het verborgen oerlicht te vinden. Gangbaar is de opvatting geworden (van de grote kabbalist R. Isaac Luria, 1534-1572) dat het primordiale spirituele licht, dat uit Ein Sof (het onzegbare ‘zonder einde') als eerste scheppingsdaad is ontstaan, in een aantal dramatische fasen van vermindering tot een minieme fractie omhuld is geraakt in schillen ( klipo t) (4) : de psychische en materiele wereld, kortom onze daagse beleving van de complexe gebroken wereld van goed en kwaad. De verhulde overblijfselen van het licht, de lichtvonken ( netivot ) diep verborgen in ons en in de dingen, zoals wij die waarnemen, vragen erom verlost te worden door ons, zodat wij ons bewustzijn en daarmee de wereld in een meer volmaakte staat kunnen brengen, kunnen heel maken in de richting van het oorspronkelijke ideale plan van de schepper (5). Dat wordt in het Joods gedachtegoed tikoen olam genoemd, de reparatie van de wereld. Dat kan door (een programma van) spirituele oefening, waarin je je traint in een verruimd gewaar worden van hoe in alle gedachten, ideeën, gevoelens, ook de donkerste, een (goddelijke) vonk is verborgen, die bevrijd kan worden, waardoor die zaken naar een hoger plan worden verheven. Maar het kan ook door een daad te doen van liefde, hulp, steun aan medemens en milieu.

Dit concept van tikoen olam is vanuit de kabbala ontwikkeld tot een heel praktische leidraad in het liberale jodendom om het doen en laten van alledag een zin te geven.
Laat mijn gedachte, mijn daad of de manier waarop ik waarneem en aan het leven deelneem de wereld in het donker of breng ik meer licht aan de oppervlakte?

noten

(1) Een woordspelletje met het Hebreeuwse woord voor licht ( or ??? ), verlichten ( he'íer ) stad ( ier ??? ) en huid ( or ??? ): ??? ???? ???? ???
(2) Genesis Rabba 3:7
(3) Cassuto moet niet zoveel hebben van deze esoterische uitleg. Hij meent, dat de “rabbijnse uitleg dat het licht verborgen werd ten gunste van de rechtvaardigen in de komende wereld “ niet overeenkomt met de bedoeling van het vers. Hij houdt het bij de psjat (letterlijke uitleg) Zie Cassuto, A commentary on the book of Genesis, part one, p.26 ev en zijn betoog over de functie van zon en maan als markering van het alreeds geschapen licht van vers 3.
(4) Zie het concept van het ‘breken der vaten'( sjevirat ha keliem ), een soort schitterend ongeluk, zoals bijv. samengevat in Marcus van Loopi, Kabbala als levenskunst, p. 257 ev
en in detail Moshe Miller op chabad.org
(5) Daarvoor wordt wel in de kabbala het beeld van Adam Kadmon (niet te verwarren met de Adam van het paradijs) gebruikt, een oerbeeld van de volmaakte mens, dat God gebruikte als blauwdruk voor de schepping.
Adam Kadmon doet, ontdaan van zijn metafysische kleed, denken aan het  antropisch principe in de natuurwetenschappen, het idee dat er een nauw verband bestaat tussen ons mens-zijn en de eigenschappen van het heelal, zie https://nl.wikipedia.org/wiki/Antropisch_principe

RC okt 2019

Parasjat Nitsaviem Devariem/Deuteronomium. 29:9–30:20

Hernieuwd commitment


In deze parasja Nitsaviem roept Mozes het hele volk nog één keer bijeen voor een laatste onderwijzing en een laatste aansporing zich aan de gegeven voorschriften te houden. Bijna vier decennia na het eerste verbond bij de heilige berg Sinaï, staan de Israëlieten. zoals Mozes het uitdrukt, ‘voor het aangezicht van de Eeuwige' om het verbond met de Eeuwige te vernieuwen. Nadat de oude leider nog eens de zegen en de vloek aan het volk heeft voorgehouden met sprekende beelden van ballingschap en uiteindelijke terugkeer, verkondigt hij dat zijn onderwijzing aards, concreet en praktisch is en (30:12 ev HSV) ‘niet in de hemel, zodat  u  zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons naar de hemel opstijgen om het voor ons te halen en ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen? Het is ook niet aan de overzijde van de zee, zodat  u  zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons oversteken naar de overzijde van de zee om het voor ons te halen en het ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen? Want dit woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw ? hart, om het te doen. Zie, ik heb u heden het leven en het goede voorgehouden, maar  ook  de dood en het kwade.'
De tekst onderstreept nog eens, dat de Tora voor iedereen is bedoeld, van hoog tot laag, en noemt expliciet: de stamhoofden, de oudsten en de beambten, alle mannen van Israël, de kleine kinderen, de vrouwen, en de inwonende vreemdeling, en ook de houthakker en de waterputter (1)

Ook na de dood van Mozes moet telkens de onderwijzing weer opnieuw in herinnering worden gebracht, vaak na jaren van verval en ellende. Steeds moet opnieuw een commitment worden gemaakt.
Aan het eind van zijn lange leven verzamelde Jozua nogmaals alle stammen van Israël in Sichem (Sjchem) en stak daar zijn zwanenzang af, die sterk doet denken aan de woorden van Mozes. Ook nu weer komt aan het slot een hernieuwde sluiting van het verbond, een hernieuwd commitment (Joz 25:25)

Een lange periode brak aan waarin de woorden van de Tora langzaam uit de herinnering wegzakten, tot tijdens de regering van koning Josia (plm 700 BCE) bij de restauratie van de tempel een boekrol werd gevonden, waarvan bijbelwetenschappers vermoeden, dat dat wel eens dit boek Devariem/Deuteronomium kon zijn of een allereerste versie daarvan. De vrome koning liet zich het boek voorlezen, schrok en voerde een grondige zuivering door. Ook nu werden alle bewoners van het koninkrijk Juda bijeengeroepen. En weer opnieuw werd er een voorlezing gehouden en wederom een verbond gesloten. (2 Kon 23).

Weer gingen vele eeuwen van verwaarlozing en vergeten voorbij, ondanks de vermanende woorden van de profeten. De eerste ballingschap vond plaats. Tijdens die Babylonische ballingschap ontrukten geleerden de voorschriften van Mozes weer aan de vergetelheid. Een van hen, Ezra de schrijver (plm 450 BCE), componeerde na zijn terugkeer naar Judea uit de overgeleverde teksten de Tora zoals wij hem kennen. Toen hij en zijn helpers klaar waren organiseerde hij een plechtige publieke voorlezing. Het weer in Judea teruggekeerde volk verzamelde zich als één man op een plein in Jeruzalem. Vanaf een hoog spreekgestoelte las Ezra als een tweede Mozes uit de Tora voor aan de voor hem staande eerbiedig luisterende menigte. Specialisten legden ter plekke de oude teksten uit. Ze worden met name genoemd in het boek Nehemia (Nechemja) hfst 8: ‘Jesua, Bani, Serebja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Hodia, Maäseja, Kelita, Azaria, Jozabad, Hanan, Pelaja (…) lazen uit het ? boek ? voor, uit de wet van God, gaven uitleg ( 2 ) en verklaarden de betekenis, zodat men de voorlezing begreep.' We zien hier de allereerste manifestatie van een lange Joodse traditie van interpretatie. Misschien mogen we deze mannen de voorlopers noemen van de latere farizeeën ( peroesjiem ), de pioniers van de rabbijnse bijbeluitleg.

Over een paar dagen begint een nieuw Joods jaar, 5780, en nemen de hoge feestdagen een aanvang. Op Rosj Hasjana worden de woorden van de parasja Nitsaviem weer gelezen. Als we samen in de diensten van de Hoge Feestdagen zoals Mozes het uitdrukte ‘voor het aangezicht van de Eeuwige' staan, is er misschien iets merkbaar van de oorspronkelijke ontroering. Naar ik van harte hoop komt er na de zelfbezinning over het afgelopen jaar ruimte voor een hernieuwd commitment om een beter mens te zijn voor zichzelf, de ander en de wereld.

Sjana tova en een goed en zoet nieuw jaar gewenst!

noten

(1) De waterputters en de houthakkers komen ook voor in het boek Jozua (9:27): De naburige Hivvieten hadden Jozua misleid door uit angst voor het geweld van de Israelieten zich voor te doen als van verre gekomen bedelaars, die aansluiting bij het volk zochten. Toen het bedrog uitkwam, werden ze toch niet omgebracht, maar maakte Jozua hen toen houthakkers en waterputters voor de gemeenschap.
(2) Er staat meporasj, wat ook wordt vertaald als: ‘vertaalden'; vermoedelijk spraken de Judeeërs niet meer het oude Hebreeuws, maar Aramees.

Parasjat Ki tavo Devariem/Deuteronomium   26:1–29:8

Een historische context

Deze parasja bevat in de zesde alija (stuk dat de voor Toralezing opgeroepene leest) de langste alija van de hele Tora. In dit stuk komt de lange reeks vervloekingen voor, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. Die vervloekingen, welgeteld achtennegentig, zijn met een barokke, bijna aan perversie grenzende pen beschreven. Neem bijvoorbeeld het afgrijselijke beeld van de ouders die in de belegerde stad het vlees van hun kind eten en de moeder, die de nageboorte in het geheim opeet. Waarschijnlijk zijn deze schilderingen van verwoesting, uitroeiing, hongersnood en ziekten, hoewel neergeschreven als voorspelling, vooral de neerslag van ervaringen, die de schrijver uit een al gepasseerd verleden put. Hier spreekt een ervaringsdeskundige!

Laten we een korte historische excursie wagen en teruggaan naar de tijd, ruwweg tussen 900 en 400 BCE, de tijd dat de tekst uit soms veel oudere overleveringen zijn definitieve schriftelijke vorm heeft gekregen. Die optekening kwam tot stand in en ook kort na bijzonder roerige tijden, de eeuwen van de koninkrijken Israël en Juda. Hun gebied lag op het kruispunt van de grote rijken Egypte, Assyrië en Babylonië en was het toneel van de ene oorlog na de andere, verwoesting, plundering en dood waren aan de orde van de dag. In 722 BCA viel na een lange belegering Samaria in handen van het Assyrische leger. Tien van de twaalf stammen van Israël werden gedeporteerd naar de noordgrens van Assyrië en zijn in de mist van de geschiedenis verdwenen. Dat moet een traumatisch gebeuren zijn geweest. Omstreeks 700 BCE tijdens het bewind van koning Hizkia onderwerpt de Assyrische koning Sanherib vrijwel heel het koninkrijk Juda. Hij verwoest de grote stad Lachis. De koning vermeldt trots in een inscriptie: ‘ Ik verdreef 200.150 mensen, jong en oud, mannen en vrouwen, paarden, muildieren, ezels, dromedarissen, runderen en ontelbare hoeveelheden kleinvee en beschouwde het als mijn buit'. (1) De Assyriërs belegeren Jeruzalem, dat wordt gespaard dankzij een epidemie die in het Assyrische leger uitbrak. Tot 650 is het Assyrische rijk op zijn hoogtepunt en omvat zelfs Egypte. Egypte op zijn beurt wordt weer onafhankelijk en maakt het koninkrijk Juda tot vazalstaat. Koning Josia sneuvelt in een grote veldslag tegen het opgekomen Babylonische rijk, dat eerst Juda schatplichtig maakt en na een opstand Jeruzalem verwoest, het land inlijft en een groot deel van de bevolking wegvoert in ballingschap naar ‘the rivers of Babylon'. Daar zal de uiteindelijke redactie van de Tora vorm gaan krijgen.

De bedoeling van de schrijver van deze gruwelen moet geweest zijn om de toehoorders en lezers te waarschuwen voor een herhaling van al deze rampen, die hadden plaatsgevonden en hadden kunnen plaatsvinden omdat zowel het noordelijk rijk Israel en in het koninkrijk Juda sterk verzwakt waren door corruptie, verrijking, perverse religieuze praktijken, zaken die de in die tijden grotendeels vergeten of veronachtzaamde voorschriften van Mozes juist beogen te bestrijden.

Het principe van onpartijdigheid

Een van die zaken lichten we er even uit: de partijdigheid van de rechtspraak . Het is een fenomeen dat de kracht van een volk diepgaand kan ondermijnen. De Tora geeft veel aandacht aan het instellen van een rechtssysteem en geeft veel voorschriften voor de integriteit van de rechters. Zie bijvoorbeeld (HSV):
Dev/Deut:1:15: Ook beval ik in die tijd uw rechters: Luister naar  de geschillen tussen uw broeders, en oordeel ? rechtvaardig ? tussen een man, zijn broeder en de ? vreemdeling ? die bij hem is
Dev/Deut:16:18 U moet binnen al uw poorten, die de Eeuwige, uw God, u geeft, rechters en beambten over uw stammen aanstellen. Zij moeten met een rechtvaardig oordeel rechtspreken over het volk. 19 U mag het recht niet buigen. U mag niet partijdig zijn en geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen. 20 Gerechtigheid, gerechtigheid moet u najagen, opdat u leeft en het land dat de Eeuwige, uw God, u geeft, in bezit neemt.

Zoals dat toen het geval was geldt ook nu nog steeds: waar de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechtspraak onder druk staan is een eerste stap naar autocratie, onderdrukking, geweld en anarchie gezet. Een tendens om de scheiding der machten te doorbreken en politieke invloed op de rechtspraak te willen hebben zien we de laatste tijd in veel westerse democratieën weer opkomen. Soms is sprake van een structurele weeffout, zoals in de Verenigde Staten, waar de rechters van het Supreme Court benoemd worden onder invloed van politieke belangen door een partijdige president. Elders zien we pogingen om de onafhankelijkheid van de rechters in te dammen, zoals in Polen, waar de regerende PiS partij via wettelijke manipulatie grote invloed trachtte te krijgen op de benoeming van rechters, die in het Hooggerechtshof in het bijzonder.

Het lijkt sterk op de plannen van de regering Netanjahoe de macht van het Israëlisch Hooggerechtshof in te perken door het de bevoegdheid te ontnemen om de wetten die het parlement heeft aangenomen te toetsen aan de basiswetten van het land en zo nodig af te wijzen. Die toetsing wil hij dan overhevelen naar een parlementaire commissie. Grote delen van de Israëlische bevolking en ook Joden uit de diaspora, inclusief mijn persoon zijn, daar hevig verontrust over. Daarom is het van groot belang, welke regering er na de afgelopen verkiezingen in Israël gaat komen, een die voor die wijziging is of een die tegen ia, het is voor de democratie erop of eronder.

Het is eigenlijk absurd, dat religieus rechts in Israël, de charediem , vrome studenten van de Tora, juist degenen zijn die de door Tora gepropageerde waarde van onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet waarderen in het hooggerechtshof. Maar ja, zij prefereren de herinstelling van het Sanhedrin, het hooggerechtshof van tweeduizend jaar geleden. Ze insisteren boven alles op de vrijstelling van dienstplicht voor Jesjiewastudenten. Ze kunnen niet berusten in het feit, dat Israël geen theocratie is, maar een pluriforme, multiculturele samenleving, waarin het principe van de scheiding der machten geldt en waar een objectieve hoogste rechtsinstantie boven alle partijen onontbeerlijk is.

noot
(1) Zie https://mainzerbeobachter.com/2017/09/08/de-val-van-lachis/

Parasjat   Sjoftiem   Devariem/Deuteronomium 16:18 - 21:9

Schuldig landschap

In deze parasja komen belangrijke instellingen voor de ordening van de maatschappij van de Israëlieten aan de orde: het aanstellen van rechters en beambten en onpartijdige rechtspraak, beroepsmogelijkheid en nog vele andere zaken (1). We lichten er de laatste verzen (21:1-9) uit om verder te beschouwen.

In die verzen verordent de Tora het volgende. Wanneer er in het veld buiten de stad een lijk wordt gevonden en de dader is onbekend, dan volgt er een bijzonder ritueel. De leiders van de dichtstbijzijnde stad moeten een jonge koe uitzoeken en die brengen in een maagdelijk niet voor landbouw gebruikt dal, waarin een beek stroomt. Daar moeten ze de koe de nek breken. In aanwezigheid van de priesters wassen de leiders van de stad dan hun handen boven de jonge koe en zeggen: “Onze handen hebben dit ? bloed ? niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien.” Wat is de betekenis van dit merkwaardige ritueel? (2)

Het gaat hier om een archetypische situatie: in het veld wordt een niet geïdentificeerd lichaam gevonden en de dader is spoorloos. Dit betekent een ernstige verstoring van de harmonie in de gemeenschap. We kennen dit maar al te goed, denk aan de recente moorden op Anne Faber en Nicky Verstappen. De samenleving voelt zich ontwricht.
De Tora roept middels dit ritueel op om niet passief te blijven, maar – met de sacrale middelen die toen voor de hand lagen - er alles aan te doen om de orde te herstellen. In eerste instantie moet natuurlijk de dader worden gevonden. De rationele middeleeuwse geleerde Maimonides (3) ziet het ritueel vooral in functie van de bevordering van de opsporing; de openbaarheid van het ritueel maakt, dat de misdaad overal bekend raakt, dat de gemeenschap wordt opgeschud uit eventuele onverschilligheid zodat uit het publiek wellicht informatie over de dader naar voren kan komen. We zouden nu zeggen, het politieonderzoek wordt erdoor ondersteund.

Maar dit is toch niet het hele verhaal. De midrasj legt de woorden die het bestuur van de nabije stad moet uitspreken - “onze handen hebben dit bloed niet vergoten” - extensief uit. De voorbereiding en de uitvoering van het ritueel vereist, dat de gemeenschap zichzelf onderzoekt. De leden van het stadsbestuur moeten bij zichzelf nagaan of zij geen indirecte verantwoordelijkheid hebben, of zij niet condities hebben geschapen, die de misdaad hebben vergemakkelijkt; waren de wegen veilig en goed onderhouden, zijn doorgaande of vertrekkende reizigers voldoende bevoorraad, zijn ze een eindweegs buiten de stad begeleid?
Is de gemeenschap niet te gemakkelijk geweest voor verdachte figuren?
(4) We zouden nu in het geval van Anne Faber zeggen, waren de tbs-ers voldoende gescreend voordat ze met verlof mochten?

Als er in de gemeenschap geen concrete schuldige is aan te wijzen en de dader niet gevonden wordt (en dus ook ongestraft wegkomt), blijft er een trauma in de samenleving doorzeuren. Er blijft er een besef van gebroken harmonie hangen. Daarom is het ritueel ook te zien als een daad, die nodig werd geacht om herstel van die harmonie te bewerkstelligen. De dood van de jonge maagdelijke koe op een niet door landbouw gebruikte plaats, die dus nog in een toestand van onschuld verkeert, moest ertoe dienen om iedere mogelijke schuld van de gemeenschap, als het ware met het water van de beek, weg te wassen, met als uiteindelijk doel weer in een toestand van onschuld te komen. (5) De gemeenschap, waar de misdaad is gepleegd, kan dan weer geheeld verder gaan.
De plek waar het lichaam is gevonden, kennelijk door geweld omgebracht, speelt in het ritueel geen rol. Dat is eigenlijk merkwaardig. Op zo'n plek, en in het algemeen in een omgeving waar onschuldigen zijn vermoord en retributie is uitgebleven, blijft een sfeer van onheil hangen, die ook om heling vraagt. Tegenwoordig branden we kaarsjes en leggen bloemen en knuffels neer op straten, pleinen en velden waar een onschuldig mens door geweld is omgekomen. We voelen haarfijn aan, dat er op zo'n plaats des onheils licht en liefde moet worden gebracht.
Ik moet denken aan het ‘schuldig landschap', een term die schilder-dichter Armando muntte voor een lieflijk landschap, waar zich in het verleden vreselijke gebeurtenissen hebben voltrokken, in zijn geval was dat de boomrijke omgeving van het Duitse concentratiekamp Amersfoort. Er zijn vele schuldige landschappen in deze wereld, die om heling vragen.

noten


(1) Vele andere aspecten van deze parasja heb ik belicht in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA , deel 2 en op mijn website www.robcassuto.com
(2) Voor mijn commentaar heb ik dankbaar geput uit het commentaar van Nechama Leobowitz, Studies in Devarim , p. 201 ev
(3) Maimonides, Guide fort the Perplexed , III, 40
(4) “Onze handen hebben dit ? bloed ? niet vergoten”, in het Hebreeuws staat lo jadenoe sjafcha et ha-dam , waarbij je eigenlijk ipv sjafcha , vrouwelijk enkelvoud (hand, jad , is vrouwelijk) , sjafchoe , meervoud zou verwachten. Volgens de Oude Wijzen heeft dat de volgende bedoeling: sjafcha eindigt expres met een ? , hee, een letter die vijf aanduidt, opdat we worden gewezen op de vijf zaken waarin een gastheer voor zijn gast moet voorzien: voedsel, drank, logies, hem bij zijn vertrek een eind vergezellen en proviand (Talmoed, Sota 45)
(5) Ook goed mogelijk is, dat de jonge koe als het ware plaatsvervangend voor de dader het leven moet laten. Het ritueel van de koe en haar gebroken nek is al de tijd van de Talmoed niet meer toegepast vanwege het grote aantal moordenaars. (Talmoed Sota 47a)

Parasjat Re'ee  Deuteronomium / Devariem 11:26–16:17. 

Jeruzalem

De parasja Re'ee (‘Zie, besef') luidt een derde deel in van de grote laatste rede van Mosjee. (1) We lichten daaruit de bepaling in vers 12:11 waarin wordt verordonneerd, dat, als het volk zich heeft gesetteld in het beloofde land er één plaats moet zijn voor de eredienst .   Dan zal daar de plaats zijn die de Ene, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofteoffers die u de Ene belooft  . 
Veel van de bepalingen in Devariem worden ook al eerder , elders, soms in wat kortere , soms in uitgebreidere vorm gegeven, maar de centralisering van de eredienst op één plaats staat alleen in dit bijbelboek geboden. Hoewel nergens in Devariem of ook in de andere Mozaïsche boeken met name genoemd, wordt met ‘de plaats' natuurlijk Jeruzalem bedoeld.

Bijbelhistorici brengen deze passage in verband met de vrome koning Joshiahoe (Josia, plm 700 BDE), die beval dat overal in het land alle vaak afgodische altaren en dubieuze plaatsen van verering moesten worden vernietigd (vgl Devariem 12:2-3) en dat de offers en de feesten alleen in Jeruzalem zouden mogen plaatsvinden. Misschien heeft hij dit gebod tot centralisatie van de eredienst laten invlechten in de geschriften om aldus de aanwijzing van Jeruzalem meer gezag te verlenen. Die geschriften zijn misschien de boekrol geweest, die tijdens de restauratie van de tempel werd gevonden zoals vermeld in 2 Koningen/Melachiem 22: 8 ev :  Toen zei de hogepriester Hilkia tegen de schrijver Safan: Ik heb het wetboek in het huis van de Eeuwige gevonden. Hilkia gaf die boekrol aan Safan, en die las het  etc.. De geleerden veronderstellen, dat dit de oertekst van Devariem/Deuteronomium is geweest of een voorloper daarvan.

In de Tanach komt Jeruzalem in beeld als koning David de stad op de Kana'anitische Jebusieten heeft veroverd en hij er zijn paleis bouwt. David beseft, dat Jeruzalem de plaats moet worden waar de ark zal moeten staan en dat een heilige woning hem zal moeten herbergen. De profeet Natan bevestigt dat dit inderdaad de wens van de Eeuwige is (2 Sjmoeel/Samuel 7). De koning heeft zijn verlangen om die sacrale plek te realiseren onder woorden gebracht in psalm 132:3,4: ‘Ik zal mijn ? tent ? niet binnengaan, noch mij te ruste leggen op bed, mijn ogen niet overgeven aan de slaap, noch mijn wimpers aan de sluimer, voordat ik een plaats vind voor de Eeuwige, een woning voor de Machtige van ? J a kob.'

De traditie ziet Jeruzalem, Tsion en de Beet haMikdasj (de tempel) ook op allegorische wijze. In mijn interpretatie staan Jeruzalem, Tsion (en de tempel) voor de heilige plek die in iedere Jood, cq in iedere mens, in principe aanwezig is . E en plek, die geheven is boven de alledaagse zorgen en wanen, boven de tijd/ruimte, waarin de ziel zich even verbonden en verzoend kan weten. (2) Zo mogen we in deze sfeer Davids verlangen duiden als iconisch voor ieders verlangen naar deze innerlijke plek.
Ik denk, dat het verlangen om er ondanks alles toch te komen niet is verdwenen. We hoeven niet letterlijk naar Jeruzalem te gaan of daar een derde tempel te bouwen om op een plek van heelheid en verzoening – sjalom – te komen. Ergens in ons is die plek er, al is hij vaak door onze levenshistorie en de chaos van de omringende wereld moeilijk waarneembaar geworden.
Josjiahoe trachtte de afgodische altaren in het land te verwijderen. Is dat voor ons ook nodig om te doen? Het is een vruchtbare vraag, die niet hoeft te leiden tot een oproep tot religieuze intolerantie, maar eerder tot een oproep tot zelfreflectie; welke afgodische altaren - misschien een verslaving, een opgezwollen ego, verder zelf invullen … - kunnen we op het pad naar de heilige plek in onszelf aantreffen.

De 17e beracha (zegespreuk) van het dagelijks Amida gebed (achttiengebed) vat ik in dit verband op als en vraag om ondersteuning op dit pad, de zegespreuk die sluit met de regel: Gezegend bent u Eeuwige die ons terugbrengt naar Tsion. (3)

Noten

(1) In mijn boek REIZEN DOOR DE TORA ben ik op vele andere onderwerpen uit deze parasja ingegaan
(2) Ik heb me hier mede laten inspireren door een bewerking/vertaling van de Sfat Emet (19 e eeuw) door Arthur Green, The language og truth , the Jewish Publication Society, 1998
(3) I n de kabbala wordt Tsion veelal geassocieerd met de sefira Jesod en Jeruzalem met Malchoet, waarbij Tsion het mannelijk aspect belichaamt en Jeruzalem het vrouwelijk aspect. Opmerkelijk zijn de seksuele overtonen van de kabbalistische uitleg, die soms doen denken aan Tantra. Ik ontleen dit aan een artikel van Moshe Idel, dat ik op internet aantrof.

Parasjat Ekev   Deuteronomium / Devariem 7:12–11:25 

Jirat Hasjem

In de parasjat Ekev zet Mosjee zijn lange laatste toespraak tot de Benee Jisrael voort. De bejaarde leider herinnert er herhaaldelijk aan, hoe de Eeuwige het volk met machtige daden heeft beschermd, liefheeft, vruchtbaarheid van mens, land en vee zal bevorderen, het volk oproept niet bang te zijn, vijanden op de vlucht jaagt en vele andere zegeningen heeft gebracht en zal brengen. Maar hij waarschuwt ook voortdurend geen afgoden te dienen en de geboden in acht te nemen; dat is de absolute voorwaarde voor de welvaart en de overwinningen op vijanden. De oude leider roept de herinnering op aan de lange woestijnreis, waar er vele beproevingen zijn geweest van honger en dorst, maar die waren bedoeld als test om duidelijk te maken, dat niet door brood alleen de mens leeft maar ook door de levenskracht die zijn machtige Schepper schenkt. Anders gezegd, het draait niet alleen om materiële zaken die die het lichaam nodig heeft, maar ook om ontplooiing van de ons geschonken geest. Waak voor hooghartigheid en overmoed, houdt Mosjee zijn mensen voor, want alle rijkdom valt je toe uit de hand van de Ene.   

De oude leidsman schildert nog eens de gebeurtenissen op en rond de Sinaj; de machtige stem uit het vuur, de stenen platen, de grote zonde van het gouden stierkalf, de woede van de Eeuwige, die met smeekbeden van hem, Mosjee, bewogen moet worden om het volk te sparen. Maar ook memoreert hij de wonderdaden van uitredding, dit alles om het volk de wil in te prenten om de goede weg te volgen van ontzag voor de Ene en het houden van de geboden. Aan het slot van de parasja keert Mosjee terug naar de beschrijving van het land, dat de Israëlieten op het punt staan te betreden, het land, dat vruchtbaar zal zijn en op de juiste tijden beregend zal worden. Maar als het volk afdwaalt en andere goden gaat dienen, dan zullen de hemelpoorten worden gesloten en geen regen zal er meer vallen. Deze laatste passages (Devariem 11:13-21) vormen van oudsher de tweede alinea van het dagelijkse sjema-gebed.  

De toon van waarschuwing, van vermaning om de geboden te volgen en ontzag te hebben voor de Eeuwige vormt de grondtoon van het boek Devariem. De vele geboden en verboden, de ethische zowel als de rituele, zijn onmisbaar voor de volksvorming. Ze beogen anarchistische willekeur in te perken en het recht van de sterkste te beknotten ten gunste van meer omzien naar de ander; dat vereiste een hoge psychische inspanning met name om de agressieve krachten te beheersen en erotische driften te kanaliseren. Alleen dan is een geordende en leefbare samenleving mogelijk. In de tijd van Mosjee was dit alleen te realiseren onder de onbetwistbare autoriteit van een machtige en strenge rechtvaardige God, die als extern en verheven wordt ervaren en met een mengsel van vrees en liefde benaderd moet worden. Deze ervaring met de transcendente vader-autoriteit is de essentie van de ‘Sinaj-experience' van Mosjee en de Israëlieten. Het unieke van die ervaring is, dat dit gebiedende gezag niet een menselijke heerser was, een dictator of een vergoddelijkt persoon, die na zijn dood of ten gevolge van een coupe vervangen kon worden door een andere, die vanuit persoonlijke willekeur weer andere regels kon geven. Dit gezag kwam van een boven de tijd geheven en onzichtbare instantie, die bovendien de enige in zijn soort was, de ene God - en niet een heel pantheon –, een vader-God, die werkelijk oog had voor gerechtigheid, maar die ook compassie kende- , een God, die niet een van de amorele goden was, die spelen met het lot van de mensen.

Maar hoe gaan we nu om met de vader-God van Sinaj? Momenteel is in deze merendeels seculiere wereld het geloof in een dergelijke leidinggevende, beschermende, liefhebbende, maar rechtvaardig straffende autoriteit vrijwel verdwenen, al leeft het diep in het innerlijk vaak onbewust voort.(1). We geloven niet meer in gepersonaliseerde godheid in de hemel of in een grote regisseur, die alles vooruit bepaalt, alle goede mensen beschermt en eerlijkheid beloont en slechte daden onmiddellijk of ooit later straft of die rampspoed als test oplegt. Maar de boodschap die de waarden van liefde, rechtvaardigheid en compassie voor de ander wil wekken is ooit gehoord en als opdracht in het hart geplant en klinkt door, van generatie op generatie. In het Jodendom is de essentie gestold in de woorden van de Tora.

Misschien mag je het in de sfeer van de kabbala zo uitdrukken: de vader-God van Sinaj heeft zich teruggetrokken uit de wereldruimte en ons met zijn boodschap achtergelaten (2), ons zodoende terugwerpend op onze eigen menselijke verantwoordelijkheid. Liefdevolle bescherming, compassie en rechtvaardigheid verwachtten we niet meer uit den hoge, maar moeten we zelf aan elkaar in praktijk brengen. Tegelijk mogen we onze geest en ons hart toch niet afsluiten voor het transcendente en mogen we een principiële openheid niet prijsgeven, maar koesteren. We moeten blijven speuren naar mogelijke tekenen van Zijn werkzaamheid in de wereld en in onszelf, luisteren naar signalen van zin en opdracht en hopen op het geschenk van genade.
En we blijven in ons ochtendgebed zeggen, dat de Eeuwige één is, dwz dat uiteindelijk alle verdeeldheid, tweedeling, duizenddeling, dat alle polariteit, alle diversiteit omvat wordt door het/de Ene. En ‘het ontzag voor Zijn Naam is het begin van de wijsheid' ( jirat Hasjem resjiet chochma  , Misjlee/Spreuken 1:7 ) is nog steeds een uitspraak die een juiste inschatting van onze nederige positie in de kosmos bevordert . 

noten
(1) en de voedingsbodem kan zijn voor de opkomst van een absolute heerser of dictator
(2) Het begrip tsimtsoem

Parasjat Wa-etchanan Devariem/Deuteronomium 3:23-7:11 

Waarom mag Mosjee het beloofde land niet betreden?

De parasha Wa-etchanan balt met dramatische woorden een aantal essentiele elementen van Israëls opdracht samen, in de vorm van een toespraak van Mosjee, mogelijk in een aantal zittingen gehouden voor het volk, dat immers uit een tweede generatie bestond, die nooit aan de voet van de Sinaj had gestaan. Die eerste culmineerde in de herhaling van de Tien Uitspraken (Geboden, deut/Dev ) en ging gepaard met herhaaldelijke waarschuwingen tegen afgodendienst. (1)

Maar voordat Mosjee de cathedra van het leraarschap besteeg krijgen we eerst blik op een heel menselijk gebeuren voorgeschoteld: Mosjé wil zo graag de Jordaan oversteken en het beloofde land betreden. Hij smeekt de Eeuwige hem dat toe te staan. Maar hij mag niet. Aan zijn gebed wordt geen gehoor gegeven, zo deelt hij het volk mee. Deut/Dev 3:26: ‘Maar de Eeuwige was boos op mij, vanwege jullie ( lema'anchem ), en Hij luisterde niet naar mij. En de Eeuwige zei tegen mij: Laat het u genoeg zijn; spreek niet meer tot Mij over deze zaak.' In Dev 4: 21,22 herhaalt Mosjee het nog eens, de Eeuwige is vanwege jullie boos op mij geworden.

Boos vanwege jullie? Schuift Mosjee nu de schuld van Gods strenge sanctie in de schoenen van het volk? Is immers niet de standaardverklaring, dat Mosjee deze straf te danken had aan zijn arrogante en onheilige optreden bij het slaan op de rots bij Meriva (Bam/Num 20) ?

We moeten voor een bevredigende verklaring verder kijken en bladeren terug naar Deut/Dev 1:34-37, waar Mosjee het mismoedig verslag van de verkenners en de daaropvolgende rebellie van de Israëlieten memoreert. Het volk werd veroordeeld tot een zouden zwerftocht van zo'n veertig jaar; Niemand behalve Kalev en Jehosjoea het beloofde land mogen betreden, ook Mosjee niet , want ook toen, naar aanleiding van de jammerlijke uitslag van de verkennerstocht, zo vernemen we nu van Mosjee (1:37), was de Eeuwige al ‘boos op mij, vanwege u, en Hij zei: Ook u zult er niet in komen.' Omdat het gebeuren rond de verkenners achtendertig jaar eerder plaats vond dan de terugblikkende herinneringen hier in Devariem, moet Mosjee dus achtendertig jaar terug al hebben geweten, dat hij het hij het beloofde land niet zou binnengaan. Hoewel hij zelf als persoon geen schuld had, schoof hij de schuld ook niet op het volk, maar aanvaardde hij door hun lot te delen de politieke medeverantwoordelijkheid voor het feit, dat het volk moreel en psychisch nog lang niet klaar was en het de spirituele kwaliteiten miste om bewoners van het heilige land te zijn.(2)

Waarom dan toch nu pas, achtendertig jaar later, deze smeekbeden om toch - al is het maar even - de Jordaan over te mogen gaan om voet op het beloofde land te mogen zetten? Smeekbeden, die als we de vele midrasjiem mogen geloven, intens en langdurig zijn geweest.(3) Dat hij er zo lang mee gewacht heeft zou kunnen samenhangen met een stille hoop in de bejaarde leidsman. Na veertig jaar zou een nieuwe generatie misschien wel rijp zijn geworden om het beloofde land te bewonen; dan zou het vonnis over Mosjee wellicht kunnen worden herzien. Maar tijdens de recente rebellie bij het water van Meriwa (parasja Choekat) toen ook die nieuwe generatie weer dezelfde jammerklachten als de vorige generatie aanhieven en ook weer terug naar Egypte wilden, is Mosjee's hoop op herroeping van zijn aanstaande sterfdatum definitief de bodem ingeslagen. Het is dan te begrijpen, dat hij toen met korzelige woorden het volk afsnauwde en woedend met zijn staf op de rots sloeg. Tegelijk bezegelde hij daarmee zijn lot om als het ware als een voortijdige balling achter te blijven aan deze kant van de Jordaan.(4)

Wat zou er gebeurd kunnen zijn, als het volk wel in geestelijk opzicht gegroeid zou zijn en Mosjee dispensatie zou hebben gekregen, hebben sommige commentatoren zich afgevraagd.(5) Dan zou onder zijn leiding het land Kena'an zonder slag of stoot zijn veroverd, de tempel gebouwd en zou de Messiaanse tijd niet lang op zich hebben laten wachten. Een permanent verblijf in het land – ba-arets – zou dan zijn gegarandeerd geweest. Nu zou dat bepaald niet het geval gaan zijn, zoals de geschiedenis heeft getoond. Mosjee wist dat allang, het moet een tragisch besef zijn geweest. Weliswaar schetst hij in de de verzen 4:6-7 even een rijk toekomstperspectief: wijs en verstandig zal het volk beschouwd worden in het oog van andere volken. Maar dan tekent de oude profeet in een paar forse pennenstreken een somber toekomstperspectief: de verdwijning uit het land en de verstrooiing onder de volken (maar ook een uiteindelijke terugkeer), zie 4:25-31. (6) Was deze lotsbestemming al na de ellende rond de verkenners bezegeld? De Oude Wijzen van de Talmoed hebben eens flink gerekend en kwamen tot de conclusie, dat het op de 9 e van de maand Av was, dat de Eeuwige had besloten, dat de Israëlieten het beloofde land niet mochten betreden en een additionele veertig jaar zouden moeten zwerven in de woestijn. (7) Die negende Av ( Tisja be-Av , vorige zondag) zou een doemdag worden in de Joodse geschiedenis, de dag waarop zowel de eerste tempel als de tweede tempel verwoest zouden worden, de dag van de fatale slag bij Betar tijdens de Joodse opstandd in 135 CE, die de verwoesting van Jeruzalem zou inluiden, de dag van de verbanning van de Joden uit Spanje in 1492 en de dag van het begin van de Eerste Wereldoorlog, die de eeuw van de sjoa zou inluiden.

Geloof ik in deze gedoemdheid? Ik weet het niet. Al wat gebeurd is ligt voor de eeuwigheid vast (alleen ons verhaal erover kan veranderen), de toekomst ligt open voor de keuzes die we nog zullen maken. En wat Israël betreft, het land waar de Joden weer als natie mogen en kunnen wonen, zullen ze nu wel permanent in het land mogen blijven?
Het land is welvarend als nooit tevoren, het is omringd door haat, maar het leger is sterk, politiek gaat het er heftig aan toe en moraliteit is discutabel, maar het is een democratie. Toch, nu ik deze parasja heb gelezen en dit stuk heb geschreven, houd ik weer even mijn hart vast.

noten

(1) Ik heb passim dankbaar gebruik gemaakt van het commentaar van Rabbi Ari Kahn van 2010 op Aish.com

(2) Zie Ovadia Sforno ad Deut/Dev 1:37 op Sefaria.org

(3) ze worden in vele bladzijden samengevat in ‘The Legends of the Jews' , Louis Ginzburg, Legends of the Jews, 1909, vol. 3,6 op Sefaria.org

(4) (5) Zo ongeveer Malbim (19 e eeuw)

(6) Deut/Dev 4:25 (NBV) Als u eenmaal in dat land geworteld bent en er ? kinderen ? en kleinkinderen hebt gekregen, en u gaat u misdragen door een ? godenbeeld ? te maken, een afbeelding van wat dan ook, en u tergt de  Eeuwige , uw God, door te doen wat slecht is in zijn ogen –  26 ik roep vandaag de hemel en de aarde op als getuigen tegen u, dat u dan spoedig zult worden verdreven uit het land aan de overkant van de ? Jord aa n , dat u in bezit zult nemen. Daar zal u dan geen lang leven beschoren zijn, integendeel, u zult worden weggevaagd.  27 De  Eeuwige zal u uiteenjagen en u wegvoeren naar vreemde volken, waar maar een klein aantal van u zal overblijven.

(7) Talmoed Ta'aniet 29a

Rc aug 2019

Parasjat Balak   Bamidbar / Numeri 22:2-25:9

Innerlijke strijd

Balak, de koning van Mo'av, is doodsbang dat hij de Israelieten na hun succesvolle veldtocht tegen de koningen Sichon en Og niet miltair zal aankunnen en hij roept de hulp in van de magiër en waarzegger Bilam in, die beroemd is om zijn kundigheid. Hij zendt een gezantschap naar de man.

Bilam, de protagonist van deze parasja, is een van de interessantste figuren uit de Tora en misschien wel de Tenach. Hij is letterlijk een voorbeeldig personage van een script, dat volgens de regels is geschreven: zijn karakter maakt een hele ontwikkeling door. Hoe, dat zullen we zo dadelijk zien.
In het merendeel van de midrasjiem wordt Bilam als de verpersoonlijking van het kwaad gezien, een iesj rasja , het volstrekte tegendeel van Avraham avinoe.  Gaan we het commentaar (vooral gebaseerd op de midrasj Tanchoema) van de middeleeuwse commentator Rasji lezen, dan is Bilam vanaf het begin bezield van boze plannen, hij is een doorgewinterde slechterik en wat hij ook doet of zegt wordt in de commentaren uitgelegd als getuigend van zijn perverse intenties. Hij is een man die van diepe haat naar Israel is vervuld. Maar tegelijk is hij in de macht van De Eeuwige die Bilams mond als een buikspreker bespeelt, iets dat de beroemde sjamaan maar het liefst wil negeren, hopend op een moment, dat hij even aan deze macht ontsnappend zijn vervloekingen toch kan uitspreken. ‘Want Bil'am haatte hen (de Israëlieten) meer dan Balak', zegt Rasji ad vers 11, hfst 22.

Maar dan verliezen we uit het oog, dat Bilam toch een van de weinigen is geweest, tot wie God rechtsreeks gesproken heeft: Zie Bam/Num 22
: 9-11. Bilam kwam uit het land van Aram, dat ook het land was, waar Avraham en zijn familie had gewoond. Daar was de verering van de ene godheid niet onbekend. Ook tot Lavan, de neef van Avraham had Hij gesprokene en ook Job (Ijov), die de ene godheid diende, woonde in het oosten (Job 1:3) dwz Aram. (1)
Ook in Bilam was een weten omtrent wat goed was en een besef, dat hij hiervoor moest staan ondanks de aantrekkingskracht van de makkelijke weg van leugen en materieel gewin. Als de magiër voor de tweede keer bezoek krijgt, nu van de meest vooraanstaande gezanten, zegt Bilam (22:18): ‘Al zou ? Balak ? mij zijn ? huis ? vol zilver en goud geven, ik ben niet in staat het bevel van de Eeuwige, mijn God, te overtreden om iets te doen, klein of groot'.

Dat is toch een sterke stellingname tegen de verleiding van de belofte van eer en geld, die vele stervelingen onder ons niet zouden kunnen opbrengen.
Toch gaat Bilam met de gezanten mee op weg naar koning Balak. Daarmee levert hij zich uit aan het grimmige innerlijke proces van twijfel en wankelmoedigheid, stelt hij zich bloot aan de zuigende werking van lagere motieven, die hem toch op reis lieten gaan. Dat wordt in dit verhaal verbeeld in de tragikomische scenes van Bilam en zijn ezel; het dier ziet het gevaar wel en zijn meester niet. (2) Op het moment, dat Bilams ogen worden geopend en hij de engel met het zwaard ziet, dat hem de weg verspert, lijkt hij ommekeer te willen doen, hij wil letterlijk omkeren en weer naar huis gaan. Maar de engel geeft toch toestemming om verder te gaan. In termen van dit verhaalt: de Ene spiegelt als het ware de wankelingen van het innerlijk van Bilam. En zo komt Bilam aan bij Balak en volgen de drie pogingen van Bilam om zijn opdrachtgever tevreden te stellen door vervloekingen voor Israël te genereren. Die liepen uit op zegeningen in plaats van vervloekingen, zegeningen en voorspellingen gesteld in barokke poëtische beelden, die o.a. de klassieke tekst ‘Hoe goed zijn uw ? tenten, ? Jakob! uw woningen, Israël!' heeft opgeleverd, waarmee sinds mensenheugenis het avondgebed begint. Eigenlijk kon de magiër-profeet al weten, dat Israël al gezegend was, en geen zegeningen van hem nodig had, want was hem niet al in het begin van dit verhaal geopenbaard (22:12), dat ‘u dat volk niet (mag) ? vervloeken, want het is gezegend'.

In het uitspreken van de zegeningen heeft Bilam tot nu toe de verleiding weerstaan om de door de Balak gewenste taal te spreken. Wel heeft hij gehoopt, dat zijn diepste weten van de waarheid even zou wijken en hem zou toestaan zijn opdrachtgever tevreden te stellen om zo de eer en het geld op te strijken. Hij heeft er zelfs zijn uiterste best voor gedaan in drie door Balak georganiseerde omslachtige en kostbare rituelen. Toch hield zijn integriteit stand tegen de begeerte. Hij schrok zelfs – in zijn vierde reeks orakelspreuken – er niet voor terug de koning van Moav en ook andere volken een uiterst sombere toekomst te voorspellen, die hij aanheft met de woorden (24:15):
Bileam, de zoon van Beor, spreekt,
de man van wie de ogen geopend zijn, spreekt,
16 hij die de woorden van God hoort, spreekt
en die de kennis van de Allerhoogste weet;
die het ? visioen ? van de Almachtige ziet,(…).

Je zou nu kunnen constateren, dat Bilam zich na deze spirituele ervaringen voldaan zou voelen over de enorme overwinning die hij had behaald op de wereldse verleidingen; over dat hij trouw is gebleven aan de ene godheid, die hem dit ware zicht op de toekomst had gegeven. Voortaan zou hij als vroom man door het leven gaan, zou je denken. Het goede heeft overwonnen. Maar kennelijk heeft Bilam dit niet zo ervaren. Het script heeft een onverwachte ontknoping. Hij moet zijn trouw aan de innerlijke stem, die hem de waarheid in de mond legde, uiteindelijk als falen ervaren. (3)
Want we zien hem in de volgende parasja als adviseur van de Moabieten en Midjanieten terugkeren, nu niet met orakels maar als aanstichter van het kwade plan om de Israëlitische mannen te verleiden tot omgang met de meisjes van Moav en Midjan, een catastrofe waarover de volgende parasja Pinchas verhaalt (31:16). In die zin is Bilam een tragische figuur. Een mens, waarin zich (wat kort door de bocht) de worsteling tussen goede en kwade neigingen afspeelt - een voor ons allen herkenbaar menselijk proces – maar die na een aanvankelijk geslaagd standhouden toch een morele nederlaag lijdt.


juli 2019

Noten
(1) zie S.R.Hirsch ad 22:5 en 9.
(2) Een interessante uitleg omtrent de ezel geeft Simon Jacobson; de ezel (chamor) staat voor de (taal) van ons lichaam: https://www.meaningfullife.com/balak-talking-donkey/?utm_source=Meaningful+Life+Center&utm_campaign=2240bbb239-WN%24The+Talking+Donkey&utm_medium=email&utm_term=0_0bcb4308af-2240bbb239-82286125
(3) Deze omslag in karakter ziet ook in Maimonides, die Bilam rekent als profeet, die ten kwade afglijdt (Guide to the Perplexed p. 242) Ook in de Talmoed is druk gediscussieerd over Bil'am. In de lijn van Maimonids zei R. Yochanan over Bilam: 'in het begin een profeet, later een tovenaar' (Sanhedrin 106a).

Parasjat Korach      Bamidbar/Numeri 16:1–18:32 

Twee soorten leiderschap

Deze parasja behandelt de misschien wel ernstigste crisis onder de Israëlieten over Mosjee's leiderschap tot nu toe. De leviet Korach, en de Rubenieten Datan, Aviram en On stellen zich tijdens een ‘spreekuur' van Mosjee tegenover hem op, ieder met zijn eigen klacht. We gaan vooral in op Korach.
Korach en de zijnen beginnen – volgens de midrasj (1) – eerst een nogal hypocriet aandoende halachisch steekspel; als je je talliet helemaal blauw ( techelet ) verft, heb je dan nog tsietsiet - de gedenkkwasten met de blauwe draad, die overigens tegenwoordig wit is - nodig? En als je je huis vol Torarollen ( sfariem Tora ) met honderden verzen hebt, heb je dan nog wel een mezoeza - het deurpostkokertje met het korte Toratekstje van twee verzen erin - nodig? Mosjee antwoordt dat in beide gevallen de regel blijft gelden. De mannen spotten met deze opvatting van Mosjee, die al die regels wel zelf verzonnen zal hebben. Ze matigen zich dezelfde autoriteit als Mosjee aan, zeker als ze komen met hun hoofdbeschuldiging (16:3): ‘ U matigt u te veel aan. Alle leden van de gemeenschap zijn heilig (ki kol ha-eda koelam kedosjiem), en de Eeuwige is in hun midden. Waarom voelt u – Mosjee - zich dan boven de gemeenschap van de Eeuwige verheven?' 

In feite gaat achter deze klacht iets heel anders schuil: Korach is niet tevreden met zijn positie als leviet (tabernakeldienaar), achter zijn beschuldiging gaat een andere agenda schuil: hij is uit op het (hoge)priesterschap. Mosjee voelt dat haarfijn aan en gaat rechtstreeks op die achterliggende ambitie in, als hij antwoordt (16:10): ‘Is het u niet genoeg dat hij u en uw stamgenoten, de ? Lev ie ten, in zijn nabijheid heeft toegelaten? Eist u nu ook nog het priesterschap op?' 

Korach vertegenwoordigt het leiderschap zoals dat in de wereld al te vaak voorkomt. Mensen als Korach worden gedreven door agressieve ambitie en nauwverholen eigenbelang. De heiligheid waar Korach zich op beroept is een façade, waarachter materiële belangen van macht, status en prestige schuilgaan. Korach vertegenwoordigt wat in veel in een aantal psychologische theorieën de narcistische persoonlijkheid wordt genoemd. Hij acteert voor zichzelf,  le-atsmo . Soms komt het mij voor of leiderschap à la Korach het gangbare leiderschap is geworden. 
Het leiderschap van Mosjee is van heel andere aard. Hij ambieerde het leiderschap helemaal niet en vond zichzelf niet geschikt, zo hebben we kunnen lezen in Sjemot/Exodus (3,11;4,11 en 13). Mosjee was ‘ een zeer bescheiden man – niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij' lezen we in Bamidbar/Numeri 12:3. Mosjee's leiderschap is juist ontdaan van ieder eigenbelang. Het houdt zich niet bezig met macht, materieel eigenbelang, status, prestige. Hij is van dat alles als het ware ontledigt om de ruimte te hebben waarin gehoord kan worden wat de situatie werkelijk vraagt en om te doen wat werkelijk nodig is om gedaan te worden; hij acteert  lesjem sjamajiem . Het gezag van Mosjee was wellicht niet eens zozeer gebaseerd op zijn persoonlijkheid of zijn charisma, maar op een daarbovenuit gaand gezag van een universele herkenbaarheid voor ieder die hem ontmoette. 
Dit soort leiderschap komen we eigenlijk nauwelijks meer tegen. Toch zijn we daar wel gevoelig voor, voor dit soort volstrekt belangeloze en bescheiden leiderschap en herkennen we iets van aanwezigheid daarvan in sommige leiders; en we laten het graag aan de lezer daarbij namen in gedachten te nemen. In de verwarrende wereld van nu, waar de ontwikkelingen zo snel gaan in vaak onrustbarende richting hebben we dit soort leiderschap hard nodig. 

In de wereld van deze parasja vraagt Mosjee om een godsoordeel – de enige keer dat hij dat heeft gedaan – en hij krijgt de bevestiging, waarom hij had gevraagd (16:16 ev, de test met de vuurpannen en het reukwerk). Met aanhangers van de beweging van Korach worden korte metten gemaakt. Ze storten met vrouw en kind in de afgrond of worden met vuur verteerd, tot ontsteltenis van de rest van het toekijkende volk. 
Wel erg rücksichtsloze maatregelen volgens de maatstaven van onze (westerse) wereld, waarin we ons best doen een rechtstaat te zijn en als het enigszins kan extremisten voor het gerecht te brengen en een mate van pluraliteit van andersgelovigen en andersdenkenden trachten te handhaven. 
Ook toen al wekte dit gewelddadige ingrijpen groot protest bij het volk, dat bij de tent van Mosjee en Aharon te hoop loopt. Een meer vreedzame oplossing werkt uiteindelijk veel beter om een eind aan het conflict te maken: alle 12 staven van de stamhoofden van Israel worden ter goddelijke beoordeling gelegd in de tabernakel. Van deze gaat alleen de staf van Aharon van de stam Levi bloeien als de tak van een amandelboom (17:16 ev), hetgeen uitwijst, dat Mosjee en Aharon terecht het leiderschap toekomt.

Noten

(1) Midrasj Tanchoema Korach Siman 2

Parasjat Sjelach Lecha   Bemidbar/Numeri 13:1-15:41 

Visies op de verkenners

De parasja ( Bamidbar 13:17-21) begint met de opdracht van Mosjee aan een delegatie van twaalf belangrijke stamleiders, waaronder Jehosjoea en Kalev, om het land Kena'an te verkennen: ‘rapporteer hoeveel mensen er wonen, zijn ze sterk of zwak, is het land goed of slecht, wonen de mensen in open dorpen of in versterkte steden, is de grond vet of arm, zijn er bomen, neem wat vruchten van het land mee. Wees moedig' . Een duidelijk omschreven instructie. Het gezantschap vertrekt en reist van zuid tot noord veertig dagen lang het land rond, aan welks grens de Israëlieten na twee jaar in de woestijn zijn aangekomen. 
Teruggekomen brengen ze verslag uit: ‘ Wij zijn in dat land gekomen waarheen u ons gestuurd hebt, en werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en dit is zijn vrucht. 28 Het volk echter ( èfès ki) dat in dat land woont, is sterk, de steden zijn versterkt  en heel groot, en ook hebben wij daar nakomelingen van Enak gezien. 29 In het Zuiderland woont ? Amalek , in het bergland  wonen  de ? Hethieten , de Jebusieten en de Amorieten, aan de zee en aan de oever van de ? Jordaan ? wonen de Kanaänieten.'
Maar in het schijnbaar objectieve verslag is toch een adder onder het gras verborgen. Dat zit hem in het woordje  èfès-ki  , dat in vers 13:28 ‘echter' betekent: ‘Het volk  echter  … is sterk etc'. Dat zet een sombere ondertoon in. De omstanders voelen dit haarfijn aan en raken in paniek..
Kalev en Jehosjoea trachtten het volk tot bedaren te brengen en een positieve toon te zetten, maar de overige tien mannen van de delegatie (11:32 ev) ‘ lieten een kwaad gerucht uitgaan bij de Israëlieten over het land dat zij verkend hadden, door te zeggen: Het land waar wij doorgetrokken zijn om het te verkennen, is een land dat zijn inwoners verslindt, en heel het volk dat wij in het midden daarvan gezien hebben,  bestaat uit  mannen van grote lengte. 33 Wij hebben er ook reuzen gezien, nakomelingen van Enak,  afkomstig  van de reuzen. Wij waren in onze  eigen  ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen .'
De positie van Mosjee en Aharon wankelde. Het volk wilde terug naar Egypte, ondanks de aanmaningen van de minderheid van de verkennersgroep, Kalev en Joshoea, die het niet zo somber inzagen. 
De Eeuwige ziet deze angstige en ontmoedigende berichten van de tien verkenners als een gebrek aan geloof en vertrouwen. Het gejammer van het door deze rampberichten gedemoraliseerde volk vat Hij op als verzet, dit bij monde van Mosjee, die Hem nog net weet af te houden van vernietiging van de Israëlieten, zoals de leider dat al eerder bij het gouden kalf tegenover de Eeuwige heeft gepleit voor zijn volk. Wat volgt is de dood van de tien pessimistische verkenners. Mosjee vertolkt het goddelijke vonnis, dat de Israëlieten nog veertig jaren verder zullen moeten dolen in de woestijn, alvorens het beloofde land te zullen betreden. 

Deze episoden hebben veel uiteenlopende uitleggingen gekregen. De mainstreamopvatting is: De verkenners hadden geen enkel vertrouwen en in hun verslag lieten ze zich leiden door angst voor de ander (behalve Kalev en Jehosjoea) . De tien verkenners waren bang . Angst maakt alles buiten ons groter en binnen ons kleiner. In feite zagen ze niet, dat juist de Kena'anieten bang waren, wat later blijkt uit Jehosjoea 2: 9: ‘ Rachav zei tegen die mannen: Ik weet dat de Eeuwige u dit land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land weggesmolten zijn  van angst  voor u.' Wie zelf bang is ziet niet dat de ander even bang is. Hij ziet alleen de negatieve kanten en niet meer de positieve kanten. De tegenstanders worden reusachtig gemaakt. Wie zich onmachtig of waardeloos voelt ziet dat ook in de ogen van de ander (): Wij waren in onze  eigen  ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen . Angst is besmettelijk en fake news gaat als een vuurtje rond. In de rest van de parasja zien we de dramatische gevolgen als de massa hierdoor wordt aangestoken.

Een heel andere opvatting heeft R. Isaiah Horowitz (de Shelah, 1565-1630) (1). De verkenners zelf waren door en door verdorven. Zij wilden dat Israël in de woestijn bleef. Daarom verzonnen ze verhalen om een uitstel te bewerkstelligen. (…) De Shelah vond in de Zohar het volgende commentaar: “Waarom rapporteerden ze zoals ze deden? Ze zeiden, zolang Israel in de woestijn blijft behouden we onze positie. Zodra we het heilig land betreden worden we vervangen door andere leiders." Op dat punt dachten ze er nog niet aan om leugens te vertellen over het land, ze hoopten alleen dat ze zodanige toestanden zouden aantreffen, dat een verovering niet haalbaar zou zijn. Maar we weten, dat de ene misstap de volgende met zich meebrengt en zo liepen de verkenners in de val van hun persoonlijke ambities. Zo kwamen ze tot de leugens die ze vertelden. Talmoed Sota 35a:  Rabbi Jochanan zei in de naam van Rabbi Meïr: iedere leugen die in het begin niet een beetje waarheid bevat kan op den duur niet stand houden. Iedere kwaadspraak bevat een korreltje waarheid.

R. Yehuda Leib Alter, de Sefat Emet (1847-1905) ziet het probleem in dezelfde sfeer, maar toch wat anders:
We moeten de missie van de verkenners goed begrijpen, zegt hij. In feite vinden we bij de Oude Wijzen en in de Zohar verscheidene redenen, dat de verkenners zeiden wat ze zeiden met het welzijn van de natie voor ogen. En omdat ze gekozen waren als vertegenwoordigers van het volk moeten ze hun wil ondergeschikt hebben gemaakt aan het publieke belang. (…). Ze zagen het betreden van het land van Israel als een afdaling naar een lagere spirituele status. En ze wilden niet van hun hoge niveau afvallen. De woestijngeneratie had openbaringen van de glorie van de Eeuwige meegemaakt. En voor wie eenmaal op een verheven plaats is geweest is het hard om naar beneden te vallen, zoals het moeilijk is om de ziel naar beneden te brengen. Maar toch hadden zij (de verkenners) zichzelf moeten wegcijferen om de wil van de Schepper te doen.
R. Jonathan Sacks geeft een moderne versie: De verkenners waren niet bang voor nederlagen tegen de bewoners van Kena'an, ze waren juist bang voor succes! Ze waren bang daarmee hun unieke relatie met de Eeuwige te verliezen, als ze zouden moeten gaan vechten, moeten gaan zaaien en ploegen en zich zouden moeten begeven in de situatie van een gevestigde samenleving met al zijn verleidingen en afleidingen. Ze hadden geen zin om een natie te worden als alle andere naties met alle ingewikkeldheden van dien. Zo hadden ze veel weg van een kind dat de veiligheid van zijn ouderlijk huis nog niet wil verlaten. Er was sprake – in de redenering van de Sefat Emet – van een soort spiritueel misverstand. Ze zagen niet in, dat de relatie met de Eeuwige ook de opdracht impliceerde om de mensenwereld te betreden. Uiteindelijk gaat het erom een leven te leiden midden in deze aardse wereld en daar het werk op te vatten om iets te waar te maken van de principes van compassie en rechtvaardigheid, waarvoor de Tora de basis heeft gelegd. In die werkzaamheid is de Eeuwige ook present.

In alle uitleggingen licht wel een facet van de menselijke werkelijkheid op.

noten

(1) In zijn Tora-commentaar Sney luchot haBrit, mijn parafrase uit de Engelse vertaling op Sefaria.org

(2) Uit: https://eng.beithillel.org.il/parshat-shelach-understanding-sin-of-the-spies/

( 3) http://rabbisacks.org/covenant-conversation-5772-shelach-lecha-the-fear-of-freedom/
Nog eens behandeld in: http://rabbisacks.org/fear-of-freedom-shelach-lecha-5779/

Parasjat Beha'alotcha    Bemidbar / Numeri 8:1-12:15

Twee bijzondere profeten  

In deze parasja, waarin heel veel gebeurt (1), focussen we op één incident.
Niet lang nadat het volk na twee jaar bij de berg Sinaj is opgebroken en de imposante karavaan van zeshonderdduizend zielen verder de woestijn is ingetrokken bereikt gemopper en gejammer de oren van Mosjee; de eentonigheid van het manna wordt de mensen te veel en met veel misbaar uiten ze hun verlangen naar vlees, vis, augurken, watermeloenen, prei en uien (2). Dat wekt de boosheid van De Eeuwige op. Mosjee belandt in een van de grote crises in zijn leidersopdracht. Hij staat op het punt het bijltje erbij neer te gooien. De Eeuwige negeert de tot Hem gerichte luide klacht (11:11)) van de radeloze leidsman en komt met een oplossing. Mosjee moet zeventig vooraanstaande mannen (oudsten) uit het volk kiezen en voor de tabernakel verzamelen; dan zal Zijn geest neerdalen, niet alleen op Mosjee zelf, maar ook op de zeventig oudsten, zodat deze een steun voor de leider kunnen worden.

Aldus gebeurt. Mosjee houdt een vlammende en begeesterende toespraak en ‘zodra de geest op hen (de oudsten) rustte begonnen ze te profeteren'. Dat was een eenmalig gebeuren, de profetische spirit bleef niet duren (11:25 ev). Twee mannen in het kamp, E ldad en M e dad, begonnen ook te profeteren, hoewel ze niet bij de zeventig oudsten – wel het eerste Sanhedrin (religieus hooggerechtshof) genoemd - waren. Ze stonden wel op de lijst van uitverkorenen, maar waren niet naar de bijeenkomst gegaan en in het kamp gebleven. Waarom waren ze dan niet gegaan en waarom waren de twee desalniettemin met de gave van profetie bedeeld? De midrasj legt het als volgt uit (3): oorspronkelijk waren uit iedere stam 6 oudsten gekozen, dat maakt 72. Maar de Eeuwige had 70 verordonneerd. Eldad en Medad achtten zichzelf niet waardig en boden aan om niet mee te gaan naar deze belangrijke bijeenkomst. Ze offerden deze eer op om zo van de tweeënzeventig tot de vereiste zeventig te geraken. Vandaar dat ze alsnog om hun nederigheid beloond werden met een profetische gave. Omdat van de oudsten wordt gezegd, dat de profetische gave ophield, maar bij Eldad en Medad daarover niet wordt gerept, nemen de verklaarders aan, dat hun gave voortduurde tot hun dood. Jehosjoea (Jozua) vond dit ‘ongeautoriseerde' profeteren in het kamp maar niks en maande Mosjee om dit Eldad en Medad te verbieden. Maar Mosjee juichte het juist toe: hij antwoordde Jehosjoea (HSV 11:29): ‘Zet u zich voor mij in? Och, waren allen van het volk van de Eeuwige maar  ? profeten, dat de Eeuwige Zijn Geest over hen gaf!'.

Samson Raphael Hirst (19 e eeuw) (4) wijst op een onvermoede maar ingrijpende betekenis rond de uitspraak van Mosjee, dat Eldad en Medad evengoed recht hadden op hun gave en een voorbeeld waren voor de anderen. Daarmee legt Mosjee volgens de geleerde grondlegger van de moderne orthodoxie voor alle tijden vast, dat er geen monopolie bestaat op geestelijke en spirituele gaven, dat die niet afhangen van maatschappelijke positie of beroep en dat de laagste in rangorde evenveel recht heeft op Gods gaven als de allerhoogste in rang. ‘Met zijn uitspraak “zet u zich voor mij in?” – ha-mekanè ata li? – heeft Mosjee de scheidingsmuur doorbroken tussen de “intellectuelen” en de “lagere klassen”, tussen de geestelijkheid en het lekendom, voor altijd in Israel', aldus Hirsch. Daar mogen we het mee doen.

Het zal niet verrassen, dat de geleerden zich hebben afgevraagd: wat profeteerden die Eldad en Medad dan precies? De wijzen uit de Talmoed hadden ieder een eigen mening daarover. (5): ‘Rabbi Sjimon zei: Mosjee zal sterven en Jehosjoea zal Israel in het land brengen. Abba Chanin zei op gezag van Rabbi Eliezer: het ging om de kwartels, ze zeiden: ‘stijg op, kwartels, stijg op!' Rabbi Nachman zei: hun profetie ging over Gog en Magog. Gog in het land van Magog is de oppervorst, die volgens het in schrille en barokke beelden geschetste visioen van de profeet Jechezkel (Ezechiël) aan het eind der tijden Israël massaal zal aanvallen en door de Eeuwige vernietigend zal worden verslagen. (6)

Hirsch typeert de onheilspellende figuur van Gog als de extreme vorm van dictatuur die de eindtijd zal kenmerken, een eenhoofdig gezag, waarin alle macht is verenigd. Is deze absolute onderdrukker eenmaal verslagen, dan zal het tegenovergestelde principe van de democratie zegevieren (in het visioen van Jechezkel vertegenwoordigd in de stad Hamona , ‘menigte' (7)). Een mooie gedachte, aldus Hirsch, dat Eldad en Medad, de bescheiden en nederige mannen die de officiële posities van macht afwezen, juist de voorspellers zouden zijn geweest van een ideale democratische verre toekomst, waar het centrum van welzijn niet zou berusten in een tent van de samenkomst (tabernakel) of in een legerkamp, niet in een absolute heerschappij à la Gog, maar bij de mensen zelf, bij de massa, de menigte, hamon.

Noten

(1) In mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , heb ik in drie commentaren andere aspecten van de parasja Beha'alotcha behandeld.
(2) In het commentaar van Nechama Leibowitz – Studies in Bamidbar, p.94 ev – wordt ingegaan op dat verlangen naar vlees, vis, augurken etc. en beschrijft ze de bijna Freudiaanse opvatting, dat het hier voedselbeelden betreft, die een verlangen van de nu door de Tora gebonden Israëlieten dekken naar de seksuele losbandigheid, die onverantwoordelijke slaven in Egypte zich konden veroorloven.
Zie ook een heel andere meer kabbalistische uitleg van Rabbi Simon Jacobson
(3) Sifrei Bamidbar 95:2, Rabbeinu Bahya ad Bamidbar 11:25:2
(4) Samson Raphael Hirsch, The Pentateuch, vol IV, Numbers, ad 11:29, p. 184 ev
(5) Talmoed Sanhedrin 17a
(6) Hoe komt Rabbi Nachman daarbij? R. Nachman haalt als ‘bewijs' voor zijn stelling over de profetie van Eldad en Medad een passage uit de profeet Jechezkel aan (Jechezkel 38:17): “Dit zegt God, de Eeuwige: Ben jij de man (Gog) van wie ik in het verleden, vele jaren ( sjaniem ), bij monde van de ? profeten ? van   I sraël, mijn dienaren, gezegd heb dat ik hem (Gog)zou sturen om de Israël ie ten aan te vallen?” Maar waar zit dat bewijs dan? Dan zegt de talmoedgeleerde via een wat geforceerd talmoedische speling met de Hebreeuwse woorden: ‘je moet niet lezen sjaniem - ‘jaren' - , maar sjnajiem – ‘twee' – ‘. Welke twee profeten waren dat? Natuurlijk Eldad en Medad!.
(7) Jechezkel 39:16: En Hamona is ook de naam van een stad. Zo zullen zij het land ? reinigen.

Parasjat Naso   Bamidbar/Numeri 4:21–7:89 

Een bonte reeks bepalingen

De parasja Naso vervolgt de uitgebreide beschrijving van de taken van de drie huizen van de Levieten bij het vervoer van de tabernakel. De vorige parasja Bamidbar besloot met de taak van de levitische groep van Kehatieten te beschrijven. Zij moesten met grote omzichtigheid het allerheiligste van de tabernakel inpakken en vervoeren. De voorliggende parasja gaat verder met de taak van de Gersjonieten. Zij moesten de dekkleden, tapijten, tentdoeken en touwen transporteren. De Merarieten tenslotte waren verantwoordelijk voor het dragen van de planken van de ? tabernakel, de dwarsbalken, de palen en voetstukken, en de palen van de omheining, met de pinnen en de touwen en wat er verder bij hoort. 8580 levitische mannen tussen de twintig en de vijftig jaar waren bij het transport betrokken, met ieder een eigen taak, dit alles onder scherp toezicht van Mosjee, Aharon en zijn zonen Elazar en Itamar.

De parasja vervolgt met een aantal bepalingen, die er wat willekeurig tussendoor lijken gemixed. Ze hebben allen wel iets te maken met reinheid of zuivering. Zo wordt verordend (5:1 ev) om lepralijders of wie ? onrein ? vocht verliest en iedereen die ? onrein ? is door contact met een lijk het kamp uit te sturen, kennelijk omdat hun aanwezigheid in het kamp niet verenigbaar is met de heiligheid van de goddelijke inwoning. Wie een rabbijnse discussie hierover wil raadplegen verwijs ik naar het Talmoed traktaat Pesachiem 67a.

Dan volgt een bepaling (5:5 ev), die door de commentatoren wordt uitgelegd als betreffende vergoeding van schade veroorzaakt door iemand die een ander van geld of goed heeft beroofd; als hij zijn misstap bekent moet hij die mondeling belijden en het geld of de waarde van het goed plus 1/5 ervan terugbetalen. Het valt op, dat hier mannen en vrouwen gelijkelijk worden genoemd.

De volgende bepalingen hebben ook betrekking op zowel man als vrouw, maar zij dienen om aan een jaloerse of achterdochtige echtgenoot tegemoet te komen. Het betreft het ons tegenwoordig barbaars aandoende ritueel ingeval een man zijn vrouw van overspel op een verborgen plek verdenkt en zij ontkent. Of dat terecht is of onterecht moet worden uitgemaakt bij de priester in een soort ‘waterproef' gecombineerd met een ‘jaloezie-( mincha )offer' van gerstemeel, hetgeen benadrukt dat het een godsoordeel betreft. Het water met stof van de tempelvloer gemengd – het bitter water – wordt door de priester in de verdachte vrouw ingebracht en gaat gepaard met een sacrale formule. Zwelt de buik van de vrouw dan na een tijdje niet op en vallen haar heupen niet in – dwz wordt ze niet ziek en onvruchtbaar – dan is ze kennelijk onschuldig aan het overspel. We moeten wel bedenken, dat de praktische uitvoering hiervan niet vaak zal hebben plaatsgevonden onder invloed van de condities die aan het ritueel werden gesteld. De Rabbijnen bepaalden, dat de vrouw eerst gewaarschuwd had moeten zijn door de man, die al door haar buitensporig gedrag was gealarmeerd. Bovendien moest die waarschuwing door twee getuigen bevestigd zijn. Was werkelijk overspel daarna (bij uitzondering) door één getuige ondanks de verborgenheid geconstateerd dan was ontbinding van het huwelijk al mogelijk en was geen waterproef vereist. Bleef er echter twijfel, dan kon de waterproef plaatsvinden, echter alleen als beide partijen ermee instemden. Dan moest het proces plaatsvinden voor de hoogste rechter, in Jeruzalem dus. Uit Bamidbar 5:31 valt af te leiden, dat de man alleen de waterproef mocht eisen, als hij zelf van onbesproken gedrag was en niet van zijn kant seksueel over de schreef was gegaan. (1) In het Talmoed traktaat Sota wordt geconstateerd, dat er zoveel overspelplegers waren, dat Jochanan ben Zakkai (eerste eeuw) de waterproof maar heeft afgeschaft (2), zoals dat wel vaker bij barbaarse bepalingen is gebeurd.
Overigens kon de man al zonder waterproef bij buitensporig of verdacht gedrag van zijn vrouw het huwelijk ontbinden. Bij geconstateerd overspel van de vrouw was het zelfs verplicht. De zeer losse mogelijkheid voor echtscheiding, die de Tora (Devariem 24:1 (3)) en de Talmoedgeleerden (4) met name aan de man bieden zijn in de volgende eeuwen ingeperkt door exacte regels omtrent de scheidbrief ( get ) en verfijnende omschrijving van echtscheidingsgronden en ook kwam er een formulering van de mogelijkheden die ook de vrouw heeft om scheiding aan te vragen en de verplichting van de man die in een aantal gevallen ook toe te staan. Niettemin klinken in de orthodoxe regels omtrent de scheiding nog duidelijk de patriarchale grondtoon van de Tora door.(5)
In de orthodoxe wereld, met name in Israël, betalen vooral de agoenot (‘geketenden') een hoge prijs; wanneer de man onwillig is een scheidingsbrief te geven blijven de vrouwen geketend aan het huwelijk en kunnen niet hertrouwen. In de diaspora is het Joodse religieuze huwelijk – tenminste in reform kringen – vaak de bekroning van het burgerlijk huwelijk, soms pas jaren later. Daar hebben de regels van het burgerlijk familierecht prioriteit.

We hebben in ons commentaar het accent laten vallen op het begin van de parasja. Maar er staat nog veel meer in. Paragraaf 6 beval de voorschriften over de nazireeër ( nazir ). De nazireeër doet de gelofte geen alcohol of welk druivenproduct ook tot zich te nemen; ook zal hij zijn hoofdhaar niet afscheren en niet in de nabijheid van een dode komen. Ze wijden zich (hun leven of een deel ervan) aan God. Uitgebreider ben ik hierop elders ingegaan. (6)
Opeens treffen we dan de schone woorden van de priesterzegen aan (6:22 ev): “De Eeuwige zei tegen ? M o zes: ‘Zeg tegen ? A ä ron ? en zijn zonen dat zij de Israël ie ten met deze woorden moeten ? zegenen “Moge de Eeuwige u ? zegenen ? en u beschermen, moge de Eeuwige het licht van zijn gelaat over u doen schijnen en u ? genadig ? zijn, moge de Eeuwige u zijn gelaat toewenden en u ? vrede ? geven.” Ook hierover elders meer. (7)
Tenslotte volgen vele lange bladzijde met de opsomming van de offers van de leiders bij de inwijding van de tabernakel, het is een bonte stoet van offerdieren en blinkende zilveren en gouden voorwerpen die iedere stam aanbiedt. Het vertrek van de Sinaj is nabij. In de parasja Beha'alotecha zal de wolk van de Eeuwige zich verheffen van de tabernakel en zullen de zilveren trompetten schallen als signaal voor het vertrek. 

Noten
(1) Zie het commentaar op deze passages 5:13 ev van Samson Raphael Hirsch: The Pentateuch, Vol IV, Numbers, Judaica Press, 1973. P. 61 ev

(2) Misjna Sota 9:9 met een beroep op Hosjea 4:14

(3) Dev. 24 : 1: Het volgende kan zich voordoen: Iemand heeft een vrouw getrouwd, maar om een of andere reden is hij ontevreden over haar. Hij schrijft een ? scheidingsbrief, die hij bij haar vertrek aan haar meegeeft.

(4) Misjna Gittin 9:!0 Bet Shammai says: a man should not divorce his wife unless he has found her guilty of some unseemly conduct, as it says, “Because he has found some unseemly thing in her.” Bet Hillel says [that he may divorce her] even if she has merely burnt his dish, since it says, “Because he has found some unseemly thing in her.” Rabbi Akiva says, [he may divorce her] even if he finds another woman more beautiful than she is, as it says, “it cometh to pass, if she find no favour in his eyes. (sic!)

(5) Een heel gedetailleerde weergave van de halacha in dezen geeft mr. JC Al,
te vinden op
http://www.henkrijstenberg.com/wp-content/uploads/2017/01/JODENDOM-JOODS-HUWELIJKS-EN-E(CHTSCHEIDINGSRECHT.pdf

(6) Op mijn website http://www.robcassuto.com/parasjot2.html#naso

(7) In mijn boek Reizen door de Tora, deel 2, p. 100 ev


parasjat Bamidbar   Bamidbar/Numeri 1:1-4:20  

Geteld worden

Het bijbelboek Bamidbar ‘in de woestijn' - in de latijnse benaming Numeri - begint met de gelijknamige parasja Bamidbar. Die latijnse benaming Numeri – ‘getallen' - wordt meteen duidelijk: het boek begint met het gebod aan Mosjé een volkstelling uit te voeren. 
Hoe die volkstelling moet plaats vinden wordt uitgebreid beschreven. Ieder stamhoofd of vorst, bij name genoemd, moet de leden van zijn stam tellen, hij geeft dan door aan Mosjé hoeveel mannen van boven de twintig er in zijn stam zijn.
De middeleeuwse bijbelcommentator Rasji ziet deze telling als een uiting van de liefde voor de Eeuwige voor het volk Israëls. Tellen als een uiting van liefde is wel een heel antropmorf beeld van de divine genegenheid. Het doet mij een beetje denken aan toen ik als jongen trots mijn verzameling kleurige stuiters telde. Letterlijk staat er in in Bemibar 1:2 niet: ‘tel de mannen van de gemeenschap', maar ‘hef het hoofd (het totaal aantal) van heel de gemeenschap' – se'oe et-rosj kol edat benee Jisrael' - . Een rabbijnse uitleg behelst, dat het hier niet om een anoniem inventariseren van een massa gaat, maar dat vooral de uniciteit van ieder individu en zijn onmisbaarheid wordt benadrukt. De Isbitzer rebbe (19e eeuw) drukt dit zo uit: ‘Dit is de betekenis van “het aantal van de kinderen Israëls”: dat ieder absoluut nodig is. De grootheid van de Ene, gezegend zij Hij, wordt gezien in de hele gemeenschap van Israël en als er ook maar één lid van die gemeenschap mist dan mankeert er iets aan de compositie. Het is alsof het beeld van de koning is samengesteld uit een mozaïek van vele deeltjes en als er ook maar één deeltje zou ontbreken, dan klopt het beeld van de koning niet”. (1) Het wordt nog verder geaccentueerd door de woorden ‘Tel hen hoofdelijk en schrijf hen met naam en toenaam in, geordend naar geslacht en familie'.

Wel tekenen we aan, dat het hier gaat om het tellen van de weerbare mannen boven de twintig. Het doel is mede het inventariseren vanuit een militair oogpunt. Vrouwen en kinderen blijven buiten spel, maar we mogen de spirituele betekenis van de uitleg van de Isbitzer rebbe met zijn mozaïek toch ook naar de vrouwen en kinderen van het volk van Israël, ja van iedere gemeenschap, extrapoleren.

Hoe voltrok zich, dat tellen? Behalve de registratie van de namen gebeurde dat door het inleveren van een halve sjekel per man. Aldus heeft de Tora dit in Sjemot 30:12 al voorgeschreven: ‘Als je onder de Israëlieten een telling houdt, moeten allen die geregistreerd worden de Eeuwige losgeld betalen voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt', ‘een halve ? sjekel ? , volgens het ? ijkgewicht van het ? heiligdom'.
Die halve sjekel had een praktisch nut, zoals Rasji opmerkt – door de sjekels te tellen kwam je tot het juiste aantal. Bovendien werden met die vele sjekaliem ook nuttige dingen gedaan: ‘voor de dienst in de ? ontmoetingstent' (…)'zodat de Eeuwige hen niet vergeet' (Sjemot 30:16). Sjemot38:25 veronderstelt, dat er al vóór de inwijding van de tabernakel (misjkan) een volkstelling is gehouden door inzameling van de halve sjekel: ‘Het zilver dat de geregistreerde Israëlieten hadden afgedragen, bedroeg honderd talent en zeventienhonderdvijfenzeventig ? sjekel, volgens het ? ijkgewicht van het ? heiligdom: 26 één beka per persoon, dat is een halve ? sjekel ? volgens het ? ijkgewicht van het ? heiligdom, van alle geregistreerde personen van twintig jaar en ouder, zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig man.' Met honderd talenten hiervan werden de voetstukken van de tabernakel gegoten. Een mooie symboliek, want iedere ziel – of hij nu huist in een rijke of een arme - is evenveel waard en juist die bijdragen vormen het fundament van het heiligdom en daarmee ook van de natie.

Wat opvalt is, dat de uitkomst van die telling - zeshonderddrieduizend vijfhonderdvijftig man – precies dezelfde uitkomst is van de telling in onze parasja Bamidbar, die plaats vond vlak voor het opbreken van de tabernakel voor de voortzetting van de reis, Bamidbar 1:46: 603.550 mannen van twintig jaar en ouder. Zou het toch gaan om dezelfde telling, die de redacteur van Bamidbar in de tijd heeft vooruitgeschoven?

Maar de betaling van die halve sjekel diende ook een ander doel, zoals we in Sjemot lezen. Het was ook ‘een losgeld voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt'. Door de telling kon je blootgesteld worden aan het ‘kwade oog' ( ajin hara )'- verklaart Rasji – ‘wat ziekte tot gevolg kon hebben. Misschien kan je het bijgeloof noemen, maar er zit toch een kiem in van begrijpelijke menselijke angst. We moeten ons voorstellen, dat het geteld worden is ervaren als opeens in de schijnwerper staan, zodat je als mens in al je tekortkoming zichtbaar werd voor de godheid; een zoengeld a priori zou preventief tegen eventuele kwade gevolgen werken. De angst om geteld te worden en zichtbaar te zijn voor de overheid of andere machthebbers is misschien een seculier-psychologisch residu van dit oude taboe. Waar de volkstelling natuurlijk praktische doeleinden heeft als inventarisatie van militaire weerbaarheid en efficiënte belastingheffing ligt de mogelijkheid van misbruik niet ver weg. Ook hebben we onze grenzen in hoeverre we willen dat ons leven publiek zichtbaar is en onze eigenaardigheden geregistreerd.
Ik herinner mij nog de heftige protestacties tegen de veertiende Algemene Volkstelling in 1971, waarbij de naweeën van de Tweede Wereldoorlog nog een rol speelden. Een interessant artikel in het Historisch Nieuwsblad (2) vermeldt, hoe ‘levensgevaarlijk' de journalist Martin Van Amerongen (in 1970) vooral de gegarandeerde, 'absolute waterdichtheid' vond van het systeem van gegevensverwerking, 'gezien onze recente ervaringen met de - dankzij het goed geoliede mechaniek van onze bevolkingsadministratie foutloos uitgevoerde - arbeidsinzet en de vakbekwame oplossing van het joodse vraagstuk'. De volkstelling werd een halve mislukking maar leidde wel op termijn tot de eerste privacywetgeving, die steeds overigens weer vraagt om aanpassing aan nieuwe technische ontwikkelingen, die bedrijven graag gebruiken om begerig te grijpen naar de data rond onze persoon.
Het maakt heel veel uit of je geteld en geregistreerd wordt door rechtvaardige en eerlijke bestuurders, door winstbeluste commerciële giganten of door de beul.

noten

(1) Living Waters, The Mei HaShiloach, a Commentary on the Torah by Rabbi Menachem Yosef of Isbitza, p. 268, mijn vertaling uit het Engels

(2) Maurice Blessing: Het verzet tegen de Volkstelling van 1971, Historisch Nieuwsblad 8/2005
https://www.historischnieuwsblad.nl/nl/artikel/6697/het-verzet-tegen-de-volkstelling-van-1971.html

De laatse dagen van de Pesachweek

De Tora schrijft zeven dagen Pesach voor. De eerste dag is een jomtov , een feestdag met werkonthouding op de vooravond waarvan de rituele seidermaaltijd wordt genuttigd volgens de routebeschrijving van de Hagada . De zevende dag is ook een jomtov met werkonthouding. Daartussen liggen de ‘halve feestdagen', waar het gist en dus ook het brood uit het huis gebannen blijft maar wel werk mag worden gedaan, ze zijn chol ha-mo'eed . Zo geldt het in Israël nog steeds. Op die zevende dag, die dit jaar op vrijdag valt, wordt uit Sjemot/Exodus gelezen, het verhaal over hoe de Israëlieten aan de achtervolgende Farao ontkwamen, over hoe de Rietzee doortocht gaf en zich daarna sloot zich over het Egyptische leger, dat jammerlijk omkwam, waarna Mosjee zijn lofzang (sjirat ha-jam ) zong en zijn zuster Mirjam de vrouwen in een reidans aanvoerde.

In de diaspora is er een achtste dag Pesach bijgekomen, gedaan voor de zekerheid, wat verband houdt met het vroeger bestaande probleem om de juiste tijden van het feest uit Israël over grote afstanden (bijv. met boodschappers) exact naar de diasporalanden over te brengen. In moderne tijden met betere verbindingen hebben vele liberale gemeenschappen deze achtste dag weer geschrapt. In feite zou dan op aanstaande sjabbat, waarop dit jaar deze achtste dag valt, dus gewoon, zoals in Israël wordt gedaan, de parasja Acharee Mot moeten worden gelezen.
Niettemin wijst de door de LJG gepubliceerde lijst wel een speciale lezing voor deze sjabbat annex achtste dag aan uit Devariem/Deuteronomium 15:12 - 16:1 – 20, dat handelt over de zevenjaarlijkse kwijtschelding van schulden, de genereuze behandeling van armen, de vrijlating van Hebreeuwse slaven na zes jaar trouwe dienst, het offeren van de eerstgeborenen van het vee bij de tabernakel; men leest hoede zogenoemde pelgrimsfeesten worden omschreven, Pesach met zijn voorschriften inclusief de telling van de vijftig dagen daarna (de zg Omertelling), en ook Sjavoe'ot (Wekenfeest) en Soekot (Loofhuttenfeest). De lezing besluit met het gebod rechters aan te stellen en het recht niet te buigen. De haftara (lezing uit de Nevi'íem , Profeten)is het beroemde visioen van Jechezkel in hfst 37 over de dorre beenderen die weer levende lichamen worden, een visioen over de herrijzenis van Israël.

Maar als we de gewoonte volgen om geen achtste dag te vieren en we dus de parasja van die week lezen, komen we bij de parasja Acharee mot terecht en nemen we voor lief, dat we dan een tijdje lang vooruitlopen op de volgorde van het liberale rooster in Nederland.
In dat geval lezen we in Wajikra/Leviticus 16:1 -18:30 over Aharon, die, nauwelijks bekomen van de dood van zijn zonen Nadav en Avihoe instructies krijgt over zijn rol als hogepriester die verzoening moest brengen over de zonden van het volk van Israël. De procedures, die hij heeft te volgen worden uitgebreid beschreven. Elders zijn wij er uitgebreid ingegaan op de strekking en de ceremoniën van Grote Verzoendag ( Jom Kipoer) . (1)
In hoofdstuk 17 begint wat bijbelwetenschappers de ‘holiness code' noemen, een stuk Leviticus van hoofdstuk 17 tot 26, een deel, dat wordt gekenmerkt door het veelvuldig gebruik van het woord ‘heilig' en ‘Ik ben de Eeuwige' en bevattend merendeels korte voorschriften. In hoofdstuk 17 vallen – na de regel dat offerdieren alleen bij de tabernakel mogen worden geofferd en het strikte verbod om bloed van die dieren te eten - vooral de regels op omtrent seksuele omgang. Allerlei vormen van verboden relaties met bloedverwanten en schoonfamilie worden opgesomd. Veel van die relaties, met name in de kernfamilie, zijn in onze seculiere samenleving onder de noemer van incest nog steeds taboe. In hoofdstuk 20 worden ze nog eens herhaald met daarbij niet misse straffen, van doodstraf tot uitstoting.
Onder die bepalingen bevindt zich de beruchte bepaling in Wajikra/Leviticus 18:22: ‘Jullie mogen niet slapen met een man, zoals jullie met een vrouw slapen. Dat is een gruwel' ( et zachar lo tisjkewoe misjkewee isha, to'ewa ), hetgeen wordt aangehaald ter ondersteuning van het verbod op of het veroordelen van (praktisering van) homoseksuele relaties. Er zoemen er vele interpretatiemogelijkheden rond deze grammaticaal wat enigmatische zin. (2) Intussen zijn in vele delen in de westerse maatschappij openlijke homoseksuele relaties ook in beter vaarwater gekomen. Niet alle groepen in de samenleving zijn in de erkenning van homoseksualiteit als bestaans- en leefwijze in dezelfde mate meegegaan. In liberaal-joodse kringen is homoseksualiteit volledig geaccepteerd en is zelfs een vorm van religieus homohuwelijk mogelijk geworden (soms genoemd briet ahawa , ‘verbond van liefde').
Ik wens u een goede afsluiting van de Pesachweek.

noten

(1) In Reizen door de Tora, deel 2 , p.88 en bv ook op mijn website
(2) Uitgebreid hierover mijn commentaar op
http://www.arnhemseleerhuis.nl/sidra.html#am

Parasjat Sjemini Wajikra 9:1 - 12:1

Vuur

De parasja beschrijft onder andere de inwijding van de misjkan (tabernakel). Voor het eerst brengt Aharon als hogepriester de voorgeschreven offers. Een vuur komt uit de hemel en verteert het brandoffer, een spektakel, dat het volk de adem benam en op de knieën bracht.  Maar dan slaat schrik en ontsteltenis toe. Nadav en Avihoe, de twee oudste zonen van Aharon, brengen impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur' ( eesj zara ), dat de Eeuwige niet gevraagd had. Weer schiet er een vuur neer, maar nu een fataal vuur, dat de twee zonen verteert. Een paar overdenkingen.

Vuur is een primair natuurverschijnsel, dat de mens vanaf zijn ontstaan ontzag en vrees heeft ingeboezemd, een fenomeen, waaraan het ooit willoos was overgeleverd, het vuur dat door de bliksem vernietigend kon uithalen en oplaaiend in bos en savannen dood en verderf zaaide en soms toevallig zegen bracht als ergens een vlammetje in de grot brandend kon worden gehouden. Een onvoorstelbaar belangrijke stap werd door de mensheid gezet, toen lang geleden de prehistorische mens leerde het vuur te temmen, zelf vuur te maken en het te gebruiken om te koken, te verwarmen, te smeden en werktuigen te maken.
Niet verwonderlijk, dat in de poging om de wereld te duiden dit machtig natuurverschijnsel samen met aarde, water en lucht als bouwsteen (element) van de wereld werd gezien, een idee, dat in vele oude levensbeschouwingen en godsdiensten voorkomt; parallel daarmee manifesteerden volgens oude geneeswijzen de vier elementen zich in het lichaam als sappen, die het karakter bepaalden: vuur – bloed – sanguinisch (vurig) temperament; water- slijm- flegmatisch (kalm) temperament, lucht - gele gal- cholerisch (opvliegend), aarde – zwarte gal – melancholisch (zwaarmoedig) temperament.

Laten we in de sfeer van de nog steeds wel nuttige temperamentenleer het vuur nemen als de verzinnebeelding van vurige toewijding, zonder welk iets groots niet tot stand kan komen. Dan zien we deze karaktertrek terug in vele bijbelse figuren (de na-ijverige Ene hoofdpersoon incluis).
In deze onvolmaakte wereld raken fenomenen eigenlijk bijna per definitie van de gebrokenheid van de schepping steeds uit het lood en vragen om herstel van evenwicht. Het is aan de mens om te corrigeren, te verbeteren, zowel in de innerlijke als de uiterlijke wereld. Dat is een nimmer ophoudend proces van herstel, tikoen genoemd in het Joodse (mystieke) gedachtegoed. Zo heeft ook de eigenschap van vurige toewijding de neiging naar extremen door te slaan en alles te verbranden wat haar niet te pas komt. Dat roept de behoefte aan een halt op, het stellen van grenzen, die de vurigheid containen.

De kabbala ziet het offer door Avraham van Jitschak in dat licht.(1)
De vurige liefde van Avraham (belichaamd in de sefira chesed , uitstromende liefde) voor de door hem ontwaarde godheid werd gecorrigeerd doordat Jitschak (de sefira Gevoera , oordeel, begrenzing, strengheid) zich niet verzette, waardoor Avraham zijn fanatieke toewijding goddank intoomde en zo als het ware in zijn karakter spiritueel een enorme sprong omhoog deed. De bereikte balans tussen toewijding (chesed) en strenge beperking (gevoera) zien de kabbalisten vooral gerealiseerd in Ja'akov, die de belichaming is van schoonheid, compassie, hetgeen de sefira Tif'eret oplevert

Het heilige, maar ongebonden en ongevraagde vuur van Nadav en Avihoe werd wel heel abrupt en heftig begrensd met hun dood. Deze buitensporige straf heeft geleid tot allerlei nadere verklaringen in de midrasj; waren ze niet goed gekleed, waren ze dronken, was het vuur uit de keuken ipv van het altaar? Maar misschien wil het verhaal ons vooral inprenten hoe vurige toewijding begrenzing nodig heeft, een begrenzing die (o.a.) door de voorschriften van de Tora wordt omschreven.
Je kan het vuur zien als een fenomeen, dat in de zielen van iedere generatie woedt en dat als brandstof dient om goede dingen tot stand te brengen, maar dat evengoed kan doorschieten in heilloos extremisme en dan dood en verderf zaait. Een kabbalist uit de 16 e eeuw meent te zien (2) hoe het zielevuur van Nadav en Avihoe na hun dood niet tot rust komt en zich nestelt in Aharons kleinzoon Pinchas, die met jeugdige drift op eigen houtje ter plekke een volksgenoot en diens Midjanitische tempelprostituee executeert, waarna de pestepidemie ophield (Bamidbar 24:8). Dat loopt net goed af. Pinchas heeft, zo verklaart de Eeuwige aan Mozes, - letterlijk vertaald – ‘Mijn – Gods - naijver “weggeijverd”' ( bekan'o kin'ati  ) want anders had Ik (God) in Mijn naijver (  kin'ati  ) de kinderen van Israel vernietigd' (Numeri 25:11). Let op het drievoudig gebruik van de stam  kan'a, ‘ jaloersheid, naijver, geloofsijver'; ook de Eeuwige is niet vrij te pleiten van fanatisme. Pinchas krijgt zelfs naast het hogepriesterschap ‘Mijn verbond van vrede' ( briti sjalom ) aangeboden wat we misschien mogen uitleggen als een opdracht zijn geestdrift voortaan voor het stichten van vrede in te zetten. 

Het heilig vuur van Nadav, Avihoe en Pinchas laait weer op in de profeet Elia (Elijahoe), die op de berg Karmel de macht van de Ene tegenover de priesters van de afgodische Ba'al demonstreerde door het hemels vuur naar zijn offerdier te doen neerdalen, waarna de lang ontbeerde regen viel. Maar daarna liet hij in zijn geloofsijver vierhonderd priesters ombrengen als ware voorganger van de inquisitie De Ene vraagt hem om verantwoording, als de profeet op de vlucht uitgeput in de grot op de berg Chorev is aangeland (1 Koningen/Melachiem 19:9-18): ‘wat doe je hier Elia?'. Het antwoord van de profeet is ‘ik heb met ijver geijverd', het zijn bijna dezelfde woorden die ten aanzien van Pinchas zijn gebruikt, kano kineti, zie boven. Dat antwoord is blijkbaar zoveel eeuwen later niet bevredigend meer; vuur, storm en aardbeving komen aan Elia voorbij maar het is pas in een subtiele stilte, dat de Ene present is en waarin de vraag nog eens klinkt: Elia, wat doe je hier? Klinkt hier niet mee: was het wonder op de Karmel en de daaropvolgende regen niet voldoende, het wonder dat de Israël op de knieën deed vallen? Moesten per se honderden Ba'al-priesters worden omgebracht, iets waarvoor geen teken was gegeven? Maar Elia blijft bij zijn antwoord, ‘ik heb met ijver geijverd'. In dit koppig herhaalde antwoord ligt naar mijn idee het falen van Elia; de ‘godsijveraar' is er niet in geslaagd zijn fanatisme te corrigeren, het hart te openen voor compassie, het vuur van zijn ijver in te zetten voor het stichten van vrede. In iedere generatie moeten we ons afvragen of we willen horen bij groepen of individuen die met blind fanatisme achter een idee of (religieuze of seculiere) ideologie aanlopen, soms aanvankelijk met de beste bedoelingen, maar zo ontzettend vaak met rampzalige gevolgen. We hoeven ons enthousiasme niet zozeer terug te houden als wel te toetsen en te kanaliseren tot een bijdrage aan recht en vrede.

De correctie van Elia's vuur van haat naar heil heeft vooral plaatsgevonden in talloze legenden over zijn verschijnen in latere eeuwen als de helper in nood en als wijze leraar. En  last but not least  als de aankondiger van de messiaanse vrede, waarop met smart wordt gewacht. (4)

noten

(1) Zie Jesaja Horovitz (de Shelah, 1565 - 1630) in zijn hoofdwerk Shnei Luchot Habrit
  https://www.sefaria.org.il/Shney_Luchot_HaBrit,_Pinchas,_Torah_Ohr?lang=en 

(2) Zie https://www.chabad.org/kabbalah/article_cdo/aid/568667/jewish/Fire-and-Water.htm met citaat uit de Zohar I, p. 119b-120a; translation and commentary by Moshe Miller

(3) Een overzicht van Elia-verhalen in: The Legends of the Jews by Louis Ginzberg [1909]  https://www.sefaria.org/Legends_of_the_Jews.4.7?lang=en

(4) In dit stuk heb ik me beperkt tot het bijbelse kader, maar natuurlijk zien we golven van dodelijke godsdienstijver in alle tijden. Wat betreft de Joodse geschiedenis schieten mij te binnen de zeloten uit de eerste eeuw van de jaartelling, in het Hebreeuws kana'iem , die mede een rol speelden in de verwoesting van Jeroesjalajiem. Denk ook aan de geschiedenis van de leerlingen van Rabbi Akiva en de opstand van Bar Kochba in 135 CE. De 49 dagen van Omer-telling (tussen Pesach en Sjavoeot) zijn een periode van lichte rouw, die gedenkt, dat een vreselijke pestepidemie de 24 000 leerlingen van Rabbi Akiva wegvaagde (een echo van Numeri 25:9 ?) in de tweede eeuw gewone jaartelling. De legende (in de Talmoed Jevamot 62b, waarin de ziekte overigens vertaald wordt als kroep (difterie) ) zegt, dat deze epidemie het gevolg was van hun gebrek aan respect voor en jaloersheid op elkaar. Buiten het Jodendom is de lijst van godsijverige vervolgingen ellenlang (ik noem alleen de inquisitie) met als modernste variant het net militair verslagen IS (Daesh)

Parasja Wajakheel   Sjemot /Exodus 35:1–38:20 
Rond de tabernakel

De parasja Wajakheel, die nu, in tegenstelling tot de meeste jaren, in dit Joodse schrikkeljaar los van de volgende parasja Pekoedee wordt gelezen, begint met (nogmaals) de zevende dag van de week als rustdag af te kondigen, de sjabbat . Dan volgt de oproep door Mosjee aan het volk om alle nodige materialen voor de bouw van de tabernakel ( miesjkan ) en zijn toebehoren bijeen te brengen, goud, zilver, koper, linnen, huiden etc., zoveel als het hart ingeeft. In groten getale en in ruime mate voldoet men daaraan, meer dan men kan gebruiken wordt gebracht. Mosjee roept een halt toe aan de toestroom en zet de werkers aan het werk, onder leiding van de opperkunstenaar Betsaleel en zijn assistent Aholiav. Dan wordt het werk van de constructie zelf beschreven. Zo krijgen we in deze parasja een totaalbeeld van de benee Jisrael op het toppunt van inspiratie, creativiteit en toewijding. (1)

De Tora kan de vrijgevigheid en de toewijding van de mannen en vrouwen niet genoeg benadrukken. Het Hebreeuwse woord voor ‘hart', lev , wordt in hoofdstuk 35 t/m 36:8 wel twaalf keer gebruikt. De mida (eigenschap) Generosity staat voorop.
Neem bijv. vers 35:5, dat van ieder ‘die gewillig van ? hart' ? is, een hefoffer ( teroema gewijde gave) vraagt uit zijn bezit ten behoeve van de tabernakel: goud, zilver en koper. In het Hebreeuws staat als ‘gewillig van hart' de term nedav libo . Nadav is iemand, wiens daden zuiver voortkomen uit zijn eigen vrije autonome innerlijk. De vrijwilligheid zit dus al ingebakken in het woord nadav, maar wordt dan nog benadrukt door de toevoeging van het woord hart, l ev , wat nog verder wordt aangescherpt door de bezittelijk ‘-o': libo , zijn hart. Dwang van buiten wordt absoluut uitgesloten (2).
Naast nedav lev komen we ook herhaaldelijk chacham lev of chochmat lev , ‘wijs(heid) van hart' tegen, wanneer het gaat over het ontwerpen en vervaardigen van de heilige zaken, wat naar mijn gevoel verwijst naar de vrijwel onverwoordbare combinatie van toewijding, aandacht en bedrevenheid bij de uitvoerende kunstenaars en ambachtslieden.
In vers 21 wordt de inzet en toewijding opnieuw nadrukkelijk onder woorden gebracht: de mensen komen hun gaven brengen, ‘ieder wiens hart (lev) ? hem   bewoog en ieder wiens geest ( roeach ) hem gewillig maakte ( nadwa )'. Waar l ev vooral betrekking heeft op de wil en gedachte heeft roeach de nog omvattender betekenis van het engagement van het totale innerlijk. Ieder was met huid en haar op de bouw van de misjkan betrokken.(3) Op zo'n plek zou de aanwezigheid van de Eeuwige toch merkbaar willen zijn, in zo'n woning wil de Sjechina (4) toch inwonen, seculier gezegd: werk met zo'n liefdevolle overgave gedaan dwingt zegen af. …

Merk op, dat in het volgende vers 22 de vrouwen expliciet worden genoemd, gelijk op aan de mannen ( ha anasjiem al ha nasjiem ); ook zij geven hun sieraden van harte; vergelijk dat met het schrijnende beeld in Sjemot/Exodus 32:2, waar Aharon met het oog op het te maken gouden kalf de mannen beveelt, de vrouwen hun sieraden af te trekken.
Een idyllisch beeld van ijver en toewijding wordt geschetst in de verzen 25 en 26, waar de vrouwen die wijs van ? hart waren en wier hart hen daartoe bewoog, eigenhandig van blauwpurperen, roodpurperen en scharlakenrode   wol  gewaden, kleden en gordijnen spinnen.

Kunstig en met oog voor detail maar ook met aandacht voor de praktische aspecten van gebruik en vervoer wordt met de vervaardiging van de punctueel uitgetekende tabernakel een heel eigen microkosmos geschapen.
Onder leiding van Betsaleel ging men, zoals de tekst aangeeft, bij het fabriceren van de tabernakel van buiten naar binnen. Eerst maakte men de vier lagen dekkleden voor de tabernakel, de eerste laag van tien aan elkaar gehechte geweven veelkleurige kleden, dan drie lagen dekkleden van resp. geitenvel, ramsvel en zeehondenhuid. (5) Dan maakte men het planken geraamte van de tabernakel en vervolgens de pilaren voor het binnenste vertrek, het heilige der heiligen, met het bijbehorende voorhangsel. Dan komt het heiligste object in dat binnenste aan de beurt: het construeren van de heilige ark met zijn gouden deksel gekroond met de twee cherubijnen. De mysticus ziet in de tabernakel een blauwdruk van de persoon en in de constructie van de tabernakel een allegorie voor het pad van de leerling, die als het ware aan de buitenkant begint op zijn reis naar binnen om al werkend aan zichzelf te komen tot de ervaring van eenheid met het goddelijke. (6)
Ik voeg daaraan toe, dat de parasja na de beschrijving van Bestaleels constructie van de ark ook weer naar buiten reist. De tekst verlaat het heilige der heiligen en men betreedt de binnenruimte, het heilige, met de beschrijving van de vervaardiging van de tafel voor de toonbroden, de menora en het reukwerkaltaar, die daar thuis horen, om dan helemaal naar buiten te gaan met de voorschriften voor het vuuraltaar en het waterbekken in de buitenste ruimte, de voorhof. Daar wordt de reis afgesloten met de richtlijnen voor de gordijnen die de voorhof omringen. Tenslotte moet de mysticus na zijn sublieme ervaring ook weer naar buiten, de wereld in. Wat trouwens doet denken aan de verlichting in het boeddhisme, waar de ‘ontwaakte', de bhodisattva, ook weer de wereld in moet om het lijden te verlichten.

noten
(1) meer over de parasjot Wajakhel en Pekoedee in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1, p.171 ev
(2) Aldus het commentaar bij 35:5.van de 19 e -eeuwse Samson Raphael Hirsch in zijn Pentateuch, vol II, Exodus.
(3) Aldus het commentaar bij 35:22.van de 19 e -eeuwse Samson Raphael Hirsch in zijn Pentateuch, vol II, Exodus
(4) Sjechina, term voor het immanente aspect van God, van Hebreeuws sjachan , wonen, in de kabbala ook de vrouwelijke manifestatie van de Ene.
(5) De tien kleden verzinnebeelden de tien sefirot, de vier dekkleden de vier werelden Atsiloet, Beria, Jetsira en Assija
(6) zie Ze'ev Ben Shimon Halevi (Warren Kenton), Kabbala en Exodus , hfst 45, p.141 ev, East-West Publications. 1980/1999

Parasjat Ki Tisa   Sjemot/Exodus 30:11-34:35
Rondom het gouden kalf

In het bijbelstuk van de week Ki Tisa gaan de instructies voor de eredienst verder met voorschriften omtrent het zoengeld tijdens volkstellingen, voorschriften de constructie van het wasbekken, de bereiding van zalvingsolie en dan is er de aanwijzing van de voormannen van de kunstenaars en ambachtslieden: Betsalel en Aholiav. Een en ander gaat gepaard met een vermaning: de sjabbat moet bij de vervaardiging van het tabernakel en de heilige objecten in acht genomen worden. 
Dan volgt de hoofdmoot van deze parasja, het bekende verhaal over de afvalligheid van een deel van het volk rond het gouden kalf en de weg van verzoening daarna bewandeld door Mosjee.

De toon van het gouden kalf-verhaal wordt gezet met Sjem/Ex 32:1: ‘Toen het volk zag dat het lang duurde voor ? Mozes ? van de berg afdaalde, kwam het volk bijeen bij ? Aharon, en zij zeiden tegen hem (Aharon): “Sta op, maak voor ons ? goden ? die vóór ons uit gaan, want die ? Mozes, de man die ons uit het land ? Egypte ? geleid heeft – wij weten niet wat er met hem gebeurd is'''.
Het volk had nog geen veertig dagen terug de manifestatie van de Eeuwige op Sinaj beleefd, een subliem moment, een highlight in de spirituele geschiedenis van het Joodse volk. Hoe was het mogelijk, dat na deze overweldigende ervaring niet lang daarna het volk op eigen initiatief overging tot het vervaardigen van een afgodsbeeld in de vorm van een gouden kalf?

Commentator uit de vorige eeuw Nechama Leibowitz (1) geeft een overzicht over hoe de rabbinale commentatoren daarmee hebben geworsteld. De middeleeuwse Jehuda Halevi (2) tilt er niet zo zwaar aan en vergoelijkt deze misstap een beetje; in feite heeft het volk de Eeuwige niet verloochend, verklaart hij, maar het wilde bij de langdurige afwezigheid op de berg Sinaj van Mosjee alleen maar iets zichtbaars hebben om te vereren, bovendien ging het slechts om 3000 van 600,000 personen, zoals is af te leiden uit Sjemot/Exodus 32:28.
De 13 e -eeuwse meester Ramban (Nachmanides) meent, dat het niet ging om een nieuwe godheid of goden, maar om leiderschap; het volk wilde voor de duur van Mosjee's afwezigheid een nieuwe godsman, die hen zou leiden, niet een nieuwe god om te vereren. Toen Mosjee terugkeerde van de berg vond ook immers geen enkel protest plaats, toe hij het gouden kalf verbrandde.
De meeste uitleggers, de befaamde commentator Rasji voorop, zien toch in de creatie van het gouden kalf een zwaar vergrijp, een gigantische morele terugval, je zou bijna zeggen een doodzonde (3).

In de meer mystieke Joodse leer van de kabbala gaat achter het verhaal van het gouden kalf een dieper gebeuren schuil. Voor zover ik iets van haar esoterische allegorieën en symbolen heb begrepen, wordt de schepping gezien als een lange reeks van drama's van val en herstel ( tikoen ) die de (Joodse) mens in zijn contact met de oneindige schepper heeft te doorlopen op zijn lange weg naar de messiaanse tijd. In die sfeer is het verhaal van het gouden kalf een weergave van een kosmische spirituele catastrofe, een - na de sublieme ervaring van het goddelijke bij de heilige berg Sinaj - fataal weer verzinken van geest en ziel in de materiele bestaanswijze, vergelijkbaar met – maar minder fataal dan - de val uit het paradijs van Adam en Eva (Chawa) (4).
Wat mij hierin aanspreekt is de vraag of onze materiele vooruitgang – in welvaart, onderwijs, levenslengte, gezondheidszorg, techniek, vrijheid van denken en woord, – hoe te waarderen ook, samengaat, parallel loopt met een vooruitgang in moreel en geestelijk opzicht of dat er juist sprake is van een achterblijven of zelfs gestadige achteruitgang in dit opzicht, al ik kies ik graag voor het geloof in een uiteindelijk met vallen en opstaan positieve gerichtheid van deze evolutie. Fascinerend om deze ontwikkelingen in de 21 ste eeuw te volgen

In meer nuchtere psychologische termen overpeinst Nechama Leibowitz aan het slot van haar commentaar op Ki Tisa, dat wonderen, hoe ontzagwekkend ook, de menselijke natuur blijkbaar niet kunnen veranderen. Ze kunnen de menselijke ziel opschudden uit zijn alledaagse ideeën, maar kunnen de menselijke aard niet duurzaam veranderen en daarom kunnen we de Tora niet ontberen. De dagelijkse training, die de praktisering van haar leefregels betreffende omgang met jezelf, je familie en de samenleving met zich meebrengt, werpt een dam op tegen moreel terugval.

Noten
( 1) Nechama Leibowitz, Studies in Shemot/Exodus, p. 549 ev, waarvan ik dankbaar gebruik maak.
(2) Jehuda Halevi (1075 – 1141), dichter, filosoof, schrijver van Sefer Ha-Kuzari
(3) Zie Rasji ad Sjem/Ex 32:1.
Waarschijnlijk is het gouden kalf een manifestatie van de invloed van Egyptische astrologie en Egyptische goden. Zie bijv. ook Pirkee de Rabbi Eliezer (midrasj uit de 7 e eeuw) 45: ‘Toen Israël de geboden had gekregen hebben ze na veertig dagen hun God vergeten en hebben ze aan Aharon gevraagd: “de Egyptenaren droegen hun god en zongen en zongen ervoor en zagen hem voor zich. Maak voor on een god als de goden van de Egyptenaren, zodat wij hem voor ons zien, en daarom staat er (in de Tora): “Sta op, maak voor ons een god”'
(4) Een korte omschrijving van dit proces is te vinden in Gershom Sholem, Zur Kabbala und ihrer Symbolik, Suhrkampf, 1973, p.146 ev
Voor wie zich in een kabbalistisch commentaar op de parasja Ki tisa wil verdiepen, zie https://www.chabad.org/kabbalah/article_cdo/aid/627795/jewish/Sins-Snakes-Golden-Calf.htm

Parasjat Tetsawee Sjemot/Exodus 27:20 - 30:1
Een prachtige uitdossing

Parasja Tetsawee beschrijft heel exact Aharons hogepriestergewaad en het te volgen ingewikkelde ritueel voor de inwijding van hem als hogepriester en zijn zonen als priester. In groot detail wordt het gewaad van Aharon met al zijn toebehoren beschreven. Lees eens aandachtig met hoeveel precisie op vele bladzijden deze prachtige uitdossing wordt beschreven. Het moet een indrukwekkend gezicht zijn geweest om de hogepriester gekleed te zien.
Over de onderkleding en de blauwe mantel draagt Aharon de efod , een soort veelkleurige en rijkgeborduurde kunstig geweven overgooier, om de lendenen een mooi bestikte gordel; voor de borst heeft hij de  'chosjen miesjpat' , een soort vest met daarop de twaalf edelstenen, die de twaalf stammen van Jisraël symboliseren.   Op dit vest rust een buidel waarin de orakelstenen Oeriem en Toemiem rusten. Op het hoofd van de hogepriester rust een hoge tulband en een diadeem omspant het voorhoofd. (1)

Een anekdote uit de Talmoed (2) vertelt hoe een niet-Jood eens deze beschrijvingen van de hogepriesterkleding hoorde voorlezen, toen hij de studiezaal van Joodse studenten passeerde. Het was in de tijd van de milde meester Hillel en de strenge meester Sjammai rond het begin van de gewone jaartelling. De stem van de leraar die Tora onderwees reciteerde juist het vers Sjemot Exodus 28:4: ‘ Dit zijn dan de ? kledingstukken ? die zij (de Israëlieten) moeten maken: een ? borsttas, een efod, een ? bovenkleed, een ? onderkleed ? van bewerkte stof, een ? tulband ? en een ? gordel etc'. De niet-Jood vroeg: voor wie zijn deze kledingstukken bestemd? De leerlingen antwoordden: voor de Hogepriester. De Man dacht, dat wil ik ook wel, ik zal me bekeren en dan zullen me wel willen benoemen tot Hogepriester. Hij ging naar de beroemde leraar Sjammai en zei: bekeer mij en benoem me dan tot Hogepriester. Sjammai joeg hem met zijn ellemaat weg van zijn erf. Toen ging hij naar de even beroemde Hillel en Hillel bekeerde hem. Maar Hillel zei wel tot de bekeerling: is het niet gebruikelijk in de wereld, dat alleen wie de procedures van het koningschap kent tot koning wordt benoemd? Ga heen en leer de procedures door Tora te gaan studeren. Dat deed hij en hij ging de geschriften lezen. Toen hij kwam bij het vers in Bamidbar/Numeri 1:51, ‘En de gewone man ( zar ) die te dichtbij (de heilige objecten van de tabernakel en het hogepriesterambt) komt, moet ter dood gebracht worden', vroeg de bekeerling, op wie slaat dit vers? En Hillel zei, zelfs op David, de koning van Israël. De bekeerling redeneerde hierop verder bij zichzelf: als het Joodse volk kinderen van de Eeuwige worden genoemd en de Eeuwige zijn liefde betuigt door te zeggen: Israel is mijn eerstgeborene, mijn zoon (Sjem/Ex 4:22) en er niettemin ten aanzien van hen is bepaald, dat de gewone man die te dichtbij de tabernakel komt wordt gedood, hoeveel te meer zal dat gelden voor mij, die bij hen komt zonder verdienste en met alleen een wandelstok en een knapzak. De bekeerling ging weer naar Sjammai en vertelde dat hij op zijn sollicitatie naar het ambt van Hogepriester terugkwam. En hij ging naar Hillel en zei hem: Hillel, geduldig mens, moge zegeningen rusten op uw hoofd, omdat u mij hebt gebracht onder de vleugels van de goddelijke aanwezigheid ( sjechina ).

Laten we eens uit deze anekdote een paar inzichten proberen te destilleren. Wat mij betreft zou dat dit kunnen zijn.
De niet-Joodse man is betoverd door de uiterlijke pracht van het priestergewaad. Door de pracht en praal van het ritueel wordt hij aangelokt. In een vlaag van ijdelheid wil hij als het ware zijn ego ermee aankleden, een herkenbare menselijke neiging.
Rabbi Hillel laat zich door het potsierlijke verzoek van de man niet van de wijs brengen, zoals zijn kortaangebonden collega Sjammai wel doet, en ziet onder de menselijke ondeugd een authentiek verlangen. De wijze meester heeft weet van geduld en empathie. (3)
De verse bekeerling ontdekt, dat het in wezen niet gaat om de indrukwekkende mooi opgesierde aankleding, maar hij beseft gaande zijn studie en reflectie, dat een prachtige uitdossing, een indrukwekkend uniform, niets voorstelt als de drager het niet beleeft als een nederige poging het sublieme te benaderen of op zijn minst (wat meer seculier uitgedrukt) als de uitdrukking van een boven zijn individuele persoon uitgaande opdracht in het geheel van de samenleving. Anders is hij niet meer dan een ijdele windbuil. Aharon droeg zijn gewaad niet als de persoon Aharon voor eigen meerdere glorie, maar als Jisraël, als een  sjaliach tsiboer,  een afgezant van de gemeenschap naar de Eeuwige. Zonder deze missie en het besef daarvan is de schitterende uitdossing niet meer dan een zielige lege huls. Naakt gaan wij uiteindelijk het leven uit, zoals misschien juist daarom uitdrukkelijk wordt vermeld in de Tora (4), dat, als Aharon voor de drempel van de Eeuwigheid staat, de Ee uwige aan Mosjee beveelt: ‘En trek ? Aharon ? zijn kleding uit en trek ze ? Eleazar, zijn zoon, aan, want ? Aharon ? zal   daar (op de berg Hor) sterven' .
In feite ontdekt de niet-Joodse man wat nederigheid is, in de zin van de Moessar (anava), hij krijgt weet van zijn juiste plaats in de kosmos van de samenleving, waar hij is toegetreden.

Noten

( 1) Over de verhouding tussen de broers Mosjee en Aharon zie mijn commentaar op deze parasja in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 , p. 152 ev
(2) Talmoed Shabbat 31a, waarin meerdere anekdotes over hoe het geduld van Hillel op de proef wordt gesteld
(3) welke karaktertrekken in de Joodse leer van morele en spirituele ontwikkeling, de Moessar optreden onder de naam savlanoet en chesed. Zie een beknopte inleiding in Moessar op mijn website robcassuto.com
(4) in Bamidbar/Numeri 20:26

parasjat Misjpatiem   Sjemot / Exodus 21:1–24:18
Gaslighting  

De parasja Misjpatiem wordt wel ‘het boek van het verbond' genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels (21-23), deels een uitwerking van de Tien Woorden, hetgeen uitmondt in paragraaf 24, waarin de sluiting van het Verbond wordt bezegeld en Mosjé in vers 4 al het gesprokene te boek stelt en dit boek ( sefer ha-briet ) in vers 7 aan het volk voorleest.
Een fors aandeel hebben morele regels van allerlei aard.(1) Velen daarvan hebben betrekking op juiste communicatie, het niet verdraaien van wat er werkelijk is gebeurd of wat er werkelijk aan de hand is onder invloed van eigen- of partijbelang of kwade bedoelingen. In deze ethische grondbepalingen spreekt het besef hoe juiste en waarheidsgetrouwe communicatie en informatie van essentieel belang is voor het goede functioneren van een samenleving.

Een van die regels is Sjemot/Exodus 23: 1: ‘U mag geen vals gerucht verspreiden, en u mag een schuldige niet uw hand reiken door een misdadige getuige te zijn'.
Volgens de gerenommeerde commentator Rasji (11 e eeuw) moet je dit voorschrift lezen (2) als: ‘je moet geen vals bericht aannemen (resp. ernaar luisteren)'. Het voorschrift was vooral gericht tot de rechter en met name moest deze pas de ene partij horen als de andere partij daarbij aanwezig was, om zo te verhoeden, dat een valse getuigenis werd gepleegd. Het ligt voor de hand, dat in de midrasj (bv Mechilta) het voorschrift van algemene toepassing wordt geacht; iedereen heeft ervoor te waken een vals gerucht aan te nemen en verder te verspreiden om zo de ander geen nodeloze schade toe te brengen. Het sluit goed aan bij andere voorschriften zoals bv die in Sjemot/Exodus 20 en Wajikra/Leviticus 19 (3)
De regels van het ethisch spreken (en schrijven) en luisteren (en lezen) is door de rabbijnen verwerkt tot het verfijnd leerstuk van Sjemierat ha-lasjon (het hoeden van de tong/taal) met als hoofdwerk het boek ‘Chafets Chaim', geschreven door Rabbi Yisrael Meir Kagan, 1839-1933, die zijn bijnaam Chafets Chaim dus aan zijn boek heeft te danken.

De link met de tegenwoordige aandacht voor de overvloed aan al dan niet intentionele misinformatie onder de noemer van nepnieuws of fake news ligt voor de hand. In feite is fake news een reusachtig met de voeten treden van de hierboven genoemde voorschriften die beogen te komen tot een waarheidsgetrouwe en integere weergave van de feiten en zo nodig tot rechtvaardige oordelen.
Een eigentijds voorbeeld van bewuste verdraaiing van de feiten is ‘gaslighting', een term uit het Amerikaanse politieke wereldje. Meestal neem ik in deze stukjes wat afstand van het actuele politieke gebeuren, maar dit wil ik u niet onthouden
De definitie van gaslighting op Wikipedia luidt:
‘ Gaslighting is een vorm van psychologische manipulatie, die probeert zaden van twijfel te zaaien bij een beoogd persoon of bepaalde personen of bij leden van een beoogde groep, zodat ze onzeker worden over hun eigen herinnering, waarneming en geestelijke gezondheid. Middelen om het slachtoffer uit zijn of haar evenwicht te brengen zijn constante ontkenning, op een dwaalspoor brengen, tegenspraak en liegen.(4)
Het begrip is afkomstig van de klassieke film noir ‘Gaslight', waarin de doortrapte echtgenoot Gregory zijn vrouw Paula met onterechte beschuldigingen en systematische verdraaiing van feiten tot waanzin tracht te drijven om haar af te leiden van zijn geheime misdadige activiteiten. (5)
Ik kwam de kwalificatie van gaslighting tegen met betrekking tot een tweet van de Republikaanse partij, die na de opheffing door Donald Trump van de zogenoemde ‘shut down' (de sluiting van een deel van Amerikaandse Federale overheid als dwangmiddel om geld voor ‘The Wall' te krijgen) luidde:
‘Democrats have held our government hostage for weeks, but thanks to president Donald Trump's leadership the government will reopen and federal workers will be paid in the next few days'.
Deze frappante omdraaiing van de situatie – suggereren dat de Democraten de shut down hebben veroorzaakt en dus het maandlang onbetaald blijven van de ambtenaren – is een voorbeeld van gaslighting. Als je je eenmaal bewust bent van deze tactiek zie je hoe vaak die gebruikt wordt als instrument voor politieke propaganda en agitatie, in het heden en het verleden. Het twitterfenomeen heeft dat nog eens oeverloos opgeblazen. De tweets van de Amerikaanse president en zijn kornuiten leveren een eindeloze hoeveelheid op aan gaslighting.
In de film ‘Gaslight' lukt het net niet om Paula definitief haar verstand te laten verliezen. Laten wij ons ook niet gek maken door het bombardement aan desinformatie. Want ons is al drieduizend jaar geleden geboden:
‘je moet geen vals bericht aannemen (resp. ernaar luisteren)'.

noten
(1) Meer over Misjpatiem in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 , p.143 ev en op mijn website, www.robcassuto.com
(2) aldus vertaald in de Aramese vertaling van Onkelos
(3) Sjemot/Exodus 20:
7 U zult de Naam van de Eeuwige, uw God, niet ijdel gebruiken (letterlijk: niet voor niets (op je lippen) dragen)
6 U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. (letterlijk: niet met betrekking tot je naaste antwoorden als liegende getuige)
En in Wajikra/Leviticus 19:
12 U mag geen valse eed afleggen in Mijn Naam, en zo de Naam van uw God ? ontheiligen. Ik ben de Eeuwige.
16 U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan, u mag uw naaste niet naar het leven staan. Ik ben de Eeuwige.
(4) Heel instructief artikel op https://en.wikipedia.org/wiki/Gaslighting
(5) Gaslight  is een Amerikaanse film uit 1944 onder regie van George Cukor met in de hoofdrollen Charles Boyer, Ingrid Bergman (Oscar) en Joseph Cotton
Full movie streaming on lime: https://archive.org/details/Gaslight_201403

Parasjat Jitro   Sjemot/Exodus. 18:1 – 20:23  

De wijsheid van niet-Joden

De parasja Jitro begint met het bezoek van de schoonvader van Mosjee, en beschrijft daarna de eerste fasen van de wonderlijke gebeurtenissen op en rond de berg Sinaj, waaronder de uitroep van de Tien Woorden (Tien Geboden). (1)   

De Tora neemt de tijd om het bezoek van Jitro uitgebreid te beschrijven, de aankomst, het vertellen van de uittochtverhalen met hun wonderlijke uitreddingen, de gezamenlijke plechtige maaltijd in de tent van Mosjee en het offer, dat Jitro brengt aan Elohiem  – een in dit geval diplomatieke term, want de andere naam JHVH was nog vreemd voor deze niet-Israëlitische bezoeker. Wat opvalt is het respect, waarmee Jitro wordt ontvangen en de zorgzaamheid, waarmee hij zijn schoonzoon behandelt.

De liefde en zorgzaamheid van Jitro wordt geïllustreerd, als de schoonvader de lange rijen van de Israëlieten ziet die wachten op hun beurt om voor Mosjee te verschijnen om hem om advies of oordeel te vragen over hun problemen of inzake hun zorgen voorspraak te doen bij de Eeuwige; van de ochtend tot de avond staan ze daar in de brandende zon. Dat kan zo niet duren. Tegelijk ziet hij hoe de schoonzoon vermoeid raakt en bijna bezwijkt onder de grote last, die op zijn schouders rust. De ervaren priester komt met een oplossing voor wat hij met zijn heldere blik waarneemt. Hij adviseert Mosjé structuur en organisatie aan te brengen om zo zijn taken te verlichten; alleen de grote zaken moet hij behandelen, de kleinere moet hij overlaten. (Éxodus/Sjemot 18:21-23 HSV): ‘Je moet leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien over hen aanstellen. Zij moeten altijd over dit volk oordelen. Maar laat het zo zijn dat zij elke grote zaak bij jou brengen, en zelf over elke kleine zaak oordelen. Maak het zo voor jezelf lichter en laat hen die last samen met je dragen'.
Als managementconsultant avant la lettre wist de schoonvader, dat wie een lastige taak moet volbrengen onder grote verantwoordelijkheid, maar alles alleen wil doen, een grote kans loopt anderen onrecht te doen en zelf te bezwijken onder de stress; we zouden nu zeggen: een burn-out staat voor de deur. Jitro's advies klinkt nog door alle eeuwen heen tot de overbelaste managers van nu: organiseren, structureren, taken verdelen, uitvoering delegeren. 

Hoe kan het zijn, dat de spirituele gigant Mosjee deze toch niet zo moeilijk te bedenken oplossing moest vernemen van een vreemdeling, zijn schoonvader Jitro? Had hij het niet zelf kunnen bedenken.
Rabbijn Nathan Lopes Cardoso (2) neemt ons in zijn moderne commentaar mee naar het commentaar van de 19 e -eeuwse R. Samson Raphael Hirsch. Deze laatste oppert, dat Mosjee kennelijk niet de gave van wetgeving en organisatie van nature bezat. Het toont aan, dat de wetten en instellingen van de Tora niet uit zijn eigen hoofd konden komen, maar dat hij alleen maar het best denkbare instrument was.
Toch laat dat overeind, dat het niet de Eeuwige was die de reorganisatie van de rechtspraak aan Mosjee doorgaf of ingaf, maar – al dan niet door goddelijke sturing - zijn schoonvader. Misschien moeten we daar ook nog een lering uit trekken. Lopes Cardoso wijst daarom ook op een ander commentaar, dat van Chaim ibn Attar (bijgenaamd Or ha-chaim) op Sjem/Ex 18:22: ‘Ik geloof, dat de reden is, dat G'd aan het Joodse volk wilde laten zien, dat in al in die tijd en gedurende alle toekomstige generaties er grote en wijze mannen gevonden kunnen worden onder de naties van de wereld. Jitro was een voorbeeld van een verlichte niet-Jood, die dit zonder twijfel heeft aangetoond. Het leert ons, dat G'd het Joodse volk niet vanwege zijn superieure intelligentie heeft gekozen. God heeft het Joodse volk gekozen als (…) een daad van liefde voor zijn volk.' (3)
Het verhaal van Jitro roept het Joodse volk op tot een zekere nederigheid.
Het volk bezit vele talenten – ja we weten het, een onevenredig deel van de Nobelprijzen is gewonnen door Joden -, maar er is ook bij de niet-joden veel wijsheid en deskundigheid te vinden op terreinen waar de Joden niet zo begaafd zijn, wijsheid waar de Joden van geleerd hebben en kunnen leren. Tegelijk is de openbaring van de Tora aan de Joden ook bedoeld om van te leren voor de niet Joden. Om dat te benadrukken is de parasja geplaatst voor de latere wetgeving op de Sinaï.

Heeft Jitro zich nu bekeerd tot het Jodendom?
De hedendaagse Israelische Rabbi Shlomo Rishkin (4) denkt van niet, in tegenstelling tot veel oude midrasjiem. Als Mosjee in Bamidbar/Numeri 10 Jitro (daar genoemd bij zijn andere naam Chovav) smeekt met hem mee te trekken, zegt Jitro: nee ik ga niet mee, ik ga naar mijn land en naar mijn geboortegrond'. Hij zegt niet: ‘het land van mijn vaderen' (4), wat volgens Rishkin betekent, dat hij zich weliswaar niet tot het Jodendom bekeert, maar ook dat hij niet zal terugkeren naar de afgodendienst van zijn voorvaderen. Laten we aannemen, dat hij een aanhanger zal zijn geworden van de Noachitische wetten en hem als voorloper zien van een vreedzaam religieus pluralisme.

Noten
(1) Over de Tien Woorden zie mijn boek Reizen door de Tora deel 1 , p. 137ev
(2) Rabbijn Nathan Lopes Cardoso op The Times of Israel http://blogs.timesofisrael.com/parashat-yitro-racism-and-the-wisdom-of-a-gentile/
(3) Het Toracommentaar van deze beroemde rabbijn uit Marokko (1696-1743 overleden in Jeruzalem) is met Engelse vertaling te lezen op de onvolprezen website sefaria.org
(4) Rabbi Shlomo Rishkin op de Jerusalem Post
https://www.jpost.com/Jewish-World/Judaism/PARASHAT-YITRO-Jews-gentiles-and-justice
(5) In Beresjiet 12:1 verlaat Avraham ‘zijn land, zijn geboortegrond én zijn vaders huis, dwz de goden van zijn vader.

 

Parasjat Wajechi Beresjiet/Genesis 47:27 – 50:26

Een leugen om wille van de vrede?

Als Jacob op zijn uitdrukkelijk verzoek met veel eerbetoon is bijgezet in de grot van Machpela, in Kena'an – mede om zijn nakomelingen te herinneren aan hun land van herkomst, zeggen de geleerden – worden de broeders van Jozef opeens bang, dat de machtige heerser hen alsnog zal straffen, nu het oog van zijn vader niet langer op hem rust. Jozef huilde toen hij de boodschap hoorde en besefte hoe bang zijn broeders waren en hoe zij dus niet door hadden, dat ondanks alle geleden misère alles nu goed was. 
Zo staat het in Genesis 50:16 ev (HSV): 16 Daarom zonden zij Jozef deze boodschap: Uw vader heeft vóór zijn sterven geboden: 17 zo moet gij tot Jozef zeggen: och, vergeef toch de overtreding uwer broeders en hun zonde, want zij hebben u kwaad aangedaan. Nu dan, vergeef toch de overtreding der dienaren van de God uws vaders. En Jozef weende, toen men zo tot hem sprak 

Die al dan niet vermeende order van de oude vader om zijn zonen te sparen heeft de nodige vragen opgeroepen. Was Jacob überhaupt wel ingelicht over de wandaden van zijn zonen ten aanzien van Jozef? De vader leefde waarschijnlijk nog steeds in het geloof dat zijn zoon verdwaald was op zijn weg en als slaaf terecht was gekomen in Egypte. Nachmanides (1) zegt, dat de broeders het niet verteld hebben uit angst voor hun vader, en Jozef niet om zijn vader geen verdriet te doen. Want had de oude man het wel geweten, dan had hij hen misschien op zijn sterfbed wel vervloekt in plaats van gezegend of dan hadden zijn zonen wel gesmeekt om zo'n bevel aan Jozef te geven. 

Heeft Jacob inderdaad dit dringende wel gedaan?
Rabbi Sjimon ben Gamliel zegt in een midrasj op Genesis (2): ‘ Groot is vrede, want zelfs de stammen brachten verzinsels te berde om de vrede tussen elkaar en Jozef te bewaren, zoals geschreven staat: “Daarom zonden zij Jozef deze boodschap: Uw vader heeft vóór zijn sterven geboden…”. Want waar staat dat hij heeft geboden? We vinden nergens dat hij aldus heeft geboden'  .   
Een latere midrasj brengt deze R. Sjimon ben Gamliel weer ten tonele (3): ‘Groot is de vrede, omdat de Heilige, Hij zij gezegend zaken in de Tora heeft geschreven, die niet waar zijn, maar daar staan om wille van de vrede. Het zijn de volgende: ‘ Toen Jozefs broeders zagen, dat hun vader gestorven was, zeiden zij: Als Jozef zich nu maar niet op ons gaat wreken en ons ten volle al het kwaad vergeldt, dat wij hem hebben aangedaan ' Wat deden ze? Ze gingen naar Bilha en spraken tot haar, ‘Ga naar Jozef en zeg tegen hem ‘Voordat hij stierf gaf je vader een bevel, dat inhield: dit moet jullie zeggen tegen Jozef, “Alstublieft, vergeef toch de overtreding van je broers”. Maar niets daarvan heeft Jacob bevolen; Het waren hun eigen woorden. Etc.'
Ze hebben het dus verzonnen om als het ware vaderlijke autoriteit te verlenen aan hun smeekbede niet alsnog gestraft te worden. 

Is een leugen om bestwil af en toe geoorloofd om de vrede te bewaren?
De oude Talmoedgeleerden twijfelden (4), zoals R. Ilea die verklaarde in de naam van R. Eleazar, zoon van R. Sjimon: men mag een verklaring wijzigen in het belang van de vrede; en hij verwijst naar de onderhavige passage, ‘ Uw vader heeft vóór zijn sterven geboden, etc'. Rabbi Nathan wijst daarop op een onmiskenbare autoriteit die het verhullen van de waarheid bekrachtigt en die het verzinnen van een beetje misleiding ten behoeve van een groot belang zelf beoefent: namelijk niemand minder dan de Eeuwige zelf; kijk maar naar 1 Samuel 16:1 ev (NBG): ‘ De Eeuwige zeide tot Samuël: Ik zend u naar de Betlehemiet Isaï, want onder zijn zonen heb Ik Mij een koning uitgezocht. 2 Maar Samuël zeide: Hoe zou ik kunnen gaan? Als Saul het hoort, zal hij mij doden. De Eeuwige zeide: Gij zult een jonge koe meenemen en zeggen: ik ben gekomen om de Eeuwige een slachtoffer te brengen. 3 Dan zult gij Isaï tot dit offer nodigen, en Ik zal u te kennen geven wat gij doen moet; gij zult voor Mij zalven wie Ik u zal aanwijzen'.  
Schiet Samuel te kort in zijn geloof in de bescherming van zijn God? Neemt de Eeuwige het ook niet zo nauw met de waarheid en suggereert hij aan zijn profeet zelfs een list of een smoesje om diens eigenlijke missie – om David tot volgende koning te zalven - te verhullen?
Diverse rabbijnse autoriteiten worstelen met de rol van de Eeuwige in deze teksten. Nechama Leibowitz (5) citeert in haar behandeling van dit vers met instemming de mening van de vroegmiddeleeuwse Bachya Ibn Pakuda die over deze passage zegt, dat de Eeuwige de voorzichtigheid van Samuel juist waardeert: ‘Hij die zijn eigen leven neemt verzaakt aan de dienst van de Eeuwige en loopt over naar de vijand. Daarom zegt Samuel: Hoe zou ik kunnen gaan? Als Saul het hoort, zal hij mij doden. Dit wordt niet gezien als het betoon van een gebrek aan geloof. Het antwoord van de Eeuwige toonde aan, dat zijn (Samuels) voorzichtigheid te prijzen was door hem te bevelen: neem een jonge koe.'
Waarmee aangegeven wil zijn, dat soms de waarheid moet wijken voor een groter belang als vrede of levensbehoud. Het gedrag van Jozefs broers kan als gerechtvaardigd gezien worden op grond van het principe, dat soms de waarheid ondergeschikt moet worden gemaakt voor een groter belang, in dit geval hun leven, dat in hun ervaring in de waagschaal stond.
 
We leven in een periode waarin desinformatie en fake news woekert in een mate die chaos, polarisatie en destabilisatie gevaarlijk bevordert. Maar in het algemeen wordt dit ook expliciet door hen die fakenews verspreiden en desinformatie de wereld insturen beoogd. De vraag die het leugentje van Jozef broers met zich meebrengt is: is fakenews ook als juist daarmee polarisatie of zelfs oorlog wordt voorkomen en de vrede -persoonlijke vrede of vrede tussen groepen en naties – wordt gediend daarentegen wel geoorloofd? De rabbijnse commentaren neigen ertoe dat dit geoorloofd is en dat de morele schade van de leugen niet opweegt tegen het kostbare goed van de vrede.

Ik kan mij een chassidische anekdote herinneren van een Oost-Europese rebbe, die bekend stond om zijn compassie. In zijn kille (gemeente) was een man stervend, die op zijn doodsbed vertwijfeld worstelde in wanhoop, dat hij geen plek zou krijgen in de komende wereld, de olam haba . Hij kon zich niet aan de dood overgeven. De Rebbe ging naar de man en zei hij dat hij zijn eigen plek in de komende wereld aan de stervende afstond en hij liet dit geschenk vastleggen in een document, dat hij samen met getuigende omstanders tekende en aan de arme man gaf, die daarop rustig heenging. Leugen om bestwil? (6)

Noten

(1) in: Nechama Leibowitz, Studies in Bereshit, WZO, p.563 ev, waaraan ook een en ander is ontleend in mijn commentaar
(2) Midrasjverzameling op Genesis uit plm 200-300 gewone jaartelling Bereshit Rabba 100,9

(3) Midrasjverzameling uit plm 700 gj Tanchuma Tzav 7
(4) in Talmoed Jevamot 65b
(5) Nechama Leibowitz, op cit
(6) Zie ook bv de anekdote rond vredebrenger Aharon in midrasjverzameling Avot de Rabbi Nathan 14b, 25a (geciteerd uit Marcus v Loopik ) ‘En evenzo, wanneer twee mensen met elkaar twistten, dan ging Aharon bij één van hen zitten en sprak tot hem: 'Mijn zoon, let op wat jouw kameraad zegt; terwijl hij zich op de borst [let. het hart] slaat en zijn kleren scheurt, zegt hij: "Wee mij, hoe kan ik mijn ogen opheffen en mijn kameraad aanzien? Ik schaam mij voor hem, want ik heb verachtelijk tegenover hem gehandeld!''' Hij bleef dan bij hem zitten totdat hij de vijandigheid (naijver) uit zijn hart had verdreven. Dan ging Aharon bij de ander zitten en sprak (ook) tot hem: 'Mijn zoon, let op wat jouw kameraad zegt;  terwijl hij zich op de borst slaat en zijn kleren scheurt, zegt hij: "Wee mij, hoe kan ik mijn ogen opheffen en mijn kameraad aanzien? Ik schaam mij voor hem, want ik heb verachtelijk tegenover hem gehandeld."' Hij bleef (ook) bij hem zitten totdat hij de vijandigheid (ook) uit zijn hart verdreven had. Wanneer zij elkaar (vervolgens) troffen, omarmden ze elkaar en kusten elkaar. Daarom is er gezegd:  'En zij huilden om Aharon dertig dagen (lang), het gehele huis Israëls'  (Num. 20:20). 
Maar van Mosjè   die hen met harde bewoordingen terechtwees, is gezegd: 'En de  zonen  Israëls weenden om Mosjè' (Deut. 34:8)'

Parasjat Mikeets   Beresjiet/Genesis 41-44:18  
ommekeer  

De tien broeders van Joseef trekken naar Egypte om koren te kopen. Ze verschijnen voor de onderkoning S a fenat-Pan e ach. De broers herkennen in de oudere majestueuze gezagsdrager hun ooit door hen als slaaf verkochte broer niet, maar andersom herkent Joseef hen wel. Hij is van slaaf is opgeklommen is tot heerser over Egypte en de voorraadschuren, die dankzij zijn vooruitziende blik zijn gevuld zijn in de nu aangebroken jaren van hongersnood geopend om koren te distribueren aan de hongerende bevolking. Joseef is geschokt en weet niet zeker hoe te reageren op de mannen die voor hem staan. Zal hij de gelegenheid gebruiken om te vergelden wat ze hem hebben aangedaan of is er een mogelijkheid tot verzoening en kan hij zich aan hen bekend maken? Hij besluit ze duchtig aan de tand te voelen. 

Van sommige kanten wordt aan Joseef wel sadistisch gedrag tegenover zijn broers verweten. Hij onderwerpt hen aan allerlei beproevingen (zoals valse beschuldigingen) en maakt daarmee ook zijn oude vader Ja'akov tot het uiterste ongerust. Vele joodse commentatoren leggen liever de nadruk op het uiterst subtiele spel, dat de onderkoning van Egypte speelt om te testen of zijn plotseling uit Kena'an opgedoken broers van binnenuit zijn veranderd. Alleen dan kan hij zich veilig en gelijkwaardig aan zijn zozeer gemiste familie toevertrouwen. 

Daarom heeft Joseef een lastig parcours uitgezet voor zijn broers, waarlangs zij geleidelijk tot besef van schuld zouden kunnen komen en tot ommekeer. Immers pas dan kan hij kiezen voor het verlangen naar zijn familie, zich bekendmaken en komen verzoening. De motivatie voor het complexe gedrag van Joseef is de liefde voor zijn familie, die ondanks alles levend is gebleven. Het blijkt uit de vele tranen, die hij tijdens de confrontatie met zijn familie vergiet.
In Genesis wordt niet veel gehuild, in totaal zeven keer. Hagar huilt in de woestijn, verlaten en alleen met haar Jisjmaël. (Beresjiet/Genesis. 21:16). Esav barstte in tranen uit, tranen van woede en onmacht, toen hij van zijn vader hoorde dat de zegen al was vergeven aan Ja'akov ( Beresjiet/Genesis 27   :38). Ja'akov en Esav lieten hun tranen de vrije loop, toen ze elkaar na lange tijd weer ontmoetten (Ber/Gen:33: 4). Wel vier keer worden tranen door Joseef vergoten;.

Een bepalend moment is als de broers tijdens de driedagenlange opsluiting in de gevangenis voor de eerste keer hun schuldgevoelens over de meer dan twintig jaar geleden verkochte broer Joseef met elkaar bespreken (42: 24). Joseef luistert ze af en huilt. Zouden de mannen dan toch ten goede zijn veranderd moet hij zich hebben afgevraagd?
De tweede keer huilt Joseef als de broers de tweede keer bij hem komen en hij zijn geliefde Benjamin bij hen ziet (43,30). De derde keer als hij zich aan zijn broers bekend maakt (45,2) en de vierde keer als hij ten slotte zijn oude vader weer ontmoet (46,29). 
(Gelachen wordt er in de Tora niet veel. Het merendeel van het gelach wordt gedaan in de scenes rond Avraham, Sara, Jitschak en Jisjmaël. En dan is het vooral uit ongeloof of uit spot. Echt gelachen uit vreugde is alleen te vinden in Beresjiet 21:6 toen eindelijk de al zo lang beloofde zoon werd geboren: “‘God maakt dat ik kan lachen,' zei Sara, ‘en iedereen die dit hoort zal met mij mee lachen'”, en zo heet de nieuwgeborene dan ook:Jitschak, ‘hij zal lachen'of ‘hij lachte'). 

Als de broers na de tweede komst bij de onderkoning op weg naar huis weer worden gesnapt op de door Joseef bij wijze van ultieme test geënsceneerde diefstal van een bokaal, nota bene bij de jongste broer en lievelingszoon van Ja'akov, Benjamin, begrijpen de in het nauw gebrachte broers, dat het hier een beproeving betreft in verband met een grote schuld die ze op zich hebben geladen.
Ter verantwoording geroepen roept Jehoeda (Ber/Gen.44:15): 
‘Wat kunnen wij u zeggen, mijn heer? 
Welke woorden kunnen wij spreken? 
Hoe kunnen we ons rechtvaardigen?'  
Een mooie midrasj brengt deze drie zinnen van Jehoeda in verband met nu gevoelde schuld over vroeger begane wandaden en hun verlangen schoon schip maken. 
‘Wat kunnen wij u zeggen, mijn heer?' Slaat dan op de escapade van Jehoeda met Tamar (beschreven in de vorige parasja Wajesjev, Ber/Gen. 38) 
‘Welke woorden kunnen wij spreken?' Slaat op de incest van Re'oeven met Bilha, de bijvrouw van zijn vader (Ber/Gen. 35: 22). 
‘Hoe kunnen we ons rechtvaardigen?' verwijst naar de slachting gepleegd door Sjimon en Levi op de mannen van Sjechem en de plundering van de stad door de gezamenlijke broers (Ber/Gen. 34). 

De rabbijnen stellen vast, dat het ultieme bewijs van werkelijke ommekeer (t esjoeva ) wordt geleverd als de berouwvolle overtreder later na het belijden van zijn misstap en de uiting van zijn goede voornemens voor de toekomst in een identieke situatie belandt en dan de overtreding níet begaat. 
Joseef heeft nu zo'n identieke situatie gecreëerd, door – nadat de ‘gestolen bokaal' bij Benjamin was teruggevonden - te eisen, dat de broers bij hun terugkeer naar Kena'an de jongste broer Benjamin als slaaf in Egypte zouden achterlaten. Stel, dat Ja'akovs zonen hiermee zouden instemmen, dan zouden ze nog een keer een halfbroer – en nog wel een volle broer van Joseef, zijn lievelingsbroer – die nota bene ook nog een zoon van Rache was l in de steek laten. 
Maar… dat deden ze niet. In de volgende parasha Wajigasj werpt Jehoeda zich in een ontroerende pleitrede op om Benjamins plaats als slaaf in te nemen. Op dat moment kan Joseef zich als de verloren gewaande broer openbaren. Dan kan bewaarheid worden het beeld van psalm 133: Hoe goed is het, hoe heerlijk als broeders bijeen te wonen! 

noot
(1) vermeld door Nechama Leibowitz in haar commentaar op Mikeets, waaruit ik ook verder heb geput, Studies in Genesis, WZO


Over de haftara 

Het is de tijd van Chanoeka en in de Haftara : Zecharjah 3:4-7 is het thema van Chanoeka  http://www.robcassuto.com/parasjot_clip_image002.jpgzeer sterk aanwezig in het visioen van de gouden zevenarmige Menora. De afbeelding van dit visoen is een meditatie object geworden in de joodse spirituele praktijk, een zg "Shiviti". De zevenarmige gouden Menora wordt omgeven door twee olijfbomen, die de hogepriester Jehosjoea en de politieke leider Zerubavel representeren. Deze twee waren betrokken bij de restauratie van de tempel in 516 BCE na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. De olijfbomen voorzien de Menora van een voortgaande stroom van olie. De beschrijving van de Menora uit Zacharia wordt gelezen in de Haftara van de eerste sjabbat van het Chanoekafeest en besluit met een messiaans visioen van vrede, "Niet door macht, niet door kracht maar door mijn Geest"(Zech 3:4.). Chanoeka sameach!

Parasja Wajesjev   Beresjiet/Genesis  37:1-40:23 

De ontwikkeling van Jehoeda

Een dragende bijrol in de Jozefverhalen vervult de vierde zoon van Lea, Jehoeda, Juda.
Het is fascinerend hem te volgen in zijn ontwikkeling.

De eerste keer, dat hij zich profileert is, als hij oppert Joseef niet te doden, maar te verkopen als slaaf. De tweede keer staat hij even middenin de schijnwerper. Na de verkoop van Joseef als slaaf speelt zich nog een intermezzo af rond Jehoeda en zijn schoondochter Tamar. Tamar – een Kena'anitische vrouw - huwt de oudste zoon van Jhoeda, Er, die ze aan de dood verliest. De tweede zoon Onan weigert zijn zwagerplicht om zijn overleden broer alsnog een erfgenaam te bezorgen te vervullen en ‘verspilt zijn zaad op de grond'. Ook hij overlijdt en dan is volgens de regels van het zwagerhuwelijk (  Jiboem  ) de derde zoon Sjela aan de beurt. Jehoeda voelt daar helemaal niets voor en schuift het op de lange baan en Tamar voorvoelt op de lange duur dat de toezegging niet tot het huwelijk zal leiden, er zal niets van komen. Ze verzint een list. Als de man op weg is naar zijn schapenscheerders in Timna komt hij onderweg - bij ‘  petach enajim'  , de poort van het dorp Enajim , letterlijk ‘opening der ogen' – een gesluierde hoer tegen, de onherkenbare Tamar. Zij verleidt haar schoonvader (en inmiddels ook weduwnaar}. Ze baart een tweeling - Perets en Zerach - en als Jehoeda deze schande wil bestraffen met verbranding stelt zij hem aan de kaak als de vader van die twee zonen, door hem de onderpanden te tonen die ze indertijd als hoer van hem kreeg voor de betaling van haar diensten met een geitje: zijn zegel, zijn koord en zijn staf. Jehoeda herkent ze en zegt: ‘Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sjela heb gegeven'.

Rabbijn Sacks wijst erop, dat dit in de Tora de eerste keer is dat iemand met zoveel woorden zijn fout aan een ander toegeeft. Toen Jehoeda hoorde van de hoererij en zwangerschap van zijn schoondochter beval hij dat zij verbrand moest worden. Tamar klaagde hem toen niet rechtstreeks aan, maar gaf hem de gelegenheid zelf naar voren te komen en te bekennen. Ze zei immers: ‘Zie eens goed, van wie deze zegelring en snoeren en staf zijn ‘ (39:24) . Jehoeda had ervoor kunnen kiezen om gezichtsverlies te voorkomen en zijn reputatie te redden en kunnen ontkennen. Tamar liep dus een groot risico, bij ontkenning door haar schoonvader zou ze verbrand worden. Dat gaf de Talmoedische Rabbi Jochanan de gelegenheid op te merken: ‘Het is beter voor een mens zich in een brandende oven te werpen dan een medemens openbaar te schande te zetten. Hoe komen we daarbij? Van Tamar . (Talmoed Sota 10b).

Eén van de zo op de wereld gekomen zonen, Perets, zal de voorvader worden van koning David, die zijn opvolger, Sjelomo, ook verwekte bij een via een misstap aan zijn zijde gekomen vrouw, Batsjewa (David die volgens de sage van het Nieuwe Testament de voorvader van Jezus zou zijn). 
Ook hier zien we hoe de geschiedenis voortschrijdt middels misstappen van de hoofdpersonen van het drama. De geschiedenis van Israël is allerminst een geschiedenis van verheven personen van onberispelijke levenswandel. De voortstuwing van de gebeurtenissen houdt zich niet aan religieuze regels en ethische voorschriften. David Biale concludeert in zijn boek ‘Eros and the Jews' met verleidelijke ironie: “Nogmaals, (…) misstappen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israël; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn volk te bevorderen”. (1) 
Zijn de dramatis personae geen zondeloze figuren, wat wel opvalt is dat het levende mensen zijn in ontwikkeling. Het zijn geen stereotypen, maar het zijn karakters, die groeien met de jaren. Misschien is dat wel het belangrijkste. Ze worden wijs door schade en schande; getekend door de gevolgen van hun beslissingen en hun daden winnen ze aan statuur. Dat geldt voor Ja'akov, voor Joseef en ook voor Jehoeda. De derde keer dat Jehoeda in de spotlight staat is zijn ‘finest hour', dat is later als de broers in Egypte zijn en voor de machtige onderkoning van Egypte staan, die ze nog niet als hun broer Joseef hebben herkend. Dan houdt Jehoeda als spreekbuis van zijn broers zijn lange pleitrede ten behoeve van Benjamins terugkeer naar zijn vader, de langste monoloog in de Tora, woorden die het hart van hun verloren gewaande broer Joseef doen breken en deze ertoe brengt zich als hun broer bekend te maken (2). 
Als de oude Ja'akov op zijn sterfbed ligt, zal hij in zijn visionaire woorden niet Joseef omschrijven als de leider van zijn broers, maar Jehoeda (Genesis 49:8 ev): 
Jehoeda, jij bent het, 
jou zullen je broers loven! 
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden; 
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen. 
Jehoeda zal de voorvader (met Benjamin) en naamgever worden van de Jehoediem , de Joden.

Noten
(1) David Biale: Eros and the Jews : from Biblical Israel to contemporary America , p 20.
(2) in parashat Wajigasj , Genesis 44:18 ev

Parasjat Wajisjlach  Beresjiet /Genesis 32:4 – 37

Terug naar Bet-el

Als meest bekende gebeurtenissen in deze parasja springen naar voren Jaäkovs gevecht met de man/engel, die hem na een nachtlange worsteling zegent en hem de naam Israël geeft en de daaropvolgende revolutionaire verzoening met zijn broer Esav. Daarover heb ik elders meermalen geschreven (1).
Na de ontmoeting met Esav trekt Jaäkov verder met zijn vrouwen, zonen, dochters en have. Na een verblijf in Soekot van vermoedelijk ruim een jaar (18 maanden volgens Rasji) komt Jaäkov in de woorden van de HSV (33:18 ) ‘veilig aan  bij  de stad Sichem' (Sjechèm). Dat ‘veilig' is een vertaling van het Hebreeuwse sjalem , heel, compleet. Volgens de 19 e -eeuwse Rabbijn Samson Raphael Hirsch duidt sjalem op volledige heelheid niet alleen in materieel opzicht, maar ook in moreel en spiritueel opzicht (2); in deze fase van zijn leven is Jaäkov op het toppunt van zijn morele en spirituele kracht gekomen. Maar wel is het steeds zaak de vrede met de naburen te bewaren. Want de inmiddels al bejaarde Jaäkov is immers nog steeds een nomade die tussen andere stammen en steden met veel beleid een plaats moet zoeken om zijn tenten op te slaan en zijn vee te weiden, zoals hij ook nu voor een flink bedrag een stuk land heeft moeten kopen van de vorst van Sjechèm.

Een zorgeloze toekomst breekt bepaald niet aan, als Jaäkovs dochter Dina uitgaat en de meisjes van Sjechèm een bezoek brengt. Tijdens dat bezoek wordt zij verkracht door Sjechèm, de gelijknamige prins van de stad (vermoedelijk een omvangrijke versterkte villa als centrum van een landbouw- en weideareaal) en daar wordt gevangengehouden. Er volgt dan een even sluwe als doortrapte actie van de tien zonen van Jaäkov onder leiding van Sjimon en Levi om hun onteerde zuster te bevrijden. De smoorverliefd geworden prins wil Dina huwen en in de onderhandelingen tussen Sjechèm, zijn vader Chamor en de zonen van Jaäkov wordt als eis gesteld, dat de prins en niet hij alleen maar ook alle mannelijke inwoners van Sjechem zich zullen besnijden. De prins voldoet ter wille van de liefde graag aan die eis en als de mannen van Sjechèm nog liggen bij te komen van die pijnlijke ingreep worden niet alleen de prins en zijn vader omgebracht met het zwaard en Dina bevrijd, maar ook alle andere mannen worden gedood, de huizen geplunderd en het vee en de vrouwen buitgemaakt.

Dit gebeuren werpt een aantal prangende vragen op.
Is Dina de enige dochter van Jaäkov? In de onderhandelingen tussen de Sjechemieten en de zonen wordt over de uitwisseling van dochters- meervoud - gesproken (34:21). Waarschijnlijk waren er meer dochters; over dochters wordt in de Tora maar zelden gesproken. Vrouwen spelen in de regel een aan mannen ondergeschikte rol.
Heeft Dina aanstoot gegeven? Volgens menige commentator wel. Tegenwoordig zou Dina, ook als ze niet gechaperonneerd op weg ging, moeten kunnen rekenen op respect. Maar de Oude Wijzen fronsen de wenkbrauwen over losheid van zeden van Dina. Meisjes en vrouwen kunnen beter thuisblijven. (3). Meer oog voor de onschuld van het meisje heeft rabbijn Samson Raphael Hirsch (2): Dina was benieuwd naar de meisjes in haar omgeving, ze was nog jong en nieuwsgierig. Daar ga ik liever in mee.
Is de gewelddadige actie van de zonen van Jaäkov te rechtvaardigen? De prins van Sjechem dacht zich aan Dina te kunnen vergrijpen vanuit een positie van superioriteit. De stadstaat was in macht en status ver verheven boven het stelletje afhankelijke nomaden, die de familie van Jaäkov toen vormde. Machtsmisbruik is van alle tijden. Het is te begrijpen, dat de diep gegriefde broers van Dina haar niet alleen wilden bevrijden, maar ook met de macht van het zwaard de schandelijke behandeling van hun zuster wilden beantwoorden. Maar de manier waarop dit gebeurde ging alle grenzen te buiten. Bedenkelijk is alleen al de manier waarop de zonen van Jaäkov de mannen van Sjechèm weerloos maakten (door de voorgewende besnijdenis-eis). Maar het feit dat de represailles van Sjimon, Levi en de andere broers uitliepen op een onbeperkte eerwraak en zelfs een genocidale moordpartij laat ons ademloos van afschuw achter. De buitensporige reactie van de gang of brothers weerspiegelt hoe moeilijk het is om wraakzucht in te tomen en hoe enorm veel ethische discipline het vraagt om de stormachtige aandrang tot mateloos geweld een halt toe te roepen, of, wat klinischer gezegd, bij gewelddadige acties de proportionaliteit in het oog te houden, een probleem waarmee Israël nu het alweer bijna honderd jaar een leger heeft nog steeds wordt geconfronteerd.
Overigens horen we over Dina verder niets meer. Is ze alsnog een keer getrouwd? Is ze meegegaan naar Egypte. Stond ze ooit met haar broers aan haar vaders sterfbed?

De vader van deze grenzeloze zonen is door hun wandaden niet alleen geschrokken en bevreesd voor de wraak van nabuurvolken op zijn kleine schare (34:30), hij moet ook doordrongen zijn geweest van hoe zijn zonen een breuk hadden veroorzaakt in de relatie met de Ene, die een leven volgens de principes van recht en compassie impliceerde. De hevig bezorgde man moet zich hebben herinnerd, dat hij lang geleden bij Bet-el (Bethel) in de bekende ladderdroom had gehoord, hoe de Ene, de godheid van zijn vaderen, hem had verzekerd ook bij hem beschermend aanwezig te zullen zijn en dat Hij hem in vreemde gebieden niet zou verlaten. Na de gepleegde wandaden van zijn zoons verlangde de oude vader dringend naar een hernieuwde verzekering van Zijn presentie. Het is niet moeilijk te begrijpen, dat Jaäkov daarom ingegeven krijgt terug te gaan naar het vertrekpunt van zijn levensreis, naar terug naar Bet-El waar hij voor het eerst Zijn beschermende en richtinggevende presentie heeft ervaren en beseft. En als Jaäkov inderdaad naar die plek is teruggekeerd en een altaar heeft gewijd, manifesteert de Ene zich en herhaalt zijn belofte, dat ‘een volk, een menigte volken' uit Jaäkov zullen voortkomen en wederom wordt hij hernoemd tot Israël, zoals al eerder gebeurt was tijdens het gevecht met de man/engel te Pniël (32:29).

Bijbelwetenschappers zouden dit tweede Bet-El verhaal en de opnieuw vermelde naamgeving van Israël wellicht beschouwen als een zogenoemde ‘doublet', verhalen in de Tora, die als het ware dubbel lijken voor te komen en toe te schrijven zouden zijn aan onhandig aan elkaar lijmen van verschillende bronnen. Het past echter in de levensgang van Jaäkov heel goed dat hij teruggaat naar deze centrale plek van openbaring om het commitment opnieuw te beleven.

Noten
(1) Zie in mijn boek ‘ Reizen door de Tora' , deel1, p 69 ev en mijn website
(2) In 'The Pentateuch, translated and explaines by Samson Raphael Hirsch', Judaica Press, 1973
(3) Bv Midrasj Tanchoema Wajisjlach

Parasjat Chajee Sara Beresjiet/ Genesis 23:1–25:18

Van Avraham en Sara naar Jitschak en Rivka

De parasja Chajee Sara, ‘het leven van Sara', gaat niet over het leven van Sara, maar over haar dood en begrafenis. De titel van een parasja (sidra ofwel ‘wekelijkse bijbelstuk') wordt immers ontleend aan de beginwoorden. Letterlijk vertaald staat er: ‘het leven van Sara was honderd jaar en twintig jaar en zeven jaar, de jaren van het leven van Sara. Sara stierf in Kirjat Arba, nu Chevron (Hebron), in het land Kena'an en Avraham kwam over Sara te rouwen en haar te bewenen'.
Waarom zo uitgebreid die leeftijd van Sara in jaren vermeld? De meest bekende middeleeuwse commentator Rasji zegt, dat hierin besloten ligt, dat Sara toen ze honderd was, ze was als twintig, een leeftijd waarop je nog geen misstappen op je kerfstok hebt; dus op haar honderdste was ze zondeloos en op haar twintigste was mooi als een meisje van zeven. Een charmante idealisering van de aartsmoeder, die wel een voorbode lijkt voor de later door de kerk verklaarde zondeloosheid van Maria.
Toch veronderstelt de midrasj een tragische aanleiding voor Sara's dood. De Tora vermeldt haar overlijden vlak na het verslag van het bijna-offer van Jitschak en daarom is – volgens het uitlegprincipe, dat na elkaar vermelde gebeurtenissen duiden op causale samenhang ( post hoc propter hoc ) - de dood van Sara het gevolg van de schok, die ze ervoer toen ze over het plan van haar echtgenoot hoorde om haar enige zoon te offeren. Avraham was er dan ook niet bij toen ‘haar ziel haar ontvlood' (1). De midrasj leidt uit het Hebreeuws javo Avraham – Avraham kwam - af, dat hij van elders kwam, namelijk van de berg Moria, waar na een heenreis van drie dagen de binding van Jitschak had plaats gevonden; de aartsvader was dus niet bij het sterven van Sara aanwezig. Goed beschouwd geeft de tekst echter voor deze invulling geen reden, ook grammaticaal gezien: het ‘komen' van Avraham wil zeggen ‘ertoe over gaan', Avraham ging ertoe over om te rouwen.(2)

Na Sara beweend te hebben besluit Awraham een graf te kopen van de inheemse Hetitische bevolking. Uitgebreid worden de onderhandelingen weergegeven, met hoofse plichtplegingen wordt de koop van een veld met een voor graflegging geschikte grot, Machpela genaamd, gesloten, dit alles na veel schijnbewegingen, omtrekkende bewegingen en omzichtige beleefdheden die in ons nuchtere Nederland al lang in onbruik zijn geraakt, maar in het Midden-Oosten op veel plaatsen nog wel in zwang zijn. Zie bijvoorbeeld hoe de Hetitische eigenaar Efron veinst, dat het een gift betreft, terwijl intussen wél een flink hoge koopprijs wordt gesuggereerd. Het lijkt wel of in dit stukje het standaardvoorbeeld voor de etiquette van goede onderhandelingen wordt beschreven. 
De rabbijnen geven verschillende redenen waarom de Tora, die gewoonlijk op dit soort gebeurtenissen niet gedetailleerd ingaat, het onderhandelingsproces zo uitgebreid beschrijft. De nationalistische uitleg is, dat in het wijdlopige verslag wordt benadrukt hoe Avraham hier door het kopen van het veld met de grot Machpela als het ware de eerste claim legt voor de aanspraak van de Joden op het land Kena'an, zoals later koning David de dorsvloer van de Jebusiet Ornan koopt voor een altaar, dat de voorloper van de tempel zal worden.
Andere rabbijnen staan een meer morele uitleg voor en zien het gebeuren rond de koop van het graf als een van de vele beproevingen, die aan Avraham toeviel Aan hem waren grootse beloften gedaan van bezit van het weidse land Kena'an in zijn volle lengte en breedte (Ber/Gen 13:17). In schrille tegenstelling daarmee moest hij als omzwervende nomade voor het begraven van zijn vrouw voor veel geld en met het nodige betoon van nederigheid een stukje land kopen; maar toch verloor hij het vertrouwen in die beloften niet. (3)

Als Sara is bijgezet in de spelonk op het veld Machpela is het dringend tijd om een echtgenote voor haar enige zoon Jitschak te vinden. Avrahams vertrouweling Eliëzer krijgt de opdracht een vrouw voor Jitschak te zoeken in het land Aram. Hoe de knecht deze opdracht volbrengt en Rivka vindt wordt in geuren en kleuren verteld, het is een staaltje van de beste Tora-vertelkunst. Lees hierover meer in mijn boek Reizen door de Tora, ‘Een sterke vrouw, wie zal haar vinden?' (4).

Tegen het einde van de parasja sterft ook Avarham. Hij wordt begraven door zijn twee zoons Jitschak en Jisjmaël in ontroerende en hoopgevende eendracht en bijgezet in de grot Machpela. De oude aartsvader heeft na de dood van Sara overigens nog veel leven heeft verwekt. Op hoge leeftijd krijgt hij nog bij de vrouw Ketoera – in wie de midrasj een teruggekeerde en gelouterde Hagar meent te herkennen - nog zes zonen, Zimran, Joksjan, Medan, Midian, Isjak, and Sjoea (over dochters wordt niet gesproken), die op hun beurt de stamvader zullen zijn voor even zovele stammen. En ook Jitschaks halfbroer Jishmaël verwekt twaalf met name genoemde zonen, die vorsten zullen worden van twaalf stammen.
Inderdaad, vele volken zijn uit Avraham voortgekomen, maar niet alle volken worden verder in hun ontwikkeling gevolgd. De rode draad van de parasja is toch in de eerste plaats het verslag van hoe de estafettestok van Israëls bijzondere geschiedenis van Avraham en Sara overgaat naar Jitschak en Rivka; over hun wederwaardigheden gaat de volgende parasja Toldot.

noten
(1) Rasji ad loc, Pirkee de Rabbi Eliëzer 32
(2) Aldus Rabbenoe Bachya (1255-1340) ad loc
(3) Nechama Leibowitz in haar studies in Genesis, p. 307 ev
(4) Rob Cassuto , REIZEN DOOR DE TORA , Genesis en Exodus, p. 61 ev

Parasjat Wajera     Genesis/Beresjiet 18 – 23 

Avrahams pleitrede

In de parasja Wajera (1) treffen we een opmerkelijke passage aan, die staat na het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Avraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen, en vòòr de verwoesting van Sedom (Sodom) en Amorra (Gomorra). Het is als het ware een scharnierpassage tussen deze twee episoden. Het zijn de verzen 18:17 t/m 19
(Statenvertaling 1977 die het dichtst bij het Hebreeuws blijft):
‘En de Eeuwige zeide: “Zal Ik voor ? Abraham ? verbergen, wat Ik doe?
Aangezien ? Abraham ? gewis tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden?
Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn ? kinderen ? en zijn ? huis ? na hem zou bevelen, en zij de weg van de Eeuwige houden, om te doen ? gerechtigheid ? en gericht; opdat de Eeuwige  over ? Abraham ? brenge, wat Hij over hem gesproken heeft.”' Dan volgt de mededeling van de komende vernietiging van de twee steden.

‘(Want) ik heb hem gekend' is de letterlijke vertaling van jadativ . De Statenvertaling vertaalt dit ook zo. Maar dan is het goed te beseffen, dat jada , weten in het oud-Hebreeuws een rijke onderlaag heeft van beminnen (tot en met het fysieke beminnen toe), zoals Rasji ook toelicht in zijn aantekening bij dit vers: het is een uiting van liefde; ‘ik heb hem gekend' komt neer op ‘Ik houd van hem' en zo vertaalt Dasberg het ook. Andere vertalingen hebben gekozen voor (uit)gekozen.
Eigenlijk licht de Tora nu pas toe waarom de Eeuwige zijn keuze heeft laten vallen op Avraham: ‘opdat hij zijn ? kinderen ? en zijn ? huis ? na hem zou bevelen, en zij de weg van de Eeuwige houden'. Dat ‘opdat' ( lema'an ) is geen opdracht van de Eeuwige, maar is eerder causatief op te vatten: Hij kende Avraham en wist dat hij zijn kinderen zou opdragen de weg van de Eeuwige te bewandelen, daarom koos Hij hem. En wat is de ‘weg van de Eeuwige' dan? Het doen van tsedaka en misjpat . ‘Deugd en recht' vertaalt Dasberg, ‘Wahrhaftigkeit und Recht', vertaalt de Duitse Buber-Rosenzweig vertaling, ‘righteousness and justice' (op Chabad.org), ‘goed en eerlijk' oppert de ‘Bijbel in gewone taal'.
Dan komt er weer een ‘opdat' ( lema'an ): ‘opdat de Eeuwige  over ? Abraham ? brenge, wat Hij over hem gesproken heeft'. Dit ‘opdat' wil niet zeggen, dat Abraham dit volgen van de weg van de Eeuwige praktiseert met het bewuste doel de beloningen die hem zijn voorzegd binnen te halen, maar duidt aan dat dit het automatisch gevolg van zijn handelen zal zijn.(2)

Als de Eeuwige zich aldus heeft zich overtuigd van Avrahams toegewijdheid aan deugd en rechtvaardigheid – bezegeld door de besnijdenis – en hem een zoon heeft beloofd, die de kiem zou vormen van een natie, een zoon die hij als vader ook deugd en rechtvaardigheid zou bijbrengen, wil kennelijk de Eeuwige nog wel dat Avraham in de praktijk blijk zou geven van zijn besef van zijn rechtvaardigheid. Daarom besluit de Eeuwige Avraham zijn goddelijk voornemen toe te vertrouwen om de zondige steden Sedom en Amorra totaal te verwoesten (vers 20 ev), een mededeling ongetwijfeld als een soort test bedoeld: hoe zal zijn uitverkorene daarop reageren?
‘Wilt U ook de rechtvaardige verdelgen samen met de boosdoener?' was Avrahams verbaasde – misschien wel verontwaardigde - reactie. Met deze moedige vraag begint de beroemde pleitrede van Avraham om de stad ter wille van de mogelijk aanwezige onschuldige burgers te sparen. God moet een zucht van verlichting hebben geslaakt en wie weet even hebben geglimlacht – als ik even op de antropomorfe toer mag blijven - , toen Hij merkte dat zijn geliefde pupil met zijn vragen inderdaad bleek te beschikken over compassie, een besef van rechtvaardigheid en het vermogen om daar denkend uiting aan te geven en in daden vorm te geven. De generaties van Adam waren gestrand in gewelddaden. De generaties van Noach waren gestrand in overmoed en zelfoverschatting. In Avraham bleek gelukkig het vermogen tot rechtvaardigheid en compassie niet alleen durend gewekt, maar ook zou hij daarin leidraad gaan zijn voor zijn nakomelingen en voor de mensheid een lichtend voorbeeld.

Het debat, dat Avraham is aangegaan met de Eeuwige over rechtvaardigheid en retributie is na hem nooit meer opgehouden en duurt nog altijd in vele vormen voort, in de persoonlijke schreeuw naar de hemel (waarom is mij dit overkomen? Met als archetype Job) tot en met de theologie en de filosofie, waarin de rol van God in de rampen die de mensen zijn overkomen ter discussie wordt gesteld. De stad Sedom, zo vertelt de Tora, is wegens zijn zonden omgekomen in een door God bewerkstelligede regen van zwavel en vuur. Tegenwoordig worden natuurrampen niet meer gezien als straf voor menselijk kwaad. Sinds de beruchte aardbeving en de daarop gevolgde tsunami, die Lissabon trof in 1755, is in het westerse filosofische en religieuze denken een onderscheid gemaakt in noodlot, dat van de natuur komt, omdat de natuur is wat zij is, en het kwaad dat afkomstig is van menselijk falen en van intentionele daden. (3)

Noten
(1) in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1 , en op mijn website heb ik over deze en de vele andere episoden in deze parasja meerdere commentaren geschreven.
(2) Aldus Ramban (Nachmanides) geciteerd in de ‘Studies in Bereshit/Genesis'
van Nechama Leibowitz, WZO, p. 168
(3) Een prikkelend overzicht over en exploratie in het denken over het kwaad levert Susan Neiman in haar boek ‘Evil in modern thought', Princeton Univ. Press, 2002; Voor 1755 zag men nog geen werkelijk onderscheid tussen natuurlijk en moreel kwaad: aardbevingen waren een instrument in handen van de goddelijke Voorzienigheid waarmee Hij het kwaad strafte en morele ordening bracht.

Parasjat Lech lecha Beresjiet/Genesis 12-18    

Avraham en Paulus

In de pesoekiem (verzen) Beresjiet/Genesis 12:3,4 ontvangt Avraham (in deze fase van het verhaal nog Avram) zijn eerste zegen van de Ene. Niet alleen wordt Avraham persoonlijk zegen en bescherming toegezegd, hij zal ook een zegen zijn voor anderen, een natie zal uit hem voortkomen en dan de climax: ‘En in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden'. Niet alleen voor de joden, ook andere volken en religies is Avraham een inspiratie voor juiste levenswandel en een voorbeeld van geloof.
In Beresjiet/Genesis 15:6 staat het geloof van Avraham nog eens uitdrukkelijk geboekstaafd: ‘En hij vertrouwde (geloofde, zeggen andere vertalingen) de Ene, en dit rekende Hij hem  tot   ? tsedaka '. In de Joodse Tora-vertaling van Dasberg en die van Onderwijzer wordt tsedaka vertaald als ‘deugd'. In de Nieuwe Bijbelvertaling lezen we ‘rechtvaardige daad', in de Herziene Statenvertaling staat ‘gerechtigheid'.

Avrahams gerechtigheid komt terug als de apostel Paulus dit vers citeert in zijn zendbrief aan de Romeinen. We lezen: 4 1 (NBV) ‘Wat moeten wij nu zeggen over onze stamvader ? A braham?  2 Indien hij als een rechtvaardige zou zijn aangenomen op grond van zijn daden, dan had hij zich daarop kunnen laten voorstaan. Maar niet tegenover God,  3 want wat zegt de Schrift? “ A braham ? vertrouwde op God, en dat werd hem als een daad van ? gerechtigheid ? (Grieks: dikaiousunè ) toegerekend”'.
Dat lokte mij tot een korte verkenning in het christelijk gedachtegoed.
De term tsedaka , resp dikaiosunè , ‘gerechtigheid' krijgt hier bij Paulus een enorme zwaarte. Aan de hand van dit begrip is een hele christelijke theologie gebouwd: de rechtvaardiging door het geloof alleen ( sola fide ). Wat betekent rechtvaardiging in dit verband? Ik betreed nu het gladde ijs van de theologie en probeer waarschijnlijk onvolledig het toch een beetje in mijn eigen woorden te vatten. Rechtvaardiging betekent, dat de ziel – met name na de dood – door God als het ware wordt goedgekeurd en niet verworpen. Paulus stelt, dat niemand in staat is de daarvoor nodige perfectie in het leven te bereiken, hoeveel goede werken je ook hebt verricht en hoezeer je je ook aan de regels van de wet hebt gehouden. Anders en christelijk gezegd, de mens is van huis uit zondig. Hoe onberispelijk je levenswandel ook is, het helpt je geen zier om deel te krijgen aan de genade. Paulus (of misschien Paulus volgens zijn latere verklaarders) moet hebben gedacht, dat zijn mede-joden met hun strikte wetsnaleving leefden in een soort onverlichte staat; ze zetten alle kaarten op het volgen van voorschriften en regels, maar de mens kan die nooit allemaal precies volbrengen met als gevolg een onvermijdelijke zondigheid. Om de mens te behoeden voor het afkeurend eindoordeel en de ellendige gevolgen van dien is het enige medicijn het geloof in Gods goedgezindheid, vergeving, genade zonder meer. Daarom zegt Paulus, dat vertrouwen in God belangrijker is dan wat hij ‘de werken der wet' – goede daden en wettelijke volgzaamheid - noemt. (1) Hoe weet de apostel dit? Onder andere uit het net genoemde vers over Avrahams geloof. Als goed opgeleide schriftgeleerde haalt hij de Tora erbij. Niet omdat Avraham zulke goede daden heeft verricht werd hij door God gerechtvaardigd (werd zijn ziel behouden in Paulus' opvatting), niet om zijn verdiensten of zijn mooie karakter, maar louter doordat hij op God vertrouwde; dat godsvertrouwen was al genoeg. En omdat hij gerechtvaardigd werd toen hij zich nog niet had besneden en er sowieso toen nog geen geheel van wettische voorschriften bestond, is ook voor hen die niet besneden zijn – lees de niet-joden c.q. de de zg heiden-christenen - het geloof in God voldoende en het is voor het uiteindelijke heil niet nodig, dat je je aan allerlei voorschriften – lees de Joodse wet – houdt. Voor de niet-Joden gaf dit een veel gemakkelijker toegang tot het nieuwe geloof, dat Paulus zo hartstochtelijk onder hen wilde verbreiden. Maarrr …. Gods goedgunstigheid is niet zomaar a priori voor iedereen weggelegd. God wilde – aldus een vrije versie van Paulus' verkondiging -, dat er toch één iemand boete zou doen voor allemaal, Joden en niet-Joden, en degene die zich daarvoor ter beschikking had gesteld was de Jood Jezus. De dood aan het kruis was een bloedoffer ter verzoening met God en het geloof daarin stelde de stichter van het christendom tot een sine qua non voor de toegang tot de goddelijke genade. Waar Paulus aanvankelijk een breed perspectief lijkt te openen op de beschikbaarheid van de goddelijke barmhartigheid en genade voor iedereen, werpt hij opeens een poort op, waar je eerst doorheen moet, zijnde de omarming van het absolute geloof in (Paulus' interpretatie van) Jezus' kruisdood als een door God gewild offer. De de precieze condities voor de doorgang door deze poort en de status van de heiland als wel of niet zoon van God zullen nog stof opleveren voor tweeduizend jaar heftige theologische discussie.(2)

Bij dit alles is een misverstand gewekt, dat van oudsher in veel theologische debatten heeft rondgewaard, namelijk dat het in het christendom louter gaat om genade en het Jodendom blijft steken in een obsessionele fixatie op regels en goede daden.
Maar genade – het Hebreeuwse woord is chèsèd , liefde, vriendelijkheid, compassie, of soms ook cheen , goedgezindheid – is ook in het Jodendom een centraal begrip. Het besef, dat het praktiseren van de voorschriften van de Tora en het doen van goede daden op zich niet voldoende kunnen zijn en dat wij per definitie tekortschieten naar de maat van wie we potentieel kunnen zijn en dat we daarom de gift van genade en barmhartigheid niet kunnen missen, is een hoeksteen van het Joodse levensbesef (het woord vertrouwen past beter dan het woord geloof). In de gebeden wordt een beroep op de genade gedaan, zoals in het belangrijke gebed op grote verzoendag, Avinoe Malkenoe : ‘ Onze Vader, onze Koning, wees ons goed gezind, antwoord ons, wij hebben geen daden waarop wij ons beroepen kunnen, maar doe ons recht en wees genadig en red ons.' Zoals ook in het boek Daniel wordt gevraagd, Dan 9:18: ‘Niet omdat wij ? rechtvaardig ? zouden hebben gehandeld leggen wij onze smeekbeden aan u voor, maar omdat uw ? barmhartigheid ? groot is'. De psalmen zingen over de chèsèd van de Ene. Zij komt in de midrasj en de Rabbijnse literatuur vaak ter sprake (3). De Joden hebben geen behoefte aan een geofferde Galileesche middelaar tussen mensen en de Ene. De genade staat al klaar voor wie haar wil ontvangen. Ommekeer – tesjoeva – is wel een voorwaarde.

Voor de Joden – maar waarom niet: voor alle mensen – geeft tesjoeva de mogelijkheid om zich weer terug te vinden in het licht van goedheid en genade, die voor allen in principe overvloedig en altijd aanwezig en beschikbaar is.
Rabbi Arthur Segal zegt het in vromere termen zo: ‘God neemt zijn genade ( grace ) nooit van ons weg, Hij keert Zijn rug niet naar ons toe. Wij zijn het die onze rug toekeren naar God en zijn overvloedige genade negeren'. (4)

Noten

(1) bv ook Romeinen 3:28: ‘Wij komen dus tot de slotsom dat de mens  door het geloof gerechtvaardigd  wordt zonder werken der wet'  
(2) Pinchas Lapide legt uit hoe Joods Paulus ondanks alles ook is. Hij constateert, dat het een feit is dat het Paulus gelukt is om het geloof in de God van Israël tot aan de einden der wereld te verbreiden. Pinchas Lapide, de rabbi van Tarsus , in ‘Paulus, rabbi en apostel', 1981, Kok, Kampen
(3) De zogenaamde toorn, woede, gramschap van de God van het Oude Testament wordt door de oude rabbijnen danig gerelativeerd, zie bv Talmoed Berachot 7a: En hoe lang duurt zijn woede? Een moment. En hoe lang is een moment? R, Abin zegt: zo lang als het duurt om rega (moment) te zeggen. En hoe weet je dat hij maar een moment boos is? Omdat er is gezegd in psalm 30:6: Zijn woede duurt een oogwenk, zijn ? liefde ? een leven lang.
(4) Rabbi Arthur Segal op zijn blog

Parasjat Noach Beresjiet Genesis 6:9-11:32

Noach en Avraham

De parasja Noach vertelt het overbekende drama van de zondvloed, beter gezegd grote vloed ( maboel ha-majiem ). Noach wordt als enige rechtvaardige gespaard van de vernietiging van de verdorven mensheid en krijgt de opdracht een ark te bouwen en met hem zijn familie en van alle diersoorten paren op die ark mee te nemen. Na vele maanden op de overstroomde aarde te hebben rondgedreven landt de ark op de droogvallende aarde en stelt De Eeuwige zijn regenboog aan de hemel als teken dat Hij niet wederom deze radicale sanctie op zijn schepselen zal toepassen (1).  
In de volgende episode wordt het incident rond de dronkenschap beschreven van de inmiddels landbouwer en wijngaardenier geworden Noach, die naakt zijn roes lag uit te slapen: zijn zoon Cham zag zijn vader open en bloot en deed er niets anders aan dan het aan zijn broers, Sjem (Sem) en Jèfèt (Jafet) te vertellen, die wél met het nodige respect en met afgewend gelaat hun vader benaderden om hem te bedekken met de mantel der liefde.  
Dan volgt het verhaal van de nakomelingen van Noach en hun verstrooiing over de aarde, nadat zij met hun project om met de toren van Bavel de hemel te bereiken De Eeuwige toch wat ongerust hadden gemaakt over de ambities van de schepselen, die zijn evenbeeld droegen. (2)
Tenslotte volgt de opsomming van de nakomelingen van Sjem, die in tien geslachten uitmondt op Avraham.  

Hoe hebben de Oude Wijzen Noach beoordeeld? ‘Noach was een rechtvaardig ( tsadiek ) man en onberispelijk ( tamiem ) onder zijn tijdgenoten', zo staat er geschreven (6:9).
Rabbi Jehoeda, een geleerde uit Talmoedische tijden, ziet dat ‘onder zijn tijdgenoten' ( be-dorotav , eigenlijk: ‘in zijn generaties') als een sterke relativering van Noachs goede eigenschappen. Had Noach geleefd in de generaties van Mozes of Samuel dan was hij niet opgevallen als een bijzonder rechtvaardige, aldus rabbi Jehoeda; onder de blinden wordt de eenogige helderziend genoemd en de kleuter een geleerde. In een verdorven wereld is valt een klein beetje rechtvaardigheid al snel op.
Maar - zoals het in het talmoedisch discours vaak toegaat - heeft zijn collega rabbi Nechemja een tegenovergestelde mening: als hij in die generatie destijds al een rechtvaardige was, hoeveel te meer zou hij dat niet in de tijd van Mosjee (Mozes) zijn geweest! (3); als je in een verdorven wereld rechtvaardig leeft, wat voor power heb je dan niet in jezelf om desondanks rechtvaardig te zijn!
Ik laat aan u over welke opvatting u het meest aanspreekt.
De twee genoemde rabbijnen gaan verder met de grootheid van de persoonlijkheid van Noach te vergelijken met die van zijn nakomeling van tien generaties later: Avraham.
Van Noach wordt gezegd, dat ‘hij rechtvaardig was en dat hij wandelde met God' (6:9).
Maar wanneer Avraham in het verhaal wordt geïntroduceerd: wordt niets over zijn karakter of goede eigenschappen verteld. Er staat zelfs in het vers, waarin de Eeuwige hem een verbond aanbiedt (17:1): ‘Wandel voor mij uit en wees onberispelijk', een opdracht voor de toekomst, hij moet het allemaal nog waarmaken.
Maar de twee geleerden ontwaren niettemin een markant verschil ten gunste van Avraham,
Rabbi Jehoeda zegt ongeveer: de morele kracht van Noach was zwak als een kind, waarvan de vader zegt: wandel bij mij. De morele kracht van Avraham was groot als van een volwassene, waarvan de vader zegt: wandel voor me uit.
Rabbi Nechemja vergelijkt Noach met een vriend van de koning; de vriend zakt weg in de modder en de koning zegt: wandel met mij hier is de grond stevig. Abraham is de vriend van de koning, die vanuit zijn raam de koning ziet wandelen in een donkere steeg en hem met een licht bijlicht; de koning zegt dan: kom je huis uit, vriend, en loop met je licht voor mij uit. (4). Rasji vat deze uitleg aldus samen: ‘Noach had Gods hulp nodig om hem te helpen rechtvaardig te blijven, Avraham putte zijn morele kracht uit zichzelf en wandelde in rechtvaardigheid door eigen inspanning'. (5)
Misschien mag ik het zo vertalen: we zien van Noach tot Avraham een toename in spirituele kracht en moreel bewustzijn in de opvolgende generaties van het mensdom, ik geef toe een optimistische visie, die vaak schuilgaat achter de rampen en oorlogen van de geschiedenis. Maar als we de bloedige grafiek van toppen en dalen op de schaal van millennia bekijken, is dan toch niet een opgaande tendens te bespeuren?
Maar laten we inzoomen op meer individueel niveau: dan kunnen we in de verschillende levensfasen van de mens ook zo'n ontwikkeling van niveaus van (moreel) bewustzijn ontdekken. Eerst komt het niveau van Noach, het niveau van de fatsoenlijke gewone man of vrouw die al blij is om zichzelf (en zijn/haar gezin) door moeilijke tijden te loodsen en daarnaast geen ruimte heeft om verder te kijken maar kwetsbaar is om te verdwalen in de verdoving van allerlei afleidingen (zie Noachs vatbaarheid voor het op spel zetten van zijn waardigheid en integriteit in de scene waarin hij na de zondvloed zijn wijngaard cultiverend dronken in zijn tent ligt, 9:21 ev).
Maar vanuit het niveau van Noach is het mogelijk zich te ontwikkelen in de richting van het niveau van Avraham, de mens die zijn eigen morele support heeft opgebouwd en niet alleen zichzelf, zijn gezin en zijn huishouden door woelige tijden loodst, maar ook anderen met zijn goede voorbeeld wil meenemen op de juiste weg van rechtvaardigheid en mededogen. Hij trekt zich - wat Noach niet heeft gedaan - het lot van zijn medemensen aan, zoals wanneer hij opkomt voor zijn neef Lot en wanneer hij ervoor pleit om de ondergang van de bewoners van Sedom en Amorra af te wenden..

Tenslotte nog iets over de zonen van Noach. ‘En ?Noach? verwekte drie zonen: ?Sjem, ?Cham? en Jèfèt (Jafet). (Ber/Gen 6:10). In de kabbala worden de drie zonen geassocieerd met de drie attributen van de ziel van de mens. Mij een eigen versie veroorlovend van een aantal interpretaties: De naam Cham betekent ‘hitte' en staat voor de hartsocht, Sjem betekent ‘naam' en staat voor geest, intellect, begrenzing, Jèfèt (Jafet) – afgeleid van J afè , mooi – staat voor ‘schoonheid'. Herkenbaar zijn de sefirot (subtiel energetische krachten) Chesed (= Cham (6)) en Gevoera (= Sjem), resp. hartstocht en geest/intellect, die zich verzoenen, een harmonie vinden in schoonheid, de sefira Tifèrèt. (= Jèfèt). Wanneer passie en verstand zich met elkaar weten te verbinden kan een mooi leven en een mooie wereld ontstaan.

Noten
(1) Het laat me niet los te veronderstellen, dat verhalen over de zondvloed een na-echo zijn uit de eeuwen, dat de ijstijd eindigde en onder invloed van snelle temperatuurstijging de zeespiegel snel steeg en enorme overstromingen veroorzaakte, o.a. de doorbraak van de verbinding van Engeland met het continent en het ontstaan van de doorgang van de Zwarte zee naar de Middellandse zee. Die snelle zeespiegelstijging, komt die ons bekend voor?
(2) Over de toren van Babel zie commentaren van Rob Cassuto op de vijf boeken van de Tora: REIZEN DOOR DE TORA,deel 1, van het Begin naar de Berg,  Genesis en Exodus , p.45 ev
(3) Midrasj Beresjiet Rabba, 30,9
(4) Midrasj Beresjiet Rabba, 30,10
(5) Rasj ad loc
(6) Op Chabad.org wordt Cham geassocieerd met Gevoera, maar associatie met Chesed past m.i. beter.

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8

Adam gaf namen

Waarom er iets is en niet niets kan alleen de mens in momenten van diepgaande verwondering beseffen en dat niet alleen, hij kan deze oervraag ook onder woorden brengen en het delen met anderen. Daarvoor heb je het vermogen van bewustwording nodig. We kunnen het scheppingsverhaal zien als de neerslag van het ontstaan van een schepsel, dat zich van zichzelf en zijn omringende wereld bewust wordt – Adam, de mens.

Je zou kunnen veronderstellen: God had de mens ook niet kunnen scheppen – en volgens de midrasj (1) raadden de engelen hem het scheppen van dit onvolmaakte wezen ook sterk af – maar de drang van de Ene naar een ‘tegendeel', dat van Zijn bestaan wist, Hem kende, was sterker. ‘Alleen met de geboorte van het mensdom werd het universum bewust van zichzelf' zo drukt Rabbijn Jonathan Sacks het uit (2). Hier wil ik het belang van woorden en taal in het proces van bewustwording eens belichten, dat belang voor bewustwording lijkt mij doorslaggevend en onomstreden. In het Jodendom wordt aan woorden en namen scheppingskracht toegekend.
De Talmoed zegt: met tien woorden is de wereld geschapen, immers tienmaal staat er ‘God sprak' (3). Tot en met vers 2:4 wordt een verslag van het totale scheppingsproces gegeven, God schept met die tien woorden in een logisch proces van scheiding en ordening de wereld en de mens. Je zou ook kunnen zeggen de woorden kerven uit de chaos (tohoe wabohoe ) van een niet onderscheidend en nevelig bewustzijn de grondcontouren van betekenis. In hoofdstuk 2 schakelt de Tora over naar de narratieve sfeer van een volksverhaal met kleur en verbeelding en zoomt in op de bewustwordende individuele mens. De taal moet onlosmakelijk een intrinsiek onderdeel van dat bewustwordingsproces zijn geweest.

Als we kijken naar de verzen Beresjiet 2:19 zien we de menselijke taal ontstaan: aan Adam, de mens, wordt een optocht van dieren getoond ‘om te zien hoe hij ze noemen zou; en zoals ?Adam? elk levend wezen noemen zou, zo zou zijn naam zijn. Zo gaf ?Adam? namen aan al het ?vee? en aan de vogels in de lucht en aan alle dieren van het veld'.
Het feit, dat de mens namen is gaan geven aan dieren en dingen moet lang geleden een cruciale fase in zijn geschiedenis van mentale progress ie (of neutraler gezegd: ontwikkeling) zijn geweest. En het is logisch, dat die eerste woorden die in hem opwelden de dieren betroffen, die om hem heen zowel bedreiging vormden als voedsel, maar die tegelijk ook zijn bewondering en ontzag opwekten. (4). Die taalwording is misschien wel in heel korte tijd tot stand gekomen. De antropoloog Levi-Strauss zegt: ‘wat het moment en de omstandigheden ook geweest mogen zijn van het opduiken van taal, het kan alleen maar plotseling zijn gebeurd. Dingen hebben niet geleidelijk betekenis kunnen krijgen. (…) er vond een verschuiving plaats van een stadium waar niets een betekenis had naar een ander stadium, waarin alles een betekenis kreeg.' (5) Toen de eerste woorden in Adam opgeweld waren kon het snel gaan, de mogelijkheid om symbolische tekens te gebruiken voor de dieren en de dingen nam een hoge vlucht, vele woorden volgden, verbanden konden worden gelegd, de wereld werd gevuld met duizend mogelijkheden van zingeving. Spoedig kon de eerste mens ook iets van zijn innerlijk onder woorden brengen. Hij of zij kon zelfs een naam geven aan iets als een existentiële besef van eenzaamheid: ‘ik ben alleen'. Zoals God de mens nodig had om gekend te worden had Adam, de mens, op zijn beurt een ander mens nodig om te kennen en gekend te worden. Natuurlijk, in het eerste hoofdstuk had God al mensen geschapen, mannen en vrouwen, die met elkaar zouden omgaan en zouden gaan samenwerken om de wereld aan hun wil te onderwerpen (lees Beresjiet 1:27, 28 (6)). Maar dat betekent nog niet, dat men de medemens bewust zijn collega als medemens ervaart. Dat de ene mens in volle gewaarheid zijn partner als een zelfstandig individu met een eigen naam tegenover zich ontmoet, dat gebeurt pas als hij uit de sfeer van het onbewustzijn ontwakend Eva (Chava) naast zich ontdekt en haar als gelijkwaardige tegenover zich ( kenegdo ) ontmoet en haar een naam geeft: iesja , vrouw. Als we de tekst even ontledigen van het eenzijdig mannelijk perspectief – in de midrasj zijn daartoe wel aanzetten te vinden(7) - mogen we misschien zeggen, dat er een moment is geweest, dat de mens zich ervan bewust werd, dat hij in twee varianten was geschapen door er een naam aan te geven en wel twee onderscheidende namen, ‘man' en ‘vrouw', iesj en iesja . Dat was een besef niet als een abstract inzicht maar als een vreugdevol waarnemen en genieten van de verschillen tegelijk met de herkenning van basale gelijkheid, de erkenning, dat de ander naast het andere ook hetzelfde is (vgl Wajikra 19:17, ‘Heb je naaste lief, want hij is als jezelf', vertaling Martin Buber); juist in de masculiene en feminiene verschillen te midden van het gelijke lot mens te zijn zit de mogelijkheid en de attractie van de liefde voor de (levens)partner. De diepgaande blijdschap zingt de mens (hij/zij) uit in poezie (Ber. 2:23):
‘Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente,
mijn eigen vlees,
een die zal heten: vrouw (iesja)
een uit een man (iesj) gebouwd.'

Het boven geciteerde loflied van Adam ademt nog een onvervalste blijdschap.
Maar boven het nog onbedorven samenzijn van man en vrouw – de oorspronkelijke harmonie - buigen zich al de takken van de boom waaraan de verleidelijke vrucht hangt waarvan de consumptie het mensdom onomkeerbaar zal voortstuwen in de strijd om te midden van het drama van het aardse leven steeds weer opnieuw met vallen, opstaan, misverstand en voortschrijdend inzicht, het evenwicht te vinden tussen zijn/haar streven naar macht, bezit en lust en zijn/haar intens verlangen en de gevoelde dringende noodzaak van kanalisering en beheersing op weg naar een nieuwe harmonie, die daarboven uitstijgt. (9)
Wie goed luistert hoort hoe in de woorden van hoofdstuk twee de eros meeklinkt. De oude rabbijnen hebben het verhaal altijd geassocieerd met seksualiteit (8). In het Hebreeuws van het boek Beresjiet is het werkwoord ‘kennen' – lada'at - erotisch geladen. Als Adam later Kajin verwekt staat er ‘Adam kende zijn vrouw Chava' (Ber. 4:1). De vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad - eesj hada'at tov we-ra - was naar de mening van vele Oude Wijzen de vrucht van bewustwording van de seksuele aandrift. Eenmaal in het bezit van die kennis werd de mens opgeladen met een enorme power tot voortbrenging (in enge en ruime zin) maar tegelijk opgezadeld met de ‘heidense' klus om deze geweldige macht te begrenzen en in goede banen te lijden. Vaak is seksualiteit daarbij door de geleerde mannen (niet alleen in het Jodendom) gezien als een hinderpaal voor spirituele vooruitgang (vaak uitgedrukt als eenwording met God) en ten onrechte is daarvoor de schuld aan de vrouw gegeven. Nog steeds moet nog veel werk verricht worden om dit recht te trekken.

noten
(1) De midrasj staat in Talmoed Sanhedrin 38b
(2) Rabbijn Jonathan Sacks in zijn mooie commentaar op Beresjiet van het Joodse jaar 5778
(3) Pirkee Avot 5:1
(4) Freud en vele antropologen als Levi-Strauss constateerden totemdieren als de eerste manifestatie van religie
(5) Ik trof deze uitspraak van Claude Levi-Strauss aan op Wikipedia
(6) Een prachtige analyse van de twee scheppingsverhalen van hoofdstuk 1 en 2 geeft Rabbi Joseph Dov Soloveitchik in ‘ The Lonely Man of Faith', die een beetje doorklinkt in mijn stuk, zie voor een samenvatting op mijn website
(7) Bijv. in Talmoed Eruvin 18a: ‘ Rabbi Jirmeja zei ook: Adam werd eerst geschapen met twee gezichten, een mannelijk en een vrouwelijk, zoals wordt gezegd (psalm 139:5:) “U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij .” Tsela, meestal vertaald als ‘zijde' soms als ‘rib', wordt opgevat als ‘gezicht'.
(8). Bijv. Radak (Rabbi David Kimchi 1160–1235) ad Beresjiet 2:17 legt de kennis van goed en kwaad uit als het ontwaken van de drang tot geslachtsgemeenschap
(9) In Marcus van Loopiks ‘Kabbala als levenskunst' (Skandalon, 2018, hfst 4) wordt dit geassocieerd met de sefirot Netsach en Hod


Parasjat We-zot haberacha  Devariem/Deuteronomium 32 en 33
De dood van Mosjee

De parasja We-zot haberacha is de laatste parasja van het boek Devariem/Deuteronomium en daarmee van de Tora. Op het komende feest van Simchat Tora wordt van de parasja hoofdstuk 34 over de dood van Mosjee gelezen en meteen daarna hoofdstuk 1 van de eerste parasja van de Tora, Beresjiet/Genesis, over de schepping van het universum, de aarde en de mens. De cyclus van Tora lezen gaat altijd circulair door. Het verhaal van het volk van Israël gaat in zekere zin lineair door: de Israëlieten staan aan de rivier de Jordaan en onder Josjoea zullen zij de rivier oversteken en de boeken, die men tezamen Nevi'iem noemt (Josjoea, Rechters, Samuel, Koningen etc.) zullen de geschiedenis verderzetten.

De parasja WeZothaberacha (‘Deze zegen') begint met de zegeningen die Mosjee over de stammen Israëls uitspreekt. De aanhef luidt: ‘De Eeuwige is van Sinaï gekomen, Als een zon kwam Hij op van de berg Seïr. Hij straalde op hen vanaf het gebergte Paran, Hij kwam met tienduizenden ?heiligen, aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen.'
De Oude Wijzen vroegen zich af, waarom naast Sinai ook nog Seïr en Paran als locatie voor de Eeuwige wordt vermeld. Dat komt, opperen zij, omdat de Eeuwige de Tora eerst nog aan andere volken had aangeboden. Wat is erin geschreven, vroegen de Edomieten (wonend op en rond Seïr). 'Moordt niet', was het antwoord; laat maar zitten zeiden de Edomieten, van het zwaard zul je leven, is onze voorvader Edom gezegd (Beresjiet/Genesis 27:40). Ook de Moabieten en de Ammonieten weigerden vanwege het gebod ‘pleeg geen overspel', ze waren nakomelingen van Moav en Ben-Ammi, zonen uit de incest van hun voorvader Lot met zijn twee dochters (Ber/Gen 16:12). Tenslotte wimpelden ook de Arabieren het aanbod af. Het gebod ‘Steel niet' was hun te gortig, daar nu eenmaal hun hartstocht was te roven als nakomelingen van Ismaël (zie de karakterschets in Ber/Gen 19:36). Tot Hij een volk vond, dat de Tora wel wilde accepteren, Israël (1).

Iedere stam krijgt zijn eigen langere of kortere zegening over zich uitgesproken.
In een ander commentaar ben ik ingegaan op deze zegenspreuken (2)
Mosjee beklimt het Pisga gebergte naar de top genaamd Nevo. Alleen gaat hij, zoals we misschien allemaal dat laatste uur alleen moeten gaan. Dan mag hij een laatste blik werpen op het land, waarnaartoe hij veertig jaar lang zijn volk heeft geleid. Alle landstreken passeren zijn nog helder oog, o.a. heel J u da ‘tot aan de zee in het westen', ad hajam ha-acharon , maar verander één klinker - van jam, ‘zee', naar jom , ‘dag' en je leest ad hajom ha'acharon , ‘tot de laatste dag': Mosjee zag de geschiedenis zich afspelen tot de laatste dag, zo wil het de midrasj, aan hem werd een totaalblik gegund in het verleden en het toekomstig wel en wee van Israël (3)

Dan is het moment gekomen om de dood werkelijk onder ogen te zien. Net als alle mensen is Mosjee sterfelijk. Net als voor alle mensen is dat ook voor de grote leraar aanvankelijk een haast onverteerbare zaak. Hij wist dat het ervan moest komen, hij had al eerder van hogerhand te horen gekregen, dat hij voor het betreden van het beloofde land zou moeten sterven. Dat was moeilijk te accepteren. ‘Laat me alsjeblieft de Jordaan oversteken om het goede land te zien', smeekt de hoogbejaarde (Dev/Deut 3:25). Voor de beproefde leidsman is het vrijwel ondoenbaar het leven op te geven en daarmee zijn missie in aan anderen over te laten. De midrasj gist dat Mosjee 515 smeekgebeden om door te mogen leven heeft opgezonden (4). Mosjee is geen heilige, nergens in de Tora wordt hij heilig genoemd.
In ‘The legends of the Jews' lezen we over de vele manieren waarop de vertellers zich hebben voorgesteld hoe Mosjee in zijn smeekbeden de Eeuwige heeft getracht te vermurwen om het doodsmoment te omzeilen. (5) De mythen en legende over de laatste uren van Mosjee weerspiegelen de moeilijke fasen, die we in onze laatste dagen moeten doormaken om op het punt te komen, dat we onze ziel kunnen overgeven. ‘”Heer der wereld, als u me het land Israël niet laat betreden, laat me leven als de dieren van het veld en gras eten en water drinken, laat me leven en de wereld zien: laat me een van hen zijn.” Maar God zei: “genoeg!”. Toch ging Mosjee door: "Als u dit niet toestaat, laat me dan in deze wereld leven al een vogel die vliegt in de vier richtingen van de wereld en die elke dag voedsel van de grond zamelt en water uit de beken drinkt en ‘s-avonds terugkeert op zijn nest." Maar zelfs deze laatste bede werd niet verhoord; God zei: “Je hebt al te veel woorden gesproken”' (6).
Echter toen Mosjee smeekte om dan maar voort te mogen leven als een gewoon burger, werd dat even toegestaan en de grijze leermeester repte zich naar de tent van Josjoea, zijn leerling en opvolger, om diens lessen aan te horen. De toehoorders riepen, dat Mosjee moest spreken, maar Mosjee zei: luister naar Josjoea. Na diens les drong het volk aan, dat Mosjee Josjoea's woorden verder moest uit te leggen. Mosjee begon eraan, maar als gewoon burger lukte hij hem dat niet.'
Een betekenisvolle scene; de oude leraar moet erkennen dat hij is uitgediend, zijn leerling is leraar geworden op zijn eigen manier. Mosjee's taak is volbracht, maar het werk gaat door. ‘Daarop zei Mosjee tot God: "Tot nu toe wilde ik leven, maar nu verlang ik ernaar te sterven. Liever honderd keer dood dan een keer jaloers."'
De legende beschrijft nog een lange strijd van de stervende met de demonische engel Samaël - misschien een verbeelding van hoe de ziel zich nog hecht aan het leven - en dan geeft Mosjee toestemming aan zijn ziel om te gaan en neemt God haar met een kus op de mond in ontvangst. God zorgde persoonlijk voor een graf, waarvan de exacte plek nooit bekend werd, zodat men er geen plaats van afgodische praktijken van kon maken (7).

Noten
(1) Een vrije bewerking uit Sifree Devariem 343.
Een en ander komt terug in een Joodse mop met een antisemitisch luchtje.
‘God heeft een paar geboden bedacht en Hij gaat ermee op pad.
Eerst komt Hij bij de Fransen en zegt: 'Ik heb een mooi gebod voor jullie.' 'Wat is het voor een gebod?' vragen de Fransen. God zegt: 'Jullie mogen niet vreemdgaan, niet echtbreken.' 'Nee,' zeggen die Fransen, 'dat is niets voor ons. Zo'n gebod nemen wij niet aan.' 'Oké,' zegt God en vertrekt. 
Hij komt bij de Duitsers en zegt: 'Hoor eens jongens, ik heb een gebod voor jullie. Gij zult niet doden.' 'Nee,' roepen die Duitsers, 'dat is flauwekul. Daar luisteren wij niet naar.' Enigszins wanhopig gaat God verder. 
Dan komt Hij bij de Joden aan en zegt: 'Ik heb een gebod voor jullie.' 'O ja?' vragen de joden, 'en wat kost het? 'Niets,' zegt God, 'het kost jullie helemaal niets.' 'Prachtig,' zeggen de joden, 'doe er dan maar tien.' (meer witzen op http://www.robcassuto.com/witzen.html )
(2) Al eerder waren de stammen op een sterfmoment toegesproken: door stamvader Ja'akov (Bereshiet/Genesis 49:1-28). Het is interessant de woorden van Ja'akov en die van Mosjee naast elkaar te leggenen; zie daarvoor een eerder commentaar van mij
(3) Op dat thema heb ik verder gefantaseerd in mijn commentaar op parasja Wa-Etchanan, vergezicht vanaf de Pisga op Tsion
(4) Devariem Rabba 11:10. 515 is het getal van de Hebreeuwse letters wa-etchanan , ‘en hij smeekte'
(5) ‘The Legends of the Jews' van Louis Ginzberg 3.7 op Sefaria.org waar de vele midrasjiem en legenden die om de dood van Mosjee gesponnen mooi zijn gebloemleesd
(6) vgl rav lach , Dev/Deut 3:26.
(7) Jikvor oto , ‘Hij begroef hem' wordt door sommigen vertaald als: hij (dwz Mosjee) begroef zichzelf (aldus meldt Rasji over talmoedleraar Isjmael). Sforno wijst op de anomalie, dat Mosjee stierf op de top van de berg, maar werd begraven in een dal.

De ommekeer van Rabbi Nathan
Een verhaal voor de periode van de Hoge Feestdagen

There is a crack in everything
That's how the light gets in (Leonard Cohen in ‘Anthem' )

Het is de periode van inkeer en ommekeer tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer. A.s. vrijdag begint de zogenoemde sjabbat van ommekeer ( sjabbat sjoewa ) en in plaats van een commentaar op de parasja Wajelech (Deut. 31) – waar trouwens ook de ommekeer van de Israëlieten centraal staat – ga ik een verhaal over ommekeer vertellen.

Rond 1800 leefde Nathan Hertz, een fruitverkoper in het stadje  Nemirov  , in de streek Podolië, ergens in Oost-Europa, een stadje met veel chassidische joden, arme mensen met een spontaan en diep geloof in God en hun rebbe. 
Op een dag sprak Nathan niet meer. Hij verwaarloosde zijn handel, ging niet meer naar de markt en niet meer naar de synagoge, stond laat op, zei geen ochtendgebed meer en zat uren in een hoek. Het ging niet goed met Nathan. 
De man verzwakte steeds meer, voelde zich ernstig ziek en bleef in bed liggen.
De angst bekroop hem, dat niet lang meer zou leven. 
Zijn vrouw werd heel ongerust en riep een aantal wijze mannen uit de omgeving van Nemirov te hulp. Daar stonden ze dan bij zijn ziekbed. Nathan zweette en keek nerveus de kring om zijn bed rond. Hij beefde. Was het van de koorts of van de angst? 
Eindelijk sprak hij. 
- ‘Lieve mensen, ik weet, dat ik het niet lang meer maak. Ik ben wanhopig. Ik ben een waardeloos mens geweest. Ik heb mijn gebeden verwaarloosd, ik ben vaak op de sabbat niet naar de synagoge gegaan, ik heb de gewichten van mijn weegschaal te zwaar gemaakt en te veel voor mijn appels en peren gerekend, ik heb te veel van het geld gehouden en te weinig van mijn vrouw en kinderen, ik heb kwaadgesproken en gelogen. Ik heb mijn medemensen niet genoeg geholpen en veel te weinig goede daden gedaan. Zoveel ben ik tekortgeschoten in hoe je moet leven volgens onze grote leraar Mozes. Wat moet ik doen als ik voor de troon van de Almachtige sta?' 

Rabbi Zoesja van het naburige dorp Hanipol schudde zijn hoofd. 
- Nathan, je zal niet gevraagd worden, waarom je niet méér zoals Mozes bent geweest. 
Ik denk, dat je gevraagd zal worden: ‘Nathan Hertz, waarom ben je niet méér Nathan Hertz geweest? 
Nathan slaakte een diepe zucht. Hij was nog steeds bang, maar ook kwam een diep verdriet in hem op. Lang bleef het stil. 
- Ik heb geprobeerd te doen wat mijn vader wilde, wat mijn familie wilde, wat mijn buren wilde, wat de Rebbe wilde, wat de wet van Mozes wilde. Maar wie is Nathan nou eigenlijk, wie is Nathan echt; ik weet het nog steeds niet. Ik heb gefaald. Het is of ik een grote barst in mijn ziel heb. 

De wijze Rabbi Jakob Jozef uit het dorp Polnoje zei: 
Nathan, misschien ben jij wel als die emmer aan het juk van de waterdrager. 
- Hoezo?, vroeg de zieke 
- Twee emmers droeg de waterdrager iedere dag aan een juk naar de rivier om ze te vullen met water voor zijn gezin en zijn akker. Maar een van de emmers, de rechter emmer, had een barst. Daardoor lekte steeds de helft van het water weg op de terugweg van de rivier naar het bassin bij het huis van de waterdrager. Als de emmers 's nachts in de schuur stonden, zei de linker emmer tegen de rechter: ‘ik ben een echte emmer, die zijn waarde bewijst, mooie emmer ben jij, je laat de helft weglekken, wat voor waarde heb jij nou...'. Op den duur kon de emmer met de barst het niet meer uithouden. Hij meldde zich in een droom van de waterdrager. De emmer zei, ik ‘voel me waardeloos, een kapotte emmer ben ik, doe me toch weg en koop een nieuwe emmer.' De waterdrager antwoordde hem. ‘ Let morgen eens goed op. Aan de rechter kant van het pad, jouw kant, is het groen en bloeien de bloemen. Dat komt omdat jij iedere dag je water geeft aan de rechter kant van het pad. Daardoor konden de daar aangelande zaadjes ontkiemen en tot bloei komen. Iedere dag ben ik blij, want door de bloemen is mijn pad minder saai. Juist om jouw lek waardeer ik jou.'

Rabbi Nachman was net binnengekomen uit het naburig stadje Breslow. Hij had het verhaal over de waterdrager gehoord. Ook hij was een verhalenverteller. Hij zei: 
- Ik moet denken aan het verhaal van de koning en zijn juweel. Er was er eens een koning, die een prachtige edelsteen had. Hij keek er iedere dag naar en dat gaf hem nieuwe energie. Op een dag schrok hij vreselijk door een donderslag bij heldere hemel en de edelsteen viel uit zijn hand op de harde paleisvloer. Er was een grote barst in het juweel gekomen. Ambachtslieden kwamen uit alle delen van het rijk. Ze zeiden er niets aan te kunnen doen. Uiteindelijk meldde zich toch een oude juwelier, die van ver kwam. 
- Ik kan er wat aan doen, zei hij, maar u moet mij beloven mij volstrekte vrij te laten.
De koning had geen keus en de werkman richtte zijn werkplaats in het paleis in en toog aan de arbeid. Vele dagen was hij bezig, behalve natuurlijk op de sabbat. Eindelijk dook hij op en liet de koning de edelsteen zien. In het juweel had de oude man de lijnen van de barst omgewerkt tot een bloem, diep uitgekerfd in de kostbare steen. De koning hapte naar adem, zo prachtig zag het eruit. Juist door de barst was de steen nog kostbaarder geworden dan hij al was. ‘ 

Toen Rabbi Nachman was uitgesproken, barstte Nathan Herz in tranen uit. Het leek het of een lichtstraal in de donkere kamer van zijn hart was binnengevallen. Vanaf toen begon een langzaam herstel van de zieke man. Hij werd een leerling van Nachman van Breslow, van de Rebbe, zoals de joden een wijze leraar noemen. De Rebbe zei tegen zijn leerlingen: de wereld lijkt absurd, maar achter die absurditeit is altijd betekenis en zin te vinden. Weet dat iedere daad, hoe klein ook, verschil kan maken. Vergeet nooit dat jij jouw eigen steen kan bijdragen in de verlossing van de wereld ondanks alle absurditeit en tegen alle frustraties en teleurstelling in. Het is nooit te laat om te worden wie je bent. 

Iedere dag ging Nathan nu een kleine positieve daad doen.
Met iedere daad viel er weer een nieuwe lichtstraal in zijn hart. 
Hij ging weer vroeger opstaan. 
De volgende dag deed hij weer zijn ochtendgebed, want soms is het lot zwaarder dan de ziel en helpt de Eeuwige een beetje dragen. 
De dagen daarna ruimde hij zijn schuur op en werkte hij zijn boeken bij. 
Hij bracht zijn weegschaal in orde en herijkte zijn gewichten. 
Hij ging naar de markt en groette de mensen met een glimlach. Hij begon de zieken in het stadje te bezoeken. De mensen praatten graag met hem en stortten hun hart bij hem uit. Ze voelden dat Nathan wist waar ze het over hadden. 

Rabbi Nachman stierf toen hij nog geen veertig was. Hij benoemde zijn leerling Nathan als zijn opvolger. De wereld is een smalle brug, maar de hoofdzaak is om niet bang te zijn, zong Rabbi Nachman altijd en Rabbi Nathan zong het hem na en daarna heel Israel tot op de dag van vandaag; in het Hebreeuws klinkt het zo: “Kol ha-olam koelo gèsjèr tsar me'od, we ha'ikar lo lefached klal”. 

© RC herzien 2018
Bronnen
Het verhaal is fictie maar bevat elementen uit de chassidische werkelijkheid van de 18 e en 19e eeuw. Rabbi Nathan, geboren in Nemirov (Oekraiens: Nemiriv), heeft werkelijk bestaan. Nathan van Breslov , 1780 – 1844, ook bekend als  Reb Noson , was de belangrijkste leerling en secretaris van Rebbe  Nachman van Breslov stichter van de Breslover Hasidim 
Ons verhaal over de depressie en over hoe Nathan leerling werd van Rebbe Nachman is echter louter fictie. 
Reb Zoesja (1718-1800) was een chassidische rebbe uit de bloeitijd in de 18e eeuw. 
Zijn uitspraak van waarom hij niet Rabbi Zoesja is geweest is een klassieke anekdote uit Martin Bubers ‘Chassidische vertellingen'. 
De twee verhalen over de waterdrager en de edelsteen stammen uit de chassidische sfeer en heb ik bewerkt uit de Breslover internet site http://www.davka.org/what/text/sermonics/srmnyk64perfect.html 

Parasjat Nitsaviem  Devariem/Deuteronomium. 29:9–30:20
Gebeitelde woorden    

Bij de heilige berg Sinaj (ook Chorev genoemd) heeft Mozes de ‘woorden van de Eeuwige' die hij had gehoord aan het verzamelde volk verteld en vervolgens opgeschreven – de essentie van de Tora - waarna het verbond tussen de Eewige en de Israëlieten werd gesloten (Sjemot / Exodus 24:7).
Deze archetypische scene van het volk dat gezamenlijk luistert naar de woorden van de Tora zal nog vele malen worden opgevoerd. Zoals in deze parasja.

We moeten niet vergeten: na het vertrek van de berg en de vergeefse poging het land Kanaän binnen te vallen zijn er achtendertig jaar verstreken waarover in de Tora niets is vermeld. Waarschijnlijk zijn de woestijnreizigers al vrij snel neergestreken bij de oase van Kadesj en hebben daar vele rustiger jaren doorgebracht met beginnende landbouw. In die periode waren al veel van de leerervaringen bij de heilige berg vervaagd en de praktijk verwaterd. De menselijke neiging tot het wat gemakkelijker nemen van de toch wel veeleisende voorschriften is herkenbaar. Een geheel nieuwe generatie is aangetreden. Het volk moet op herhalingsoefening. Het boek Deuteronomium is een urgente opfriscursus door Mozes, een resumé van al het geleerde, gegeven voordat de hoogbejaarde leider de berg bestijgt om er te sterven.

In deze parasja Nitsaviem roept Mozes het hele volk nog één keer bijeen en na de tocht door de woestijn met zijn lotgevallen en de beschermende presentie van de Ene nog eens indringend te hebben gememoreerd introduceert een hij een hernieuwde sluiting van het verbond, een hernieuwd commitment van de Israëlieten aan de Eeuwige en zijn opdrachten. Bijna vier decennia na het eerste verbond bij de heilige berg zegt, nu bij de Jordaan, Mozes: ‘ U staat heden allen voor het aangezicht van de Eeuwige, uw God: uw stamhoofden, uw ? oudsten ? en uw beambten, alle mannen van Israël, 11 uw kleine ? kinderen , uw vrouwen, en uw ? vreemdeling ? die in het midden van uw   tenten kamp  is, van uw houthakker af tot uw ? waterputter ? toe (1), 12 om het ? verbond ? van de Eeuwige, uw God, en Zijn ? vervloeking , binnen te gaan, dat de Eeuwige, uw God, heden met u sluit. (2)

Ook na de dood van Mozes moet telkens de Tora weer opnieuw van de vergetelheid worden gered en in herinnering worden gebracht. En moet opnieuw een commitment worden gemaakt.
Jozua, Mozes's opvolger, heeft daar zijn uiterste best voor gedaan.
Na de eerste veroveringen in Kanaän liet hij ten aanschouwe van het hele volk bij de heuvels van Ebal en Geriziem de Mozaische voorschriften op stenen schilderen of beitelen en vervolgens liet hij deze voor de verzamelde stammen voorlezen, een herhalingsoefening van het gebeuren uit de parasja Nitsaviem (Dev/Deut 8:30 ev).
Aan het eind van zijn lange leven verzamelde Jozua nogmaals alle stammen van Israël in Sichem (Sjechem) en stak daar zijn zwanenzang af, die sterk doet denken aan de woorden van Mozes en die ook nu weer besloten wordt met een verbondsluiting (Joz 25:25): ‘ Zo sloot ? Jozua ? op die dag een ? verbond ? met het volk en stelde   het  in Sichem voor hen vast als een verordening en bepaling'.

Een lange periode brak aan waarin de woorden van de Tora langzaam uit de herinnering wegzakten, tot tijdens de regering van koning Josia bij de restauratie van de tempel een boekrol werd gevonden, waarvan bijbelwetenschappers vermoeden, dat dat wel eens het boek Devariem/Deuteronomium kon zijn of een allereerste versie daarvan. De vrome koning liet zich het boek voorlezen, schrok en voerde een grondige zuivering door. Ook nu weer werden alle bewoners van het koninkrijk Juda bijeengeroepen. En weer opnieuw werd er een voorlezing gehouden en een verbond gesloten. (2 Kon 23) ‘Hij las ten aanhoren van hen al de woorden van het ? boek ? van het ? verbond ? dat in het ? huis ? van de Eeuwige gevonden was (…) en sloot een ? verbond ? voor het aangezicht van de Eeuwige om de Eeuwige te volgen en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn verordeningen met heel zijn ? hart ? en met heel zijn ziel in acht te nemen, door de woorden van dit ? verbond ? die in deze ? boekrol beschreven zijn, uit te voeren. En het hele volk trad toe tot dit ? verbond'.

 

Weer zullen vele eeuwen van verwaarlozing en vergeten voorbijgaan tot gedurende en na de babylonische ballingschap geleerden de voorschriften van Mozes weer aan de vergetelheid ontrukten en de woorden reconstrueerden. Ezra componeerde cum suis de Tora zoals wij hem ongeveer kennen. Dat leidde tot een plechtige publieke voorlezing. Het weer in Judea teruggekeerde en gesettelde volk verzamelde zich als één man op het plein dat in Jeruzalem voor de Waterpoort ligt en Ezra las staande op een hoog spreekgestoelte uit de Tora voor aan de in eerbied staande menigte. Specialisten legden ter plekke de oude teksten uit. De luisteraars waren hevig aangedaan. Heel het volk huilde toen ze de woorden van de wet hoorden. (Nehemia 8).

De voorlezing van de Tora heeft in de eeuwen die volgden geleidelijk in de synagogale diensten een vaste plaats gekregen. In tweeduizend jaar is een enorm bouwwerk van uitleg om de oude woorden gebouwd. Maar iets van die oorspronkelijke gezamenlijke ontroering en het besef van hernieuwd commitment is misschien nog voelbaar als we samen staan in de diensten van de Hoge Feestdagen, die over een paar dagen beginnen op de vooravond ( erev ) van Rosj Hasjana.

Sjana tova en een goed en zoet nieuw jaar gewenst!

Noten
(1) De waterputters en de houthakkers komen ook voor in het boek Jozua:
(9:27 De naburige Hivvieten hadden Jozua misleid door uit angst voor het geweld van de Israelieten zich voor te doen als van verre gekomen bedelaars, die aansluiting bij het volk zochten. Toen het bedrog uitkwam, werden ze toch niet omgebracht, maar maakte ? Jozua ? hen toen houthakkers en ? waterputters ? voor de gemeenschap.
(2) Rabbeinu Bachya meent ad loc dat het verschil tussen beide verbondsluitingen vooral berust in dat het tweede verbond met een eed bekrachtigd werd.

Parasjat Ki   tetsee     Devariem/Deuteronomium 21:10 – 26
Raap de eieren, maar laat de moedervogel vliegen

De Tora is in zekere zin te zien als een pedagogisch boek, een boek over volksopvoedkunde, een geschrift over geestelijke vorming. Het leert - om in een baaierd van lustimpulsen, aanvechtingen tot onmiddellijke behoeftebevrediging, oog te hebben voor de ander, rekening te houden met het algemeen welzijn en eerbied te hebben voor de schepping in en om ons heen. De kern van het boek is geschreven door de profeet Mozes, die dit ingegeven kreeg vanuit een hoge (of diepe) dimensie. Na de Babylonische ballingschap besloten de Oude Wijzen dat het afgelopen was met de profetie en zij stelden in de eeuwen voor de gewone jaartelling voor altijd de tekst vast, die vanaf zeg twaalfhonderd voor de gewone jaartelling was begonnen te ontstaan. Geen tittel en geen jota mocht meer worden veranderd.
Uit die oude tekst komen door het struikgewas van de culturele bepaaldheid van meer dan 2500 jaar heen een aantal universele basiswaarden naar voren, die nog steeds een morele grond onder de voeten geven. Ze zijn onder woorden gebracht in de Tien Geboden – eigenlijk Tien Uitspraken – en in een aantal andere algemene uitspraken zoals ‘Heb uw naaste lief als u zelf'. Terecht gaat de Tora ervan uit, dat die algemene basiswaarden gratuit blijven als ze niet worden geoperationaliseerd in concrete handelingen. Om dat zeker te stellen staan er daarom heel wat voorschriften in het boek, die heel concreet aangeven wat er moet gebeuren om die basiswaarden te realiseren. En omdat men in het Jodendom graag precies wil weten waar men aan toe is hebben de rabbijnen die voorschriften geteld, 613 zijn het er. Maar omdat die toch nog heel wat vragen oproepen over tot hoever ze reiken, wanneer ze wel gelden en wanneer niet, hebben de rabbijnen in het rabbijnse Jodendom die voorschriften in de loop der eeuwen nog verder met elkaar besproken, bediscussieerd, uitgewerkt, aangepast aan nieuwe tijden en daarmee zijn ze nog steeds bezig. Al met al is het er wel op neergekomen dat de Tora-geleerden een enorm gebouw van regels hebben opgetrokken; het leven van de orthodox observante Jood is van de wieg tot het graf, van de eerste dag tot de laatste dag van het jaar, van dag tot dag en haast van uur omgeven is door een veelheid van regels. Het gevaar bestond en bestaat, dat je meer bezig bent je precies aan de regels te houden – wat nooit helemaal lukt – dan met het in praktijk brengen van de basiswaarden van en de grondintentie onder de regels. De apostel Paulus heeft bij de zogenoemde Farizeeën dit fenomeen van excessieve wettische vroomheid wel geconstateerd, maar hij heeft het kind met het badwater weggegooid door de regels als alleen maar een benauwenis te zien, die de genade de weg versperde (zie bijv. Romeinen 6:14). Genade speelt ook in het Jodendom als chesed wel degelijk een grote rol en kan in ieder geval voor de Joden bemiddeld worden zonder Jezus Christus.(1) Paulus heeft zich misschien in zijn jeugd bekneld gevoeld door de obsessie ultravroomheid die hij ook toen om zich heen zag en dat verhinderde hem door te dringen tot de nobele opvoedkundige intentie, die de ‘wet' had (en heeft) om een gemeenschap te vormen waar altruïsme en rechtvaardigheid zou heersen. Daarom is het nog steeds goed de voorschriften van de Tora en de traditie te bestuderen en te doorgronden.

De parasja Ki Tetsee bevat wel 74 van de 613 mitswot. Laten we uit die menigte opdrachten twee regeltjes uitkiezen voor nadere beschouwing.
Zo lezen we bijvoorbeeld de volgende effectuering van de grondwaarde ‘heb uw naaste lief' in Devariem/Deuteronomium 22:1: ‘U mag niet het rund of het schaap van uw broeder zien als ze afgedwaald zijn, en u vervolgens aan uw plicht onttrekken (letterlijk: u verbergen). U moet ze beslist naar uw broeder terugbrengen'. Goed gezien dat gebod. 't Is maar lastig als je dat afgedwaalde schaap ziet, je wil het liefst net doen alsof je het niet hebt gezien. Maar daar steekt dit voorschrift een stokje voor: je moet het naar je naaste terugbrengen (zo ook Sjemot 23:4). Heel uitdrukkelijk staat er in het Hebreeuws dubbelop: hesjiev, tesjievem , vertaald als ‘breng beslist terug' of ‘in ieder geval'; letterlijk staat er: ‘breng terug!, je zal hen terugbrengen'. Daar trekken de geleerden twee lessen uit. Hoe vaak het ook gebeurt dat afdwalen van os, schaap (of ezel, of wegraken van kleren of ander bezit) steeds moet je het terugbrengen. De eerste keer is het een opdracht, hesjiev , breng terug of je nou wil of niet. Maar als je meerdere keren dit voorschrift hebt vervuld ga je het vrijwillig en graag doen, dan wordt het tesjievem , je zal terugbrengen; dat is de educatieve vorming bedoeld door de mitswot. (2)
De basiswaarde van mededogen, wordt die niet geoperationaliseerd door de verzen 22:6 ev over het ontzien van de moedervogel? ‘Wanneer u onderweg een vogelnest tegenkomt, in welke boom dan ook of op de grond, met jongen of eieren, en de moeder zit op de jongen of op de eieren, dan mag u met de jongen niet  ook  de moeder meenemen. 7 U moet de moeder zeker laten vliegen, maar de jongen mag u voor uzelf meenemen, opdat het u goed zal gaan en u  uw  dagen zult verlengen'.
Een oude controverse is de vraag; zijn de voorschriften louter een absolute uiting van Gods wil tout court of zit er een rationale achter, die soms boven onze pet gaat maar vaak is te achterhalen (zo Maimonides). In het geval van dit voorschrift speelt duidelijk het besef, dat men de moedervogel het verdriet van het aanzien van het verlies van haar jongen wil besparen (denk ook aan het verbod om het jonge geitje in de melk van zijn moeder te koken)(3). Het voorschrift geldt overigens niet (aldus Nachmanides) voor de Ene dit niet uit compassie met dieren heeft bepaald; het is bedoeld voor ons om òns te trainen in mededogen met levende schepselen (inclusief onze medemensen). Dus weer die educatieve intentie.
Het is overigens één van de vele bepalingen die te maken hebben met diervriendelijkheid, die vaak ten onrechte aan het Jodendom wordt ontzegd (4)    

Noten
(1) Vgl alleen al de slotzin van het smeekgebed op Jom Kipoer ‘Avinoe malkenoe', ‘Onze vader onze koning. Bewijs ons gunst en antwoord ons, want wij hebben geen daden waar we ons op kunnen beroepen, doe ons recht en begenadig ons, red ons.'
(2) Uit het commentaar van Nechama Leibowitz, Studies in Devarim, WZO. 1980, pp 209 (3) En vgl Wajikra/Leviticus 22:28: U mag niet een rund of een stuk kleinvee met zijn jong op dezelfde dag slachten.
(4) Dit is het leerstuk Tsaär baälee chajiem Zie ook Menno ten Brink, Is het jodendom diervriendelijk?, NIW 31 maart 2011

Parajat Sjoftiem  Devariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9 

Koningen en profeten

In deze parasja worden belangrijke elementen geleverd voor de ordening van de maatschappij van de in Kenaän binnengetrokken stammen van Israël. Onder veel meer (1) zijn verordeningen over het koningschap gegeven.
Dev/Deut 17:14: ‘Wanneer u in het land komt dat de Eeuwige, uw God, u geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, en u  dan  zegt: Ik wil een ? koning ? over mij aanstellen, zoals al de volken die rondom mij zijn, dan moet u voorzeker hem tot ? koning ? over u aanstellen die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal'.
Deze formulering doet denken aan wat in de eerdere parasja Re'ee stond over vlees (Devariem 12:20 ev): ‘Wanneer de Ene, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, en u zegt: Ik wil vlees eten, omdat uw ziel ernaar verlangt om vlees te eten, dan mag u naar het volle verlangen van uw ziel vlees eten.'  Rav Kook (Rabbi Abraham Isaac Hakohen Kook,1865-1935) hoorde in de formulering van deze zinsneden een licht verwijt doorklinken; met tegenzin stond de Ene het eten van vlees toe, als concessie aan de mensen. Een gelijk verwijt kunnen we bespeuren in deze bepaling over de koning. Het ‘koningschap' van de Ene zal de stammen van Israël niet genoeg zijn. Mosjee voorzier dat ooit het volk zwak zal zijn en het koningschap in een fysiek persoon belichaamd wil zien. De aanstelling van een koning is dan ook geen mitswa (verplichtend voorschrift), maar een permissie, zoals de Oude Wijzen concluderen. (2)
De bepalingen over de koning vinden een parallel in Tenach als de oude Samuel
( Sjemoe ël) van de oudsten van Israel te horen krijgt (1 Samuel 8:5):' Zij zeiden tegen hem: Zie, u bent oud geworden en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom een ? koning ? over ons aan om ons leiding te geven, zoals alle volken'. Waarschijnlijk stamt de vastlegging van de bijna gelijkluidende regels in Devariem dan ook uit de tijd van Samuel of zelfs ver daarna.
In Sjemot/Exodus en Bamidbar/Numeri gaat de Eeuwige nog in de strijd voorop, gesymboliseerd in de heilige ark die door de Levieten voor de marsorde uit wordt gedragen.(3) Nog steeds zingt men in de eredienst vooraf aan het ronddragen van de sefer Tora de woorden die Mozes ? zei bij het opbreken van de ? ark ? (Bamidbar 10:35) ? : ‘Sta op, Eeuwige, laat Uw vijanden overal verspreid worden en hen die U haten, van Uw aangezicht vluchten!'. Maar in de tijd van Samuel had de heilige ark na de rampzalige nederlaag te Even Ha-ezer gefaald en was in het bezit van de Filistijnen gekomen. Men is gaan beseffen dat de heilige ark niet een panacee was om de vijanden op de vlucht te jagen. Een vervallen en corrupte priesterstand en een steeds terugkerende toewending naar de afgoden van de buren had de presentie van de Eeuwige van de ark losgemaakt. Weliswaar was de ark door de Filistijnen teruggebracht, maar het object bleef bij de grens in het huis van Aminadav; het had zijn centrale plaats verloren. Wel had de latere koning David de ark nog teruggebracht en stond hij in de tempel die Salomo (Sjelomo) had gebouwd, maar na de verwoesting van de eerste tempel is hij in de mist der tijden verdwenen. (4)
De Israëlieten wilden iets anders in plaats van een periodieke leiding in noodgevallen door richteren, die zich geraakt voelden door de geest van de Eeuwige. Ze vroegen van Samuel nu een permanente leiding door een vleselijke koning om voorop te gaan in oorlogstijd en te heersen in vredestijd. De oude profeet bood eerst tegenstand. Hij zag in het verzoek een verwerping van het koningschap van de Ene (1 Sam 8,7). Hij schildert in een paar schrille beelden een zeer realistische situatie van de menselijke koning die zijn onderdanen zal uitbuiten door een eindeloze reeks van dienstbaarheden en materiele eisen op te leggen (1 Sam 11-18). Maar dan ziet hij in, dat het volk nooit de voortdurende vroomheid zal kunnen opbrengen, die nodig is voor een koningloze semi-theocratische natie, een ideaal dat ook Plato zag stuklopen in de seculiere versie van zijn door filosofen geleide samenleving. Dat leidt dan tot Israëls eerste koning Saul (Sjaoel). De oude profeet/leider (10:25) ‘sprak tot het volk over de bepalingen met betrekking tot het koningschap, schreef  ze  op een ? boekrol, en legde die voor het aangezicht van de Eeuwige'. Er wordt niets gezegd over de inhoud van die boekrol, maar we kunnen een aanwijzing halen uit de bepalingen van Devariem 17:19-20): de koning mag geen buitenlander zijn, hij mag niet veel paarden hebben en die zeker niet door zijn landgenoten uit Egypte laten halen, hij mag niet veel vrouwen nemen (18 is het maximum, zegt de midrasj, want dat was het aantal vrouwen van David) en niet al te veel zilver en goud (maar wel genoeg om de soldaten te betalen, aldus Rasji). En last but not least: hij moet een Tora rol schrijven, die alle dagen lezen en zich aan diens voorschriften houden. Ik gok het erop, dat deze voorschriften voor de koning pas goed op schrift zijn gesteld na het regiem van koning Salomo (Sjelomo), die gaandeweg zijn leven te midden van veel te veel goud en zilver en veel te veel vrouwen de weg kwijtraakte en zich door hen van het rechte pad liet brengen.
We zien een toenemende scheiding van geest en volksleiding. Was tijdens de uittocht en de woestijnreis de leiding nog ‘in handen' van de Eeuwige middels zijn profetische tussenpersoon Mosjee die in voortdurend contact met Hem stond, in de tijd van de rechters was dit contact al minder en periodiek, in de tijd van Samuel ‘was het woord van de Eeuwige schaars en de gezichten niet talrijk' (1 Samuel 3:1). Eigenlijk is de profeet Samuel de laatste in wie de geest en de volksleiding nog in één persoon verenigd was. Met de koningen van Israël is de politieke leiding verzelfstandigd en is het ‘woord van de Eeuwige en de gezichten' afgesplitst en voorbehouden aan een nieuwe gedaante, die nog wel in verbinding staat met de oorspronkelijke essentie van de Mozaïsche openbaring: de eenzame profeet, die als een horzel de gevestigde leiding volgt en soms met gevaar voor eigen leven maar ongeneeslijk geraakt door de geest van de Ene de misstanden en de afdwaling van de koning en zijn onderdanen volgt en aan de kaak stelt, zoals eerst Natan bij koning David en later Hosjea, Amos, Jesaja en Jeremia en anderen tot met Malachi deze fase wordt afgesloten.
In het reguliere Jodendom wordt de profetie als een afgesloten hoofdstuk beschouwd. De tekst van de Tora staat sinds de laatste eeuwen voor de gewone jaartelling – bewerkt door de de Masoreten van ongeveer 1000 van de gewone jaartelling – vast en niemand kan zich voor de uitleg van de Tora meer beroepen op een hemelse openbaring, dat is ook de boodschap van een bekende midrasj uit de talmoedische tijd (5). Men achtte men de tijd van de profetie voorbij Het is aan de Tora-geleerden om in hun intersubjectieve discours de boodschap van de Ene verder te duiden en uit te werken.
Is profetie nu werkelijk helemaal uitgestorven? 
Maimonides, die overigens wel de evolutionaire achteruitgang van de menselijke gave van profetie constateert is toch wat optimistischer. Evenals de Talmoedische wijzen ziet de oude middeleeuwse meester dromen als een onvolmaakte uiting van profetische verbeelding: ‘… en zij (de rabbijnen) herhaalden het idée in de Midrasj Beresjiet Rabba en zeiden “ dromen zijn de knoppen van profetie”. Maar een waarlijk wijs en verheven mens zou na een studieuze voorbereiding in principe nog kunnen, profeteren, mits de Ene hem dan daarvoor uitverkiest. (6)

noten
(1) In mijn boek Reizen door de Tora, deel 2 en op mijn website ben ik uitgebreid ingegaan op de andere aspecten van de parasja Sjoftiem
(2) Zie Nechama Leidowitz, Studies in Devarim, WZO, p.175 ev
(3) Het volgende is mede geïnspireerd door M. Buber, Het geloof der profeten, Servire, 1072 hfst V
(4) Of is hij tijdens de regering van Menasje naar het Egyptische Elefantine gebracht en van daar door de Tempeliers naar Axum in Etjiopie, zoals de orthodoxe Ethipische christenen geloven en Graham Hancock in een documentaire uit 1993 beweert?
(5) Babylonische Talmoed Bava Metzia 59b.
(6) Mozes Maimonides, Guide of the perplexed, II, XXXIII-XLVIII

Parasjat Wa-etchanan Devariem / Deuteronomium 3:23-7:11

Hebben religies ons nog iets te bieden? 

Wat langzaam tot ons doordringt is hoe de wereld is veranderd. Communicatie reikt tot de verte uithoeken en is razend goedkoop. De media brengen de wereld bij de zitbank thuis. Reizen is gedemocratiseerd. De productie is geoutsourcet. De digitale informatierevolutie woedt in al zijn overstelpende dynamiek. Welvaart is in het westen alom. Maar tegenstellingen verscherpen zich. De kloof tussen arm en rijk wordt alarmerend groter. De armoede in vele delen van de wereld komt iedere dag in onze huiskamer. Aanstormende economieën eisen hun gigantisch deel in welvaart. Hulpbronnen worden zwaar belast en raken op. De hittegolf van dit moment brengt ons nog eens aan het verstand: de planeet blijkt een subtiel en kwetsbaar systemisch geheel. De aarde is het grote schip van ons allen, dat met ons door de eindeloze ruimte tolt. Spasmen voor de grote ramp of barensweeën van een nieuwe tijd? We hebben een nieuwe visie nodig, want de oude religies spreken niet meer al zijn we ons soms wel bewust, dat we daarmee iets onmetelijks hebben verloren.

Wat nu? Biedt nieuwe spiritualiteit, die op seculaire grond ontluikt misschien een oplossing? 
Een kwart van de Nederlanders is 'ongebonden spiritueel' stelde een  rapport  van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid van zo'n tien jaar geleden vast. De gangbare theorie dat spirituele mensen vooral oude hippies zijn –de flowerpower- adepten van weleer– en dat ze vanzelf wel uitsterven, klopt volgens het rapport niet. „Ons onderzoek laat zien dat spirituele mensen ook onder jongeren goed vertegenwoordigd zijn. Gemiddeld zijn ze 42 jaar en bovendien zijn het blijvertjes." Uit het onderzoek blijkt eveneens dat de 'ongebonden spirituelen' (mensen die naar eigen zeggen spiritueel zijn, maar zichzelf tot geen enkele groepering rekenen) niet alleen maar met hun eigen spirituele verrijking bezig zijn. Spirituelen zijn juist betrokken bij milieubescherming, mensenrechten en vluchtelingen, en ze geven gul aan goede doelen.

We kunnen best wel zonder al die oude godsdiensten, zou je kunnen denken. Laat iedereen zijn eigen zingeving of wereld- en levensbeschouwing bij elkaar sprokkelen. Wat verlies je als je bijvoorbeeld jodendom en christendom zou afschaffen. Toch wel wat belangrijks. Ik zet het even op een rij voor jodendom - en het geldt mutatis mutandis ook wel voor andere godsdiensten - : ethiek, gemeenschap en geschiedenis 

ethische essentie 
De essentie van de jodendom is naast het numineuze (en wellicht daarmee verbonden) de ethische richtlijn. In het Boeddhisme is dat bijv. opgenomen in het achtvoudige pad. In het jodendom is dat te vinden in de Tien Geboden – Uitspraken zegt men in het jodendom – , zoals ze geschreven staan in Sjemot/Exodus hoofdstuk 20 en in de onderhavige parasja Wa-etchanan, hoofdstuk 5, en in vele andere voorschriften in de Tora zoals die te vinden zijn in bijv. Leviticus 19, waarvan de bekendste is: ‘Heb je naaste lief als jezelf, Ik ben de Eeuwige'. Deze richtlijnen voor omgang tussen de mensen en met de Schepper, deze geboden van rechtvaardigheid en compassie, zijn een ooit een vrucht van diep inzicht geweest van de joden in oerverbinding met wat hun als God werd geopenbaard. Deze ethische essenties zijn verder opgenomen door Jezus in zijn verkondiging en zo ook een wezensbestanddeel van het christendom geworden, al heeft deze religie de Joodse schenkers van deze schat nooit liefgehad als haar naaste, integendeel.
Eigenlijk hebben deze ooit aan de joden gegeven geboden uiteindelijk doorgewerkt in een door de meerderheid van de mensheid aanvaard humanisme met name in westerse samenlevingen, al is het bewustzijn hierover amper aanwezig; dankzij deze principes is onze maatschappij met een aantal rechtsregels van menselijkheid en omgangsafspraken van fatsoen en respect onderbouwd en mogelijk gemaakt. Het is evident dat het wegvallen van een religieus draagvlak voor deze regels ondermijnend werkt en vereenzaming, decadentie, versplintering, egocentrisme en uitbuiting in de hand werkt.

gemeenschap 
Religie en dus ook jodendom is gemeenschap. Religie verbindt mensen met elkaar rond het centrum van de primordiale vraag naar hun bestemming. Dit maakt de existentiële eenzaamheid draagbaar en levert de context voor de oervraag naar zin, die soms met stille fluisterstem spreekt. Het is de niet op nut of productie of materieel doel gerichte gemeenschap, die mensen wezenlijk zoeken. In het jodendom wordt die gemeenschap uitgewerkt in het Verbond, dat is gesloten tussen God en het volk van Israël, dat concreet wordt beleefd in de synagogale gemeente. Daar worden ook de grote levensmomenten rond geboorte, huwelijk, verlies en dood samen gedeeld. 

geschiedenis 
Religie – en jodendom bij uitstek - is geschiedenis. Religie verbindt de generaties met elkaar in een gemeenschappelijk verhaal en een gedeeld lot. Van vader en moeder op zoon en dochter wordt het familieverhaal, het gedachtegoed en een context om het te begrijpen doorgegeven. Geschiedenis geeft een verleden en plaatst het eigen levenslot in het perspectief van een verleden en een toekomst. Daarin heeft het individu deel aan het drama van de wereld- en volksgeschiedenis. 
Bij de joden is het evident dat deze geschiedenis een complexe is met vele vragen. De zogenoemde uitverkorenheid is bij vele niet-joden verkeerd begrepen als kwalitatieve superioriteit. Het gaat in feite om de opdracht tot een bepaalde bestemming in de reis van mensheid, die voor het ene volk een andere is dan het andere. Dat het Joodse volk drieduizend jaar heeft overleefd ondanks diepe dalen wijst wel op een bijzonder karakter van die bestemming.

Parasjat Devariem   Devariem / Deuteronomium 1:1–3:22 
de hoeksteen is van rechtvaardigheid en vrede

Het boek Devariem/Deuteronomium is een compositie van de laatste redevoeringen die Mosjee vlak voor zijn dood voor zijn volk heeft gehouden. Het boek begint met de gelijknamige parasja. Het volk van Israël is na ruim veertig jaar omzwerving gelegerd bij de Jordaan, klaar om de rivier over te steken. Mosjee beklimt als het ware het spreekgestoelte en begint zijn laatste redevoeringen met een terugblik op de afgelopen veertig jaar. (1)

Het is niet toevallig, dat dat de oude leider zijn lange terugblik begint met het memoreren van de aanstelling van rechters (1:12-18) en de eis dat zij onpartijdig moeten oordelen. Een natie kan pas goed functioneren als er een rechtssysteem is. Het is van levensbelang om een onafhankelijke rechtspraak te hebben. Dat wordt al in de Tora meermalen naar voren gebracht, zoals ook hier

Devariem11:3: ‘Geef voor uzelf,  ingedeeld  naar uw ? stammen, wijze, verstandige, ervaren mannen ( anasjiem chachamiem, we-navoniem, widoe'iem ), dan zal ik hen tot hoofd over u aanstellen. (…) 16 Ik beval in die tijd uw rechters: Luister naar  de geschillen  tussen uw broeders, en oordeel ?rechtvaardig? tussen een man, zijn broeder en de ?vreemdeling? die  bij  hem is.'

Dat Mosjee dit als eerste in zijn herinnering terugroept benadrukt, dat hoe een onpartijdige rechtspraak voor een samenleving de hoeksteen is van rechtvaardigheid en vrede. Je kan er zeker van zijn, dat in staten, waar dictators of oligarchieën de dienst uitmaken het er met de rechtspraak slecht voorstaat. Voortdurende corrupte rechtspraak leidt tot opstand en anarchie.

In vers 17 staat er nog eens heel uitdrukkelijk: ‘ U mag niet partijdig zijn in de ? rechtspraak: zowel de kleine als de grote moet u aanhoren. U mag voor niemand bevreesd zijn, want de ? rechtspraak ? behoort aan God. Maar de zaak die voor u te moeilijk is, moet u bij mij brengen en ik zal die aanhoren'.

‘U mag niet partijdig zijn' ( lo takiroe paniem be-misjpat ) leest Rasji op zijn eigen wijze (2) - als slaande op de benoeming van rechters; hij zegt: ‘deze bepaling is gericht op hem, wiens taak het is om rechters te benoemen – zodat hij niet gaat zeggen, meneer die-en-die is een mooie of sterke man; meneer die-en-die is mijn familie, ik maak hem rechter in de stad etc.'
De oude middeleeuwse meester legt hier de vinger op het voortdurend loerend gevaar om de benoeming van rechters te politiseren. Het lijkt wel of in dit tijdsgewricht waarin sommige naties een soms verontrustende antidemocratische verschuivingen te zien geven een nieuwe aantasting van de onafhankelijkheid van rechters plaats vindt. Wie denkt niet onmiddellijk aan de rechters in het Poolse hooggerechtshof, die voortaan benoemd worden door een commissie met een meerderheid van partijgangers van de Poolse president (de nationaal-conservatieve regeringspartij Recht en Rechtvaardigheid (sic!)). Wie volgt niet met verbazing de politieke spelletjes rond de benoeming van rechters in het Amerikaanse Supreme Court, waar nu voortaan jarenlang een onwrikbare conservatieve meerderheid voorspelbare conservatieve uitspraken zal doen.

'Zowel de kleine als de grote moet u aanhoren' is een adagium, dat in alle tijden gelding heeft. Rasji concretiseert, dat de zaak van de kleine man om een gering geldbedrag evenveel aandacht moet krijgen als de zaak van een rijk man om een grote som gelds, waarmee de Talmoeddiscussie samenvat (3).
‘U mag voor niemand bevreesd zijn', duidt de Talmoed begrijpelijkerwijs als een oproep je mening niet uit angst voor (een machtig) iemand terug te houden, wat denk ik tegelijk in sommige politieke omstandigheden grote moed vereist.

In Nederland mogen we ons verheugen in een behoorlijk functionerende onafhankelijke rechtspraak. In het democratische Israël is bij gebreke van een grondwet het hooggerechtshof een onmisbare corrigerende factor in het complexe politieke landschap. Het hof heeft de bevoegdheid om wetten die het onconstitutioneel acht ongedaan te maken. Voor sommige (ultra)conservatieve en nationalistische fracties is het hof een sta in de weg om hun politiek door te voeren. Het is dan ook hoogst bedenkelijk, dat ook in de Joodse staat een wetsontwerp dat de bevoegdheid van het hof wil inperken in de Knesset veel kans maakt.(4)

noten
(1) In mijn boek Reizen door de Tora, deel 2 en op mijn website ben ik uitgebreid ingegaan op de andere aspecten van het boek en de parasja Devariem.
(2) Wsch leest hij het zo omdat in het vervolg al de onpartijdigheid van de rechters al voldoende naar voren komt en bovendien is die onpartijdigheid ook al gewaarborgd in Devariem 16:18-19, waar de instelling van rechters nog eens is opgetekend en waar staat: ‘ U mag het recht niet buigen. U mag niet partijdig zijn en geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen'.
(3) Zie Rasji ad loc en Talmoed Sanhedrin 8a
(4) Zie bijv. Israel Hayom van 7 mei jl

Parasjat Matot-Masee Bemidbar/Numeri 30:2-36:13
Een einde aan bloedvergieten

De parasjot Matot en Masee worden dit kalenderjaar tezamen gelezen 
Het onderwerp van de gelofte en de eed komt ter sprake. 
In een aantal passages wordt de oorlog tegen Midjan verhaald.
In de parasja Masee memoreert de inmiddels bejaarde Mosjee nog eens alle pleisterplaatsen van de veertigjarige zwerftocht door de woestijn. Ook worden bepalingen gesteld over de verdeling van het land. Veel aandacht krijgt het speciale verzoek van de stammen Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen. Regels over moord en doodslag volgen nog. Er worden asielsteden ingesteld voor plegers van niet-opzettelijke doodslag. Wat meer hierover.

De asielbepalingen in de parasja Masee (35:10 ev) waren een novum in de ontwikkelingen van het recht in het oude Midden-Oosten en wierpen een dam op tegen het alom heersende recht (zo niet de plicht) tot bloedwraak, die gold in geval een verwant was gedood, of dit nu met opzet (moord) was gebeurd of geheel buiten de schuld van de dader om. 
Er werden 6 steden bestemd tot asielsteden ( aré miklat ), 3 aan deze zijde van de Jordaan, 3 aan gene zijde. Het asiel stond ter beschikking aan hen die iemand onbedoeld hadden gedood. In een bijeenkomst op of bij de locatie van de doodslag werd bepaald of deze zonder opzet was gebeurd en zo ja, dan kon de dader zijn toevlucht nemen tot een van de asielsteden nemen. 
Daar moest hij dan blijven – desnoods een leven lang – om gevrijwaard te zijn van de bloedwreker. Echter, de dood van de hogepriester maakte een eind aan deze ban, daarna mocht de dader naar zijn oorspronkelijke woonplaats terugkeren en had de potentiële bloedwreker zijn recht op straffeloosheid ingeval van uitvoering van zijn wraak verloren. 

De dood van de hogepriester maakt een einde aan de ban (35:25). Dit is een m erkwaardige, schijnbaar losstaande bepaling. Wat is heeft de dood van de hogepriester met het asiel van de doodslager te maken? 
Maimonides (de grote leraar, filosoof en psycholoog uit de 12 e eeuw) zag zoals vaak hiervoor een rationele verklaring. In de ‘Gids der verdoolden' ( moré nevoechim ) schrijft hij (geciteerd in een commentaar van R. Jonathan Sacks, mijn vertaling): ‘Een persoon die een ander zonder opzet beeft gedood moet in ballingschap gaan, omdat de woede van de bloedwreker afkoelt als de oorzaak van het onheil uit zicht is. De kans op terugkeer uit ballingschap hangt af van de dood van de hogepriester, de hoogst geëerde van alle mensen en de vriend van heel Israël. Door zijn dood wordt de verwant van de gedode weer verzoend; want het is een natuurlijk fenomeen, dat we troost vinden in ons ongeluk als een zelfde of een nog groter ongeluk een ander heeft getroffen. Geen dood veroorzaakt onder ons groter verdriet dan de dood van de hogepriester'. (1)
Maimonides geeft een psychologische verklaring die wij goed kunnen begrijpen; een groot verdriet, dat het hele volk aangrijpt doet het eigen ongeluk minder groot lijken. De dood van een groot man of een grote vrouw heeft in moderne tijden een vergelijkbaar effect. 

Een geleerde uit de zestiende eeuw,– de Maharsha, voortbordurend op de oudere commentatoren zoals Rabbenoe Bachya (2) - geeft een heel andere meer mystiek lijkende verklaring, een uitleg van andere orde. Hij wijst erop dat deze bepaling rond de hogepriester samenhangt met de taak van de hogepriester om op Jom Kipoer te bidden voor het welzijn van hele Joodse volk. Dat impliceert, dat hij middels zijn tussenkomst moet bevorderen, dat er geen ongelukken zullen plaatsvinden. Vindt er toch een ongeluk plaats, zoals een doodslag, dan is ook hij eigenlijk een beetje schuldig; hij heeft niet goed genoeg gebeden. Zijn dood is dan ook enigermate een zoenoffer voor deze schuldigheid en maakt het op die manier mogelijk aan de ban een einde maken. 

In deze laatste verklaring is er van een heel eigen soort causaliteit sprake. R. Jonathan Sacks, wiens commentaar deze twee verklaringen ook behandelt, noemt deze laatste uitleg van bovennatuurlijke orde (3). Zelf zie ik de laatste uitleg meer in de sfeer van het collectief onbewuste. Ieder sterven, zeker de dood door opzet (moord), maar ook doodslag of de dood door een ongeluk, verstoort een diep gevoel van orde, je zou kunnen zeggen op het niveau van de ziel. Dit vereist een zekere correctie, een herstel van de verstoorde psychische balans in de gemeenschap. De straf en het offer voorzien daarin. In oude tijden was de bloedwraak het herstelmiddel om de onbalans – ontstaan door het verlies van een ontijdig door mensenhand uit het leven gerukte verwant - te compenseren. Maar bloedwraak leidt tot weerwraak en tot een nimmer eindigende bloedvete, besefte de Tora-wetgever al, en met de asielbepalingen voor de doder zonder opzet deed hij een enorme stap in de richting van beperking van eigenrichting en persoonlijke willekeur. De dood van de hogepriester is dan een symbolische zoendood van de oorspronkelijke verstoorder van de psychische balans in de gemeenschap. 

Is de bloedwraak en de bloedvete in de meeste democratische (westerse) staten gelukkig sporadisch en beperkt tot sommige niet goed geïntegreerde immigranten die nog hangen aan meegenomen wrede culturele gebruiken en tot maffiose groepen aan de onderkant van de samenleving, tussen volken – soms binnen één natie, soms elkaars nabuur - kunnen we iets dergelijks als een onverzoenlijke vete nog steeds signaleren. Geweld aan de ene kant lokt navenant geweld uit aan de andere kant uit en een kettingreactie zet zich in werking; een bevredigende closure van het proces van wreedheid, wraak en pijn, aan elkaar begaan, wordt nimmer bereikt. Nooit wordt het overstijgend niveau bereikt van besef van het aan elkaar aangedaan verdriet en nooit komt het tot een kritische massa van compassie die opweegt tegen de diepgewortelde haat, een niveau waarop beide partijen kunnen samenkomen. De aangedane trauma's kunnen niet in het licht komen zodat een proces van herstel kan beginnen.
Of toch wel ooit? Nog be-jamenoe (in onze dagen)? De broeders Jacob en Esav hebben ook na een lange vete een pact van vrede gesloten .

Noten

(1) Maimonides, The guide for the perplexed, (Dover Publ. 1904/1956 ) part 3 XL (p.343)
(2) zie bv Rabbeinu Bachya ad loc https://www.sefaria.org/Numbers.35.25?lang=bi&with=Rabbeinu%20Bahya&lang2=en
(3) http://rabbisacks.org/mattot-masei-5775/

Parasjat Balak  Bemidbar / Numeri 22:2-25:9 

Vier voorwaarden voor een visie

Koning Balak van Moav is hevig bevreesd voor de Israëlieten, die na hun eerste militaire successen zijn koninkrijk oostelijk van de Jordaan naderen. Hij roept de hulp in van een beroemde magiër, Bilam, die met zijn vervloekingen de vijand zou moeten verzwakken. Kennelijk heeft Bilam net als Mosjee de gave heeft met de Eeuwige te kunnen spreken, want Laatstgenoemde zegt tot hem niet op het verzoek in te gaan, maar overgehaald door twee bezoeken van gezantschappen van de koning met hun beloften van goud en eer accepteert Bilam toch de opdracht, al benadrukt hij, dat hij alleen kan spreken wat de Eeuwige hem ingeeft. ‘Alleen wat God mij in de mond legt kan ik spreken'. Zo gaat hij gezeten op zijn ezel op weg. Hilarisch zijn de scenes met de ezel, die tot driemaal toe ondanks boze klappen van zijn berijder de weg niet wil vervolgen omdat het beest de weg verspert ziet door een dreigende engel met zwaard, iets wat Bil'am met al zijn gaven niet ziet; door zijn ezel wordt de wijze magiër terecht gewezen. Uiteindelijk lukt het hem in drie rituele sessies niet het volk van Israël te vervloeken; integendeel, hij verheerlijkt en zegent het volk, conform de woorden die de Eeuwige hem in de mond legt. In een vierde sessie profeteert hij zelfs de ondergang van zijn opdrachtgever (1)
Kunnen we van deze in midrasj en commentaar verguisde tovenaar nog wat leren? (2)

Laten we de eerste drie profetieën – orakels als men wil - van Bilam eens kort bezien (22:41-24:10).
Het eerste orakel spreekt de magiër vanaf de Ba'al-hoogten. Daar kan de waarzegger een uiteinde van het kamp van de Israelieten (22:41, ketsee ha-am ) zien en klinken o.a. de beroemde woorden: 'zie, dat volk woont afgezonderd, onder de naties rekent het zich niet etc'. Vervloeking niet gelukt tot woede van Balak.
Een tweede orakel wordt gepland op een andere plaats, de top van de Pisga berg, van waaraf een ander deel van het kamp is te zien (23:13, maar niet het geheel, we-koelo lo tirè ). Dat resulteert in een zegenzang voor Israel, een volk, zoals Bilam zegt, waar waarzeggerij of toverspreuken geen invloed hebben, een volk dat God uit Egypte heeft geleid en dat zich zal oprichten als een leeuw.

De desperate Koning Balak dwingt de magiër nu nog tot een derde poging tot vervloeking en neemt hem mee naar weer een andere plek, de top van de berg Peor, die uitzicht gaf op de woestijn (23:28, jesjimon ). Wat volgt is de derde profetie.
Lees de tekst in hoofdstuk 24:1 eens goed door en merk op, dat er markante verschillen te lezen zijn in de voorbereiding tot deze derde zegenspreuk, vergeleken met de vorige twee orakels. Op vier punten zijn er veranderingen te constateren. Het viel mij op hoe hier eigenlijk vier basisvoorwaarden genoemd voor het ontwikkelen van een goede visie op iets of iemand.

1. In hoofdstuk 24 begint het derde orakel ermee, dat B i lam ? nu ‘begreep dat het in de ogen van de Eeuwige goed was als hij  I sraël zou ? zegenen'. Wat wil dat zeggen? Hij geeft nu definitief zijn poging op om de opdracht van zijn koninklijke opdrachtgever uit te voeren. Hij beseft dus met zijn komende uitspraken zijn materiele beloning en zijn goede naam als magier te gaan verspelen. Hij neemt zich voor om onbevooroordeeld en zonder eigenbelang open te staan voor de zegenende woorden, die zullen komen. Onbevooroordeelde openheid is voorwaarde voor het ontwikkelen van een visie.
2. De derde plek, de Pisga, geeft uitzicht op de woestijn, dat wil zeggen, zoals blijkt uit het vervolg, op het hele tentenkamp van de Israëlieten en niet meer op een deel, zoals in de twee voorgaande episoden steeds is benadrukt. De waarzegger heeft nu een blik op de totaliteit van het kampement van Israël in de context van de omgeving, de woestijn. Hij ziet het ‘totaalplaatje'. Dat is altijd beter dan alleen maar een deel van de situatie te bezien. Voor het ontwikkelen van een visie moet je het geheel in het oog hebben.
3. Weliswaar worden weer de voorbereidende offers gebracht op de zeven altaren, maar Bilam laat zijn verdere magische tools (24:1, nechasjiem ) uitdrukkelijk ongebruikt. Hij laat niets meer tussen zijn blik en het object in focus tussenkomen. Het achterwege laten van manipulaties is voorwaarde voor een helder zicht.
4. In de vorige twee orakels was er sprake van dat God Bilam naderde ( jikar ). Maar nu staat er wat anders: ‘de geest Gods (24:2, roeach Elohiem ) kwam op hem'; dat wijst toch op een intensievere state of mind, die men (goddelijke) inspiratie kan noemen. Een visie zonder inspiratie is ondenkbaar.

Bilam liet een open blik rondgaan en zag hoe ‘ I sraël daar gelegerd zag, ? stam ? bij ? stam'. Nu hij al zijn vorige intenties en magische manipulaties laat varen ziet hij pas goed de krachtige uitstraling van de strijdbare massa's in het geordende legerkamp. Er komt ruimte voor een welhaast messiaans visioen.

24 5 Hoe mooi zijn uw ? tenten, ? J a kob, (4)
hoe mooi uw woningen,  I sraël,
6 als palmbomen, overal verspreid,
als tuinen langs een rivier,
als  a loë's door de HEER geplant,
als ceders langs het water.' (5)
(…)
9 Hij gaat liggen als een leeuw,
majesteitelijk vlijt hij zich neer –
wie zou hem durven wekken?
Gezegend wie u zegent, vervloekt wie u vervloekt!'

Hij ziet als het ware door de werkelijkheid van de keurig gerangschikte stammen rond de tabernakel heen een beeld van de toekomst oprijzen; achter het panorama van het tentenkamp in de woestijn ziet hij de potentialiteit van het volk van Israël oplichten. De beste versie van de toekomt voor dit volk komt hem voor ogen in de gestalte van een ideale harmonische oase; maar achter dat vredige vergezicht schuilt ook een enorme kracht, die zich kan ontplooien als het nodig is, hij ziet een slapende leeuw, die je maar beter niet kan wekken.

Ook zonder tovenarij en manipulatie met allerlei trucs, maar juist in een houding van in openheid en niet bevangen door vooroordeel of winstbejag kan een dieper schouwen plaatsvinden en kan de realiteit met al zijn gelaagdheid zich openbaren in zijn verborgen mogelijkheden (en moeilijkheden). Dat geldt niet alleen voor Bilam, maar voor ons allemaal. De vraag is of wij nog in staat zijn iets van die profetische instelling op te brengen, niet alleen in het politiek en maatschappelijk veld, maar ook in de ontmoeting met de ander, waarbij het erom gaat om in de mensen die wij in het leven ontmoeten de nog onaangeboorde mogelijkheden te zien. De vier voorwaarden kunnen ons helpen.

Het is moeilijk te begrijpen, dat na al deze ervaringen Bilam nog bezield zou zijn door een persoonlijke haat tegen het volk, dat hij zo intensief in al zijn glorie had geschouwd en bezongen en waar hij graag bij had gehoord (23:10). Even verderop (Bemidbar 31:16) is echter te lezen dat later op advies van Bilam het volk van Israël is verleid tot de fatale omgang met Moabitische en Midjanitische prostituees, waarover aan het eind van de parasja Balak wordt verteld en waarop de parasja Pinchas verdergaat.

noten

(1) In mijn boek Reizen door de Tora, deel 2 , p. 133 ben ik uitgebreider ingegaan op de figuur van Bilam.
(2) De meeste commentatoren, zoals bijv. Rasji, zien Bilam als de belichaming van het kwaad. ‘Want Bilam haatte hen (de Israelieten) meer dan Balak', zegt Rasji ad 22:11 
Maimonides noemt de profetieën van Bilam ware godsuitspraken, die alleen uit de mond kunnen komen van een profeet "Profetie valt alleen ten deel aan iemand, die een groot geleerde is en zijn natuur volledig weet te beheersen” O.a. in Maimonides' Guide to the Perplexed p. 242. Ook in de Talmoed is druk gediscussieerd over Bilam. In de lijn van Maimonides zei, bv R. Yochanan over Bilam: 'in het begin een profeet, later een tovenaar' (Sanhedrin 106a)
(3) Dit wordt nog altijd gezongen in de aanvang van de avonddienst
(4) Vgl. Jeremia 17: 7 Gezegend wie op de Eeuwige vertrouwt,
wiens toeverlaat de Eeuwige is.
8 Hij is als een boom geplant aan water,
zijn wortels reiken tot in de rivier.
Hij merkt de komst van de hitte niet op,
zijn bladeren blijven altijd groen .
Tijden van droogte deren hem niet,
steeds weer draagt hij vrucht .

Parasjat Choekat      Bemidbar / Numeri 19:1–22:1

De kinderjaren zijn voorbij        

De parasja Choekat begint met veel pesoekiem (verzen) over dood. 
Eerst krijgen we het ritueel van de ‘rode koe', het reinigingsritueel dat moet worden verricht na contact met een dode. De reis gaat verder. De Israelieten breken na 38 jaar op van de oase van Kadesj en trekken verder richting Kenaän. Mirjam sterft. Mosjee en Aharon bewerken voor het dorstig volk het waterwonder, maar geven de eer ervan niet aan de Eeuwige, die hen aankondigt dat zij geen van beiden het beloofde land zullen betreden. Voor Aharon komt de dood al spoedig. Hij bestijgt, honderdentwintig jaar oud, de berg Hor om daar te sterven. Voor Mosjee zal het einde drie jaar later komen. (1)
De Israëlieten trekken, zuidwaarts de woestijn in, waar de morrende en dorstende massa weer oude klachten aanheft. De Eeuwige laat als respons op dit protest nu giftige slangen los op het volk die de mensen bijten en velen sterven. Er volgt genezing via de koperen slang, omhooggehouden door Mosjee. Daarna lijkt er een ommekeer te komen in de vordering van de lange zwerftocht en militaire successen worden behaald. Er lijkt in deze parasja een belangrijke wending gaande in het verhaal van de zwerftocht van de Israëlieten. Laat ik deze wending eens proberen al speculerend in te passen in het paradigma van Sjemot/Exodus en Bamidbar/Numeri als allegorie voor de reis naar en incorporatie van de ziel van de (Joodse) mens in de materiele wereld

Jacob en zijn zonen planten zich als het ware als kiem in de vruchtbare delta van de Nijl, Egypte als baarmoeder. Het verblijf in Egypte is een zwangerschap. De kiem bevindt zich in een spirituele ruimte die nodig is om uit te groeien tot een vorm, die geschikt is om verder in de werkelijkheid in te dalen. Na een lange draagtijd vindt met vele weeën de onvermijdelijke geboorte plaats, met de doortocht door de Rietzee als een waar baringsproces, de woestijn in. De kindertijd breekt aan, een lange periode, die een verdere voorbereiding is naar een definitieve stoffelijke gestalte in de ondermaanse materiele wereld.

Een vaderfiguur beschermt het kind (Israel, de ziel) en zorgt voor spiritueel brood (manna) en water. Die vader is de Eeuwige en zijn plaatsvervanger Mosjee. De ? kleren ? die het kind droeg  raakten niet versleten en zijn voet raakte niet opgezwollen zegt Deuteronomium 8:4 en volgens de midrasj groeiden de kleren zelfs mee. De milde Aharon en Mirjam met haar meereizende waterbron zijn misschien de moederlijke plaatsvervangers. Het is een tijd van opgroei en onderwijs. Ingeplant worden de beginselen van recht, liefde en compassie. De volgende fase, landing in de harde wereldse werkelijkheid, is nog ver.

Het kind groeit op, niet zelden onder veel protest. Maar het moment komt, dat het verder moet. Het zal voor zichzelf moeten gaan zorgen. Lange tijd - achtendertig jaren sinds het vertrek van Sinaj in het verhaal - zijn verstreken. Mirjam sterft, even later Aharon. Mosjee's dood ligt in het verschiet. Het besef, dat de relatief veilige kindertijd voorbij is, dringt in deze parasja bij het kind door. God trekt zich op een bepaald moment ook terug van direct ingrijpen. Een eerste blijk daarvan doet zich voor als er weer watertekort is. Het kind, intussen al aardig opgeschoten, protesteert weer. ‘De Eeuwige liet slangen los' (Bamidbar/Numeri 21:6), staat er dan letterlijk ( jesjalach (2)). Het vrijlaten van de slangen betekent dat de Eeuwige eerder de slangen heeft ‘vastgehouden', aldus de commentatoren. Tot dan toe heeft hij bescherming geboden tegen dit soort gevaren. Nu laat hij de natuurlijke loop van de natuur zijn gang gaan en duiken de slangen op. Nu de volwassenheid nadert merkt het kind , dat de vanzelfsprekende bescherming is weggevallen. De harde realiteit van het leven begint in het oog te komen. Ook zijn Mosjee en Mirjam(door het na haar dood opdrogen van haar waterbron) opgehouden voor water te zorgen. Niet lang daarna ontdekt de adolescent zelf – zonder tussenkomst van Mosjee – een waterbron (Bamidbar/Numeri 21:16-17). Het water staat symbool is voor de eigen geestelijke creativiteit, een eigen toegang tot de bron blijkt mogelijk. Hij/zij is niet meer afhankelijk van ouderlijke interventie. De adolescent wordt weerbaarder. De kinderjaren zijn voorbij. Een nieuwe bevalling is in zicht met de bijpassende weeën, die aan het slot van deze parasja en de volgende parasjot zijn beschreven, de confrontaties met andere volken aan de oostelijke kant van de rivier Jordaan.

De rivier de Jordaan is de drempel naar de definitieve aanlanding in de aardse werkelijkheid. In het boek Jehosjoea zullen weer net zoals bij de doortocht door de Rietzee de wateren van de Jordaan weer wijken en een pad vrijmaken naar het beloofde land (Jehosjoea 3). De indaling in de aardse werkelijkheid is nu definitief aangebroken. Israel – de ziel – is afgerond en incorporeert in de stoffelijke materiele wereld. De sage wordt historie. De ziel is beland in persoonlijke lichamelijkheid en daarmee terechtgekomen in de geschiedenis, waar zij lang niet altijd welkom is. De materiele wereld is overweldigend. De veelheid aan vormen en driften is overstelpend. De afleiding is enorm. Het grote vergeten begint. Nu begint het immer durend polair proces van vallen en opstaan om als persoon te midden van ‘the  slings and arrows of outrageous fortune' (3) de spirituele afkomst weer terug te vinden, steeds weer te herinneren dan wel (steeds) weer de verbinding ermee te herstellen en verder te ontwikkelen. (4)
In de boeken, die in de Joodse benaming Neviïem (Profeten) worden genoemd (Jozua, Rechters, Samuel, Koningen e.a.) wordt beschreven hoe het de Israëlieten daarin is vergaan. Maar ook hebben we in onze eigen reis door het leven ons persoonlijke verhaal over de al dan niet ondernomen zoektocht.

Noten

(1) In mijn boek Reizen door de Tora, deel 2 , ben ik uitgebreid ingegaan op de ‘fout' van Mosjee en op de slangen.
(2) Nechama Leibowitz (Studies in Bamidbar, p. 260 ev) wijst erop dat dit een meer correcte vertaling is: want er staat niet de gewone term voor ‘zond' (zoals de HSV vertaalt) – jisjlach  – maar een andere (Piel) vorm van deze wortel, jesjalach , wat de causatieve connotatie ‘loslaten', ‘vrijlaten' heeft.
(3) Natuurlijk uit de beroemde monoloog van Shakespeares Hamlet
(4) Ik waag mij als iemand die slechts aan de Kabbala heeft geroken toch aan de volgende gelijkstelling:
Periode tot en met de aanlanding in Egypte: de sfeer van Atsiloet
Periode in Egypte tot en met de doortocht door de Rietzee: de sfeer van Jetsira, tijd van de moeder
Periode in de woestijn: de sfeer van Berija, tijd van de vader
Na de aanlanding in Kena'an: de sfeer van Asija, tijd van volwassenheid

RC juni 2018

Parasjat Korach      Bamidbar/ Numeri 16:1–18:3

Machtstrijd

Het volk heeft al veel rampspoed achter de rug, als het verhaal van de opstand van Korach en de zijnen begint. Het is niet verwonderlijk, dat er een voedingsbodem was geschapen voor hernieuwd verzet tegen de leiders onder wie de vele tegenslagen hadden plaatsgevonden, Mosjee en Aharon.   
Twee partijen stellen zich tegenover hen op. Op het ‘spreekuur' dat Mosjee klachten van de mensen behandelt heeft een hele menigte zich voor hem verzameld. Korach, Datan, Aviram en On (die later afhaakt) treden mede namens 250 andere vooraanstaande mannen naar voren.

Laten we eens de boeiende midrasj (1) volgen die invult, hoe Korach zijn protest subtiel opbouwt. De eigenzinnige leviet werpt een halachisch (wettisch) probleem op. (de rabbi uit de vroege middeleeuwen die dit vertelt put vast uit discussies met zijn collega's). Het gebod om gedenkkwasten ( tsietsiet , mv tsietsijot) aan de gebedsmantel te maken besluit de voorgaande verzen (Bam/Num. 15:37 ev). In de tsitsijot moest een van de draden hemelsblauw ( techelet ) zijn om de witte mantel pas echt koosjer te maken. Korach borduurt op deze mitswa voort. Hij en zijn 250 kompanen komen gekleed in totaal hemelsblauwe gebedsmantels (tallitot) naar de gerechtsplaats. Ze vragen aan Mosjee, of als een blauwe draad een witte mantel heilig maakt een totaal blauwe mantel dan nog gedenkkwasten nodig heeft. Mosjee antwoordt bevestigend en de menigte lacht hem vierkant uit over deze ‘inconsequentheid'.
Een volgende vraag wordt aan Mosjee voorgelegd: als een mezoeza (deurpostkokertje), waarin immers 13 verzen uit de Tora (Dev/Deut 6:4-9 en 11-13-21) zijn opgerold, een huis koosjer maken, heeft een huis waarin de hele Tora is te vinden dan nog wel een mezoeza nodig? Nee natuurlijk, dus als het van Mosjee toch moet is dat onzin.
In deze sofistiek van Korachis listig een parabel verborgen. Zoals een blauwe mantel geen blauwdradige kwasten nodig heeft om de mantel heilig te maken, zo heeft het volk geen priesters en levieten (de kwasten) nodig om het te heiligen, want ze zijn al heilig. Zo komt Korach dan tot de kern van zijn betoog:
‘ U trekt  te veel naar u  toe ( rav lachem ), want heel de gemeenschap, allen zijn zij ? heilig , en de Eeuwige is in hun midden. Waarom verheft u zich dan boven de ? gemeente ? van de Eeuwige?' (16:3). W aarschijnlijk heeft hij de woorden van Mosjee zelf geciteerd: ‘ Een koninkrijk  van priesters   zul je zijn, een heilig  volk' (Sjem/Ex. 19:6).

Maar eigenlijk gaat het helemaal niet om een halachische, theologische of ideologische discussie. Achter het debat speelt zich een machtsstrijd af, een strijd om welke groep het meest in de melk te brokken krijgt en om wie de mooiste baantjes krijgt. Bekend fenomeen? In de semi-theocratische stammenmaatschappij van de Israëlieten heeft het zich gemanifesteerd in een ruzie over aan wie het privilege toekwam heilige rituele (priesterlijke) handelingen te verrichten.
Datan en Aviram verklaarden eenvoudig het leiderschap van Mozes failliet en eisten zijn aftreden (een beetje eigentijds uitgedrukt). De midrasj legt uit wat erachter zit: Datan en Aviram waren Rubenieten, afstammelingen van Re'oeven, de eerstgeboren zoon van Ja'akov; oorspronkelijk rustten op de oudste zoon de religieuze plichten en zou de stam van de Rubenieten alleen daarom al de taak van de Levieten moeten hebben. Bovendien waren alle 250 opstandelingen oudste zonen en als zodanig nog eens te meer zich beroofd voelend van hun religieuze bevoegdheden doordat Mosjee deze aan de stam van Levi had toegekend. Mosjee heeft maar mooi zijn eigen stam van Levi voorgetrokken en zichzelf als leider van het volk benoemd. En wat Korach betreft: binnen de stam van de Levieten is Mosjee ook nog willekeurig te werk gegaan. Hij heeft Korach die zelf een Leviet was benadeeld door zijn neefje Elitsafan tot hoofd van de stam Levi te benoemen, terwijl Korach op grond van verwantschap hogere rechten had. Uit 16:10 zou je kunnen afleiden, dat het hem zelfs om het hogepriesterambt van Aharon was te doen. Kortom, achter de mooie (maar bedrieglijke) leuze van ‘iedereen is heilig' – je zou bijna ‘op zijn seculiers' zeggen: iedereen is gelijk – schuilen allerlei persoonlijke ressentimenten en ambities. Zoals in vele scenes uit Tora en Tenach zien we hier een iconische situatie van alle tijden, een prachtig staaltje van zoals het ook nu nog vaak dagelijks toegaat, in de kerk, de politiek tot en met het verenigingsleven. Korach belichaamt de mens, die onder de dekmantel van allerlei ideologische rationalisaties gedreven wordt door puur eigenbelang. Mozes is de geroepen leider die niet geleid wordt door verdachte ego-motivaties. ‘Niemand van hen heb ik ook maar een ezel afgenomen, niemand van hen heb ik kwaad gedaan,' roept hij uit. (16:15)

Nog afgezien daarvan: ‘ Een koninkrijk  van priesters   zul je zijn, een heilig  volk' is duidelijk geformuleerd als een opdracht en niet als een feitelijke situatie.(2)
De egalitaire pretentie, die in de claim van Korach schuilt, is verleidelijk. Iedereen is gelijk, zoals de mantel helemaal blauw is. Radicale democratie. Psychologisch gezien weten we, dat mensen niet gelijk zijn, maar verschillend in fysieke en geestelijke uitrusting. Sociologisch gezien heeft de samenleving ook diversiteit in menselijke begaafdheid en aanleg nodig om de nodige functies in beroep en leidinggeven in te vullen. Samen vormen we als samenleving een veelkleurige mantel, een prachtig en soms wat rafelig patchwork, zou je bijna zeggen.(3)
Toch is ieder geschapen naar ‘het beeld en de gelijkenis' van de Eeuwige. Dat vertaal ik aldus, dat we (niet gelijk maar wel) gelijkwaardig zijn, gelijke waarde ( dignity ) hebben en in ons een vonk gloeit, die verlangt om de beste versie van onszelf te ontwikkelen.

Noten
(1) Ik heb dankbaar geput uit de uitgebreide midrasj, die Rabbenu Bachya op deze verzen geeft, te lezen op:
https://www.sefaria.org/Numbers.16.1?lang=bi&with=Rabbeinu%20Bahya&lang2=en
(2) Het duidelijkst is dit nog verwoord in Wajikra/Leviticus 19:1
“Wees ? heilig, want ik, de HEER, jullie God, ben ? heilig”, kedosjiem tehijoe .
(3) Vanuit de bijbelwetenschap is de scene met Korach wellicht te zien als het verzet van onafhankelijke nomaden om zich in de overgang naar een landbouwsamenleving te schikken in de regels en in de gezagsstructuur, die daarmee gemoeid zijn.

Parasjat Sjelach lecha Numeri/Bamidbar 13:1-15:41 

Uit de comfortzone

Ruim twee jaar na de uittocht uit Egypte komen de Israëlieten aan bij de grens van het beloofde land Kena'an. De Eeuwige gebood Mosjee (1) verkenners uit te zenden. Aldus werden twaalf belangrijke stamleiders gekozen met deze taak, het land verkennen en verslag uitbrengen . Van zuid tot noord trokken zij veertig dagen rond. Ze spraken van een fantastisch land, maar wel met reusachtige bewoners en onneembare vestingen van steden. ‘Ze zeiden: Wij kunnen tegen dat volk niet optrekken, want het is sterker dan wij.' (13:31)

Een voor de hand liggende uitleg is dat hier sprake was van een stelletje angsthazen. De meeste rabbijnen spreken van een gebrek aan geloof en vertrouwen. De angst van de tien verkenners maakte van stevige mannen reuzen en van stadjes onneembare vestingen. ‘Wij waren in onze  eigen  ogen als sprinkhanen, en zo waren wij ook in hun ogen' zeggen ze zelfs (13:33).
Alleen Jehosjoea en Kalev bleven met een rotsvast godsvertrouwen in de zaak geloven.

Maar we komen ook een andere uitleg tegen. Rabbijn Jonathan Sacks  en  Rabbijn Ies Vorst   brengen ons in kennis met de onverwachte draai, die Rabbi Yehuda Leib Alter van Ger (de Sefat Emet 1847-1905) in zijn uitleg aan het verhaal geeft. In mijn parafrase komt het hierop neer. (2)

De verkenners waren helemaal geen angstige of laffe mannen, het waren aanzienlieke mannen van gewicht uit de twaalf stammen. Er was wat anders aan de hand. 
In een soort psychoanalyse van de geest van de verkenners luidt de diagnose van hun geestesgesteldheid: ze wílden eigenlijk niet, dat het de kinderen Israëls het land Kena'an binnen zou trekken. Ze wilden liever in de woestijn blijven. Ze waren gehecht aan de tastbare spirituele aanwezigheid van God in de woestijn, de divine omhelzing, die de Israëlieten hadden ervaren tijdens de zwerftocht door de leegte. Iedere ochtend werden ze gevoed met manna en iedere avond met kwakkels, terwijl ook hun kleren en schoeisel niet sleten en zelfs met hen meegroeiden (volgens Devariem 8:4 en de midrasj (3)) Water was er meestal omdat dankzij de verdienste van Mirjam een waterbron steeds meereisde (4). Er was tijd om te bidden en om te lernen in veilige spirituele afzondering. 
De verkenners waren niet bang voor nederlagen tegen de bewoners van Kena'an, nee, Israel zou de veldslagen met Kena'anitische legers best kunnen winnen. Ze waren niet bang voor de Ka'anitische strijders, ze waren juist bang voor succes! Ze waren bang hun unieke relatie met de Eeuwige te verliezen, als ze zouden moeten gaan vechten, moeten gaan zaaien en ploegen en zich zouden moeten begeven in de situatie van een gevestigde samenleving met al zijn verleidingen en afleidingen. Ze hadden geen zin om een natie te worden als alle andere naties met alle ingewikkeldheden van dien. Zo hadden ze veel weg van een kind dat de veiligheid van zijn ouderlijk huis nog niet wil verlaten. Alsof de liefde van vader en moeder gebonden is aan verblijf in hetzelfde huis.
Er was sprake – in de redenering van de Sefat Emet – van een soort spiritueel misverstand, de verkenners gingen ervan uit, dat de presentie van de Eeuwige zich zou beperken tot hun afgezonderdheid in de woestijn. Ze zagen niet in, dat de relatie met de Eeuwige ook de opdracht impliceerde om de mensenwereld te betreden. Uiteindelijk gaat het erom een leven te leiden midden in deze aardse wereld en daar het werk op te vatten iets te waar te maken van de principes van compassie en rechtvaardigheid, waarvoor de Tora de basis heeft gelegd. In die werkzaamheid is de Eeuwige ook present.

Even een reuzensprong in onze tijd. In Israël is letterlijk dankzij het rotsvast vertrouwen van zoveel pioniers, idealisten en de moed van zoveel gewone immigranten de droom van een natie (weer) tot werkelijkheid geworden. Daar vindt iedere dag het proces en soms letterlijk het gevecht plaats een natie te zijn te midden van andere naties en daarbij te midden van een vijandige omgeving toch de opdracht niet te vergeten de morele standaard hoog te houden.
Ja, Israël wordt vaak aan hogere normen gemeten dan andere naties. Gezien de opdracht een heilig volk te zijn en een licht voor de naties is dat terecht. Ja, soms faalt Israël - die ‘melting pot' van zoveel verschillende soorten Joden en religieuze en seculiere groeperingen - daarin, zoals alle andere naties falen (soms in hemeltergende mate), Ja, maar ook: de kritiek op Israël overschrijdt niet zelden de grenzen van hypocrisie en opportunisme en is in verdacht veel gevallen niet vreemd van verborgen en soms openlijke vijandigheid.

In de uitleg van de Sefat Emet kunnen we ook de relevantie voor de Joodse gemeenschap in het algemeen onderkennen: wil je als joodse gemeenschap iets betekenen voor de transformatie van de wereld, wees niet al te bang, kom uit de afzondering, die nu vaak het geval is, en treed de wereld tegemoet. 

En nog universeler gezegd op het gevaar af mee te gaan in de taalhype van het moment: laten we ons wagen uit de veilige bubbel van de religieuze, levensbeschouwelijke club waar we inzitten of de kring van gelijkgezinden of gewoon uit het bekende buurtje. Laten we niet blijven zitten in onze comfortzone. Laten we ons een keer wagen in onbekende omgevingen en de stap zetten naar ontmoeting met andersdenkende mensen en andere ideeën!

Noten

(1) Rasji wijst erop: op verzoek van het volk, zie Dewariem/Deuteronomium 1:22.
De Eeeuwige sanctioneert achteraf
(2) In de commentaren van Jon. Sacks van 5778 en 5772, zie zijn website.
Ies Vorst op chabad.nl
(3) Zie Rasji ad Devariem 8:4
(4) Dankzij de verdienste van Mosjee's zuster Miriam reisde de bron mee, zie de uitleg van deze midrasj Rabbenoe Bachya ad Bamidbar/

Parasjat Beha'alotcha  Numeri/Bamidbar 8:1-12:15 

Levieten

In de parasja Beha'alotcha nadert de vorming van de pas een jaar geleden uit Egypte weggetrokken volksmassa de voltooiing tot een goed georganiseerde en reisvaardige gemeenschap. Het weerbare manvolk is geteld, het kampement georganiseerd, de marsorde bepaald en last but not least, de levietendienst nauw omschreven. De laatste van de vele bepalingen omtrent de Levieten staan in deze parasja, die over hoe besprenkelde en kaalgeschoren mannen met een offer officieel worden gewijd en aan het verzamelde volk getoond.

De Levieten zijn een bijzondere groep in de gemeenschap van Israel. Letterlijk waren ze centraal in het kampement (rondom de tabernakel) gelegerd en figuurlijk hadden ze een centrale positie onder de Israëlieten. Als enige hadden zij later in het beloofde land geen eigen gebied en waren afhankelijk van speciaal voor hen geheven belastingen. De Eeuwige, zo meldt de tekst, heeft hen voor zichzelf uitgekozen ‘in de plaats van alle eerstgeborenen onder de Israël ie ten, allen die als eerste de moederschoot verlaten. Alle eerstgeborenen van  I sraël, zowel van de mensen als van de dieren, behoren mij immers toe: op de dag dat ik de eerstgeborenen in Eg y pte doodde, heb ik hen voor mijzelf bestemd, en in de plaats van de ? eerstgeboren ? Israëlieten heb ik de ? Lev ie ten ? uitgekozen. (8:15 ev)
Het lijkt wel of de Eeuwige het niet erg op eerstgeborenen heeft. Al vanaf Kajin zijn zij niet de gekozenen voor de voorstuwing van het lot van de geschiedenis en Israël. Ook Jisjmael en Esav zijn niet gekozen (maar ook niet afgewezen) en van de twee zonen van Joseef krijgt de jongere Efrajiem de eerdere zegen van Ja'akov op zijn sterfbed. De eerstgeboren zonen worden tijdens de tiende plaag voor het zwaard van de doodsengel gespaard, maar wel tegen een prijs: alle eerstgeboren zonen zijn het bezit van de Eeuwige geworden. Of dit een doem is of een zegen is de vraag.(1) In ieder geval wordt, zo lezen we in deze en vorige parasjot, dit lot afgekocht, doordat de nakomelingen van Levi hun plaats innemen; aan hen, de levieten, worden de daarmee samenhangende religieuze taken toebedeeld, de leviet Aharon en zijn afstammelingen krijgen priesterplichten en de overige nakomelingen werk als tabernakeldienaren.
In dit spanningsveld rond oudste zonen klinkt misschien nog door de mythische haat-liefde tussen de archetypische oervader en zijn oudste zoon, de eerste vrucht van zijn mannelijkheid, maar tevens als in leeftijd het dichtst bij hem staande kind een bedreiging voor zijn almachtige autoriteit, en misschien hebben wensen om elkaar uit de weg te ruimen de liefde vaak overtroffen, hetgeen heel wel geleid kan hebben tot rituelen in de taboesfeer om deze demonen in toom te houden. Het klinkt nog door in de mythe van Oedipus en andere mythen. Een verdere uitwerking hiervan is te lezen in mijn gebundelde commentaren. (2)

Overigens werd deze taakverdeling tussen Levieten en de andere stammen (zoals die van de eerstgeboren Reoeven) later betwist, gezien de machtsstrijd, die even later tussen Korach en de tweehonderwijftig vooraanstaande Israëlieten losbrak over aan wie het priesterschap toekwam en aan wie het voorrecht om wierook te branden (daar gaat de parasja Korach over, Bamidbar/Numeri 16 ev). Andermaal werd toen ten koste van vele doden de positie van Mosjee, Aharon en de Levieten als dienaren van de ene godheid en zijn heilige tent bevestigd.

Vanuit het oogpunt van de bijbelwetenschap, waarin de historische feitelijkheid van de Exodus vaak is betwijfeld, is wel gesteld, dat van de Levieten het meest aannemelijk is, dat zij als stam werkelijk in Egypte zijn geweest en daaruit zijn weggetrokken, als was het alleen al dat vele namen uit de stam van Levi een Egyptische herkomst verraden, zoals Hofni, Choer, Merari, Moesji, Pinchas en last but not least Mosjee (Mozes). Ook andere argumenten worden aangehaald: in het lied van Mirjam, aangemerkt als het oudste deel van de Tora, komt de term Israël nog niet voor; de ark is gebouwd naar de vorm van een Egyptische bark en de tabernakel naar de vorm van de krijgstent van Ramses II tijdens de slag van Kadesj. (3) Zijn de Levieten, als gastarbeiders uit Kena'an gerekruteerd of als stam afgedwaald, in Egypte tewerkgesteld geweest? Waren ze van Egyptische afkomst of Hebreeën? Zijn vooral zij misschien de stam waarop later het narratief van de Exodus is gebouwd? Hebben zij de enorme theologische progressie van de ene godheid van het monotheïsme overgebracht aan een aantal andere Kena'anitische stammen en zijn zij verder daarom als bewakers van de morele leer en rituele praktijk opgetreden? (4) Interessante vragen, waarop een definitief antwoord wel nooit zal worden vastgesteld.

De parasja Beha'alotcha vertelt verder over hoe de uittocht voor de e e rste keer is herdacht en hoe het volk klaar is om verder te trekken.  De zilveren trompetten klinken en de imposante karavaan begint zijn lange reis. Maar al spoedig vinden er een aantal incidenten plaats en blijkt de tocht niet zonder ontberingen. Een eerste ernstige oproer over het voedsel wordt door Mozes amper afgewend. Hoe Mosjee met deze gezagscrisis is omgegaan is te lezen in mijn boek (5)

De laatste episode in deze parasja beschrijft de aantijgingen van Mosjee's zuster en broer, Mirjam en Aharon, tegen de grote profeet. Over deze duistere verzen zijn vele theorieën ontwikkeld; ze hebben mij aanleiding gegeven voor een uitgebreide verhandeling over de ‘vrouw uit Koesj' en over ‘God en Eros', te lezen in mijn boek Reizen door de Tora en op deze website (en mijn eigen website ).(6)

Noten
(1) In de christelijke dogmatiek van Paulus wordt zelfs Jezus die wordt gezien als Gods eerst- en eniggeboren zoon geofferd.
(2) In Reizen door de Tora, deel 2 , ‘Oudste zonen', ad Parasja Bamidbar, p. 97
(3) Ontleend aan prof. Richard Elliott Friedman, schrijver van ‘Who wrote the Bible?' op https://thetorah.com/the-historical-exodus/
Zie ook commentaar hierop http://pmrb.net/blog/tag/levites/
Maar waar halen de Levieten (en leviet nummer één Mosjee) hun revolutionaire kennis vandaan? Is er ruimte voor een authentieke openbaring?
Volgens Sigmund Freud in zijn boek De man Mozes en het Monotheïsme was Mozes een priester van Achnaton en waren de Levieten zijn volgelingen. Daarover publiceer ik binnenkort een essay.
(4) Nog steeds worden afstammelingen van Levi in de eredienst als eerste lezers van de Tora opgeroepen, als ze aanwezig zijn; eerst de kohen en dan de levi. In vele families is van generatie dit afstammingsgegeven doorgegeven.
(4) In Reizen door de Tora, deel 2, ‘Leiderschap in crisis', p. 105 ev
(5) In Reizen door de Tora, deel 2, ‘Op zoek naar de vrouw uit Koesj, p. 114 ev

Parasjat Kedosjiem Leviticus/Wajikra 19:1–20:27
Het misleiden van de blinden

De parasja Kedosjiem begint met een oproep: ‘ De Eeuwige zei tegen Mosjee: ‘Zeg tegen de gemeenschap van Israël: “Weest heilig, want ik, de Eeuwige, jullie God, ben heilig”' . ( Waj/   Lev 19:1,2). Wat is heilig? 
Het Hebreeuwse woord voor heilig, kadosj (oorspr. ‘apart gezet') heeft diepe roots in oude tijden, waarin het erop aankwam om de godheid gunstig te stemmen in het belang van voorspoed in de economie, in de oorlog en ter voorkoming van rampen; daartoe was het noodzakelijk, dat de offers volmaakt waren, smetteloos, vlekkeloos en zonder gebreken en ook de professionele offerbrengers, de priesters, mochten geen lichamelijke en morele gebreken hebben, dit alles om aldus geschikt te zijn om in de sfeer van volmaaktheid te treden van de godheid. Want God is als het volmaakte volstrekt ‘apart gezet' van het wereldse, banale, gebrekkige, materiële, profane. Heel veel rituele voorschriften in het boek Wajikra/Leviticus ademen nog deze strekking. Ze zijn voor zover ze de tempeldienst betreffen in onbruik geraakt.
In de voorschriften van hoofdstuk 19 wordt de opdracht heilig te zijn uitgebreid naar het hele volk ( kol edat benee Jisrael ), naar ons allen. De vereiste volmaaktheid, die voor de priesters wordt vereist, geldt tot op grote hoogte ook hoe wij volksgenoten – mensen - met elkaar omgaan. Het betreft dan vooral voorschriften op moreel gebied, die culmineren in het gebod de naaste lief te hebben als jezelf. (1)

Wij richten ons ditmaal in het bijzonder op het voorschrift in Wajikra/Leviticus 19:14, waarin geboden wordt: ‘(…) vóór een blinde mag u geen struikelblok neerleggen, maar u moet uw God vrezen. Ik ben de Eeuwige'. (2)
Gaat het letterlijk om iemand, die welbewust een struikelblok neerlegt voor een blinde met de bedoeling dat laatstgenoemde erover struikelt? Dan zou het een criminele daad zijn die door de rechter met behulp van getuigen bestraft zou kunnen en moeten worden. Maar het betreft hier een veel breder concept. Vaak behandelt de Tora een bepaald concreet geval, dat dan aanleiding geeft tot extrapolatie naar een meer algemeen principe. De uitleg van deze bepaling vat dan ook de blinde op als blinde in een bepaalde zaak of situatie, als ‘een onwetende'. De middeleeuwse geleerde Rasji tekent aan: ‘Geef iemand die “blind” is in een bepaalde zaak geen onjuist advies'. De midrasj in Sifra geeft een aantal voorbeelden.(3)
Als iemand vraagt of je dochter geschikt is voor het huwelijk met een priester (wat natuurlijk een mooi arrangement zou zijn), zeg dan niet dat ze geschikt ( kasjer ) is, als ze dat niet is. Als iemand advies vraagt over wanneer het een goed moment is om af te reizen, zeg dan niet ‘vroeg in de ochtend' als je weet dat er tegen die tijd rovers hem zullen overvallen. Zeg ook niet ‘in de middag' als je weet dat de hitte dan fataal kan zijn. Zeg ook niet (tegen een zakelijk onwetende) ‘verkoop je veld en koop een ezel om dan zelf het veld te kopen en later dan zeggen, dat je toch een goed advies gaf.
De midrasj voegt nog toe: ‘want deze dingen zijn ingegeven aan het hart ( masoer lalev ) zoals geschreven staat “u moet uw God vrezen. Ik ben de Eeuwige””. Het betreft dus geen gebod, waar enige sanctie op staat, de uitspraak doet een beroep op het hart, zeg maar gerust op het geweten. Vaak komt de ‘vreze Gods' neer op een aansporing om je te openen voor een diep innerlijk weten wat goed, medemenselijk en fatsoenlijk is.
Het onderliggend euvel dat zichtbaar wordt onder deze voorbeelden uit de midrasj is het misbruik maken van de onwetendheid van iemand anders of profiteren van iets dat jij wel weet, maar de ander niet, hetzij om er voordeel uit te halen, hetzij om de ander schade te berokkenen.

Een interessante uitwerking geeft Maimonides (4) (geparafraseerd); zoals het verboden is om aan een niet-Jood oorlogstuig en gevaarlijke wapens te verkopen (wel schilden ter verdediging), zo geldt dat ook voor het verkopen van zulk tuig aan een Jood, die rover is en natuurlijk heel goed weet, wat hij doet, maar toch volgens de middeleeuwse meester aangemerkt mag worden als verblind voor het zien van de rechte weg, morele verblinding
Deze redenering van Maimonides kunnen we goed doortrekken naar de actuele discussie over ethiek in het zakenleven, een discussie die met name nu super actueel is: neem bijvoorbeeld de wapenfabrikant, de wapenhandelaar en de bankier. Vanuit bovenstaand principe kunnen zij zich niet verontschuldigen door een beroep op het feit, dat zij geen zeggenschap hebben over de beslissing over hoe en wanneer die door hen verkochte wapens of dat geleende of geïnvesteerde geld voor onrechtmatige daden van geweld worden ingezet; ze maken criminele activiteiten mogelijk en zijn medeplichtig door het helpen van moreel verblinde daders bij het voortgaan op hun schadelijke of soms zelfs catastrofale dwaalweg (5). Ik heb de indruk, dat heel (te) geleidelijk het bewustzijn over dit beginsel uit het Joods gedachtegoed in maatschappelijke en commerciële instituties veld wint. Scherper wordt onderzocht hoe pensioenfondsen beleggen. Midden in de belangstelling stond recentelijk de rol van Facebook als gelegenheid gever aan vele ‘blinden' om allerlei kleine en grote vergrijpen te begaan.
De wijze en veeleisende ethiek van de Mussar voegt nog een aspect toe: zorg ervoor dat als het je materieel goed gaat andere mensen niet jaloers op je worden doordat jij en je familie pronkt met dure kleren of uitbundige maaltijden en laat anderen delen in je welvaart, ook dan leg je geen struikelblok voor blinden (5).

noten

(1) Meer over dit gebod in mijn boek Reizen door de Tora deel 2 , p. 60 ev
(2) Met dank aan het commentaar van Nechama Leibowitz op Kedosjiem, Studies in Wayikra , p. 173 ev
(3) Sifra kedosjiem 2:13
(4) Geciteerd uit Nechama Leibowitz, op cit
(5) Zie bijv. Financieel Dagblad 16 juni 2016: Ruim 155 financiële instellingen hebben meer dan $28 mrd belegd in fabrikanten van verboden clusterbommen. De instituten belegden het geld tussen juni 2012 en april 2016 in zeven bedrijven, zo blijkt uit een lijvig junirapport ( hier  te downloaden) van de Nederlandse campagneorganisatie PAX.
(5) Uit het 15 e eeuwse Orchot Tzaddikiem 14

Parasjat Acharee Mot Wajikra/Leviticus 16:1 -18:30
Een verbond van liefde  

Nauwelijks is Aharon bekomen van de dood van zijn zonen Nadav en Avihoe of de instructies gingen verder over zijn rol als hogepriester die verzoening moest brengen ver de zonden van het volk van Israel. De procedures, die de hij heeft te volgen worden uitgebreid beschreven. Op andere plaatsen (1) zijn wij er uitgebreid op ingegaan.
In hoofdstuk 17 begint wat bijbelwetenschappers de ‘holiness code' noemen, een stuk Leviticus van hoofdstuk 17 tot 26, een deel, dat wordt gekenmerkt door het veelvuldig gebruik van het woord ‘heilig' en ‘Ik ben de Eeuwige' en bevattend merendeels korte voorschriften. In hoofdstuk 17 vallen – na de regel dat offerdieren alleen bij de tabernakel mogen worden geofferd en het verbod om bloed te eten - vooral de regels op omtrent seksuele omgang. Allerlei vormen van verboden relaties met bloedverwanten en schoonfamilie worden opgesomd. Veel van die relaties, met name in de kernfamilie, zijn in onze seculiere samenleving nog steeds taboe. In hoofdstuk 20 worden ze nog eens herhaald met daarbij niet misse straffen, van doodstraf tot uitstoting.
In de Tora is seksualiteit eigenlijk als fenomeen geen issue op zich. In feite is het concept ‘seksualiteit' uitgevonden in de 19 e eeuw. Wel worden er duidelijke grenzen aangegeven waarbinnen seksuele gemeenschap is geoorloofd. Er is geen lustvijandige sfeer te bespeuren. Binnen vroom-rabbijnse kringen is dat wel anders (geweest). Persistent is vaak de overtuiging, dat geest en zinnen niet samengaan en dat genieting van seksualiteit ten koste gaat van Torastudie en de toenadering tot God. Staan seksuele activiteit en genieting spirituele ontwikkeling in de weg of is een combinatie mogelijk? Daarmee hebben de rabbijnen uit alle eeuwen zich intensief beziggehouden. In hun midrasj op Bamidbar/Numeri 12:1 (over de kwaadsprekerij van Mirjam over Mozes) concludeerden gezaghebbende commentatoren, dat Mosjee was overgegaan tot het celibaat (zie mijn commentaar op Behaälotcha (2)). Een man die constant in verbinding staat met de Eeuwige is boven de wereld van seks en gemeenschap uitgestegen. Dit veronderstelde Mozaïsche ideaal is echter uniek en vrijwel voor niemand weggelegd. Bovendien is daar de onverbiddelijke mitswa om kinderen te krijgen (maar wel binnen het huwelijk). Het procreatie-gebod eist van de man om periodiek tot zijn vrouw te komen. Vooral in chassidische (ultraorthodoxe) kringen werd (en wordt) die spanning nog steeds gevoeld: de man – meestal al heel jong getrouwd - hoort eigenlijk in de studiezaal en soms met tegenzin vervult hij op vrijdagavond bij zijn vrouw de mitswa om zich te vermenigvuldigen. Binnen het ‘gewone Joodse volk' is door de bank genomen seksuele genieting tussen man en vrouw binnen het huwelijk meestal niet problematisch geweest. Een probleem was – en is in orthodoxe kringen – nog wel het geval met homoseksualiteit. Immers onontkoombaar staat er in Wajikra/Leviticus 18:22: ‘Jullie mogen niet slapen met een mannelijk  persoon , zoals jullie met een vrouw slapen. Dat is een gruwel' ( et zachar lo tisjkewoe misjkewee isha, to'ewa ). Nu zoemen er vele interpretatiemogelijkheden rond deze grammaticaal wat enigmatische zin. Omdat misjkav ook ‘bed' kan betekenen zou je zelfs kunnen concluderen, dat mannen alleen niet met elkaar in het bed van een vrouw mogen slapen. Ook de context kan een rol spelen: de bepaling staat immers in een reeks verbodsbepalingen, die zich afzetten tegen de Kanaänitische en Egyptische erotisch-religieuze rituelen (zie 18:3 over het niet navolgen van de gebruiken van het land Egypte en van het land Kanaän, veelal vruchtbaarheidsrituelen), zodat het verbod van seksuele handelingen tussen mannen (mutatis mutandis voor vrouwen) misschien vooral slaat op publieke erotisch vertoon. In feite wordt alleen het ‘liggen' verboden, dus andere liefkozingen mogen kennelijk wel. Laten we beseffen, dat homoseksualiteit als identiteit een maaksel is van de moderniteit, dat toen en lang daarna nog niet bestond en als zodanig ook niet verboden kon worden. Maar dat neemt niet weg, dat zowel in Christendom als Jodendom en ook Islam dit verbod als een absoluut verbod van (openlijke) homoseksuele verhoudingen is opgevat en doorgevoerd tot wanhoop en zielenmarteling van vele mannen – en vrouwen - door alle eeuwen.

Ik denk, dat een uit de prehistorie ons tegemoet komend taboe een hele grote doorwerking heeft gehad (en nog steeds). Soms bergen taboes oeroude wijsheid, vaak zijn ze gelukkig door het wetenschappelijk verstand ontkracht of is hun dwingende macht verminderd. In het geval van de Tora is het taboe onder vele regels vooral ingegeven door het heilig ontzag voor de organen en lichaamsvochten, die met seksuele gemeenschap van doen hebben en te maken hebben met de voortbrenging. Het goddelijk mysterie van oerkrachten bracht mits met voorzichtigheid en behoedzaamheid benaderd de zegen van kinderen maar zou indien zorgeloos en onachtzaam behandeld vloek en onheil (met name onvruchtbaarheid) kunnen veroorzaken. Het taboe gold dus ook voor het mannelijk zaad, dat niet verspild mocht worden, maar alleen daar terecht mocht komen waar het binnen de regels om het taboe te bezweren uitgestort moest worden, de plek van de voortbrenging, de baarmoeder. We moeten de invloed van die oude krachten denk ik nog steeds niet onderschatten ook al hebben we ze voor een deel fysisch, sociologisch en psychologisch verklaard.

Intussen is in vele delen in de westerse maatschappij de seksualiteit voor een groot deel van zijn worteling in de oude taboe-ondergrond losgekomen en is ook de erotische genieting gedemocratiseerd, geseculariseerd en losgekoppeld van de seksuele gemeenschap. (Misschien is de secularisatie van de seksualiteit naar grenzeloze vrijheid wel te ver doorgeschoten). Daarmee zijn openlijke homoseksuele relaties ook in beter vaarwater gekomen. Je mag nu uit de kast komen. Wat geholpen heeft is dat wetenschappelijk ook de genetische aanleg of toeneiging aannemelijk is gemaakt.
Niet alle groepen in de samenleving zijn in de erkenning van homoseksualiteit als leefwijze in dezelfde mate meegegaan. In liberaal-joodse kringen is homoseksualiteit volledig geaccepteerd en is zelfs een vorm van religieus homohuwelijk mogelijk geworden , soms genoemd briet ahawa‘verbond van liefde' (3)

noten

(1)  In Reizen door de Tora, deel 2 , p.88 en bv ook op mijn website
(2) In Reizen door de Tora, deel 2 , p.105
(3) Zie ook  Briet Ahawa ook in Amsterdam

Parasjat Tazria-Metsora Wajikra/Leviticus 12-14 en14-16

Een kwalijke aandoening

De parasja Tazria (‘zij die zwanger wordt') handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over procedures rond de huidziekte  tsaraät , vermoedelijk een vorm van melaatsheid, soms vertaald als ‘huidvraat'. Het is aan de priester om te bepalen, wanneer daarvan sprake is; in het bevestigende geval is de lijder onrein en moet hij buiten het kampement in quarantaine verblijven tot de priester concludeert, dat genezing heeft plaats gevonden. In de volgende parsje Metsora (‘melaatse') volgen rituele reinigingsvoorschriften en voorschriften rond de aantasting van muren, gebouwen en kleden met  tsaraät   en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen.   

Het lijkt erop, dat de Israëlieten een sterke intuïtie hadden voor het belang van hygiëne voor de gezondheid. Toch vatten de oude wijzen de regels omtrent tsaraät niet zozeer op als een medisch-hygiënisch chapiter. Veeleer zagen ze de huidziekte als een gevolg van laster en kwaadsprekerij. Als standaardvoorbeeld geldt het lot van Mirjam die melaats werd toen ze kwaad had gesproken over Mosjee (zie Rasji bij Devariem 24:8,9). De Tora verbiedt liegen en laster ook uitdrukkelijk (1), maar vindt een rijke aanvulling in de rabbijnse uitleg van  lasjon hara  (2) De oude wijzen hebben kwaadsprekerij – ‘de kwade tong', lasjon hara – als een ernstig euvel opgenomen, ernstiger dan de drie ‘hoofd-overtredingen' afgodendienst, overspel en bloedvergieten. Naast mogelijke materiele schade veroorzaakt lasjon hara schade aan de ziel. Kwaadsprekerij over een derde person ‘doodt' drie personen, hij die kwaadspreekt, hij die het aanneemt en de besprokene (Talmoed Arachin 15b, zo ook Maimonides (3)). Intussen constateren wij vanuit onze moderne medische kennis geen rechtstreeks verband meer tussen kwaadsprekerij en huidziekten. Tsaärat is dan niet te lezen als een huidziekte, een schimmel in kleden of aantasting van muren, maar als een metafoor voor de kwalijke aandoening van het innerlijk, die kwaadspraak betekent. Nechama Leibowitz heeft het over een ‘innerlijke spirituele verstoring in de relatie tussen de lijder aan tsaraät en zijn schepper' (4).
Veel van het rabbijns gedachtegoed houdt een boodschap in die voor onze moderne tijd nog niets aan actualiteit heeft verloren. 

Roddel, achterklap, laster, smaad en kwaadspraak zijn van alle tijden. Vanaf zijn uitvinding heeft de drukpers naast de vele zegeningen ook ruim baan gegeven aan publicatie van magazines en sensatiebladen die tegemoetkomen aan de nimmer aflatende zucht naar roddelverhalen. Kwalijker is de duizendvoudige vergroting van het bereik van propaganda, strategische leugens en halve waarheden, waartoe de drukpers in staat heeft gesteld. En toen kwam het internet ons leven beheersen. Naast het ontegenzeggelijk nut heeft dit inmiddels onmisbare medium ook een exponentieel toenemende verstrooiing van  lasjon hara – belediging, hate speech , smaad en laster - met zich meegebracht. Individuen en instituten in dienst van schimmige belangen sturen praktisch onbeperkt en massaal verzinsels en strategische leugens de wereld in. Het is een industrie geworden (5). Een epidemie van desinformatie ( alternative facts ) en nepnieuws ( fake news ) ondermijnt het moreel, tast het weefsel van de samenleving aan en holt het maatschappelijk kapitaal aan onderling vertrouwen uit. Laten we aan die epidemie niet bijdragen. Ze klinken bijna naïef, maar spreek ze toch eens bewust uit, de laatste woorden van het dagelijks gebed: 'Mijn God, weerhoudt mijn tong van kwaad en mijn lippen van leugens' (6)

noten

(1) Sjemot/Exodus 20:16 U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste. 
Sjemot/Exodus 23:1 ‘U mag geen vals gerucht verspreiden' 
Sjemot/Exodus 23:7 ‘Houd u ver van bedrieglijke zaken' 
Wajikra/Leviticus 19:16 ‘U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan'
(2) Dit is als leerstuk van  Sjmirat Halasjon  tot in de meest subtiele details uitgewerkt door Rabbi Israel Meir HaCohen Kagan, bijgenaamd de   Chafetz Chaim  (eind 19 e eeuw)
(3) Moses Maimonides,  The Guide of The Perplexed  , p. 370 
(4)  Aldus het commentaar van Nechama Leibowitz op de parasja Tazria, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 115 ev
(5) Zie bijv. de ‘trollenfabrieken' in Rusland. Actueel: gister en vandaag 10/11 april heeft een en ander geleid tot het verhoor voor de Amerikaanse senaat van Mark Zuckerberg, CEO van Facebook, dat o.a. gelegenheid bood om via duizenden nep-accounts fake news te verspreiden om de Amerikaanse verkiezingen te beïnvloeden.
(6) zie bv LJG sidoer ‘Tov lehodot', p.90

Parasjat Sjemini Wajikra/Leviticus 9:1 - 12:1
Vuur  

In Erets Jisrael telt Pesach zeven dagen en dus is dit jaar na Pesach -- dat begon op erev sjabbat 30 maart - de sjabbat die begint op vrijdag 6 april een gewone sjabbat, die de lezing van de parasja Sjemini inluidt. In de orthodoxe rite in de diaspora viert met een achtste dag Pesach met eigen Toralezingen, een gewoonte die stamt uit tijden zonder moderne communicatiemiddelen, waarin men voor de zekerheid een extra dag inlaste om niet het risico te lopen af te wijken van de kalendertijd in Erets Jisrael. In liberale kringen viert men weer zeven dagen Pesach, maar sommige gemeenten lezen toch de achtste-dag-lezingen, sommige lezen gewoon de parasja Sjemini. Dat laatste doen ook wij.

De parasja beschrijft onder andere de achtste dag (  jom ha-sjemini  ) van de inwijding van de tempel. Voor het eerst worden door Aharon als hogepriester de voorgeschreven offers gebracht. Aharon en Mosjee zegenen het volk. De Eeuwige staat het volk toe om Zijn majesteit (  kawod  ) waar te nemen in de vorm van een vuur, dat het offer verteerde, een spektakel, dat het volk de adem benam van ontzag en op de knieën bracht. 
Maar dan slaat schrik en ontsteltenis toe. Nadav en Avihoe, de twee oudste zonen van Aharon, brengen impulsief en in extase een reukoffer met ‘vreemd vuur' (  eesj zara  ), dat de Eeuwige niet gevraagd had. Weer gaat er een vuur van de Eeuwige uit, maar nu een vuur, dat de twee overenthousiaste zonen verteert. Nadav en Avihoe, waren zich te buiten gegaan aan geestdriftige maar ongevraagde vuur- rituelen en bekochten dit met hun dood (Wajikra/Leviticus10:1 ev).

Vurige toewijding, die de grens overschrijdt en tot dood kan leiden, loopt als een rode draad door Tora en Tenach. De rabbijnen zien sommige eigenschappen zoals blind fanatisme steeds terugkeren in opeenvolgende generaties. In de complexe Luriaans-kabbalistische theorie van reïncarnatie is ieder leven een proces, waarin de opdracht is gegeven te rectificeren wat in vorige levens is misgegaan. In dat idee is de eigenschap van blind fanatisme in sommige levens ook een terugkerend fenomeen, dat steeds opnieuw moet worden getemd, omgezet, op een hoger plan gebracht.
Rectificatie heeft vaak meerdere levens nodig. Het archetype van de vurig toegewijde fanaticus vraagt in iedere fase van de geschiedenis om transformatie, zou je kunnen zeggen. Zo zien de kabbalisten het zielevuur van Nadav en Avihoe overgegaan op Aharons kleinzoon Pinchas, die zijn jeugdige en extatische toewijding voor een goede zaak dacht in te zetten maar daarin doorschoot in zijn daad van gewelddadige eigenrichting met betrekking tot de ongeoorloofde seksuele gemeenschap van een simonitische prins met een Moabitische prinses (1). Ondanks alles – contra-intuïtief - geeft de Eeuwige aan Pinchas het hogepriesterschap en ‘Mijn verbond van vrede' ( briti sjalom ); misschien mogen we dat uitleggen als een opdracht voortaan als hogepriester het vuur van zijn toewijding voor vrede in te zetten.

De ziel van Pinchas vinden de kabbalistische uitleggers weer terug in de profeet Elia. Zijn godsijver had gewelddadige vormen aangenomen, toen hij na de demonstratie van Gods macht op de berg Karmel honderden priesters van Ba'al en Asjera liet ombrengen. Als Elia na zijn op de vlucht voor koning Achab en Isevel uitgeput in de grot op de berg Chorev is aangeland (1 Koningen 19: 9-18) vraagt de Eeuwige hem: ‘wat doe je hier Elia?'. Het lijkt een vraag naar rekenschap, bijna een berisping. Het antwoord van de profeet - kan'o kineti , ‘ik heb met ijver geijverd et cetera' - is blijkbaar niet bevredigend. De reactie van de Eeuwige op het antwoord van zijn profeet is niet het archaïsch geweld van de storm of de aardbeving en ook niet het vuur, want daarin is de Eeuwige niet, de reactie is een subtiele stilte, waarin, de Eeuwige kennelijk wel present was en waarin een stem die de vraag nog eens stelt. Elia, wat doe je hier? Zou in die vraag niet het buitensporig fanatisme van Elia aan de kaak kunnen zijn gesteld? Was het wonder op de Karmel en de daaropvolgende regen niet voldoende, het wonder dat de Israël ie ten op hun knieën deed vallen en uitroepen: ‘De Eeuwige is God, de Eeuwige is God!'? Moesten per se de honderden Ba'al-priesters worden omgebracht, iets waarvoor de Eeuwige geen teken heeft gegeven? Elia houdt het bij hetzelfde antwoord aan de stem, waarvan je je kan afvragen: was die buiten hem of binnenin hem. Het is het antwoord dat hij net ook al gaf: kan'o kineti , ‘ik heb met ijver geijverd etcetera'.
In dit koppige tweede antwoord ligt naar mijn idee het falen van Elia; de voorbeeldige ‘godsijveraar' is er niet in geslaagd zijn monomane fanatisme te transformeren naar generositeit, zijn hart te openen voor compassie, zijn ijver te overstijgen en in te zetten voor vrede. (2) Het is waarschijnlijk niet toevallig, dat Elia meteen na zijn vertrek van de Chorev zijn opvolger aanwijst, Elisja.
De transformatie van Elia's vuur naar heil in plaats van naar haat heeft vooral na zijn hemelvaart plaatsgevonden in de midrasj en de legenden over zijn verschijnen in latere eeuwen op vele plaatsen. Daar treedt hij op als de helper in nood en als wijze leraar. In de talrijke volksverhalen komt hij in de meest uiteenlopende gestalten te hulp. (3) En last but not least is Elia de aankondiger van de messiaanse vrede geworden, op wie met smart wordt gewacht, voor wie tijdens de seidermaaltijd de deur wordt geopend en voor wie een glas wijn wordt klaargezet.

Noten

(1) Bamidbar/Numeri:25:12.
(2) Vgl Zacharia 4:6 Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest. Spreuken 3:31 Wees niet  jaloers  op iemand die geweld gebruikt,
kies niet de weg die hij gaat.
(3) Een overzicht van Elia-verhalen in: The Legends of the Jews by Louis Ginzberg [1909] https://www.sefaria.org.il/Legends_of_the_Jews.4.7?lang=en

RC april 2018

PESACH 2018/5778

Uit de Hagada

Op vrijdagavond 30 maart begint Pesach met de rituele maaltijd, de seider, waarin het overijlde begin van de uittocht uit Egypte wordt herdacht. Een belangrijke episode in de seidermaaltijd is het expliciet noemen van de symbolische ingrediënten: het pesachoffer, de matsa en het maror kruid. In de Hagada sjel Pedsach (de gids tijdens de seider) staat (onder 11 in de Hagada van het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom) ‘Rabban Gamliël zei altijd: “Wie op Pesach niet de volgende drie zaken noemt heeft niet aan zijn verplichting voldaan, namelijk het pesachoffer, de matsa en de maror”'. Een enkele aantekening bij deze drie zaken

Iets over Gamliël  Er waren twee belangrijke Gamliëls, grootvader en kleinzoon. De kleinzoon Gamliël leefde eind eerste eeuw Westerse jaartelling en was na Romeinse verwoesting van Jeruzalem in 70 AD belangrijk voor de voortzetting van het jodendom in de zogenaamde school van Javné. 
Grootvader Gamliël leefde tegen het midden van de eerste eeuw en stierf voor de verwoesting; hij stond als lid van het Sanhedrin bekend om zijn wijsheid en geleerdheid. Hij was de leraar van de apostel Paulus (zoals vermeld in het boek Handelingen 22:3). Misschien is hij wel de Gamliël van de Haggada, omdat de titel Rabban vooral met hem wordt geassocieerd.
Iets over de betekenis van de naam. Gamliël betekent officieel God beloont mij, van het werkwoord gamal = belonen. Maar volgens mij is het ook aanvaardbaar Hebreeuws om te lezen: gam li Eel , ook voor mij is God, de Eeuwige is er ook voor mij, ietsje ruimer met het oog op hen die moeite hebben met het Godswoord: ook ik heb deel aan universele bron, ook voor mij is er in beginsel een plek in de schepping ingeruimd. En als het voor mij geldt dan ook voor u en voor jou en voor jou en voor ons allen. ‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen', zoals Thé Lau zong, om er eens een modern geluid bij te halen.

Pesachoffer  gesymboliseerd door het botje op de seiderschotel. Pesach komt van het werkwoord "pasach", dat pas later "overslaan om te ontzien" is gaan betekenen; oorspronkelijk betekent het huppelen van het ene been op het andere, hinkelen of hinken. Volgens Martin Buber kan het geduid hebben op de oorspronkelijke rituele reidans van de herders in de lente; "chag" = "feest" betekent ook oorspronkelijk reidans. Nu duidt het op het overslaan door de mal'ach ha-mawet (doodsengel) van de joodse huizen. Het pesachoffer is in belang zeer verminderd sinds de verwoesting van de tempel en het botje wordt niet meer opgetild en getoond.

Matsa  Belangrijker in de symboliek en de rituelen is de matsa geworden, het ongezuurde en dus ongerezen brood dat wordt opgetild en getoond.. Alles wat gistproduct is, chameets , dus alles wat de materie doet rijzen, opblaast, vult met lucht, groter maakt, moet uit het huis verwijderd worden. Wat mij aanspreekt is de associatie die via het rijzen gelegd wordt met alles wat in u en mij, in ons, opgeblazen is, arrogantie is, veel belangrijker gemaakt wordt dan het is ten koste van essentiële zaken. 
Kijk om je heen en zie hoe enorm veel zaken worden opgeblazen, windbuilen, gebakken lucht, financiële luchtbellen, die ons naar de economische afgrond brengen. De matsa herinnert mij aan mijn arrogantie, opgeblazen eigenbelang, zelfgenoegzaamheid en roept mij op om te komen tot eenvoud, om aan het ego van Egypte voorbij te gaan naar eenvoud en essentie. 

Maror  In Maror, het bittere kruid, zit het woord ‘mar', bitter. Bitter was het lot van de slaven, Sjemot/Exodus begint met het bitter geschrei van de afgebeulde Israelitische dwangarbeiders. Dat steeg toen ten hemel, staat geschreven, maar of het bitter geschrei uit getto's en kampen in later eeuwen ook die hemel bereikte? Je vraagt het je af. Maar goed: laten we maar zeggen: het maror kruid gedenkt de zeeën van tranen en bitterheid van alle eeuwen van slachtoffers van de beul. Op het persoonlijk niveau confronteert het bitterkruid ons ook met onze eigen bitterheid, met onze benauwenis en de onvermijdelijke pijnen, die wij in ons eigen Egypte (Hebreeuws Mitsrajiem ) hebben opgedaan. Maar in dat beperkte gebied van benauwenis ( mitsrajiem = ook: benauwde plaatsen) blijven leidt uiteindelijk tot niets, er is altijd meer dan dat. Ga ervan uit, dat als je goed luistert je een stem te horen die wijst naar ruimer zicht, een Mozaïsche stem om zo te zeggen, die in het licht van de lente een vernieuwend perspectief opent op een begaanbaar pad naar grotere vrijheid. Daarom dopen wij de maror in de heerlijke zoete vruchten- en notenpasta, de charoset , het zoet helpt het bitter te dragen en loopt vooruit op het deel aan blijdschap om het leven, waarop in beginsel ieder recht heeft.

Pesach sameach, vrolijk Pasen 

Parasjat Tsav
, Wajikra / Leviticus 6: 1-8:36 
over dankbaarheid

Evenals de voorgaande parasja Wajikra bevat de parasja Tsav (Draag op …) regels over het offeren, deels een herhaling van de vorige parasja, en over de wijding van Aharon en diens zonen tot priester. De offers die worden behandeld, maar nu als instructie aan de priesters met aanvullende details, zijn: het opgaande (brand) offer (  ola  ), het meeloffer (  mincha  ), het vrede-offer (  zewach sjelamiem  ), het zonde-offer (  chatat  ) en het schuldoffer (  asjam  ). Deze voorschriften zijn nu niet meer van toepassing, maar de achterliggende intenties kunnen ons nog steeds iets zeggen. 

Laat ik eens het sjelamiem offer (sjelamiem verwant met sjalom, vrede, en sjalem, heel) nader bekijken, het vrijwillig te brengen offer, dat wil getuigen van erkentelijkheid en dat door iedereen mag worden geïnitieerd. In deze parasja wordt een bijzondere vorm van het sjelamiem offer geïntroduceerd, het dankoffer, het  korban toda  , te brengen als dank voor het ontkomen aan gevaar of ontbering. Het betreffende dieroffer wordt in dit geval nog aangevuld met veertig broden, gedesemd en ongedesemd, en mag dan met familie en vrienden worden verorberd als feestelijke maaltijd. De Talmoedische rabbijnen meenden, dat in een aantal situaties dankbetuiging toch wel verplicht was; ze vonden aanwijzingen in psalm 107, waarin de Eeuwige wordt geprezen voor de uitredding uit een aantal poëtisch omschreven benarde en gevaarlijke situaties; speciale dank is verschuldigd na veilige terugkomst van een zeereis, na veilige terugkomst van een woestijntocht, na herstel van een ernstige ziekte en na het vrij komen uit een gevangenis (Talmoed Berachot 54b, Rasji ad Wajikra/Sjemot 7:12). 
Het dankoffer is weliswaar vervallen, maar het ritueel danken na het ontkomen aan groot gevaar (bijvoorbeeld na genezing van een ernstige ziekte) is nog steeds gebruikelijk. Dat gebeurt in de vorm van het gomel-benshen, de  birkat ha gomèl  , die wordt uitgesproken tijdens de dienst. De opgeroepene zegt: ‘  Gezegend bent U, Hasjem, onze God, Koning van tijd en ruimte, die de mens Zijn goedheid laat ervaren en die nu mij heeft bijgestaan in deze tijd  .' Daarna antwoordt de gemeente: ‘  Moge Hij die jou nu heeft bijgestaan jou ook in de toekomst Zijn goedheid laten ervaren, sela'(  sela is een soort amen) (1). 
Dankbaarheid ( hakarat tova ) is één van de rode draden van het Joods gedachtegoed. In de dagelijkse gebeden zien we dat terug. Het allereerste gebed na het ontwaken is een dankgebed voor het terugkomen van de levende ziel in het lichaam,  Modeh ani lefanècha  etc. : ‘  Ik dank U, levende en bestaande Koning, dat U mij mijn ziel heeft teruggegeven met ontferming, groot is Uw trouw  '  .  In het dagelijks gebed, het zogenoemde Amida gebed, is de voorlaatste bede geheel gewijd aan dankbaarheid (2). Ook het danken na de maaltijd, het zogenaamde bensjen middels het zingen van de speciale zegeningen (  birkat ha-mazon  ), wil tot het besef van dankbaarheid oproepen. 

Maar het gaat natuurlijk niet (alleen) om het uitspreken van deze formules op zich. Ze helpen om, mits uitgesproken met besef (  kawana  ), een levenshouding van dankbaarheid te wekken en te cultiveren. Het besef van het voorrecht om aan het leven te mogen deelnemen – ondanks het lijden dat er existentieel in is meegegeven – is wanneer het eenmaal tot bewustzijn is gebracht een bron van dankbaarheid. En dankbaarheid als levenshouding is een uitstekend antidotum tegen depressie. 
Maar als een spier die we vergeten te gebruiken is de mogelijkheid van dankbaarheid vaak weggekwijnd en vergeten. Het valt veel van ons – ook mij – vaak niet mee om dankbaar te zijn. 
Welke barrières staan dankbaarheid in de weg? Al ongeveer duizend jaar geleden somt Rabbi Bachya Ibn Pakoeda er drie op (3): Dankbaarheid gaat verloren als we alleen maar geabsorbeerd zijn in het najagen van fysieke pleziertjes. Als we alles we ons gegeven is als vanzelfsprekend ervaren is de dankbaarheid vergeten. Ook krijgt dankbaarheid geen kans als we alleen maar gefocussed zijn op tegenslag en ellende. 
In het Joods gedachtegoed kan dankbaarheid benoemd worden als een eigenschap, die je tot ontwikkeling kan brengen en kan oefenen. ‘Count your blessings', zou deze wijze meester tegenwoordig zeggen. Hij wordt graag geciteerd in de Moessarbeweging, die een filosofie en een scholing biedt voor ontplooiing van onze zielskwaliteiten ten goede. Als je de vraag zou stellen, of je een reden moet hebben om te danken, zou de Moessar antwoorden: Danken kan ook een oefening zijn, door steeds te danken wek je dankbaarheid op en zie je redenen die je vroeger niet zag oplichten. Go through the motions to reach the essence, leerde ik vroeger in een meer therapeutische setting.  De Moessar is hier heel concreet in. De oefening kan zijn : ieder dag drie redenen opschrijven om dankbaar te zijn; 's-ochtends en voor en na het eten de betreffende zegenspreuken (berachot) te zeggen (4). 
Mocht u dat niet al doen, zegt u eens na het opslaan van de ogen nog in bed het Modeh ani lefanècha. Mij helpt het mezelf positief af te stemmen op de komende dag.

herzien maart 2018

Noten 
(1) Zie bijv. LJG-gebedenboek Tov Lehodot, blz.306 
(2) De 18e beracha, zie de liberale versie in LJG-gebedenboek Tov Lehodot, blz. 146/147, 290/291 
(3) Rabbi Bachya Ibn Pakoeda, Spanje eerste helft 11 e eeuw, schreef Chovot Ha-levovot (de Plichten van het Hart), een werk van hoog ethisch niveau. 
(4) Moessar een in de 19e eeuw opgekomen en in de moderne tijd herlevende stroming die oproept tot een levenswijze die erop gericht is de beste mogelijkheden die men in zich heeft te ontplooien en met name innerlijke houdingen of karaktertrekken ( ‘middot' ) onder de loep te nemen en te verbeteren. 
Zie Alan Morinis,  Everyday Holiness, The Jewish Spiritual Path of Mussar  , Trumpeter, Boston London, 2007
 Vertaald: Het Heilige in het Alledaagse, Het Joodse spirituele pad van Mussar , Mastix Press, 2014. Zie hoofdstuk 9 over dankbaarheid.
Een korte kennismaking met Moessar biedt mijn artikel  MOESSAR,  een korte beschrijving van een joods spiritueel pad 

Parasjat Wajikra  Wajikra/Leviticus 1:1 – 5:26 

Hoe de Tora niet wordt vergeten

Op deze sjabbat – de zg sjabbat rosj chodesj, 2 weken voor Pesach - begint het lezen van het derde boek van de Tora, het boek Wajikra (‘Hij riep') ofwel het boek Leviticus. Wajikra is in die zin een logisch gevolg op Sjemot/Exodus dat het antwoord geeft op de vraag: in Sjemot/Exodus is beschreven dat er een mooie tabernakel is gemaakt met een ark en vele andere attributen, dat er priesters zijn aangewezen en tempeldienaren; hoe moeten met dat alles in de praktijk omgaan, hoe bedrijven we een zuivere eredienst en last but not least hoe gaan we met elkaar om op een zuivere manier? Het is een boek met vele rituele en reinheidsvoorschriften, die ook zonder tempel deels nog in de orthodoxie hun gelding hebben, maar ook met morele voorschriften, die een universele doorwerking hebben gehad en nog hebben. In vele andere commentaren (1) heb ik over deze parasja en het boek Wajikra geschreven.

Nu richt ik de schijnwerper op de haftara voor deze sjabbat. Die is uit het boek Ezra, Ezra 7:1-28, het gedeelte waarin de terugkeer van Ezra vanuit de ballingschap in Perzie naar Jeruzalem wordt beschreven, Ezra ha-sofeer, de ? schriftgeleerde, ‘ bedreven  in de wet van de God van de hemel'. Hij werd gedreven door de missie ‘om de wet van de Eeuwige te onderzoeken, om die te doen en om in Israël de verordeningen en bepalingen te onderwijzen'.
Ezra doet ons beseffen, dat de Tora zoals wij die kennen, in zijn tijd als het ware uit de vergetelheid moest worden gereconstrueerd.
Laten we eens een historische terugblik werpen op de eeuwen, die aan Ezra's komst en werkzaamheid in Jeruzalem rond 450 BCA voorafgingen.

De koninkrijken Israël en Juda, ontstaan na de dood van Salomo, lagen op het kruispunt van de grote rijken Egypte, Assyrië en Babylonië. Dat gebied was het toneel van de ene oorlog na de andere, verwoesting, plundering en dood waren aan de orde van de dag. In 722 BCA viel Samaria na jaren belegering in handen van het Assyrische leger. De tien stammen van het koninkrijk Israël werden gedeporteerd naar Assyrië. Andere groepen werden in het gebied geïmporteerd. Omstreeks 700 BCA tijdens het bewind van koning Hizkia onderwerpt de Assyrische koning Sanherib vrijwel heel het koninkrijk Juda. Hij verwoest de grote stad Lachis in Juda. We mogen niet onderschatten, hoe zwaar de ontberingen waren. De Assyrische koning Sanherib vermeldt trots in een inscriptie: ‘ Ik verdreef 200.150 mensen, jong en oud, mannen en vrouwen, paarden, muildieren, ezels, dromedarissen, runderen en ontelbare hoeveelheden kleinvee en beschouwde het als mijn buit'. (2) De koning belegert Jeruzalem, dat wordt gespaard dankzij een epidemie die in zijn leger uitbrak. Tot 650 is het Assyrische rijk op zijn hoogtepunt en verovert zelfs Egypte. Egypte op zijn beurt maakt zich weer onafhankelijk en het koninkrijk Juda wordt nu tot Egyptische vazalstaat. De vrome Judese koning Josia sneuvelt in een grote veldslag tegen het opgekomen Babylonische rijk, dat eerst Juda schatplichtig maakt en na een opstand Jeruzalem verwoest (586 BCA), het land inlijft en een groot deel van de bevolking wegvoert in ballingschap naar ‘the rivers of Babylon'.
In die woelige eeuwen welden herinneringen op aan hoe vroeger in mythische tijden ook onderdrukking en ontbering de voorvaderen en -moederen hadden gekweld, maar ook hoe uitredding en bevrijding uit de toenmalige ellende onder leiding van Mozes en zijn God haddn plaatsgevonden. Die oude wonderlijke gebeurtenissen hadden sporen achtergelaten in het volksgeheugen. Geleidelijk werden – misschien vanaf de regering van koning Hizkia - herinneringen gevoegd tot het definitieve verslag van Pesach en Sinaï. Tot het verhaal, dat betekenis kon geven aan ingrijpende actuele gebeurtenissen. Tot een narratief dat moed geeft en hoop. Het krachtige medium waarin de herinnering werd gekristalliseerd en waarmee het bevrijdingsverhaal van generatie op generatie overgebracht moest worden was bij uitstek het Pesachfeest. In de tijd tot koning Josia , die grondige hervormingen doorvoerde, was Pesach in onbruik geraakt. Koning Josia heeft het weer ingesteld. 2 Koningen 23: ‘Want zoals dit Pesach was er geen gehouden, vanaf de dagen van de richters, die aan Israël leidinggegeven hadden, en  ook  niet  in al de dagen van de koningen van Israël of van de koningen van Juda'. In samenhang met die restauratie van Pesach is er tijdens de regering van Josia nog een opmerkelijke gebeurtenis gepasseerd. Bij de restauratie van de tempel werd in 621 BCA ‘het wetboek' gevonden (2 koningen 22). Men neemt aan, dat het gaat om het boek Devariem/Deuteronomium, of althans de kern ervan.

De Babylonische ballingschap moet de periode zijn geweest, dat de vele Joden zich eerst recht ernstig bezig gingen houden met hun geestelijk en religieus erfgoed. Ezra, een belangrijk man aan het Perzische hof was een voorman van deze beweging. Met zijn onvermoeibare inspanning het volk weer aan zijn heilige geschriften te herinneren verwierf hij zich de reputatie van een tweede Mozes. Misschien heeft zijn collega, de Joodse gouverneur van Jeruzalem en omliggende gebieden Nechemja (of zijn redacteur), in zijn gelijknamig bijbelboek de figuur van Mozes wel voor ogen gehad toen hij Ezra's finest hour – de openbare voorlezing van zijn gereconstrueerde Tora - beschreef (Nechemja 8:5): Ezra, de ? schriftgeleerde, stond op een houten verhoging, die ze voor deze gelegenheid hadden gemaakt, (…) 6 Ezra ? opende het ? boek ? voor de ogen van heel het volk, want hij  stond  hoger dan heel het volk. Toen hij het opende, ging heel het volk staan.' We zien bijna de Israëlieten weer staan aan de voet van de heilige berg Sinai. Een dag daarna werd het Loofhuttenfeest (Soekot) in ere hersteld. Ook dat feest was vergeten. (Nechemja 9:8): ‘De hele ? gemeente ? van hen die uit de gevangenschap waren teruggekeerd, maakte ? loofhutten ? en woonde in  die   ? loofhutten, want zo hadden de Israëlieten niet  meer  gedaan vanaf de dagen van ? Jozua, de zoon van Nun, tot op deze dag'..

Rond het jaar 200 herinnert de Talmoedleraar Resj Lakisj (in een discussie over de reinheid van matten, waarin hij de mening van Rabbi Chiya citeert) aan de verdiensten van Rabbi Chiya: ‘(…) toen sommige wetten van de Tora door het Joodse volk in Erets Jisrael vergeten waren, kwam Ezra uit Babylonië en herstelde de vergen delen van de Tora, zoals (later) Hillel de Babylonier kwam en de vergeten delen herstelde. Toen delen van de Tora weer vergeten waren kwamen Rabbi Chiya en zijn zonen en herstelden de vergeten delen'. (3).
Rabbi Chiya kwam uit Babylonie en vestigde zich tegen het jaar 200 in Palestina, waar hij een groot aandeel had in het levend houden van de Tora. De verwoesting van de tempel in 70 AD en de verwoesting van Jeruzalem in 135 AD had diepe sporen nagelaten. Men vertelt, dat Chiya het land rondreisde en in ieder dorp of stad, waar geen onderwijzers waren, aan vijf kinderen een van de vijf boeken van de Tora gaf en hen Tora leerde. Vervolgens leerde ieder kind weer Tora aan de andere kinderen. (4). Een effectieve methode lijkt me, waar we nog een voorbeeld aan kunnen nemen.
Zo werd de Tora steeds weer vergeten en na traumatische perioden weer opnieuw herinnerd

Noten

(1) In mijn boek Reizen door de Tora en op mijn website
(2) De tekst wordt vermeld op de website van historicus Jona Lendering
(3) Talmoed Soeka 20a
(4) Talmoed Ketoebot 103b, waar de anekdote aldus wordt vermeld (vrij vertaald uit het Engels): R, Chanina zei tegen R. Chiya: waag jij het met mij te discussieren? Als God verhoede de Tora vergeten wordt, dan zou ik hem herstellen in gesprekken. R. Chiya antwoordde, (ook) ik zorg ervoor dat de Tora niet wordt vergeten in Israel. Ik zaai vlas en weef netten. Daarmee jaag ik op herten en met hun vlees voed ik de wezen en met hun huiden maak ik rollen; dan ga ik naar een stad waar geen onderwijzers zijn voor jonge kinderen en beschrijf de rollen met de vijf boeken van de Tora voor vijf kinderen en zes andere kinderen leer ik de zes ordes van de Misjna en dan instrueer ik ieder kind: ‘leer jouw afdeling aan je collega's'. Dat deed Rabbi (Jehoeda ha Nassi, zijn leermeester RC) uitroepen: ‘groot zijn de daden van Chiya'.

Parasjat Wajakhel-Pekoedee    Sjemot/Exodus 35:1- 40:38
Kunst

De parasjot Wajakhel en Pekoedee – in de meeste kalenderjaren tezamen gelezen – beschrijven hoe en met welke materialen de misjkan (tabernakel) wordt gebouwd en op welke wijze en met welke materialen de attributen daarin worden gemaakt, zoals de altaren, de ark, de menora, de tafel met de toonbroden, het wasbekken, de priesterkleding etc. In de parasjot Teroema en Ki tisa zijn al de uitgebreide instructies beschreven die Mosjee op de Sinaj had ontvangen, nu wordt in grotendeels gelijke bewoordingen in detail beschreven, dat ze ook zo worden uitgevoerd.
De materialen, die nodig zijn worden door het volk uit eigen bezit afgestaan: goud, zilver of koper, blauwpurperen, roodpurperen of karmozijnrode wol, fijn ? linnen ? garen of geitenhaar, rood ? geverfde ? ramsvellen, vellen van zeekoeien, acaciahout, lampolie, geurige specerijen voor de ? zalfolie ? en voor de ? reukoffers, onyxstenen voor het ? priesterschort ? of edelstenen voor de ? borsttas.
Duidelijk is de tabernakel een coöperatief project, waarin iedereen heeft geïnvesteerd. Een betere manier om een commitment te vestigen is er niet.

De leiding van het project berust bij de prototypische kunstenaars en ambachtslieden Betsalel, de naamgever van de kunstacademie te Jeruzalem, en Oholiav. Bestsalel was een echte duizendkunstenaar. Hij was zowel ontwerper en designer als ook uitvoerder; hij was goud- en zilversmid, houbewerker. Maar onderschat zijn naaste medewerker Oholiav niet. Bij hem lag het accent op wol en linnen weven, borduren en dergelijke. Tegelijk waren beiden ook begaafde docenten, die hun kennis konden overdragen aan de vele anderen die nodig waren om de tabernakel te maken.
De constructie van de tabernakel moet een levendig speltakel hebben opgeleverd. Het vergde de inzet van ieders beste vermogens. De beschrijvingen stralen het plezier uit waarmee is gewerkt aan deze ambachtelijke en artistieke topproductie.

Het lijkt of later het plezier in beeldende kunsten bij het volk Israëls vrijwel is verdwenen. Dat hangt samen met de strikte uitleg van de tweede uitspraak van de Tien Woorden, het zogenaamde beeldverbod, dat een grote en stringente doorwerking heeft gehad. (zie hierover mijn  desbetreffend artikel , RC). Dit verbod heeft echter toch vooral betrekking op het  cultisch  gebruik van mens- en dierafbeeldingen en –symbolen. 

Bovendien waren In de vele eeuwen, dat de Joden leefden in benauwde getto's, armoedige sjtetls en onder de ban van allerlei beroepsverboden beeldende kunstenaars ver te zoeken
De creatieve kracht zich vooral op het innerlijk leven, op het onzichtbare eerder dan op het zichtbare, eerder op het onaanraakbare dan op het zintuiglijke. De
Haggadot, boeken waarin de gebeden, liederen en verhalen over de exodus waren vastgelegd om gebruikt te worden bij het Pesachmaal, de Seider, bevatten wel vaak allerlei afbeeldingen en prenten, maar die werden beschouwd als louter versiering. Maar alles bij elkaar genomen, het woord was en is in het religieuze Jodendom belangrijker dan het beeld.

Maar in de negentiende eeuw kwamen toch de beeldende kunstenaars uit de getto's en namen de nieuwe vrijheden die de Verlichting en de sociale hervormingen boden dankbaar te baat.
Men zegt wel dat de eerste joodse schilder
Moritz Daniel Oppenheim (1800-82) was, geboren in een getto bij Frankfurt. Hij schilderde familietafereeltjes, maar ook een portret van de familie Rothschild, de bankiersfamilie, in gebed.

Meer bekend werd Lieberman (1847-1935) die schilderde in de stijl van Millet.
In Nederland kennen wij natuurlijk Jozef Israels (1824-1911), de schilder van sferische visserstaferelen en gevoelige portretten.
Zelf heb ik een geschilderde reproductie van Jacob Meyer de Haan (1852-95), getiteld ‘een moeilijke passage in de Talmoed'. Het is een tafereel van drie mannen die de het eenorme boekdeel bestuderen. Later ging Meyer op de Franse tour en affileerde zich o.a. met Gauguin.
De moderne tijd werd ingeluid door Pisarro (1830-1903), een van de founding fathers van het impreesionisme .

RC maart 2018

Parasjat Ki tisa Sjemot/Exodus 30:11 – 35
Een korte geschiedenis van God

Bijbelwetenschappers hebben erop met soms speculatieve, soms aansprekende argumenten erop gewezen, hoe de Eeuwige in de tijd van de Sinaj allerlei attributen van een stamgod had. Wolken, aardbeving, storm en vuur vergezelden hem. Maar een opvallend verschil met andere stamgoden springt toch in het oog. Hij wil niet, dat hij wordt afgebeeld, al verlangt hij wel allerlei parafernalia, die Zijn presentie in herinnering moeten brengen, zoals een ark met cherubs, een tabernakel met menora en tafel met toonbroden, en altaren voor offers van runderen en wierrook. Middels zijn dienaar Mozes heeft de Eeuwige de revolutionaire vernieuwing van zijn beeldloosheid en zijn opzienbarende tien geboden in de wereld gebracht. Te midden van bergachtig gebied werd de naam van een lokale berggod - de naam die later het tetragrammaton JHWH werd – geleend voor dit revolutionaire inzicht. Onder die naam daalde de godheid af van zijn bergachtige verblijf af en werd hij een meer persoonlijke presentie bij de profeet annex leider en zijn volk, die zijn stem hoorden niet alleen in de machtige natuurfenomenen, die zich in bergachtige streken voordoen, maar ook in de ingeving van een krachtige impuls tot ethisch gedrag, die door Mozes vertaald werd in veeleisende richtlijnen. In het bijzonder was – en is - het moeilijk om de stap mee te maken, dat de Eeuwige, de goddelijke essentie, niet te rijmen is met enige afbeelding.

Deze oefening in geestelijk leven was voor het merendeel te veel gevraagd en toen Mozes in zijn missie op de berg van God lang wegbleef gaven zij gretig toe aan het oude verlangen naar de gebruikelijke vertrouwde totems van dierenbeelden, i.c. het gouden stierkalf, een overtreding die welhaast mag worden benoemd tot de erfzonde van het Joodse volk. Van de eeuwenlange strijd tussen de nieuwe religie van de beeldloze godheid en de plaatselijke amorele natuur- en vruchtbaarheidsgoden getuigen de verhalen van de profeten.

De godheid van de Israëlieten was gedurende hun halfnomadisch bestaan nog een jaloerse en naijverige godheid, die alleen voor zijn stam was. Hij ervoer kennelijk nog concurrentie en duldde geen andere goden naast zich (Sjemot/Exodus 34:14). Hij hanteerde niet misse sancties als hij miskend werd en strafte dan met epidemieën en dood. Hij eiste militaire verovering en ging voor in de strijd tegen de plaatselijke bevolking.
Ondanks deze martiale trekken moet in de ervaring van de Ene bij de heilige berg toch een wonderlijke kern, een essentie zijn geweest, een surplus dat uitgaat boven lokalisatie in tijd (zeg eind tweede milennium BCA) en plaats (de woestijn van Sin of Paran), die het mogelijk maakte, dat veel later de Eeuwige begrepen kon worden als bovenal een universele god, die de mens aanspreekt in zijn innerlijk en oproept tot vrijheid, verantwoordelijkheid, fatsoen en compassie. Dat licht vooral op in Sjemot/Exodus 34:6, als Hij aan Mosjee voorbijgaat en zich omschrijft als machtig, barmhartig, genadig, lankmoedig, vol van liefde en waarheid.
Die vonken van verlichting doen de sintels in ons gemoed ook nu nog oplichten, zoals ze wellicht ook letterlijk de huid van Mosjee deden stralen, zodanig dat het volk er bang van werd en hij zijn gezicht moest versluieren (Sjemot/Exodus 33-35) en ook misschien zijn woorden moest versluieren, dat wil zeggen aanpassen en omtalen voor de menigte.

Parasjat Teroema  Sjemot/Exodus 25 - 27:20
Een jongen en een meisje

In dit bijbelstuk krijgt Mosjee opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt worden; verder wordt in deze parasha beschreven hoe de te vervaardigen heilige arke,  ha-aron ha-kodesj , de rituele objecten en verder de tent der samenkomsten, de  miesjkan , eruit moeten gaan zien. Dit alles volgens de modellen zoals aan Mosjee op de berg getoond.
In groot detail worden uiterlijk, soorten materialen en afmetingen bladzijden lang beschreven.

De miesjkan

Heeft de Eeuwige een heiligdom nodig ?
De commentatoren komen meestal op dit antwoord: niet God heeft een heiligdom nodig maar de mensen, de benee Jisrael, hebben het nodig om voortdurend herinnerd te worden aan Gods aanwezigheid. 
Umberto Cassuto signaleert in zijn commentaar op Exodus, dat deze passages niet voor niets vlak na de passages over de sluiting van het verbond op Sinaj komen. Door een zichtbaar en schoon vormgegeven heiligdom, dat midden in het kampement komt te staan, wordt het volk steeds herinnerd aan deze openbaring en aan Zijn voortdurende nabijheid. En de gedetailleerde beschrijving van de Heilige Woning benadrukt deze strekking nog eens in schrift. Dat is ook het hoofddoel van deze beschrijvingen, aldus Cassuto.
Martin Buber (1) ziet het - de lijn van Maimonides - vanuit de intentie van Mosjee: in zijn wijsheid als leider van zijn volk heeft hij hier een oplossing gevonden voor het verlangen van de massa naar een zichtbare aanwezigheid van een God, die in principe niet zichtbaar is en hij heeft daarvoor oude al bestaande elementen samengevoegd tot een nieuw symbool: de ark, het object, dat de presentie van de onzichtbare leider voor het volk tot uitdrukking brengt en waarborgt, of anders gezegd: dat zijn steeds hernieuwd komen, verschijnen, present worden en meegaan tot uitdrukking brengt. Een immanent object dat verwijst naar de transcendentie. Die presentie is volgens Buber geen abstract concept, maar een existentiële ervaring, die wij als mogelijkheid in relatie met anderen en de natuur in principe kunnen realiseren.

Een jongen en een meisje

De twee cheroeviem zijn niet nader beschreven. Wat wel uitdrukkelijk in de Tora is voorgeschreven, dat zij vleugels moesten hebben, die wijd uitgespreid beschermend de ark overhuifden. De semiticus Umberto Cassuto vermeldt dat in die tijd in het Midden-Oosten gevleugelde figuren, al dan niet viervoetig en al dan niet dierelementen van arend, os of leeuw bevattend, als attribuut van de godheid veel voorkwamen. (zie b.v. ook Jechezkel 10:14, iedere cherub had vier gezichten: bij de eerste was het gezicht van een cherub te zien en bij de tweede dat van een mens, bij de derde de muil van een leeuw en bij de vierde de bek van een adelaar)
De uitgespreide vleugels vormen als het ware de verwijzing naar de troon van de Eeuwige, die verder – in tegenstelling tot de godheden van de omringende volkeren – onzichtbaar is. Wel is de ruimte boven het deksel, tussen de cheroeviem, de plek, waar de Eeuwige met Mosjee zal spreken (25:22)

Van oudsher wil de traditie dat de cheroeviem gevleugelde jeugdige mensen of kinderen zouden zijn. Zo zijn ze ook in de schilderkunst van Middeleeuwen en Renaissance en daarna afgebeeld, als mollige peuters of jongelingen die het zwerk bevolken. Het zijn een soort van engelen zoals ook Rabbenoe Bachya (Rabbi Bachya ben Asher, 1255 - 1340) vertelt in zijn commentaar (2) ad hoc. Er staat sjnajim cheroeviem en niet - wat je zou verwachten - het possessivum ‘sjnee', dus sjnee cheroeviem . Dat duidt erop, alsus rabbenoe Bachya, dat er sprake was van twee onderscheiden individuen, en wel een jongen en een meisje. Ze waren afgebeeld alsof ze op het punt stonden elkaar te omarmen. Dat mag niet zo verstaan worden, dat ze dat ook werkelijk zouden willen doen. Wel is het een metafoor voor de rechtstreekse liefde van God voor Israël, die zoals een man en vrouw voor hun liefde geen middelaar nodig hebben, aldus de middeleeuwse geleerde met een duidelijke verwijzing naar het christendom.
Beide cheroeviem waren gemaakt van goud. Dat symboliseert, dat beide ontvangers waren van de attributen Liefde en Rechtvaardigheid. Ze waren gebouwd uit een enkel stuk wat verwijst naar de onderliggende eenheid van deze attributen. Ze waren mannelijk en vrouwelijk, om te leren dat de twee geslachten respectievelijk de initiërende kracht ( masjpija ) en de responsieve kracht ( moesjpa ) vertegenwoordigen, zo legt de oude wijze uit
Dat een enkele controversiële moderne rabbijn (3) de cherubs gelijkstelt aan Yin en Yang, resp. Shiva en Shakti is interessant. Dat hij de afbeelding van de cheroeviem beschrijft als een tantrische seksuele omarming is denk ik net een brug te ver.

noten
(1) Martin Buber in zijn boek over Mozes
(2) Rabbenu Bachya op Sefaria.org
(3) Marc Gafni

Parasjat Misjpatiem   Sjemot / Exodus 21:1–24:18
Integriteit

Deze parasja wordt wel ‘het boek van het verbond' genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels (21-23), deels een uitwerking van de Tien Woorden, hetgeen uitmondt in paragraaf 24, waarin de sluiting van het Verbond wordt bezegeld en Mosjee in vers 4 al het gesprokene te boek stelt en dit boek ( sefer ha-briet ) in vers 7 aan het volk voorleest.

Achtereenvolgens komen onder meer aan de orde: regels betreffende slaven en hun vrijlating, overtredingen rond moord, doodslag, geweld (inclusief het vervloeken van de ouders), regels rond kwetsuren en toebrenging van lichamelijk letsel, verantwoordelijkheid voor schade toegebracht door dieren, regels rond diefstal, onrechtmatige begrazing en brandschade op het veld, regels rond bewaring, verleiding van maagden, goddeloze gewoonten, liefde voor en solidariteit met vreemdelingen, armen, weduwen en wezen, aanbod van eerstelingen, regels rond juist gedrag (m.n. inzake hulp aan de naaste, getuigenissen, 
omkoping ), regels betreffende heilige tijd (joweljaar, sjabbat, pelgrimsfeesten, hier staat ook het verbod een bokje in de melk van zijn moeder te koken, vermoedelijk opgenomen omdat de Kena'anitische volken rondom dit in hun riten wél deden). 
Na een brugstuk met waarschuwingen en beloften van de kant van de Eeuwige komt dan de verbondssluiting in zijn verschillende fasen: de oprichting van het altaar en de twaalf stenen, het voorlezen van het verbondsboek, de ontmoeting van de oudsten van Israël, Aharon en zijn twee zonen met een goddelijke verschijning en een aansluitende plechtige maaltijd. Hierover elders op mijn website.

Om er maar een paar markante bepalingen uit te lichten, die een fors moreel appel op ons karakter doen:
Sjemot/Exodus 23:2 (HSV): U mag de meerderheid niet volgen in het kwaad, en u mag in een rechtszaak niet  zo  antwoorden dat u zich schikt naar de meerderheid om  zo het recht  te buigen.
3 U mag een arme bij zijn rechtszaak niet voortrekken.
4 Wanneer u een rund van uw vijand of zijn verdwaalde ezel aantreft, moet u het  dier  beslist bij hem terugbrengen.
5 Wanneer u de ezel van iemand die u haat, onder zijn last ziet liggen, moet u zich ervan weerhouden om het aan hem over te laten. U moet  de ezel  beslist samen met hem overeind helpen.

Wat hebben deze bepalingen gemeenschappelijk?
Het lijkt vooral te gaan om integriteit. Al te menselijk is het om je gedrag te laten beïnvloeden door emoties van het moment, denk aan angst, haat, ressentiment. Ook partijdigheid of opportunisme kunnen zwaar wegen.
De bepaling ‘U mag de meerderheid niet volgen in het kwaad' werd door de rabbijnen vooral betrokken op de rechtspraak, wanneer het aankwam op stemming van de rechters over schuld of onschuld..
Rasjbam ((1085 – 1158, kleinzoon van Rasji) bijvoorbeeld zegt bondig (ad loc): ‘Als naar jouw mening de meerderheid bezig is een verkeerd oordeel te vellen, blijf dan niet zwijgen, omdat zij de meerderheid zijn, maar kom met jouw mening. Dat gaat zelfs op als je van te voren weet, dat ze jouw zienswijze niet accepteren, maar die van de meerderheid'.
Ik denk, dat we dit gebod gerust ruimer mogen uitbreiden vanuit de rechtszaal naar morele richtlijn voor discussie, oordeelsvorming, uiting van opinies in commissies, colleges, parlementen en zelfs naar het discours in massamedia (en dan hebben we het nog niet eens over ‘social media'). De opvolging van dit gebod om coram populo authentiek en integer te spreken en te handelen eist een grote mate van moed. Is niet één van onze grootste angsten door de meerderheid, verlaten, verguisd en verworpen te worden. Je eigen authentieke stem te ontdekken en te ontwikkelen is sowieso al een levenslange taak en hem publiek te laten horen nog een dappere stap verder.
23:3: ‘U mag een arme bij zijn rechtszaak niet voortrekken': Hier geldt dat sentimentaliteit niet de doorslag mag geven bij het zoeken naar een rechtvaardig oordeel. Medelijden alleen is een slechte raadgever..
23:4,5: ‘Wanneer u een rund van uw vijand of zijn verdwaalde ezel aantreft, moet u het  dier  beslist bij hem terugbrengen.
5 Wanneer u de ezel van iemand die u haat, onder zijn last ziet liggen, moet u zich ervan weerhouden om het aan hem over te laten. U moet  de ezel  beslist samen met hem overeind helpen'.
Ook antipathie, vijandigheid of ressentiment mag een juiste handelwijze niet in de weg staan
Dit laatste lid 5 zou volgens de middeleeuwse geleerde Rasji (op grond van zijn opvatting van het voegwoord ki) eerder moeten luiden: wanneer u de ezel van iemand die u haat en u nalaat hem te helpen, moet je hem (de ezel) met hem (de gehate) toch overeind helpen. Deze vertaling brengt meer in beeld hoe eerst de neiging bestaat toe te geven aan je antipathie. Maar toch: het is beter over je eerste impuls om heen te stappen en toch je gehate buurman of je vervelende collega in nood bij te staan. Ook dit is een gebod van hoog ethisch niveau maar o zo lastig in praktijk te brengen. Al is de uitdaging wat praktischer en realistischer geformuleerd dan het abstracte ‘Hebt uw vijanden lief' (Matteüs 5:43).  Het helpen van je vrienden in nood is meestal zo moeilijk niet, maar de mensen te hulp komen voor wie je geen sympathie hebt of zelfs weerzin, dat is andere koek.

sjabbat Shekalim

De sjabbat, waarop de parshe Misjpatiem wordt gelezen,
is ook de sjabbat met een aanvullende lezing van Sjemot 30:11-16, het begin van de parshe Ki Tisa, het stukje over de volkstelling die gepaard gaat met een 'belasting' van een halve sjekel. Vandaar de naam Sjabbat Sjekaliem.
Sjemot(NBV): 11  De Eeuwige zei tegen Mosjé: 12  ‘Als je onder de Israëlieten een telling houdt, moeten allen die geregistreerd worden de Eeuwige losgeld betalen voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt. 13  Ieder die meegeteld wordt moet een halve sjekel betalen, volgens het ijkgewicht van het heiligdom, twintig gera per sjekel; de heffing voor de Eeuwige bedraagt de helft daarvan. 14  Ieder die meegeteld wordt, iedereen van twintig jaar of ouder, moet deze heffing voor de Eeuwige betalen. 15  Rijken dragen als losprijs voor hun leven niet meer af dan een halve sjekel, armen niet minder. 16  Het losgeld dat je van de Israëlieten in ontvangst neemt, moet gebruikt worden voor de dienst in de ontmoetingstent. De losprijs die de Israëlieten voor hun leven betalen, zal ervoor zorgen dat de Eeuwige hen niet vergeet.' 
De telling door middel van inlevering van de halve sjekel was dus tegelijk een belastingheffing ten behoeve van de eredienst. Het is een mooie gedachte van de Lubavitscher Rebbe, dat deze halve sjekel bedoeld was voor het fundament van de Misjkan (tabernakel). Arm en rijk geven gelijk aan het fundament, zoals zij gelijk zijn in de ogen van de Eeuwige. Voor de andere attributen geeft ieder dan naar zijn individuele vermogen. De heffing werd volgens de midrasj geheven op 1 Niesan, vlak voor Pesach; sjabbat sjekaliem is de eerste van de vier sjabbatot, die een aanvullende lezing hebben als vooruitwijzing naar Pesach.

Dat die halve sjekel ook een zoengeld of losgeld is voor het leven doet mij vermoeden, dat hier wellicht ook een oud taboe onderliggend meespeelt; geteld worden is ook individueel blootgesteld zijn aan de alziende blik van God, die kan oordelen over leven en dood. 
Of is het een spirituele handigheid van de priesters om het volk tot belastingafdracht te motiveren? Laten we dit maar niet veronderstellen hoewel later een dergelijke handigheid de geestelijkheid van religieuze instituten niet vreemd was

Parasjat Jitro  Sjemot/Exodus. 18:1 – 20:23 
bij de heilige berg

De parasja Jitro begint met het bezoek van de schoonvader van Mosje, Jitro (Jethro), die met veel egards wordt ontvangen en zijn schoonzoon als een management consultant verstandige adviezen geeft; elders heb ik meer over dit bezoek geschreven (1). Dan beschrijft de parasja de eerste fasen van de wonderlijke gebeurtenissen op en rond de berg Sinaj. Het hoogtepunt is zonder meer de manifestatie van de goddelijke presentie en de uitroep van de ‘  Asjeret ha-Dibrot' , de Tien Woorden, de Tien Uitspraken ofwel de Tien Geboden.

Ze vormen het sluitstuk van de het bevrijdingproces uit de Egyptische onderdrukking. Het gebeuren bij de Sinaj vormt het begin van de volksgeschiedenis van de Israelieten, tot dan toe een karavaan van displaced persons, die nu verzeild raken in een proces van eenwording door gedeelde ervaring van ontbering en uitredding en door de wonderlijke openbaring van een samenbindende morele grondwet. 
Natuurlijk bestonden er al allerlei ethische geboden bij de Israelieten, de Egyptenaren en de andere Semitische volken van het Midden-Oosten. Ik denk, dat de kernachtige tien uitspraken hun bindende kracht en hun diepe doorwerking tot op heden alleen konden krijgen in de context van een diep ingrijpende ervaring, die de in de woestijn dwalende stammen in de woestijn is overkomen en is ervaren als een goddelijke sanctionering.

Het is een krachtig beeld dat de Tora ons voorschotelt, als na drie dagen kamperen Mosjee het volk bijeenroept en de zeshonderdduizend zielen staan opgesteld onder aan de voet van de heilige berg, naar welks lokatie de wetenschap tevergeefs heeft gezocht, was het de Jebel Serbal of de Jebel Musa?
Waarschijnlijk met opzet heeft de Tora de situering van de berg niet aangegeven om het gebeuren uit te tillen boven de contigente tijd en plaats. (2)

Het verhaal is boven de vraag of het werkelijk zo gebeurd is uitgestegen en heeft zijn eigen waarheid geschapen.
Het verwijst onloochenbaar naar een diep ingrijpend gebeuren, maar wellicht zijn het akoestisch, geologisch en lichtflitsend geweld de poging van de eindredacteur van de Tora om in indrukwekkend metaforen een overstelpende collectieve ervaring van de Israelitische volksmassa weer te geven, een ervaring in het grensgebied van transcendentie en immanentie, de woestijn, waar al eerder in de anonieme verlatenheid Mosjee de stem van de Ene godheid had gehoord. Donder, bliksemlicht, mist, rook en beving der aarde brachten het volk tot huiver. Maar in de donder, bliksemlicht, mist, rook en beving der aarde was de Eeuwige niet, zoals Hij ook niet was in de storm, de aardbeving en het vuur, dat aan de profeet Elia vele eeuwen later op deze plaats voorbijging en waarin de Eeuwige ook niet was. (3) Maar hij was wel in de stilte daarna, de stilte die ruimte gaf aan de presentie van het oneindig grotere en andere, waarin een stem werd gehoord, die voor alle eeuwen de preambule voor de ethiek van de intermenselijke omgang in de zielen grifte. Het is ervaren als een immens wonder. ‘Het werkelijke wonder betekent, dat in het verwonderend ervaren van het gebeuren de gangbare causaliteit a.h.w. transparant wordt en de aanblik vrijgeeft van een sfeer, waarin gehandeld wordt door een enkele, niet door andere machten beperkte macht', zegt Buber in zijn boek over Mozes.(4)
Men zou de machtige ervaring van deze divine ontmoeting kunnen duiden als de schoksgewijze gewaarwording van de macht van een ondeelbare goddelijke presentie. Maar misschien ook als het bruusk opduiken naar de oppervlakte van uit de diepte van het onderbewustzijn van de Israëlieten van een weten omtrent het juiste, dat daar voor onthulling al klaar lag. Het is een interessante en misschien wel provocatieve vraag hoe essentieel het is of een openbaring neerdaalt uit hemelse hoogte of opkomt uit onpeilbare diepte? (5) Het was aan Mosjee om deze overstelpende (transcendente) ervaring te vertalen naar menselijke bevattingsvermogen, om te werken naar gebeitelde woorden, te differentiëren en uit te werken in verder detail (en te begrijpen als het voorwoord voor het verbond). De grond voor deze manifestatie was al vruchtbaar gemaakt bij de aartsvaders en in Egypte was al een voorbeeld gegeven in het beeldloze monotheïsme van Achnaton (maar daar is de godheid toch een stoffelijk lichaam, de zon, en de farao zijn belichaming). Een definitief onder woorden brengen van de overlevering over deze wonderlijke gebeurtenissen tot het constituerend narratief voor het Jodendom is, als we bijbelwetenschappers mogen geloven, pas gebeurd in de tijd van de grote profeten en vooral na de Babylonische ballingschap.

Maar hoe dan ook: mogelijk, als je goed naar binnen luistert hoor je nog door talloze generaties heen de echo van zo lang geleden, merk je nog de narimpeling van een groots en revolutionair gebeuren en voel je nog de huiver die door de gelederen trok.

noten

( 1) Zie http://www.robcassuto.com/parasjotex.htm#tro
(2) Aldus Umberto Cassuto, a Commentary on Exodus, Jerusalem, Magness Press. P.235
(3) 1 Koningen, 19:11 ev; lees meer hierover mijn commentaar
http://www.joods-christelijke-dialoog.nl/index.php/tenach/415-koningen-01-19-9-18
(4) Martin Buber, Mozes , Servire, 1970
(5) Ook Sigmund Freud erkent de overweldigende godservaring bij Sinaj, die hij ziet als de terugvinding van de zo lang gemiste prehistorische oervader. Sigmund Freud, De man Mozes en de Monotheistische religie , Boom Meppel Amstwrdam, 1992, p. 152

parasjat Mikeets   Beresjiet/Genesis 41-44:18 
Een droom, die niet is uitgelegd is als een brief die niet is gelezen

Joseef wordt uit de gevangenis gehaald om de droom van de Farao te verklaren, de beroemde droom van de zeven vette en de zeven magere jaren. Josef verklaart hem en geeft ook nog het recept om de na zeven welvaartsjaren verwachte hongersnood door te komen. De Farao verheft hem uit zijn nederige positie als bajesklant tot onderkoning en geeft hem een voorname vrouw tot echtgenoot. Joseef neemt zeer vooruitziende maatregelen en laat overal door het land voorraadschuren bouwen en vullen met koren en inderdaad komen de zeven jaren van hongersnood, die ook het land Kenaän bereiken en Jaäkov en zijn kroost. 
De broers van Joseef komen naar Egypte om koren te halen en worden voor de onderkoning gebracht, die ze niet als hun broer herkennen. 

Elders (In mijn boek ‘Reizen door de Tora') heb ik deze rijke parasja vanuit het aspect van de ommekeer van Joseefs broeders belicht, nu ga ik wat verder in op het in Joseef belichaamde fenomeen dromen. In de Tora wordt niet veel gedroomd, tien zijn er te traceren waarvan zes te maken hebben met Joseef als dromer en als droomuitlegger. De vier andere dromen zijn duidelijke boodschappen van de Ene (of zijn engel) en behoeven geen interpretatie, de droom van Avimelech (Beresjiet/Genesis 20:3 ev), Jaäkov's ladder (Ber/Gen 28:12 ev), Jaäkov's gespikkelde schapen (Ber/Gen31:10 ev), Lavan gemaand Ja'akov met rust te laten (Ber/Gen 31:24 ev). De twee dromen van Joseef en de vier die hij heeft geduid zijn in beelden verpakt en vereisen een goede uitleg. De ene droom van Joseef is die over de elf schoven, die zich voor hem buigen ( Ber/Gen37:5 ev), de ander die hij een tijd later droomt gaat over de zon, de maan en de elf sterren, die zich voor hem buigen (Ber /Gen37:9 ev). De schenker droomt over de wijnrank met drie knoppen en over dat hij Farao weer een beker overhandigt ( Ber/Gen 40:9 ev); de bakker droomt over de drie manden met brood op zijn hoofd die door vogels worden weggepikt (Ber/Gen 40:16 ev); Farao droomt over de zeven magere koeien, die de zeven dikke koeien opeten (Ber/Gen 41:1 ev) en diezelfde nacht over de zeven dunne korenaren, die de zeven dikke korenaren verzwelgen ( Ber/Gen 41:5 ev). 

De waarde van dromen wordt door vele commentatoren erkend. De Talmoed zegt, dromen zijn een zestigste van profetie. (‘vuur is één zestigste van Gehinnom (plm = hel), honing is één zestigste van manna. Sjabbat is één zestigste van de komende wereld, slaap is één zestigste van dood, een droom is één zestigste van profetie' , Talmoed Berachot 57b). 
Het beeld, dat de oude wijzen schetsen over de menselijke capaciteit om dieper te schouwen is dat van teruggang in de loop der mensengeschiedenis. Oorspronkelijk hadden alle mensen de gave van profetie. De gave ging verloren behalve voor profeten. In Talmoedische tijden achtte men de tijd van de profetie voorbij. Alleen dromen waren er nog als restanten van de oude profetische mogelijkheden. 
Maimonides, die ook de achteruitgang van de menselijke gave van profetie constateert is toch wat optimistischer, een waarlijk wijs en verheven mens zou in principe nog kunnen, profeteren. Evenals de Talmoedische wijzen ziet de oude middeleeuwse meester dromen als een onvolmaakte uiting van profetische verbeelding: ‘… en zij (de rabbijnen) herhaalden het idée in de Midrasj Beresjiet Rabba en zeiden “ dromen zijn de knoppen van profetie”. Dat is inderdaad een mooi beeld, want een knop is de vrucht die nog niet volledig is ontwikkeld, zo is ook de verbeeldingskracht ten tijde van de slaap precies datgene wat werkzaam is ten tijde van profetie, in een onvolmaakte en incomplete toestand'  ( Gids der Verdoolden/Moreh Nevoechiem 2:36}. 

Veel dromen zijn nogal chaotisch, maar te midden van verwarrende beelden kan toch een boodschap zijn verborgen. Daarom zijn dromen de moeite waard om herinnerd te worden en bezien te worden op hun mogelijke betekenis. In het tractaat Berachot van de Talmoed zijn interessante discussies te lezen over dromen en hun mogelijke betekenissen. De rabbijnen presenteren vele betekenissen van droombeelden van de meest wisselende aard. Sommige zijn echt verrassend. 
Rabbi Chisda zei: Een droom, die niet is uitgelegd is als een brief die niet is gelezen (Berachot 55a). Niet zozeer de droom op zich, maar hoe een droom wordt uitgelegd is bepalend. De rabbijnen van de Talmoed zeggen: ‘alle dromen volgen de mond (de uitleg). Is deze uitspraak volgens de Tora? Ja, volgens de verklaring van R. Eleazar. Want R. Eleazar zei: hoe weten we dat alle dromen de mond volgen? Omdat wordt gezegd, “en zoals hij ons uitgelegd had, zo is het gebeurd” (uit het verslag van de schenker aan Farao, Ber/Gen 41:13). Rava zei, alleen als de uitleg beantwoordt aan de inhoud van de droom   (Berachot 55b)'”.
Een droom kan dus alleen dan zijn belang hebben, als hij in woord en duiding door de dromer of zijn uitlegger is vertaald. 

Het kan lang duren voordat een droom uitkomt. Joseef heeft als jongen twee keer een droom gehad over dat buigen van zijn familie voor hem, twee keer, dat tekent het belang van de droom, zeggen de rabbijnen. De vervulling van Joseefs dromen duurt wel heel erg lang. Aanvankelijk lijkt er weinig uit te komen van het beeld van de meester voor wie zelfs de sterren buigen; integendeel niet lang na de dromen is Joseef slaaf geworden. Het duurt nog tweeëntwintig jaar voordat de broers van de inmiddels onderkoning geworden Joseef zich neerbuigen als de korenschoven van de jongensdroom. Dat de vervulling zo lang duurt heeft te maken met dat de dromen op verschillende dagen zijn gedroomd. De twee dromen van Farao daarentegen zijn op dezelfde nacht gedroomd; dat betekent, dat de boodschap bijzonder urgent is en hun vervulling aanstaande. Joseef benadrukt: ‘Dat de droom tot tweemaal toe aan Farao herhaald is, wil zeggen, dat de zaak bij God vaststaat, en dat God die spoedig zal volbrengen' (Ber/Gen 41:32). Let dus op dromen die zich vaak herhalen! 

Joseef is niet alleen een dromer, hij is ook en vooral een uitlegger. Daarbij ziet hij zichzelf als instrument, als kanaal voor de Ene. Als uitlegger moet je helemaal leeg zijn van eigen belang en subjectieve associaties en oordelen, dan kan je je voor de boodschap open stellen. Joseef begrijpt ook, dat de boodschap in de dromen van Farao vraagt om actie en hij komt onmiddellijk met een strategisch plan om de gevolgen van de voorspelde hongersnood na de zeven jaren van welvaart op te vangen. Als je de boodschap van de droom hebt begrepen kan je maar beter de vereiste actie ondernemen. 

De eerder genoemde Rabbi Chisda zei ook: ‘een slechte droom is beter dan een goede droom', waarmee hij bedoelde, dat de boodschap van een slechte droom de richting aanwijst voor ommekeer ( tesjoeva ). Hij signaleerde ook, dat noch een goede droom, noch een slechte droom ooit helemaal uitkomt. Zelfs de legendarische droom van superdromer Joseef kwam niet helemaal uit: de zon, de maan en de elf sterren, die zich voor hem bogen waren zijn vader, moeder en broers, maar zijn moeder zou nooit voor hem kunnen buigen, Rachel was immers al lang overleden. 

Dromen kunnen verwarrend zijn en soms misleidend, maar ze zijn geen bedrog, ze gebruiken allen allerlei trucs om de boodschap zowel te brengen als te verbergen, zoals Freud dat uitgebreid heeft beschreven. Mijn ervaring is, dat ze vrijwel altijd iets te zeggen hebben over de grondstemming in onze lichamelijke of psychische constitutie, die overdag vaak onder de oppervlakte van ons daags bewustzijn duikt. Vaak manifesteren dromen iets van onze al dan niet heimelijke verlangens, van de meest nobele tot de meest verwerpelijke. Gedachten, driften en frustraties kunnen stof leveren voor bizarre droomverhalen. Soms gaat een droom niet over onszelf maar over anderen, of zelfs de samenleving en de wereld. Dan naderen zijn de profetie. Het loont de moeite onze dromen niet te vergeten, maar ze onder ogen te zien en te overdenken. Ze dragen bij tot de kennis van onszelf. 

bronnen: Rabbi Jonathan Sacks over dromen:  http://www.ou.org/torah/parsha/rabbi-sacks-on-parsha/the_power_of_dreams/  
Rav Kook over Mikeets en dromen:  http://ravkooktorah.org/MIKETZ63.htm 
De passages over dromen zijn vooral te vinden op de folia 55a t/m 57b van het tractaat Berachot van de Talmoed, in Engelse vertaling te lezen op internet,
http://www.come-and-hear.com/berakoth/berakoth_57.html 
Degelijk artikel is  ‘Torah Dreams' , door Rabbi Dr. Hillel ben David (Greg Killian) 


Parasjat Wajisjlach  Genesis/Beresjiet 32:4 – 37
Nacht en nederigheid

Jacob is op weg van Charan terug naar de tenten van zijn jeugd. Zijn broer Esau, die hij tweeëntwintig jaar geleden ontvlucht was trekt hem tegemoet, beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jacob de ontmoeting met zijn vermoedelijk wraakzuchtige broer naderen en hij vreest het ergste. Verschillende preventieve maatregelen treft hij. Hij verdeelt zijn mensen over verschillende plaatsen, zend rijke geschenken aan vee vooruit. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de beek Jabbok en vecht met een onbekende man

De nacht van Jacobs worsteling met de ‘man'  (iesj ) ontpopt zich als een beproeving. De paradox is dat de duistere kracht die Jacob aangrijpt en het op zijn ondergang voorzien lijkt te hebben, hem kwetst aan zijn heupspier, zich in de loop van het gevecht onthult als engel van licht die Jacob kan zegenen en hem een nieuwe identiteit (als ik dat beperkte woord kan gebruiken) in leidt. Het is Jacob die zijn inzet ten volle moet geven, maar als hij dat dan ook doet, wil de tegenstand wijken en blijkt daarachter de goddelijke zegen schuil te gaan.
In zijn jonge jaren was Jacob jaloers op Esau, hij wilde de macht en de ongeremde spontaniteit van de door de vader zo geliefde Esau hebben en aan het ziekbed van zijn vader kleedde hij zich zelfs in Esau's kleren, wilde als het ware in zijn schoenen staan. Nu vindt hij zijn werkelijke identiteit en zijn missie: man te zijn van de geest, die het primaat heeft boven de illusie van fysieke macht en materiële rijkdom. Het nachtelijk gevecht betekent ook de rekenschap die Jacob zich moet geven over zijn leugenachtig en jaloers gedrag t.o.v. zijn vader en zijn broer, een ‘ chesjbon hanefesj' , een zich rekenschap over het verleden op diep psychisch niveau; Jacob heeft ommekeer – tesjoeva – gedaan. Van een Jacob, een hielenvolger, een bedrieger, is hij een Godstrijder, Israël, geworden.
Toch is Jacob er niet zonder ‘kleerscheuren' vanaf gekomen.
Hij is gewond geraak aan zijn dijbeen, meer speciaal aan de zenuwpees die over de heup loopt, de nervus striaticus . Hebreeuws gied nasjee , je zou kunnen zeggen een variant van de Achilleshiel.  Daar op die plek wist de nachtelijke man/engel net nog voor het ochtendgloren, toen hij ‘op verlies' stond, Jacob nog te raken. De rabbijnen associëren dit met een stukje kwaad, dat Jacob zo met zich meenam en (zelfs dat dit mystiek gezien een opening bood voor rampzalige gevolgen als de verwoesting van de tempel), een denkwijze die doet denken aan soort van negatief ‘karma', dat toch aan de gelouterde aartsvader bleef kleven. Het staat dan voor de zwakke plek die wij allemaal hebben om te bezwijken voor hartstochten, die ons op een onbewaakt ogenblik kunnen overweldigen. Gied nasjee , letterlijk ‘de zenuw van het vergeten' , want wanneer die zwakke plek – volgens de Zohar niet voor niets vlak bij schaamstreek, - eenmaal geraakt is kunnen we alle morele scrupules en al het  rationele denken vergeten, overboord zetten. Zo verklaart men  het taboe, dat de Tora voor het eten van de heupzenuw geeft (1).
Als alternatieve uitleg zou je ook kunnen zeggen, dat Jacobs kwetsuur op indringende wijze weergeeft, dat alle intens ingrijpende ervaringen van fysiek en psychisch geweld een trauma nalaten. Je kan er overheen komen en er rijker uitkomen, maar de overwinning is nooit absoluut. Een litteken blijft schrijnen en herinnert de mens aan zijn worsteling om boven te komen, sadder and wiser.

De dag daarna loopt Jacob met zeven buigingen Esau tegemoet, gevolgd door de eveneens buigende vrouwen. De broer sluit hem in de armen, kust Jacob ‘ en zij huilden '. De oude rabbijnse wijzen houden van het construeren van duidelijke zwart-wit rolmodellen. Ze zien graag Jacob als onberispelijk en vroom, al Tora lerend bij de tenten Maar daarmee is tegelijk ook de behoefte geschapen antithetische modellen te scheppen van slechtheid en kwaad. Daar is Esau aan ten prooi gevallen (hoewel de Tora tekst daar geen aanleiding toe geeft). De oude uitleggers hebben moeite met in de tekst een echte verzoening te zien. Dat bracht met zich mee, dat er bijvoorbeeld een Talmoedische discussie is ontstaan over Jacobs aanbieding van geschenken in Genesis 33:9 ‘Maar ?Esau? zei: Ik heb veel, mijn broer. Laat wat je hebt, van jou blijven. Jakob? zei daarop: ‘Nee toch, als ik toch ?genade? in uw ogen gevonden heb, neem het geschenk uit mijn hand dan aan, want ik heb uw aangezicht gezien alsof ik het aangezicht van goddelijke wezens (zo vertalen de Oude Wijzen hier Elohiem ) zag, en u bent mij goedgezind geweest. Aanvaard toch mijn geschenk' .
De Talmoedrabbijnen vragen ze zich af (2): mag je slechte mensen tegemoet treden met vleierij. Rabbi Sjimon ben Lakisj antwoordt bevestigend en verwijst dan naar dit vers. Uitgaande van Esau als de belichaming van het absolute kwaad - waarbij ik dus elders een groot vraagteken hen neergezet (3) – vat Resj Lakisj dit vers op als vleierij: helemaal als Jacob Esau vergeleek met een goddelijke verschijning. Maar als Jacob dit doet, is het kennelijk OK. Rabbi Levi vergelijkt Jacobs gedrag met het volgende beeld: iemand nodigt een ander uit en de gast beseft dat zijn gastheer uit is op zijn dood. De gast zegt tot hem: de geur van dit gerecht doet mij denken aan het gerecht dat ik proefde in het huis van de koning. De gastheer zei toen tot zichzelf: de koning kent hem dus. En daarom was hij bang zijn gast te doden. Dus vleierij redt in dit geval een leven.

Maar positiever lijkt mij het zo op te vatten, dat Jacob gedurende zijn vele jaren van huwelijk, arbeid en struggle for life bij zijn oom Lavan in Paddan Aram zijn plaats heeft leren kennen in de wereld van macht, intige en geweld. In zijn benadering van de machtige Esau heeft hij zijn positie goed ingeschat en de juiste strategie utgevoerd. De geschenken en de buigingen dienden om de boze tegenstander te kalmeren, maar waren ook het gepaste betoon van nederigheid tegenover een bedrogen broer. In de Joodse deugdenleer van Moessar is dat de praktisering van ‘ anava' ofwel humility, nederigheid. (4)

Noten
(1) Zie verder bijv. op chabad.org
Voor de specialisten een uitgebreide kabbalistische behandeling door Isaiah ben Abraham Horowitz (c. 1555 – March 24, 1630) ofwel de Shelah in Shney Luchot Habrit op sefaria.org
(2) Talmoed Sota 41b
(3) Zie mijn commentaar op de parasja Toldot http://www.robcassuto.com/parasjot.html#dot
(4) Meer over nederigheid in Moessar op mijn website

Parasjat Wajetsee  (Beresjiet/Genesis 28:10 – 32:4) 
De bedrieger bedrogen 

Deze parasja vertelt over Jacobs tocht naar en verblijf in de streek Charan in het land Aram (ongeveer tegenwoordige Syrië), waar zijn oom, de Arameeër Laban, woont. Op de vlucht voor zijn uitzinnig boze broer en op zoek naar een vrouw. Het familieverhaal van de vorige parasja Toldot zet zich voort. Het bevat alle gevoelens en emoties die een familie kan beheersen, liefde, haat, jaloersheid, woede, angst, ambitie.

Een eerste fase van bewustwording van roeping en bestemming speelt zich af in de aanvang van de parasja ala Jacob zijn lange reis begint. ‘Jacob verliet dus Be'ersjeva en ging op weg naar Charan'(28:10)   . 's-Nachts ziet hij, slapend met het hoofd op een steen, de engelen langs een ladder naar de hemel ziet opklimmen en neerdalen en hij hoort hoe de Eeuwige zich aan hem bekend maakt met de woorden  "Ik ben de Hasjem , de God van je vader Avraham en de God van Jitschak. Het land waarop j e nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven etc."   Min of meer gelijke woorden hebben ook al geklonken voor grootvader Avraham en vader Isaak. De Eeuwige bevestigt hiermee de positie van Jacob als hoeder en doorgever van Avrahams erfenis. Isaak had bij het vertrek van zijn zoon deze positie ook al erkend (aan het slot van de vorige parasja, Ber/Gen 28:1 ev). Hoewel volgens de bijbelse leeftijd Jacob toch minstens veertig moet zijn geweest lijkt hier bij Bet-El de inwijding van een jongeman plaats te vinden, middels een openbaring, die eerst nu pas de zoon op het pad van een volwassen man brengt en op de weg van zijn bestemming (1). 

Een tweede fase wordt ingeleid door het prachtige verhaal van Jacobs ontmoeting bij de put met Rachel, voor wie hij onmiddellijk in liefde ontvlamt. Het blijkt de dochter van zijn oom Laban, de zoon van Avrahams broer Nachor, Jacob maakt kennis met zijn oom, die niet bepaald het toonbeeld van gastvrijheid blijkt te zijn, want Laban – volgens Rasji teleurgesteld omdat Jacob helemaal geen kamelen of juwelen bij zich had, arm als hij was - . blijkt een karakter te hebben dat niet bepaald getuigd van eerlijkheid, grootmoedigheid of gastvrijheid. Hij vraagt onmiddellijk of zijn neef voor hem wil werken. Jacob vraagt als loon om na zeven jaar arbeid te mogen trouwen met de mooie Rachel, en hij preciseert voor de zekerheid: ‘uw jongste dochter ( bitcha haketana ), want zoals de midrasj waarschijnlijk terecht veronderstelt, Jacob vertrouwt zijn lepe oom toen al voor geen cent. Er was immers nog een oudere dochter Lea, waar Jacob niet op viel, een meisje wier ogen ‘ rachot ' waren – soms vertaald als dof, soms vertaald als zacht. (Rasji vermeldt de midrasj, dat dat was omdat zij zich als oudere dochter tot haar verdriet gereserveerd voelde voor de oudere neef Esau).
Na zeven jaar werken – die voorbij gingen ke-achadiem jamiem , als ‘enige dagen' – eist Jacob Rachel op en waarachtig, als de huwelijksnacht voorbij is blijkt de kersverse bruid niet Rachel te zijn, maar de niet geliefde Lea, die waarschijnlijk de maniertjes van Rachel heeft afgekeken. Nadat Esau door Jacob is bedrogen, is nu de bedrieger bedrogen, een koekje van eigen deeg. De midrasj laat Lea op die ochtend van desillusie op Jacobs verwijt naar Laban zeggen, ‘mijn vader een bedrieger? En wie zei op de vraag van een vader: ben jij Esau?, ja ik ben Esau uw eerstgeborene?' Meteen een eerste ruzie met woorden waar Jacob niet van terug heeft. Gelijke munt. Boontje komt om zijn loontje. In Laban heeft Jacob in het spel van misleiding zijn evenknie gevonden. Laban zegt ter verontschuldiging, dat hij op deze plaats ( bimkomo) niet de gewoonte is om eerst de jongere weg te geven, Op deze plaats? Is het dan elders wel de gewoonte, dat de jongere voorrang krijgt op de oudere? De geleerden vermoeden, dat Laban hier een bedekte toespeling doet op de verwisseling van geboorterecht, die Jacob met Esau heeft gepleegd. (2)
Jacob krijgt na Lea ook Rachel, maar voor haar moet hij voor de prototypische uitbuiter die zijn oom is weer zeven jaar werken.
Een belangrijk deel van de parasja gaat over de ingewikkelde verstandhouding van de man met de twee vrouwen in zijn leven, zijn diepe hartsliefde voor de ene vrouw, Rachel, en het verstandshuwelijk met de andere vrouw, Lea. Met de twee vrouwen en de twee bijvrouwen Bilha en Zilpa krijgt hij gedurende zijn diensttijd bij Laban elf zonen en een dochter. 
In de loop van lange jaren wordt hij een welvarend man ondanks de listen van de sluwe Laban, die Jacob in zijn macht wil houden, en dankzij zijn eigen listige tegenzetten. Na twintig jaar trouwe dienst ontsnapt hij aan de greep van zijn oom en aanvaardt met zijn hele gezin en met zijn enorm gegroeide bezit aan knechten en vee de terugtocht naar het land van zijn vaderen. Er volgt nog een laatste ontmoeting en verzoening met Laban. Intussen trekt zijn broer Esau hem tegemoet, met naar Jacob met angst en beven vermoedt bepaald geen zachtzinnige plannen  Dan is een nieuw bedrijf in het drama van de twee broers aangebroken, dat in de volgende parasja Wajisjlach wordt uitgespeeld..

Noten
(1) Meer over de ladderdroom in Commentaren van Rob Cassuto op de vijf boeken van de Tora.REIZEN DOOR DE TORA, deel 1, van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus, deel 2, Van de Berg naar de Rivier, Leviticus, Numeri en Deuteronomium.
Nu verkrijgbaar bij Stichting PaRDeS, Mastix Press in de reguliere boekhandel en Bol.com.
Zie ook http://www.robcassuto.com/parasjot.html#ets
(2) Dankbaar is gebruik gemaakt van Leibowitz Nechama: Studies in Bereshit/Genesis , WZO, Jeruzalem, 1981, 4e ed., p. 317 ev

Parasjat Toldot Beresjiet/Genesis 25:19-28:9
demonisering

Een gezinspsycholoog zou over Isaaks familie waarschijnlijk spreken van een gespleten gezin. Vader Isaak en moeder Rebecca hebben ieder hun eigen voorkeur en dragen ieder bij om de disharmonie tussen hun beide zonen te versterken.   
Vanuit het oogpunt van verhaal, intrige en toneel- of filmscenario is het verhaal van de broers vol spannend conflict en ligt het drama voor het grijpen. Esau is dan een onmisbaar en noodzakelijk ingrediënt van het drama. Goed de tekst bekeken is er niet zoveel mis met hem. Toegegeven hij is een onstuimige vent, een wildeman, maar ook een goed jager en waarschijnlijk een goede krijgsman (die naar de latere vaderzegen zal leven van het zwaard). Hij is een lastige klant, die naar het idee van zijn ouders de verkeerde vrouwen kiest, maar dat later tracht goed te maken door een kleindochter van Avraham te trouwen. Hij leeft in het moment, een gepassioneerd man. Misschien zou hij nu een stinkend rijke zakenman zijn, een ijzervreter van een kolonel in het leger, een stervoetballer zijn, kundig, toegewijd, populair, een paar jaar geliefd, en later vergeten, .   
Jacob is zijn tegenhanger, een rustige man, slim, een vent die vooruitkijkt, wiens ambitie verder reikt dan het moment van nu, een strateeg, die vooruit plant.   

Maar Esau zou in veel rabbijnse ogen het toonbeeld worden van het kwade, van de man die voor het slechte pad kiest.   Zijn andere naam Edom – de rode – zou het label worden van alle kwade machten die het op Israël voorzien hadden. Het volk Amalek, afstammend van Esau, Haman de afstammeling van Agag, ook een Edomiet, dan de Romeinen en zelfs Hitler werden door velen gezien in het teken van Esau.   
Vele commentaren en midrasjiem belichten duistere kanten van Esau en schilderen hem af als een onverschillige, liefdeloze, moordlustige man.  Er zijn tal van legenden om Esau geweven, die de slechtheid van Esau in kwade geuren en donkeren kleuren beschrijven. (1)

Een voorteken zagen vele uitleggers reeds het rode haar waarin de baby Esau was gehuld, waarbij de kleur rood als symbool gold van het te vergieten bloed.  Het kan heel goed, dat Avraham Esau nog heeft meegemaakt. Avraham was 100 toen Jitschak geboren werd, 140 toen Jitschak huwde en waarschijnlijk twintig jaar later vader werd. Jacob en Esau ongeveer waren nog jongens, toen Esau van de jacht terug kwam en de rode soep eiste. De legende wil dat tot dan Esau omwille van zijn grootvader zijn boze neigingen inhield. Maar op die dag dat Avraham stierf, 175 jaar oud, braken bij Esau de duistere krachten los.  Sterker nog, de legende luidt, dat op die dag Esau ook Nimrod had verslagen, de koning die Avraham al had vervolgd en die, nog steeds rebelleerde (Nimrod <‘marad'= rebelleren) tegen diens nageslacht en tegen die Ene G-d; Nimrod had het voorzien op Esau, waarbij het tussen hen ook nog zou gaan om het kleed van Adam, dat macht gaf over de wereld en de natuur.  Sindsdien zou Esau een machtige mensenhater zijn, die als een ziekte haat om zich heen zou verspreiden.
Mooie schrille verhalen, die op zich al weer roepen om duiding. Duidelijk is dat veel bijbelcommentaar en midrasj uit zijn op het construeren van duidelijke zwart-wit rolmodellen. Aan de ene kant zijn er heilige voorbeelden van het goede – vaak gevonden in Avraham, Isaak en Jacob, Mozes, David etc. De Oude Wijzen zien graag Jacob als onberispelijk en vroom, al Tora lerend bij de tenten en zo praatten zij het bedrog van Rebecca en Jacob bij het schijnbare sterfbed van Isaak goed (2). Maar – aan de andere kant - zijn daarmee ook antithetische modellen ontstaan van slechtheid en kwaad.
Die ‘arme' Esau is voorwerp geworden van het laatste. Goed beschouwd is hij toch eigenlijk niet meer is dan de ‘gewone mens' met zijn passies, de bully, de macho, de feestvierder, de vreemdganger, licht ontvlambaar, oppervlakkig, ja misschien de vijand van het ene moment en de vriendelijke buurtgenoot van het volgende moment.   Jacob is ook niet zonder smetten, hij heeft zijn eigen menselijke tekortkomingen. Hij is de man van de reflectie en verstand, die deze geestelijke attributen eerst verkeerd aanwendt voor list en bedrog en later met zichzelf en zijn broer in het reine komt. De Tora beschrijft eerder dan statische portretten van supergoede en intens kwade karakters de dramatische dynamiek van een proces tussen twee mensen, die de belichaming zijn twee polen; van geest en lichaam, van verstand en impuls, van reflectie en hartstocht. Beiden zijn aan elkaar gewaagd. Eigenlijk vormen ze een polariteit onder het teken van een overkoepelende eenheid. Ze hebben elkaar nodig, kunnen niet zonder elkaar. Maar Jacob is gekozen als voortzetter van Avrahams erfenis van inzicht in de onverbrekelijke eenheid in de schepping, van rechtvaardigheid en compassie. Hij is gekozen als  drager van de missie om het licht van de geest in een donkere en verwarrende wereld niet te laten doven. Maar dat Jacob is gekozen betekent niet, dat Esau is afgewezen, zoals Rabbijn Jonathan Sacks nadrukkelijk betoogt in een diepgaande herlezing van de tekst (3). Verliezen we dat uit het oog,dan is de basis gelegd voor overdreven heiligverklaring van de een versus demonisering van de ander.

Noten

(1) Louis Ginzberg . legends of the Jews, Volume 1:6, (1909 CE) In dit verhaal zijn allerlei aggadische vertellingen rond Esau samengevat.
(2) Zie bijv Radak (Rabbi David Kimchi ,1160–1235) ad Genesis/Beresiet 27:19
(3) In zijn boek ‘Niet in Gods Naam', Kok, 2016, deel II

Parasjat Chajee Sara     Beresjiet/ Genesis 23:1–25:18 
Gelukkige ontmoetingen  

De parasja Chajee Sara bevat dat het prachtige verhaal over hoe Avrahams vertrouweling, de knecht Eliezer, opdracht krijgt een vrouw voor Jitschak te zoeken en hoe hij deze opdracht volbrengt. Het verhaal wordt in geuren en kleuren verteld, het is een staaltje van de beste Tora-vertelkunst.   
Degene die deze regels heeft geschreven moet een begaafd schrijver of dichter zijn geweest. De spanning van de knecht Eliezer wordt subtiel weergegeven, als hij wacht bij de waterput totdat de meisjes van de stad de poort uit zullen komen om het kleinvee te gaan drenken. Hij bidt op een goede afloop en krijgt ingegeven aan welke test de toekomstige vrouw van de zoon van zijn meester zal moeten voldoen: ze zal hem op zijn verzoek onmiddellijk te drinken geven uit haar kruik en uit zichzelf aanbieden ook voor zijn kamelen water uit de put te halen om de beesten te drenken. En daar komt Rivka, jong mooi en maagd. Het lijkt wel of de oude knecht subsidiair voor Jitschak verliefd wordt op de knappe herderin. Op zijn verzoek om een slok geeft ze die onmiddellijk en inderdaad drenkt daarna de kamelen, snel en efficiënt. 
Opvallend in deze passage over Rivka's handelingen is hoe een aantal keren woorden met de stam ‘snel' en ‘rennen' –  maher  ,  rats  – voorkomen; het tekent de houding van achting en respect van de jonge vrouw voor de vreemdeling. We zijn deze woorden ook tegengekomen in de houding van Avraham als hij voor zijn tent de drie boodschappers ontvangt en een maaltijd bereidt.(1). 
De verraste knecht ziet in stille verbijstering aan hoe het meisje haar diensten voor hem verricht en als ze klaar is hakt hij de knoop door: God moet hem hebben verhoord, dit is de ware. Hij geeft haar de bedoelde geschenken een gouden neusring en twee gouden armbanden van tien sjekels goud zwaar. Twee armbanden, dat verwijst naar de twee stenen tafelen en tien sjekel verwijst naar de tien uitspraken (geboden) weten de Oude Wijzen (2) 
Dan pas vraagt Eliezer naar haar afkomst en dan pas blijkt zij tot de familie van Avraham te behoren. Dat was wel een gok. Blijkbaar waren de schoonheid en de uitmuntende eigenschappen van vriendelijkheid en hulpvaardigheid van Rivka zo overweldigend dat zij voorrang kregen boven status en afkomst, zaken die toch wel van eminent belang plachten te zijn. Als Avrahams afgezant later het verhaal doet aan de familie draait hij in zijn verslag wijselijk de volgorde van de gebeurtenissen om, lees het maar na. (Beresjiet/Genesis 24:47)(3) 
Meer saillante details verschillen in het mondeling verslag van de knecht aan de familie van Rivka. Want eigenlijk worden de gebeurtenissen tweemaal verhaald, eerst als vertelling in de derde persoon en dan als verslag van de knecht aan Rivka's broer Lavan, . Een stijlvorm die wij in onze moderne verhaalkunst niet zo zeer kennen, maar die hier op een of andere wijze bijzonder sterk werkt. Bij voorbeeld: in Beresjiet/Genesis 24:3 laat Avraham de knecht zweren bij ‘de Eeuwige, de God van de hemel en de God van de aarde'; in het verslag van de knecht over deze eed ( Beresjiet/ Genesis 24:37) vermeldt de man geen Eeuwige. Dit zou hij dan bewust in zijn verslag hebben weggelaten omdat Avrahams familie natuurlijk niet het Abrahamitische monotheïsme (om het mooi theologisch te zeggen) kende, maar hun eigen godendienst hadden; de knecht wilde dit natuurlijk respecteren en hen niet nodeloos kwetsen. Een zin later vertelt de bediende dat hij de opdracht had gekregen naar het vaderlijk huis en de familie van Avraham te gaan om een vrouw te zoeken. Avraham had het echter alleen over zijn ‘land en geboorteplaats' ( Beresjiet/Genesis 24:4). De knecht dacht strategisch en heeft het in zijn verslag maar iets toegespitst tot de familie, waar hij door dat (schijnbare?) toeval is aangeland.

Hij voert Rivka mee terug naar de tenten van Avraham en Jitschak.   
Rivka heeft kennelijk een scherpe intuïtie over haar lotsbestemming en de vastbeslotenheid om daar onvoorwaardelijk naar te luisteren en te handelen: ondanks de pogingen van de familie haar nog een tijdje te houden zegt ze op de vraag of ze onmiddellijk mee wil gaan: ‘Ja, ik wil gaan'.   
Jitschak zal meer dan voldaan zijn geweest: de man ‘bracht haar naar de tent van Sara, hij nam haar tot vrouw, hij beminde haar en troostte zich met haar na Sara' ( Beresjiet/Genesis 24:67). 

Hiermee bereikt dit verhaal een happy end. Idyllische momenten zijn er ook in de Tora. Gelukkige ontmoetingen bij een put, daar zijn er meer van in. Tenslotte is de put een archetypische ontmoetingsplaats in de samenleving van herders en kleine landbouwers. We denken aan Jaäkov, die zijn grote liefde Rachel ontmoette bij de waterput, misschien wel dezelfde als waar Rivka haar vee drenkte. De meest romantische scene in de Tora. Ook Mosjee ontmoette Zippora bij een waterput in de streek van Midjan. Waar het water vloeit zijn de condities voor geluk in de zin van geestelijk en lichamelijk welzijn aanwezig. (4)

Noten  
(1) zo ook Sforno ad loc 
(2) Rasji ad loc, 
(3) meer hierover in mijn boek ‘Reizen door de Tora. Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus', p. 61 ev 
(4) Ik moet ook denken aan de ontmoeting van Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de waterput – de Jakobsbron - , Joh. 4:5, waarin opvalt hoe Jezus over 2 taboes heenstapt: hij spreekt met een Samaritaanse, waar ‘Joden niet mee omgaan' en hij spreekt met een vrouw, waarover de discipelen hun verbazing uitspreken.

Parasjat Wajera   Genesis/Beresjiet 18 – 23
Bidden voor andermans nood

In het bijbelstuk (parasja), getiteld Wajera, worden een aantal sleutelgebeurtenissen verhaald uit de oergeschiedenis van Israël. Een belangrijk deel van Avrahams leven speelt zich in deze passages af. Achtereenvolgens zijn dat:het bezoek van de drie ‘mannen' (engelen), die, gastvrij onthaald door Avraham, hem de geboorte van een zoon uit Sara aankondigen; de verwoesting van Sedom en ‘Amorra, die ondanks de discussie tussen Avraham en de Eeuwige, plaats zal vinden; het lot van Lot. die door tussenkomst van de engelen aan de verwoesting ontkomt en toevlucht vindt in een dorp in de buurt en later in een grot, waar zijn twee dochters hem twee zonen ontlokken; de ontmoeting met koning Avimelech, die Sara in zijn gevolg haalt en haar later, geschrokken door een droom, weer aan Avraham teruggeeft; de geboorte van Jitschak; het wegzenden van Hagar en haar zoon Jishmaël en de haar geschonken uitkomst; conflict en verbond met Avimelech; beproeving van Avraham met het gevraagde offer van Jitzchak, en de herhaalde belofte van een overvloedig nageslacht.

Uit deze rijke geschiedenissen richt ik de schijnwerper even op de  episode met Avimelech in Beresjiet 20.

Het lijkt wel een herhaling van de eerdere belevenis van (toen nog) Avram en Sarai in Egypte (Beresjiet 12:11). In Beresjiet 26 overkomt Jitzchak weer gedeeltelijk hetzelfde, nota bene ook met Avimelech. De topos (‘standaardgebeurtenis') is: 
de aartsvader is bevreesd voor de machtige heerser, dat zijn mooie vrouw wordt geroofd en hij gedood en hij zegt daarom of laat zeggen, dat de vrouw zijn zuster is (wat in Avrahams geval de halve waarheid was: Sara was zijn halfzuster). De vorst denkt straffeloos de vrouw te kunnen nemen, maar wordt toch tijdig gewaarschuwd. De vrouw wordt teruggegeven en de man wordt gecompenseerd met geld, vee of vrije vestiging. In het geval van Avraham wordt het huis van koning Avimelech getroffen door onvruchtbaarheid. In een droom wordt de koning ingefluisterd dat de vrouw Sara in zijn paleis wel degelijk de echtgenoot van Avraham is. Deze herhaalde gang van zaken wijst erop hoe gevaarlijk het zwervend leven was en hoe afhankelijk van de luimen van meer machtigen. Speciale aandacht richten we op het gedeelte van de verzen 20: 17 t/m 21 21: 2 (NBV). 

20:17 ‘Toen bad Avraham tot God, en God genas Avimelech en zijn vrouw en bijvrouwen, zodat ze weer kinderen konden krijgen; 18 de Eeuwige had namelijk bij alle vrouwen in Avimelechs paleis de moederschoot gesloten om wat er gebeurd was met Avrahams vrouw Sara.' 
21: 1 ‘De Eeuwige zag om (Hebr . 'pakad' ) naar Sara zoals hij had beloofd, hij gaf haar wat hij had toegezegd: 2 Sara werd zwanger en baarde Avraham op zijn oude dag een zoon, op de vastgestelde tijd, die God hem had genoemd.'  

De middeleeuwse bijbelcommentator Rasji zegt hierover (vertaald uit Engelse weergave): ‘deze afdeling is hier geplaatst om je te leren dat wie erom bidt dat een ander begenadigd wordt zelf éérst wordt geantwoord. Want er staat: “hij (Avraham) bad etc. en onmiddellijk daarna “De Eeuwige zag om naar Sarah”, wat wil zeggen, Hij had al naar Sara omgezien voordat Hij Avimelech had genezen.'

Hoe komt Rasj daarbij? 
Een gebruikelijk principe van Tora-uitleg is ‘ post hoc propter hoc' , plm is ‘erna is omdat'. Als in de Tora het ene onmiddellijk na het andere komt is dat niet zomaar, dan is er een verband. We zagen dat ook al bij Avrahams besnijdenis aan het eind van Beresjiet 17. In Beresjiet 18 onmiddellijk aan het begin verschijnt de Eeuwige aan Avraham, dus hij komt speciaal om zijn zieke uitverkorene te bezoeken. Hier bidt aan het eind van Beresjiet 20 Avraham om onvruchtbaarheid bij Avimelech en zijn vrouwen op te heffen. Begin Beresjiet 20 wordt Sarah zwanger, er is dus een verband.
Dat wordt nog verder verhelderd door de analyse van de Hebreeuwse woorden.
In dit geval kijken we naar de werkwoordsvorm van ‘De Eeuwige zag om naar Sarah'. Er staat ‘ pakad ', wat de voltooid verleden tijd is, dus eigenlijk staat er: had (al) naar haar omgezien (dit vertaalt Dasberg beter, hij vertaalt:  had  bedacht). Dat houdt in dat al vóórdat de Eeuwige op voorbede van Avraham de vruchtbaarheid in Avimelechs paleis bewerkstelligde Hij Sara al had bedacht met zwangerschap. 
Wie bidt voor de noden van een ander krijgt zijn eigen nood gelenigd, nog voordat hij bidt voor eigen nood. Nog wat meer uit de context losgemaakt: wie zich zonder enig eigen belang inzet voor een ander wordt in zijn eigen nood door God meer dan gehoord. Moge dat zo zijn. 

Parasjat Lech Lecha    Beresjiet/Genesis 12-18    
De universele Abraham

Verscheidene passages in de Tora houden in, dat in Abraham de volken van de wereld zullen zijn gezegend (zoals in de eerste zegening in Genesis 12:3, niwrechoe bechá kol misjpachot ha-adama ). Bijbelprofessor Umberto Cassuto signaleert: ‘we hebben hier de eerste toespeling op het concept van universaliteit dat inherent is in het geloof van Israel, dat verder ontwikkeld zou worden in de leringen van de profeten'. (1) 
Niet alleen voor de joden, ook voor andere religies is Abraham een voorbeeld van geloof en een inspiratie voor levenswandel. Zowel in het Christendom als in de Islam wordt hij boven zijn Joodse context uitgetild.

De apostel van het christendom, Paulus, wijdt een bij theologen befaamde passage aan Abraham. In zijn brief aan de Romeinen legt hij de nadruk op het onwankelbare geloof van Abraham in de Altijdzijnde. (2) Als ik het goed begrijp komt het op het volgende neer. Niet omdat Abraham zulke goede daden heeft verricht werd hij door God gerechtvaardigd, niet om zijn verdiensten, maar louter doordat hij op God vertrouwde; dat godsvertrouwen was al genoeg. En omdat hij al gerechtvaardigd werd toen hij zich nog niet had besneden en er sowieso toen nog geen geheel van wettische voorschriften bestond, is ook voor hen die niet besneden zijn – lees de niet-joden c.q. deniet-joodse christenen - het geloof in God – en natuurlijk voor de christenen het geloof in Jezus als messias en zoenoffer voor zonden – voldoende; het is voor rechtvaardiging niet nodig, dat je je aan allerlei voorschriften – lees de Joodse wet – houdt.

In de Koran speelt Abraham een belangrijke rol, in vele passages treedt hij op. Uit een artikel van prof. Karl Josef Kuschel (3) haal ik een belangrijk citaat uit de Koran: ‘O, mensen van het Boek, waarom redetwist gij over Abraham, wanneer de Tora en het Evangelie eerst na hem werden geopenbaard? Wilt gij dan niet begrijpen? Ziet, gij twist over hetgeen, waarvan gij kennis hebt. Waarom twist gij dan (eveneens) over hetgeen, waarvan gij geen kennis hebt? Allah weet en gij weet niet.  Abraham was noch een Jood, noch een Christen, maar hij was een oprecht Moslim. En hij behoorde niet tot de afgodendienaren.' (4) 
Het blijkt te staan in het hoofdstuk (soera) Al Imraam, o.a. een voor joden weerbarstige verhandeling over ‘het volk van het Boek'. Maar in bovengeciteerd vers ligt wel een helder statement: Abraham ging vooraf aan Tora, Evangelie en ook aan de Koran. Hij was ‘een vriend van God'.

Prof Kuschel neemt deze soera als uitgangspunt voor zijn pleitrede voor een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene. In zijn interreligieuze werk vindt hij zijn grondslag in de verhalen van Abraham, zoals zij verteld worden in de Tora, in het Nieuwe Testament en in de Koran. In de verhalen over Abraham komt – zo stelt hij – iets tot uitdrukking dat als grondhouding van mensen tegenover het heilige, het Absolute, tegenover God ook in andere religies te vinden is: de kracht om op grond van radicaal vertrouwen op God op te breken en iets nieuws te wagen. Dit ziet hij als Abrahamitische spiritualiteit, het radicaal vertrouwen om ondanks de deprimerende geschiedenis van conflict en geweld tussen de religies en tegen de verleiding van berusting in, vol te houden en met erkenning van verschillen steeds te zoeken naar gemeenschappelijke grond.

Biedt de Tora in het verhaal van Abraham nog andere episoden, die inspireren tot een vredelievend samengaan van mensen van verschillende religies? Een late midrasj (5) verhaalt hoe een bezorgde Avraham na jaren tot tweemaal zijn zoon Ismael in de woestijn weer opzoekt en een derde keer zich met hem verzoent. Dit verhaal is in de islamtraditie in een aangepaste vorm overgenomen als basisuitleg voor de in de Koran vermelde bouw van de Kabaä door Abraham en Ismaël. Ismaël kreeg twaalf zonen. In Beresjiet/Genesis 25 wordt de laatste episode in het leven van Abraham beschreven. Hij neemt na de dood van Sara waarachtig nog een tweede vrouw, Ketoera – de midrasj zegt: dat is een teruggekeerde Hagar – en krijgt nog zes zonen bij haar. Inderdaad, een vader van vele volken is hij. (6) 
Hij wordt begraven door zijn twee oudste zonen, Isaac en Ismaël (Beresjiet/Genessis 25:9). Aan het graf van hun vader ontmoeten de twee rivalen elkaar weer, dat is een hoopgevend metafoor. 

Al eerder is in het leven van Abraham een signaal van een vreedzame oplossing van conflicten gegeven. Als de nog ‘jonge' Abram met zijn neef Lot is vertrokken uit Charan ontstaat er een conflict over de weidegrond voor hun vee. (Beresjiet/Genesis 13). De herders maken ruzie met elkaar. Er is te weinig levensruimte voor beiden. Dan zegt Abraham zoiets als: laten we toch geen ruzie maken, wij zijn immers mannen die broeders zijn! Ligt heel het land niet voor je open? Er is ruimte genoeg voor ons beiden, ga jij naar links dan ga ik rechts en ga jij rechtsaf, dan ga ik linksaf. 
Dat kan ook dienen als metafoor: er is ruimte genoeg voor allen, als we dat maar zien en elkaar dat gunnen. Eerst moeten we als joden, christenen en moslims ophouden ruzie te maken en elkaars waarheden aan elkaar op te dringen, stoppen met elkaar te onderdrukken en zelfs te doden. Dan kunnen we elkaar de ruimte gunnen, elkaars verschillen respecteren, dan kan een ontmoeting en werkelijke kennismaking zich ontwikkelen.  
Misschien gloort er dan iets als een oecumenisch gebeuren onder het patronaat van Abraham. 
De laatste tijden lijkt dat nog ver weg.

noten 

(1) U. Cassuto (1883-1951), A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Magnes Press, Jerusalem, 1977, p. 315 
(2) Romeinen hfst 4 
(3) Karl Josef Kuschel , ‘ Op weg naar een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene' in : In de voetsporen van Abraham, vele bijdragen aan symposia 2003 en 2004 te Nijmegen, Damon 2004 
(4) Koran, Soera 3 (Al Imraan) 65-68 
(5) Pirkee de Rabbi Eliezer, hfst. 30 e.v. 
(6) Zie ook: Marcel Poorthuis, ‘Hagar's Wanderings: Between Judaïsm and Islam' (https://marcelpoorthuis.wordpress.com/publicaties/wetenschappelijke-publicaties/journal-articles/) 

Parasjat Noach Beresjiet/Genesis 6:9-11:32
Over bakstenen en digits

Er zijn in de geschiedenis van de mensen verscheidene kardinale technische ontdekkingen gedaan, die diep ingrijpende invloed hadden op maatschappij en samenleving, een invloed, die - als men de toenemende complexiteit, die het gevolg was van die ontdekkingen positief bekijkt - vooruitgang betekende. De lezer hoeft niet lang na te denken: de domesticatie van dieren, de mogelijkheid systematisch eetbare gewassen te verbouwen ofwel de landbouw, het wiel, het schrift, en later de boekdrukkunst, de stoommachine, de atoomsplitsing, de pil en recentelijk de computer.
Een van die lang geleden gedane, belangrijke ontdekkingen is de uitvinding van de baksteen. Vanaf de uitvinding van de baksteen konden stevige gebouwen worden gebouwd, kon worden gebouwd waar geen stenen waren, stevige woningen, die bovendien bestendig waren tegen zon, weer en wind. De mogelijkheid van de grote stad was geschapen.
Die ontdekking staat beschreven in de parasja Noach. Beschreven staat, hoe de mensen, de afstammelingen van Noach, deze ontdekking deden, toen ze na de zondvloed de wereld introkken en aanlandden in de vlakten van Babel en voor het bouwen van woningen geen stenen aantroffen. Besresjiet/Genesis 11:3 (HSV): ‘En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem' .
Een prachtige vinding, die een weids scala aan bouwmogelijkheden opende, maar die ook , veronderstel ik, een overweldigende ervaring betekende, een ervaring, die het gemoed vervulde met trots en gevoel gaf de wereld meer onder controle te krijgen.
Met hun vondst kregen de uitvinders van de baksteen de smaak te pakken en zoals dat in de geschiedenis en in de menselijke psyche verankerd ligt, gingen ze al gauw de grenzen opzoeken en de nieuwe techniek tot het uiterste uitproberen. Het verhaal in de parasja borduurt daarop voort. Ze gingen meteen een gigantische toren bouwen die tot in de hemel zou reiken. Zo werd de bouw van de toren van Babel het prototype van de aanwending van menselijke vindingrijkheid tot zelfverheerlijking. (1)

De leiders van de bouw – de legende zegt, dat het de machtige koning Nimrod was - werden bevangen door een roes, om door middel van de toren aan de hele wereld te laten zien hoe machtig en slim ze waren en zo de erkenning van hun dominantie af te dwingen. Dat kunnen we afleiden uit Beresjiet/Genesis 11:4 . (2) De onderdanen werden bezeten door een monomanie om het gebouw zo hoog mogelijk te krijgen. Dag en nacht joegen ze elkaar op. Als er een mens van de steigers viel kon het de anderen niks schelen, maar als er een steen viel moesten ze huilen, terwijl ze op de volgende steen wachtten, zo luidt een versie van de legende rondom de toren (3). Ik kan niet nalaten te denken aan de slavenarbeid in de Golfstaten, waar dagelijks slachtoffers vallen bij de bouw van prestigeobjecten, de glimmende torens, die hemelhoog afstekend tegen de blauwe woestijnhemel door CNN op ons televisie scherm worden gepresenteerd .

Een ander commentaar van een middeleeuwse wijze ziet in de bouw van de toren een poging van de mensen om op te klimmen tot de hemel om daar om orde op zaken in te stellen: eenmaal daar levend en wel aangeland zouden ze het misverstand van de eindigheid van het leven kunnen rechtzetten; ze zouden de handicap van de dood kunnen overwinnen en de hemelse beschikking van sterfelijkheid, afgeroepen over Adam, kunnen doen herroepen.(4). Zo kunnen we het verhaal duiden als een allegorie van de mens, die niet wil berusten in de dood en eeuwig op weg is met alle mogelijke middelen onsterfelijkheid te veroveren.
Terecht was de Eeuwige hier hevig bezorgd over. Hij zei (Beresjiet/Genesis 11:6) ‘ Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn '. Graag waag ik de veronderstelling, dat we dit tegenwoordig zo mogen uitleggen, dat de almachtsfantasieen van de mens en de illusies van alomvattende maakbaarheid van het leven op de lange duur tot mislukken gedoemd zijn. De Eeuwige zorgde er in het geval van de Babelse toren ervoor, dat de aanvankelijk monomaan eensgezinde mensen ruzie kregen – op zich een bij mensen te verwachten fenomeen – en in groepen uiteenvielen en naar alle kanten verder de wereld introkken, hetgeen een diversiteit opleverde, die de mensheid uiteindelijk verder bracht.

Zoals gezegd zijn na de baksteen nog vele andere technische revoluties gevolgd.
Ze hebben de mensheid altijd in een volgende ontwikkelingsfase met meer complexiteit en specialisatir geduwd. Dat ging en gaat steeds gepaard met een combinatie van grote zegen en veel misbruik en ellende, vanaf het buskruit tot de atoomenergie. Het blijft een grote bijna niet te bemeesteren kunst om bakstenen, letters, boeken, machines, atomen, internet en dergelijke te gebruiken binnen de menselijke maat.
Het extreme, het uiterste, blijft zijn magische aantrekkingskracht behouden. Dat kan leiden tot soms uiterst succesvolle resultaten, die een zegen voor de mensheid betekenen, maar veel te vaak tot uiterst schadelijke en destructieve ontwikkelingen. Wie zal uiteindelijk de balans opmaken …

Ik kwam een in dit verband een heel toepasselijke passage tegen in een artikel over de geruchtmakende Israëlische schrijver van de boeken ‘Sapiens' en ‘Homo Deus', Yuval Harari.(5) ‘Vanuit religieus oogpunt is Silicon Valley momenteel de interessantste plek op aarde, meent Harari. Daar lopen de nieuwe hogepriesters van het geloof in technologische vooruitgang, die in hoog tempo bezig zijn om de mens goddelijke kwaliteiten te verschaffen. Nieuwe levensvormen scheppen, op afstand communiceren, zich verplaatsen met hoge snelheden en het eeuwige leven leiden: in het verleden waren dit soort ‘supervermogens' enkel voorbehouden aan goden. Maar inmiddels leven we in het tijdperk van de  Homo Deus,  de mens-god'. Tot zover het citaat.
Is de digit de nieuwe baksteen?

Noten

(1) De moderne bijbelwetenschapper Umberto Cassuto (1883-1951 situeert de oorsprong van het verhaal in het midden van de zestiende eeuw voor de gewone jaartelling, in de tijd dat in de stad Babel de tempel van Mardoek, een ontzagwekkend bouwsel met een immens hoge toren (ziggurat), was verrezen en vervolgens verwoest. Het gebouw was opgetrokken met gebakken stenen, een revolutionaire vondst in die tijd gedaan. Zie verder   U. Cassuto , A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Jerusalem, The Magness Press, p.225 ev
(2) Dit motief vermeldt Ovadja Sforno (16 e eeuw) ad loc (op Sefaria.org)
(3) Zie voor de midrasj Genesis Rabba (een verzameling rabbijnse uitspraken uit de eerste eeuwen van de gebruikelijke jaartelling) 38, 6-7 en Pirkee de Rabbi Eliezer (een losse aangeklede hervertelling van de Tora uit plm 500 gewone jaartelling) hfst 24
(4) Aldus ook Rabbeinu Bachya (plm 1300) ad Beresjiet/Genesis 11:4
(5) geciteerd uit: Jaap Tielbeke, De betekenis van het leven, De evolutie volgens Yuval Noah Harari, De Groene Amsterdammer , 8 febr. 2017

Parasjat Beresjiet Beresjiet/Genesis 1:1-6:8 
De bewustwording omtrent seksualiteit,, een speculatie

De nieuwe leescyclus is weer begonnen en we gaan in op het verhaal van Adam en Eva, die ondanks het verbod de vrucht van de boom der kennis van goed en kwaad at en Adam verleidde ook te eten (Genesis hfst 3). Dit verhaal heeft diepe sporen nagelaten in de opvattingen over seksualiteit en de vrouw in de monotheïstisch godsdiensten Jodendom, christendom en islam, de vrouw als verleider tot het kwaad is diep ingebakken (geweest), zij het dat feministische theologie hier flink aan heeft gesleuteld. Mij leek het vruchtbaar eens vanuit een andere hoek het verhaal te benaderen en het te beschouwen als een herinneringspoor van een belangrijke ontdekking ooit in prehistorische tijden gedaan.

Wij kunnen ons in dit postmoderne tijdperk nauwelijks voorstellen, dat ooit de mens niet heeft geweten, dat het samengaan van man en vrouw in de seksuele gemeenschap het krijgen van een kind tot gevolg heeft, anders gezegd dat de rol van de man en zijn penis, onmisbaar is in de procreatie van nageslacht. Toch moet deze toestand van onwetendheid ooit de staat van het mensdom zijn geweest. Ooit moet hij plaats hebben gevonden, de doorbraak van het inzicht dat de mannelijke daad van opperste lust en plezier (en wellicht ook mannelijke macht) negen maanden later bij de vrouw zulk een indrukwekkend en ingrijpend gevolg had in de vorm van de geboorte van een kind. Negen maanden later, dat is een flinke tijdspanne tussen oorzaak en gevolg. Het moet een verbijsterend moment zijn geweest, een primordiale aha-erlebnis, in die prehistorie een krachttoer van causaal denken, een ‘giant step for mankind', een ontdekking die ieder mens als kind in zijn kleuterjaren weer overdoet. Ga nog even wat verder mee in mijn antropologische fantasie: vermoedelijk was deze pionier van de menselijke wetenschap een vrouw.

Dat klinkt nog door in het paradijsverhaal van Genesis; het is Eva die de kennisvrucht plukt. Ooit deelde een Eva dit schokkende kennisfeit (de schone vrucht) met een Adam en zo werden man en vrouw uit een prereflexieve wereld geworpen in een wereld waarin zij voortaan wisten dat hun gezamenlijke seksuele daad – die in hun nu voortaan bewust waargenomen naaktheid al als kiem besloten lag – onontkoombaar verbonden was met zijn gevolg, het kind. ‘Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten (1) ze dat ze naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er lendenschorten van' (Gen 3:7). (2)

Dat moet een menigte revolutionaire psychische en maatschappelijke gevolgen hebben gehad. Waarschijnlijk hoort daartoe een enorme statusverhoging van de man en een taboe rond de machtige procreatieve organen. In een vergrote kennisruimte daalde het besef in over de barre noodzaak om de seksuele energie te kanaliseren in het belang van betrouwbare relaties en een veilige samenleving. Eros moest voortaan gereguleerd worden door de geest. De mannen ontkwamen er niet aan hun erotische aandriften in de hand houden. Dat dit project deels gelukt is een groot wonder, of men de aanzet daartoe nu legt bij de geboden van de Eeuwige, de stem van de oervader van de horde (Freud) of bij een sociaal contract tussen de stambroeders. Waarschijnlijk speelde de ontwikkeling van taal een essentiële rol. De beheersing van de anarchistische eros is een gigantische opgave. Het was onvermijdelijk, dat die geestelijke krachttoer sporen van wrok, boosheid of angst op de bodem van de mannelijke psyche heeft achtergelaten. De vrouw heeft in vele culturen een prijs betaald voor het feit dat de mannen hun eros met veel tegenzin hebben moeten inperken. In ruil daarvoor heeft de man in vele culturen, met name die in het middellandse zeegebied, met behulp van zijn fysieke kracht de dominante rol in relaties opgeëist. Met haar schoonheid, haar zinnelijkheid en haar verleidelijkheid brengt de vrouw bij de man vlagen naar boven van oerherinneringen aan een prijsgegeven wereld van vrije lusten. Zo is de man gespannen tussen de pool van enerzijds uiterste zelfbeheersing en anderzijds op de loer liggende lusten, hetgeen vaak is uitgelopen is of dreigt uit te lopen op een cultuur van dubbele moraal van openlijke zedigheid en verborgen lichtzinnigheid .

Ik denk, dat niet onderschat mag worden hoezeer de laatste zeventig jaar mede de vooruitgang van de techniek van geboortebeperking, met name de pil, de oude verhoudingen in de westerse wereld op losse schroeven heeft gezet. In brede bevolkingsgroepen in het westen heeft een nieuwe interpretatie van de seksualiteit plaatsgevonden in de richting van erkenning als bron van autonome geniering in vrijere verbanden. Vaak is dat ten goede geweest. Drukkende taboes zijn opgelost. De gelijkwaardigheid van de vrouw in recht en relatie heeft bij de meerderheid in de samenlevingen misschien nog geen volledige verwerkelijking, maar wel principiële erkenning gevonden.
De nieuwe permissiviteit in seksuele zaken is wel flink doorgeschoten. De markt heeft zich er meester van gemaakt. Seks is prestatie geworden, tot product gemaakt en wordt gretig gebruikt als middel om producten aan de man te brengen. Dat heeft bij veel mensen nieuwe onzekerheden en angsten wortel doen schieten. Dat maakt dat het besef veld wint dat het nodig is om een nieuw zicht te ontwikkelen op welke plaats seksualiteit en eros in het leven inneemt. Het is goed, dat daarbij oude waarden niet in hun geheel overboord worden gegooid

noot

(1) Merkten, in het Hebreeuws staat jad'oe, letterlijk ‘wisten, kenden' van het werkwoord jad'a , dat tevens gebruikt wordt voor het bedrijven van de geslachtsgemeenschap, vgl Genesis 4:1: De mens kende (jad'a ) zijn vrouw Eva en ze werd zwanger en baarde Kain.
(2) De middeleeuwse commentator Radak gaat een beetje in die richting. In zijn commentaar ad hoc beschrijft hij deze passage als het bewust worden van een opkomende drang om gemeenschap te hebben, waarbij Adam een erectie krijgt. Adam beseft, dat hij geen controle over zijn orgaan heeft. Radak beschrijft dit als een duidelijke achteruitgang t.a.v. de paradijselijke situatie en de oorzaak van schaamte.

Parasjat Nitsaviem-Wajelech Devariem/ Deuteronomium 29:9-31:30

Het begin van de wijsheid

De parasja Nitsaviem wordt in de meeste (niet-schrikkel) jaren tezamen met de parasja Wajelech gelezen. De tekst begint met: ' Hier bent u allen nu bijeen ( nitsaviem ), ten overstaan van de Eeuwige, uw God: de stamhoofden, de ?oudsten, de ?schrijvers, alle mannen, vrouwen en ?kinderen? van  I sraël, en alle ?vreemdelingen? die als houthakker of ?waterputter? in het kamp werken – bijeen om toe te treden tot het ?verbond? dat de Eeuwige, uw God, vandaag met u sluit, en de sancties die erbij horen te aanvaarden'.
Heel Israel, van hoog tot laag, mannen, vrouwen en kinderen (ik zie de vrouwen met kleuters om hen heen en baby's op de arm), stamhoofden maar ook waterputters, staan in onafzienbare scharen voor Mozes, en als het ware ook voor de Eeuwige. Hajom , vandaag, dat wil zeggen toen, maar ook nu heden ten dage nog steeds.
Binnenkort is het Rosj Hasjana en Jom Kipoer en staan ook wij weer daar tezamen in grote schare in sjoel. Ervaren wij als schare voor Zijn aangezicht nog hetzelfde als toen?
Kent de ervaring en de perceptie van het Altijdzijnde een (r)evolutie?

Gisteren is een bekende protestante theoloog overleden, Harry Kuitert , een man die van uit gereformeerde orthodoxie zich ontwikkelde tot theoloog, die uiteindelijk tot ontsteltenis van de gereformeerd-protestante wereld bekende: God bestaat niet. Van hem zijn de in protestante kringen beruchte woorden:
‘ Al het spreken over boven komt van beneden, ook als we zeggen dat het van boven komt' - een slogan, die voor velen klonk als een vloek en die voor anderen een bevrijding uit een orthodox keurslijf betekende. Voor Kuitert – als je hem ziet spreken in een interview op zijn 80 ste verjaardag een intens religieus man - betekende het dat de verhalen in de bijbel over God niet betekenisloos zijn, maar ze zijn wel door de menselijke geest gemaakt en geschreven.
In de Joodse sfeer wordt er naar mijn indruk niet zoveel gediscussieerd over of God (of de Eeuwige of Hasjeem) nu wel of niet bestaat. Het lijkt wel of het bestaan van de Eeuwige niet ‘im Frage' is. Zelfs al zingen de sjoelgangers een dienst lang ‘ Adonai Elohenoe' , Eeuwige onze God, over Hem wordt na de dienst bijna nooit gesproken .
Het doet mij denken aan die witz van de rijke Joodse New Yorker, al lang niet meer ‘observant', die de beste school van de stad voor zijn zoon wilde. Hij stuurde hem naar het katholieke Trinity College. Na een jaar vroeg hij zijn zoon, wat leer je daar nou allemaal. De zoon zegt, nou over de Heilige Drieenheid van God de vader, de Zoon en de Heilige geest.
Vader: ‘ik haal je direct van die school af: God is één, hoor je, al geloof ik niet in hem!'.

In de Joodse sfeer ligt het discours over God misschien anders dan in het christendom, en moet hij anders gevoerd worden, maar de ‘slogan' van Harry Kuiters geeft ons toch een uitgangspunt. Als al het spreken van beneden komt, ook het spreken, dat het van boven komt, hoe zit dat dan met het feit, dat uit de natuur (in de zin van Spinoza) een wezen voortkomt, dat het over ‘boven' kan hebben en zichzelf dit antwoord kan geven?
We kunnen het met Kuiterts antwoord deels eens zijn: de verhalen van de bijbel en ook van de Exodus en Sinaj zijn door mensenhand geschreven. Het zijn verhalen geworden, die Israel en later nog andere volken een basis hebben verschaft om een samenleving sturing en richtlijn te geven, succesvolle verhalen, die in hun eeuwenlange geschiedenis vele andere verhalen hebben overleefd (je zou bijna zeggen succesvolle ‘memen' in de zin van de atheist Daniel Dennett ), al verkeren ze heden wel in de gevarenzone. Verhalen, die in mijn visie niet de waarheidsclaim van de dogmatiek hebben, maar ook weer meer zijn dan poëzie. literatuur of mythologie. Verhalen, die steeds iedere generatie weer een nieuw antwoord vragen. Wat geeft die verhalen dan hun bijzonder karakter? Nu kom ik op een vruchtbaarder vraag dan de vrij zinloze vraag of God wel of niet bestaat, zinloos te meer omdat het woord God een woord is met een zo grote kring van associaties in alle richtingen, dat het of teveel of te weinig zegt.
Die vraag is: is er openbaring (revelation)? Is er bij religies - met name de monotheistische religies, voorop het Jodendom – sprake van een openbaring, die uitgaat boven de gebruikelijke kennisverwerving door schade en schande, noodzaak of nieuwsgierigheid? Toegespitst op het Jodendom: gebeurde er iets bijzonders op de heilige berg Sinaj of was het niet meer dan illusie of zelfhypnose? Of kwam de ervaring van de Ene en zijn tien geboden uit de onderverdieping van de psyche à la Sigmund Freud, als een troostende illusie in een harde wereld? (1)
De Joodse filosoof Martin Buber meent, dat er wel degelijk sprake was van een openbaring, niet van Gods essentie, maar van Zijn relatie met de mens. Buber is universalist. Er is sprake van een intense ervaring van Zijn presentie, die op zich nog geen geboden inhoudt. Maar de vertaling van deze ervaring in geboden (mitswot) is het werk van de mens Mozes.
Daarom zijn ze slechts bindend voor het individu in zoverre deze vanuit zijn persoonlijke ervaring van de relatie met de Ene geboden vrijwillig op zich neemt. Franz Rosenzweig, Martin Bubers medevertaler van de Tanach en medestichter van het Freies Jüdisches Lehrhaus , ging toch een stap verder. Rosenzweig erkent weliswaar, dat de openbaring van de presentie van de Ene niet de openbaring van de mitswot met zich meebrengt. Maar hij bepleit wel de acceptatie van het geheel van de mitswot. Dat is rationeel niet te beredeneren, maar vraagt een daad van geloof. Die daad van geloof springt voort uit de loyaliteit aan de voorvaderen, die het Hajom (‘vandaag') van toen tot het Hajom van nu maakt. Rosenzweig is particularist.(2)
De antropoloog en stichter van de psychoanalyse Sigmund Freud heeft de traditie geheel afgezworen. Hij accepteert ook Bubers mytieke presentie van de Eeuwige in relatie met de mens niet; religie, God en de goddelijke autoriteit van de geboden zijn een kinderlijke illusie van de mens. Freuds hoop is gevestigd op de Wetenschap, die met zijn Rede, de mensheid, als het meezit, uit zijn waanideeën zal helpen uitgroeien. En toch komt de atheïstische antropoloog er toe om in zijn boek over Mozes en het Monotheïsme te zeggen, dat het in het Jodendom gaat om de door Mozes gestichte en vooral door de profeten bewaarde en doorgegeven leer, dat ‘de godheid offers en ceremonieel afwijst en enkel geloof en een leven in waarheid en gerechtigheid (…) eist' (3). Freud noemt de ethische uitstraling van het Jodendomj een ‘geistige Leistung', maar niettemin is hij volstrekt areligieus.
Hoewel? Hij heeft ook geschreven: ‘Critici volharden in de gewoonte om een mens die openlijk uitkomt voor zijn gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld'(Freud bedoelt dus zichzelf, RC), ‘diep religieus te noemen, hoewel niet dit gevoel de kern van religiositeit vormt, maar (...) de reactie erop, die tegen dit gevoel een remedie zoekt\ (dus de religie RC). ‘Wie niet verder gaat, wie deemoedig genoegen neemt met de onbeduidende rol van de mens in de grote wereld, is juist in de waarste zin van het woord irreligieus'.(3)
Ik behoor tot de critici, die dit wèl een diep religieus besef noemen. Dit existentieel gevoel van de mens, verloren in het totaal open veld, kan inderdaad enerzijds brengen tot de sprong in de zekerheid van religieuze dogmatiek of (ultra)orthodoxe leerstellige waarheidspretentie, het vanzelfsprekende systeem, maar anderzijds kan die openheid ook betekenen – zet u even schrap - een beschikbaarheid voor een werkelijk contact met wat voorbij ligt aan wat menselijkerwijs is te weten, voor een ‘inbreuk' of ‘inbraak' van het oneindige op/in de totaliteit van het ons bekende en vertrouwde, in de zin van Emmanuel Levinas.(4), een inbreuk die niet rechtstreeks naar een God wijst maar vooral naar de Ander/het Andere.

Ik moet denken aan de bekende uitspraak uit Spreuken (Misjlee):
Het ontzag voor de Eeuwige ( jirat Hasjem, zeg het Freudiaanse ‘gevoel van menselijke nietigheid en onmacht tegenover de hele wereld') is het begin van de wijsheid ( resjiet chochma )..
Sjana Tova!

noten

(1) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie, 1927
(2) Gebruikt is ook: Benny Kraut, THE APPROACH TO JEWISH LAW OF MARTIN BUBER AND FRANZ ROSENZWEIG, Tradition: A Journal of Orthodox Jewish Thought. Vol. 12, No. 3/4 (WINTER-SPRING 1972), pp. 49-71

(3) Sigmund Freud, Mozes en het Monotheisme, 1939, Boom, p. 64. 
Een lezing over Freuds boek, toetsing van zijn stellingen – waaronder ook de beruchte ‘moord op Mozes' – en de rol van het boek in de context van Freuds leven is in voorbereiding. 
(3) Sigmund Freud, De toekomst van een illusie, 1927
(4) Zie bijv. Emmanuel Levinas, Het menselijk gelaat , (tweede deel: Filosofie van het menselijk gelaat, Ambo, 1969, 1987, p. 191, over Sjemot/Exodus 33:23

Geciteerd ook in Rob Cassuto's commentaren op de vijf boeken van de Tora:
REIZEN DOOR DE TORA ,deel 1, van het Begin naar de Berg,  Genesis en Exodus
p. 167

Parasja Ki Tavo   Deuteronomium / Devariem  26:1–29:8

Een Egyptische erfenis?

De parasja Ki Tavo bevat de lange reeks afgrijselijke vervloekingen, die over Israel zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. We zouden bijna vergeten, dat de parasja ook essentiële zegeningen bevat (28:1-15) en eigenlijk heel feestelijk begint met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (26:1 ev), laten we dat eens even lezen.
26: 1  (NBV) En wanneer u in het land komt dat de Eeuwige, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn 2 dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de Eeuwige, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen  (dat is dus Jeruzalem).

Na het overhandigen van de korven met fruit aan de priesters bij de tempel  moest de overhandiger zeggen (Dev. 26:4-11):  ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. 6 De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. 7 Toen klaagden we de Eeuwige, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. 8 En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. 9  Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. 10 Eeuwige, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.'
Daarna volgde een feestelijke maaltijd.

Deze formule, de  widoei bikoeriem ,  is eigenlijk heel bijzonder.
Het is één van de vele reminders, die in Devariem en in de Tora in zijn geheel zijn ingebouwd om het volk van Israël te herinneren aan zijn afkomst van onderdrukking naar bevrijding en zijn roeping tot een samenleving, die geordend is naar principes van gerechtigheid, omzien naar de ander, gastvrijheid en compassie, zoals geschreven  en geopenbaard in de woorden van de Ene.
In de Tora, de liturgie, de pelgrimsfeesten Pesach, Sjavoeot en Soekot en in het dagelijks gebed zijn die reminders ingebouwd. Je zou kunnen zeggen, het Jodendom zit qua mnemotechniek goed in elkaar. Steeds wordt gemaand het slavenverleden in Egypte en de daarna verworven vrijheid niet te vergeten en in te vullen met het naleven van de gegeven voorschriften.
De widoej bikoeriem wordt nog steeds uitgesproken. Dit kernachtige narratief vorm het centrale gedeelte van de Hagada, het ‘routeboek' met teksten en liederen, dat de jaarlijkse rituele Pesachmaaltijd, de Seider, begeleidt en waarin de slavernij en de bevrijding daaruit in iedere generatie herdacht wordt.
Tijdens die maaltijd en in de Hagada staat Egypte voor alles wat onderdrukt, wat tot slaaf maakt; het verleden, maar ook het heden passeert de revue en de maaltijdgenoten passeren de tijd vaak in drukke discussies over vrijheid en onderdrukking in de wereld of over het ‘Egypte' in het eigen leven. Dat is goed en we mogen spreken over een waarde volle traditie.

Maar laten we eens uit onze homiletische benadering stappen en wat historischer naar dat Egypte kijken. Welgeteld 537 bijbelverzen vermelden het woord Egypte. Dat moet duiden op een intense relatie. Dat doet vermoeden, hoezeer er een haat-liefde bestaat tussen Israel en Egypte. Egypte is meer dan alleen de meedogenloze onderdrukkers geweest. Het land is van oudsher een toevlucht in tijden van nood geweest.
Alle drie de patriarchen hebben er gastvrijheid genoten in tijden van hongersnood, last but not least Jacob, die er zijn nageslacht tot een talrijk volk zag uitgroeien, dat lange tijd een voorspoedig leefde in de Nijldelta. Een keerpunt was toen na vele jaren er een periode van onderdrukking en dwangarbeid aanbrak. Dat niet alleen de herinnering aan de onderdrukking door de Egyptenaren geboden is , maar dat ook hun gastvrijheid van ooit een rol speelt in de mitsvot, vinden we terug in het gebod om de Egyptenaar niet te verafschuwen, (Devariem 23:8, 9), ‘Want jullie hebben als ? vreemdeling ? in hun land gewoond'.

We kunnen ons afvragen, hebben die vierhonderd jaar, die de Tora aangeeft dat het verblijf in Egypte duurde helemaal geen indruk achter gelaten op de opvattingen en de cultuur van de Israëlieten?
Vele schrijvers uit de klassieke oudheid gaan zover, dat ze beweren, dat de Joden uit Egypte stammen. Vaak gaat dit al gepaard met een flinke scheut afkeer, zeg maar antisemitisme. Het zijn vaak mengsels van flarden vervormde waarheid en verzinsels, een compilatie is te vinden bij de Latijnse schrijver Tacitus (plm 100 CE). Deze baseert zich deels op de geschiedschrijver Manetho (plm 250 voor de CE), die melding maakt van een leger lepraleiders, die onder leiding van ene ‘Moses' na allerlei geweldadigheden - vernietiging van tempels, slachten van heilige dieren, ombrengen van priesters - het land verlaten richting Jeruzalem. De Joodse historicus Josephus (plm 100 CE) heeft genoeg van al die lasterlijke sprookjes en schrijft een lang pamflet om die verhalen te ontzenuwen, ‘ contra Apion'.
Een minder smadelijk verslag dan Tacitus en anderen geeft verstrekt de geograficus en historicus Strabo (plm 20 CE): ‘Een Egyptische priester genaamd Moses, die een deel van het land Neder Egypte bezat had ongenoegen over de gevestigde instellingen daar en verliet het land. Hij kwam naar Judea met een grote schare mensen, die de Godheid vereerde. Hij verklaarde en onderwees, dat de Egyptenaren en Afrikanen er verkeerde opvattingen op na hielden'.
Wat al die schrijvers, antisemitisch of niet, signaleren is, dat het gaat om een rebelse beweging, die zich afzet tegen de mainstream. Veel van hen valt het op, dat de gebruiken van de Israëlieten juist omgekeerd zijn aan die van de Egyptenaren: ze offeren dieren, die de Egyptenaren voor heilig houden en ze verbieden afbeeldingen van de goden.
Hebben dus de Israelieten dus juist helemaal niks van die Egyptenaren overgenomen?
Misschien niet het polytheïsme met zijn pantheïstische inslag. In die zin is het Jodendom wat wel een ‘tegenreligie' wordt genoemd. Maar misschien wel twee andere zaken: het monotheïsme en het ethisch appel.
Het monotheïsme, hoe kan dat? Wel, dat kan zijn gelopen via die uitzonderlijke periode, waarin voor amper twee decennia de ambitieuze farao Achnaton alle goden en gebruiken afschafte en het monotheïsme van de enige god, de zonnegod Ra, afkondigde en doorvoerde. Sigmund Freud was ook hevig geïnteresseerd in het ontstaan van het monotheïsme. Hij haakte in op wat Strabo had beweerd en kwam met een geruchtmakende stelling; ook hij zei: Mozes was een Egyptische priester en wel eentje in dienst van Achnatons Zonnegod. Nadat de opvolgers van Achnaton de oude orde weer hadden hersteld, bracht de missionaire priester Mozes dit nieuwe monotheistische geloof over op dat volk in de delta. Provocerend en bestrijdbaar (elders gaan we hier veel verder op in) (1).
Maar wat in ieder geval heel goed mogelijk is, is het volgende. Een belangrijk concept in de Egyptische religie was Ma'at, een begrip, dat geassocieerd werd met evenwicht in natuur en samenleving, met balans en gerechtigheid. Het werd soms wel eens afgebeeld als een vrouwelijke gestalte, maar deze werd niet als een aparte god vereerd.
Of Mozes nu een Egyptische priester was of misschien een hogelijk geassimileerde Hebreeër, wellicht heeft hij het begrip gerechtigheid overgenomen en– al dan niet gestimuleerd door Achnatons ideeen - verbonden met de hem geopenbaarde Ene God. De op zich tamelijk ‘seculiere' Ma'at werd nu ingepast in een divine context en daardoor krachtig ‘geautoriseerd' en geoperationaliseerd in de bekende ethische geboden van het ons bekende Jodendom.
Hierbij moeten we het even laten, u misschien in verwarring achterlatend. Maar: wordt vervolgd.

Noot
(1) Sigmund Freud, Mozes en het Monotheisme, 1939.
Een lezing over Freuds boek, toetsing van zijn stellingen – waaronder ook de beruchte ‘moord op Mozes' – en de rol van het boek in de context van Freuds leven is in voorbereiding.
Geraadpleegde literatuur:
Josephus, Contra Apionem. Against Apion
Tacitus, Histories 5.2-5
Strabo III:35
Jan Assmann, From Akhenaten to Moses, Ancient Egypt and Religious Change, 2014

Parasjat Ki tetsee Devariem/Deuteronomium 21:10 = 26    
Verafschuw de Egyptenaar niet!      

Deze parasja Ki Tetsee bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken en nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot.    
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen die drieduizend jaar geleden zijn geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar ze zijn toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her.  Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen, één van de bepalingen die zijn uitgewerkt tot het leerstuk over diervriendelijkheid ( Tsaär baälee chajiem)   . Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties.
Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft iedere generatie: hoe moeten we er in Gods naam vandaag mee omgaan? Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden? Ik denk, dat het helpt om de diverse bepalingen te zien, niet zozeer naar hun letterlijke inhoud als wel naar de intrinsieke waarden, waaruit zij voorvloeien en waarvan zij een door de historie gedetermineerde ‘operationalisatie' zijn.    
Zo getuigen de – voor die tijd vooruitstrevende - bepalingen rond de mooie vrouw, die door de man als krijgsgevangene wordt meegevoerd en begeerd, van het streven impulsieve wreedheid ten opzichte van de overwonnene aan banden te leggen en respect voor de weerloze mens te tonen (Devariem/Deuteronomium 21:11-14). Het zijn regels die in vele regionen van de wereld in oorlogssituaties als regel nog steeds niet zouden misstaan.

In het bijzonder treft ons het gebod om de Egyptenaren niet te verafschuwen (Devariem 23:8, 9). Hun kleinkinderen mogen zelfs tot de gemeenschap van Israel toetreden. Verrassend. Hadden die Egyptenaar niet opgetreden als wrede slavendrijvers en bevolen om de pasgeboren jongetjes i n de rivier te verdrinken? De tekst zelf geeft als reden: ‘W ant jullie hebben als ? vreemdeling ? in hun land gewoond' en de middeleeuwse commentator Rasji specificeert: de Egyptenaren hadden immers in tijden van hongersnood de Israëlieten in hun land opgevangen en hen daar onderdak verleend; pas na vele jaren gingen ze over tot hun misdaden. Slechte behandeling en onderdrukking laten bij wie dat is overkomen gevoelens van afschuw en haat achter, die vele generaties lang kunnen aanhouden; hoe goed kunnen we dat begrijpen. Maar toch: in de Tora klinkt de oproep om die afschuw en haat niet eeuwig te laten duren; verzoeningsgezindheid wordt hier op deze plaats van harte aanbevolen. Zoek argumenten, die helpen om oude vijandschap op te geven. Die richtlijn ten aanzien van de afschuw van de Egyptenaren van toen kan ons ook nu nog stimuleren om de verhouding met mensen die ons ooit iets misdaan hebben eens in een ander licht te bezien.
Ook de naburige Edomieten mag je niet verafschuwen, ‘want zij zijn jullie broeders', zegt Devariem/Deuteronomium 23:8-9. Het bewustzijn van gemeenschappelijke afkomst, van broederschap, kan een houding van verzoeningsgezindheid bevorderen. Onvermijdelijk denken we aan de iconische verzoeningsscene tussen Edom (Esav) en Jaäkov, de twee zonen van Jitschak; Edom haatte zijn broer, niet zonder reden, maar uiteindelijk rende hij hem tegemoet, sloot hem in zijn armen en kuste hem (Beresjiet/Genesis 33:4).
H et versterken van het besef van broederschap kan helpen de uitzichtloosheid van haat in te zien en een houding van bereidheid tot verzoening in te nemen. Vijandschap tussen personen, groepen, volken hoeft niet eeuwig te duren. Er kunnen openingen ontstaan voor het beslechten van oude geschillen, maar ook voor het oplossen van actuele conflicten.
Maar soms kunnen broeders het elkaar wel heel moeilijk maken. De ook met de Israelieten verwante Ammonieten en Moabieten (nakomelingen van Avrahams neef Lot) hadden - in tegenstelling tot de Edomieten - geweigerd de door hun gebied oostelijk van de Jordaan trekkende Israëlieten van eten en drinken te voorzien(Devariem 23:4 ). Wanneer je voedsel onthoudt aan je naasten maak je vreemden van hen en wanneer je voedsel geeft aan wie ver van je afstaan maak je hen tot naasten, tekent Rabbi Joc ? anan aan bij deze passages (Talmoed Sanhedrin 103b). Verzoening begint bij het gunnen van voedsel – en dus leven – aan je buren; het is een voorwaarde voor het slechten van de muur van afschuw en haat.

RC sept 2017

Parasjat Ekev Deuteronomium / Devariem 7:12–11:25
Jirat Hasjem  

In de parasjat Ekev zet Mosjee zijn lange laatste toespraak tot de Benee Jisrael voort. De spreker houdt het volk een God voor die het volk met machtige daden beschermt, liefheeft, vruchtbaarheid van mens, land en vee bevordert, het volk oproept niet bang te zijn, vijanden op de vlucht jaagt en vele andere zegeningen teweeg brengt. Maar die ook voortdurend waarschuwt geen afgoden te dienen en de geboden in acht te nemen, dat is de absolute voorwaarde voor de welvaart en overwinningen, die Hij bij monde van Mosjee in het vooruitzicht stelt. De oude leider roept de herinnering op aan de lange woestijnreis , waar er vele beproevingen zijn geweest van honger en dorst, maar dat waren toetsen om te leren, dat niet door brood alleen de mens leeft maar ook de redding van zijn machtige Schepper nodig heeft. Waak voor hooghartigheid en overmoed houdt Mosjee zijn mensen voor, want alle rijkdom valt je toe uit de hand van de Ene.  
De spreker schildert nog eens de gebeurtenissen op en rond de Sinaj. De machtige stem uit het vuur, de stenen platen, de grote zonde van het gouden stierkalf, de woede van de Eeuwige, Mosjee's smeekbeden het volk te sparen. Ook andere voorbeelden van verkeerde daden, van de woede van de Eeuwige, maar ook van wonderdaden van uitredding haalt Mosjee op, dit alles om het volk in te prenten om de goede weg te volgen van ontzag voor de Ene en het houden van de geboden. Aan het slot van de parasja keert Mosjee terug naar de beschrijving van het land, dat de Israëlieten op het punt staan te betreden, het land, dat vruchtbaar zal zijn en op de juiste tijden beregend zal worden, maar: de hemelpoorten zullen worden gesloten en geen regen zal er meer vallen, als het volk afdwaalt en andere goden gaat dienen. Deze laatste passages (Devariem 11:13-21) zijn deel uit gaan maken van het Sjema gebed als de tweede alinea daarvan.  

Deze toon van waarschuwing, vermaning om de geboden te volgen en ontzag te hebben voor de Eeuwige zal de grondtoon vormen van de rest van het boek Devariem. Inhoudelijk hebben de geboden in essentie tot doel om de anarchistische agressieve en erotische passies te kanaliseren tot een leefbare maatschappij en de willekeur van onderlinge verhoudingen met voorschriften in te perken in het belang van een vreedzame samenleving. Dit was alleen mogelijk onder de onbetwistbare autoriteit van een machtige en strenge rechtvaardige God, die als extern en verheven wordt ervaren en met een mengsel van vrees en liefde benaderd moet worden. Het unieke van het Jodendom is, dat de regelgevende autoriteit niet een menselijke heerser was, die vervangen kon worden door een andere, die met willekeur weer andere regels kon geven, maar een boven de tijd geheven en onzichtbare autoriteit, die bovendien de enige God was - en niet een uit een heel pantheon - en een God, die werkelijk oog had voor compassie en gerechtigheid - niet een van de amorele goden , die de mensen aan de grillen van het Fatum overlaten.
Momenteel verlangen wij vaak diep van binnen nog steeds naar een leidinggevende, beschermende, liefhebbende, maar rechtvaardige vader. Maar wij zien geen vader meer, extern in de hemel, niet de grote regisseur, die alle goede mensen beschermt en eerlijk beloont en slechte daden onmiddellijk straft. We voelen ons teruggeworpen op onze eigen menselijke verantwoordelijkheid. Liefde en recht is vooral iets, dat je moet geven of doen, aan jezelf en aan je medemensen, dan dat je het moet verwachten uit den hoge. Toch blijven we steeds speuren naar tekenen van Zijn werkzaamheid in de wereld en in onszelf, naar signalen van zin en opdracht en soms zijn we het zicht op Zijn werkzaamheid kwijt. Hoe dan ook, wij zien compassie en gerechtigheid als opdracht nog steeds recht overeind als bakens voor de mensheid.
En we blijven zeggen, dat de Eeuwige één is, dwz dat uiteindelijk alle verdeeldheid, tweedeling, duizenddeling, dat alle polariteit, alle diversiteit omvat wordt door het/de Ene. En ‘het ontzag voor Zijn Naam is het begin van de wijsheid' ( jirat Hasjem resjiet chochma , Misjlee/Spreuken 1:7 ) is nog steeds een uitspraak die een juiste inschatting van onze positie in de kosmos bevordert.

RC aug 2017

Parashat Wa'etchanan   Devariem / Deuteronomium 3:23-7:11
Vergezicht vanaf de berg Pisga opTsion

In zijn laatste dagen smeekt Mozes om het beloofde land Kenaän te mogen betreden, maar de Eeuwige staat hem dat niet toe. Wel mag hij op de top van de berg Pisga de zo lang verbeide contreien van grote hoogte overzien: ‘Beklim de Pisga en kijk vanaf de top uit naar het westen, het noorden, het oosten en het zuiden. Kijk goed om je heen, want je zult de ?Jordaan? niet oversteken' (Devariem/Deuteronomium 3:23). Wat zag de oude profeet aan zijn geestesoog voorbij komen?

Het was afgelopen dinsdag Tisja be'Av. Een goede aanleiding om mij voor te stellen, dat de blik van de bejaarde leider viel op de berg – in feite een fors geheuvelte - in Judea, waar ooit Avraham zijn zoon op het altaar legde voor het offer aan de Eeuwige, dat de Eeuwige op het laatste moment verhinderde, wantHij wilde – zeker op deze plaats - absoluut geen vergieten van mensenbloed. De berg, die voortaan een heilige plek zou zijn, heette Moria. In de tijd, dat Mozes op de Pisga over Abrahams offerplaats uitkeek, bevond zich daar een sterke vesting, bewoond door de Kenaänitische stam van de Jebusieten.
Maar in mijn verbeelding ziet de hoogbejaarde leider ook in de toekomst van de berg, die later Tsion genoemd zou worden. Misschien ging er een rilling door hem heen toen hij de sublieme gloriemomenten van zijn volk voor zich zag opdoemen en verzinken in een afwisseling met de afgrijselijkste dieptepunten. Een aantal flitsen daarvan zag hij passeren.

Daar komt koning David op, die eindelijk de Jebusietische vesting had ingenomen. Hij heeft er zijn hoofdstad Jeruzalem gemaakt. Hij koopt de dorsvloer, die een Jebusietische hoofdman op Tsion had, om er een altaar te maken, de kiem van de glorieuze tempel die zijn zoon Salomo zou bouwen.
Mozes' verziende blik rust even op een prachtgebouw, een wereldwonder van architectuur, waaruit he gezang van de levieten opklinkt. Vierhonderd jaar zou de tempel het toneel van eredienst, rechtvaardigheid en integriteit zijn, maar geleidelijk gaan verwaarlozing, corruptie, machtstrijd en en hypocrisie de boventoon voeren.. Profeten staan op, Micha, Jesaja, Jeremia en anderen , die net zoals hij, Mozes, waarschuwen om de kern van de boodschap van compassie en rechtvaardigheid hoog te blijven houden tegen de machten van corruptie en moreel verval.
Maar dan. In een volgend beeld ziet hij die prachtige tempel branden en zijn volk met alle kostbare parafernalia van de tempel weggevoerd naar het verre Babel. De bejaarde visionair zucht, hij zag het aankomen (1).

Maar kijk, op Tsion verheft zich na vele jaren van ballingschap op het puin weer een nieuw heiligdom, een tweede tempel. Opnieuw wordt de boodschap van compassie en rechtvaardigheid belichaamt in een prachtig heiligdom. Er rust weer zegen op de gewijde plaats.
Maar ook de eeuwen die volgen tonen aan de oude leider corruptie en bloedige machtstrijd tussen priesters, koningen, scherpslijpers en vrijdenkers . Dan opnieuw ruim vier eeuwen later, na bloedige veldslagen tegen bezettende legers , Romeinen, maar ook na onderlinge slachtingen tussen drie partijen, die in Jeruzalem elkaar naar het leven staan, slaan weer de vlammen hoog uit het enorme gebouw. Ook deze tempel wordt door brand verwoest. (2)
De oude profeet kan het beeld van rook en stromen bloed nauwelijks verdragen, het voorbijkomend geschreeuw pijnigt zijn oren.

Het profetisch oog van Mozes reist een paar eeuwen verder. Een treurig tafereel op de berg Tsion komt hem tegemoet, twee beelden van een keizer, genaamd Hadrianus, en vlak daarbij een grote steen met een holte daarin en een groep Joden, die de steen zalven en klagen en die hun kleren verscheuren, ieder jaar doen ze dat op de negende van de maand Av, de fatale datum van de ondergang van de heiligdommen op de berg.(3) .

Een volgend beeld komt de oude leider voor ogen. Drie eeuwen later, wordt er op de berg Tsion een nieuw gebouw opgetrokken op de puinhopen, die daar liggen, een voorlopig heiligdom, dat later zal worden verfraaid en uitgebouwd tot een moskee, met de naam El Aqsa (4). Het is niet Mozes' volk, de bouw uitvoert, maar de bejaarde leider herkent de bouwers, het zijn afstammelingen van een andere zoon van Abraham, Ismael, uit hem is kennelijk ook een profeet voortgekomen.

Mozes ziet ook af en toe stoeten geleerde mannen druk met elkaar in gesprek, mannen, die zich rabbijnen noemen en die zich bezig houden met de uitleg en uitwerking van de boodschap, die hij als profeet heeft ontvangen van de Eeuwige. Dat doet hem veel plezier en hij hoort in zijn verhorende oren het geruis van eeuwenlange, intense, geanimeerde gesprekken van deze rabbijnen passeren.
Hij begrijpt er vaak niet veel van, maar soms vangt hij iets op. Zo hoorde hij de geleerden zich afvragen, waarom de Tweede Tempel werd verwoest; daar werd toch Tora werd geleerd, mitzwot werden gedaan en goede daden? De ene rabbijn zegt: omdat er binnen en rondom die tweede tempel haat zonder enige rede heerste, sinat chinam (5). Een andere zei:   omdat de Joden obsessief precies alles deden. zoals de letter van de regels het zeiden, zelfs als ze in strijd de bedoeling van de regels kwamen (6).
Het deed de oude leider plezier, dat de oude wijzen van zoveel eeuwen na hem toch steeds weer probeerden terug te keren tot de essentie van zijn boodschap, zeker toen hij nog veel verder in de toekomst luisterend een rabbijn hoorde zeggen (7) dat de haat zonder rede (sinat chinam ) vooral slaat op zogenaamd ‘rechtschapenen', die anderen, die zich niet precies gedragen volgens hun geloof behandelen als ketters ( apikosim ). Met name die misplaatste vervolging leidde tot de verwoesting, want God, zo hoorde Mozes hen tot zijn genoegen zeggen, wil dit soort buitensporige rechtschapenheid niet, maar wel moreel gedrag in alledaagse zaken.

Misschien deed Mozes nog een uiterste visionaire inspanning en kon hij zijn verreikende blik tot in de eenentwintigste eeuw doen reiken. Wat zou hij gezien hebben..,,
Waarschijnlijk kan hij zijn visionaire ogen niet geloven. Wat een prachtig welvaren land, gevuld met heel veel Joden en ook veel afstammelingen van Ismael. Daar blinkt Jeruzalem, groter en rijker dan enige stad, die de grijsaard ooit heeft gezien, zelfs niet in Egypte. Dan zoomt hij in op die gepijnigde berg Tsion, in de hoop, dat er vrede rondom de gewijde plek zou zijn, dat de giftige sfeer van sinat chinam eindelijk verdwenen zou zijn.

Boven op de berg Tsion ziet hij afstammelingen van Ismael bidden, in en rond hun heiligdom, want hun profeet was daar ten hemel gevaren. Dat hadden de Joden, die weer na heel veel bloed, zweet en tranen weer een staat hebben kunnen stichten in het beloofde land en die zo weer de baas waren in Jeruzalem, goed gevonden. Maar de spanning is om te snijden. Vanaf het grote plein bij de berg stijgen gebeden, maar vooral ook verhit ruziënde stemmen ten hemel. De rechtschapen Joodse mannen hebben hun plek om te bidden geclaimd bij het stukje westelijke muur van de tweede tempel, dat de eeuwen heeft getrotseerd en dat heilig is verklaard. Er zijn ook andere Joodse mannen en vrouwen, die de rechtschapenen niet rechtschapen genoeg vinden om met hen hun gebedsplek bij de muur te delen; die Joden zouden graag in een hoek van het plein van de muur ook willen bidden, maar dat vinden de rechtschapen mannen niet goed. (8)
De berg Tsion is eens te meer het middelpunt van eindeloze ruzies tussen partijen, die menen dat zij de heiligheid van de plek in pacht hebben, en dreigen met geweld om dat kracht bij te zetten.
Het schaamrood zal Mozes naar de kaken zijn gestegen. Hij zal gezucht hebben. Hij zal een vreemd verlangen hebben gehad, dat alles en iedereen even helemaal weg zou zijn van de omstreden berg en dat er een leegte en een stilte zou heersen op de berg, waarin opnieuw de heiligheid zou neerdalen, gelijkelijk beschikbaar voor een ieder, die daarvoor open wilde staan.

Toen daalde de leider af van de Pisga om zich voor zijn laatste rede bij zijn volk te voegen. Want een profeet geeft de hoop nooit op. Zijn hoop is altijd net iets groter dan zijn teleurstelling. Zijn compassie is altijd net iets groter dan zijn boosheid. Toen begon hij met zijn laatste woorden.
(Devariem/Deuteronomium 4:1).

noten .

(1) 2 Koningen 25
(2) Flavius Josephus, De oorlog van de Joden, boek VI
(3) Ontleend aan het reisboek van de ‘pelgrim van Bordeaux', die in 333 AD Jeruzalem bezocht
(4) Ontleend aan ‘ The pelgrimage of Arculfus' , die in 670 AD Jeruzalem bezocht
(5) Talmoed Joma 9b
(6) Talmoed Bava Metzia 30b. Letterlijk: Rabbi Jochanan zei, dat Jeruzalem alleen maar verwoest was, ‘  omdat de joden (strikt) handelden volgens de letter van het recht (Tora) en niet voorbij wilden gaan aan de maat van het recht'  
(7) Aldus de Netziv , Naftali Zvi Yehuda Berlin, 19 e eeuw in zijn commentaar ‘Ha-emek Davar'
(8) Lees bijv. Ha'aretz Feb 26, 2016: http://www.haaretz.com/.premium-1.706640

Parasjat Devariem Devariem / Deuteronomium 1:1–3:22 

Mozes bij de rivier Jordaan

Het boek Devariem is ingekleed als een reeks machtige laatste toespraken van de hoogbejaarde leidsman Mozes, gehouden in het veertigste jaar van de grote woestijnreis naar het beloofde land. Volgens de midrasj vond dat allemaal plaats in de weken tussen 1 Sjevat en 6 Adar, de sterfdatum van Mozes.

De figuur van Mozes heeft mij altijd gefascineerd. Hoe men hem ook wil zien, hij was een unieke persoon, als hij was geen ander. Vele schrijvers en denkers hebben getracht om op grond van de woorden van de Tora en de daarin beschreven acties en gebeurtenissen een beeld te vormen van de man, die als het ware halverwege sage en historie zijn stempel op onze beschaving heeft gedrukt.
De Tora zelf (Bemidbar/Numeri 12:3) noemt Mozes ‘een zeer bescheiden man – niemand op de hele wereld was zo bescheiden als hij'. Maar goed bekeken was geen enkele emotie of karaktertrek hem vreemd. Met name valt naast andere karaktertrekken zijn woede op, die vaak parallel loopt met de woede van de Ene, die hem bij de doornstruik werd geopenbaard en van wie hij opdracht kreeg om de Israelieten te leiden naar de vrijheid. Een vogelvlucht makend over de geschriften maken we kennis met zijn gevoel van onrecht en compassie als hij het niet kan hebben als hij een Hebreeër mishandeld ziet worden en met zijn drift als hij de mishandelaar doodt. We zien zijn verlegenheid om het woord te voeren, zijn moed en volharding om de farao te trotseren, zijn bovenmenselijke inspiratie om de Tora (letterlijk: ‘onderwijzing') te ontvangen, zijn woede, als hij de twee wetstafelen coram publico stuk smijt, zijn mededogen als hij om het mededogen van de Ene smeekt, zijn letterlijk stralende verlichtheid als hij met nieuwe wetstafelen tot het volk afdaalt, zijn wanhoop, als de morrende Israëlieten, ontevreden over het voedsel, terug willen naar Egypte, zijn eros, als hij een tweede mooie Nubische vrouw neemt, zijn ergernis over het voor de zoveelste keer klagende volk, als hij met zijn staf de rots om water slaat.

Maar als hij als onderwijzer, volksleider en profeet aan zijn laatste woorden begint, dan is dat allemaal voorbij. Dan zie ik de oude man, gezeten in de buurt van de Jordaan, die hij niet mag en zal oversteken. Een man, aan het eind gekomen van een lang leven van toppen en dalen, gepokt en gemazeld als leider van een volk en gekneed, gevormd en opgeheven door de Stem, die hem samen met de hem toevertrouwde menigte tegen de klippen op voortdreef naar een de geografische, maar waarschijnlijk vooral geestelijke bestemming. Als wij ons focussen op dat beeld, dan zien we een heel of geheeld persoon, mens uit een stuk.

Letterlijk een beeld van Mozes is gehouwen door Michelangelo, bestemd om het graf van een paus te sieren (1). Eigenkijk een dubbele gotspe in Joodse - zeker in rabbijns-othodoxe – ogen, waarin afbeelding van mensen in strijd wordt geacht met de tweede uitspraak van de Tien Uitspraken – het beeldverbod - en waarin de paus bepaald niet de meest populaire spiritueel leider is. Als we dat even tussen haakjes zetten, kunnen we niet ontkennen, dat het beeld een onmiskenbaar machtige uitstraling heeft. De Joodse psychiater Sigmund Freud was door het beeld gefascineerd en al de keren, dat hij in Rome was ging hij het in de San Pietro in Vinculi kerk bezoeken om de Mozes (en zijn maker Michelangelo) te bestuderen en te doorgronden. Uiteindelijk heeft hij de associaties, die hij in zijn psychoanalytische blik opkwamen, samengevat in een essay ‘Der Moses des Michelangelo' (1914). Hij was het eens met de vele andere beschouwers, die meenden, dat in de geweldige sculptuur het moment was vastgelegd, dat Mozes de heidense dansen rondom het gouden kalf gewaar werd en op het punt stond de twee tafelen stuk te smijten. Sigmund Freud vond echter na zorgvuldig onderzoek van de details van de houding van de profeet, dat de beeldhouwer juist weergaf hoe Mozes zijn opkomende razernij had bedwongen. Hij drukte zij n twee tafelen aan zijn zijde om ze voor vallen te behoeden, kortom hij hield juist de primitieve woede-impuls onder de duim. Daarmee verhief de kunstenaar Michelangelo de figuur van Mozes als het ware boven de met grillige emoties worstelende persoonlijkheid, die voor Freud uit de incongruente Bijbelteksten oprijst. Zo maakte volgens de psychoanalyticus de beeldhouwer het beeld tot een uitdrukking van de ‘hoogste menselijke prestatie, die in een mens mogelijk is , het succesvol bestrijden van innerlijke hartstochten in dienst van de zaak, waaraan hij zich heeft gewijd. (2)

We horen hier in Michelangelo's Mozes geprojecteerd iets terug van Freuds opvatting, dat het onvermijdelijk en daarom aan te bevelen is om in de loop van het leven enigszins meester te worden over de (erotische en agressieve) impulsen, die de mens in zijn daagse bewustzijn belagen. In het beeld van Michelangelo betrappen we Mozes op een succes in deze worsteling. Daarmee is een zekere parallel met de Mozaïsche wetten niet te ontkennen. Immers ook de wetten en regels, die de Mozes van Deuteronomium nog eens bij de Israëlieten wil inprenten, hebben mede tot intentie de anarchistische impulsen van zijn volk - mede tot uiting komend in erotische vruchtbaarheidsriten rondom Kenaänitische afgoden - in de goede banen te leiden tot een geordende en leefbare samenleving. Zo heeft Mozes als stem van de Ene - de gestalte gekregen van de grondlegger van een ethisch bestel, onmisbaar om het volk samen te smeden . (3)

Als ik de foto van het beeld van Michelangelo eens goed bekijk, ben ik het wel eens met Freud, dat hier niet zozeer een persoonlijke portret is gemaakt als wel een icoon, dat ver boven de alledaagsheid uitstijgt. Toch kan ik mij voorstellen, dat het niet zozeer een icoon is van Mozes op het moment, dat deze het afvallige volk aan de voet van de berg ontwaart, maar veel meer van een Mozes in het begin van zijn laatste Deuteronomische redevoeringen, vlak voordat hij zijn eerste woorden gaat spreken, gezeten op een steen, zijn twee stenen platen vlak bij de hand. De reis is volbracht. De blik schouwt in de peilloze verte van de toekomst, waarin hij nu al weet heeft van de glorieuze hoogtepunten en de verpletterende tragedies die het volk van Israel nog zullen overkomen.
Maar dan neemt hij toch het woord, want hij kan niet anders; 'De Eeuwige, onze God, heeft bij de ?Ch o rev? tegen ons gezegd' en dan begint hij met een terugblik op de afgelopen veertig jaar

noten

(1) Michelangelo's Mozes is een marmeren beeldhouwwerk dat tussen 1513 en 1516 door Michelangelo Buonarroti is gemaakt. Het is een voorstelling van de Bijbelse persoon Mozes in de basiliek San Pietro in Vincoli in Rome, bestemd voor het graf van paus Julius de tweede. De hoorntjes op Mozes' hoofd zijn het gevolg van een verkeerde vertaling van keren or , keren kan zowel ‘hoorn' als straat betekenen: maar in Exodus 34:29 betekent het woord ‘straal' van licht ( or )
(2) Sigmund Freud, Der Moses des Michelangelo, 1914, vertaald door James Strachey als The Moses of Michelangelo, The Hogarth Press, Men vermoedt, dat in dit essay de met veel moeite bedwongen woede van Freud om de ‘desertie' van zijn volgeling Carl Gustav Jung doorspeelt.
(3) Michelangelo heeft zijn Mozes afgebeeld als een machtig gespierd mannelijk lichaam. Het valt mij op hoe hij de patriarchale autoriteit benadrukt en zo een reflectie geeft van hoe in de Tora - waar overigens de eenheid en ongeslachtelijkheid van de Eeuwige principieel wordt vooropgesteld - toch sterke associaties met het mannelijke principe, de koning voorop, worden gewekt.

Parasja Masee-Matot Bemidbar/Numeri 30:2-36:13
Prestige

De parasjot Matot en Masee worden dit kalenderjaat tezamen gelezen
Het onderwerp van de gelofte en de eed komt ter sprake.
In een aantal passages wordt de oorlog tegen Midjan verhaald.Tenslotte wordt veel aandacht gegeven aan het speciale verzoek van de stammen Reuven en Gad om tegen de oorspronkelijke plannen in een groot stuk van het transjordaanse in bezit te mogen nemen. In de parasja Masee passeren alle pleisterplaatsen van de veertigjarige zwerftocht door de woestijn nog eens de revue (1)

We focussen nog eens op de gelofte en speciaal op de gelofte die de rechter Jiftach (Jefta) heeft gedaan als aanvoerder van de stammen Israels tegen de Ammonieten, zie het boek Sjoftiem/Rechters

De eerste regels (30, 3) van de parasja Matot luiden:  
Wanneer iemand een gelofte tegenover de Eeuwige doet of een eed aflegt om zich van iets te onthouden, laat hij zijn woord niet schenden, al wat over zijn lippen is gekomen moet hij doen'. Gelijke bepalingen vinden we in Wajikra/Leviticus. 19:12 en Devariem/Deuteronomium. 23: 22 en 23.

In het oude Israel was het een ware rage om geloften af te leggen. Het bracht de vaak overijlde afleggers van geloften in moeilijkheden en bezorgde hen materiële en psychische problemen. Al in de Tora zelf wordt de status van geloften gerelativeerd en terughoudendheid aanbevolen, zie Devariem/Deuteronomium. 23:23: ‘Maar als u ervan afziet een gelofte te doen, is er geen zonde in u'.

De archetypische overijlde en onwijze belofte is die van de rechter Jiftach (Jefta). Jiftach was een bastaard en zoon van een hoer. Als jongeman werd hij door zijn broers uit huis verdreven en ontwikkelde zich tot bendeleider en geducht krijgsman. Toen de stammen van Israel weer tot afgoden waren vervallen en werden bedreigd door hun aartsvijanden, de Ammonieten, werd Jiftach gesmeekt om aanvoerder en legerleider te worden in de strijd. Hij stemde toe en aan de vooravond van de slag – die hij glansrijk zou winnen – deed hij een gelofte (Sjoftiem/Rechters 11:30-31): Hij beloofde de Eeuwige: ‘Als u de ? Ammon ie ten ? aan mij uitlevert,  dan zal het eerste dat me bij mijn behouden thuiskomst tegemoet komt voor u zijn; dat zal ik als ? brandoffer ? aan u opdragen. ' 
De eerste die hem tegemoet kwam aan het hoofd van vreugdevolle reidansen was zijn dochter. Jefta scheurde zijn kleren en riep: ‘Ik heb de Eeuwige een ? gelofte ? gedaan en daar kan ik niet op terugkomen' .

In drie opzichten is dit een tragedie.
De inhoud van Jiftachs gelofte was overijld en onoverdacht. De midrasj wijdt hier uitgebreid over uit (2). Zo had een onkosjer dier hem tegemoet kunnen komen, een varken, hond of kameel. Een dergelijk offer zou toch een gruwel zijn geweest voor de Eeuwige. De midrasj merkt op, dat Jiftach geen Tora-geleerde was – niet onlogisch voor een ruwgebolsterde bendeleide; hij was geen kenner van de kasjroet , over wat kosjer is en wat niet. Ten tweede, toch wel heel pijnlijk, hij had helemaal niet stilgestaan bij de absolute ongewenstheid van mensenoffers. De midrasj laat uit de mond van zijn dochter - die in de tekst van de Tanach zich gewillig lijkt te schikken - dan ook allerlei als verwijt klinkende voorbeelden noemen waarin het gelofte-offer juist niet een mens betreft (o.a. de gelofte van Chana (Hanna) om de baby Sjmoeël (Samuel) aan de Eeuwige te wijden en niet te offeren – beetje achronologisch, want deze gelofte zal pas in de tijd na Jiftachs drama plaatsvinden).
Een derde punt, waar de midrasj op ingaat, is van een opmerkelijke actualiteit. In sommige gevallen is het in een bepaalde gevallen mogelijk om in een ritueel van geloften ontslagen te worden (3). Misschien was dat in Jiftachs tijd nog niet zo gangbaar, maar voor de commentator is dat niet relevant; hij vraagt zich af: waarom ging Jiftach niet naar de hogepriester Pinchas (4)? Die had hem toch van de gelofte kunnen ontslaan? Waarom bekommerde de hogepriester Pinchas zich niet om de nood van Jiftach en zijn dochter en kwam hij niet tussen beiden om de gelofte ongedaan te maken? Het antwoord luidt, dat een prestigestrijd de beide mannen verhinderde te doen wat nodig was om het leven van Jiftachs dochter te redden. Pinchas voelde zich te hoog verheven, 'ik ben immers hogepriester en de zoon van een hogepriester; zou ik mij moeten vernederen om naar een domkop ( am ha-arets ) als Jiftach te gaan?'. En Jiftach voelde precies zo hoog verheven, ‘ ik ben het hoofd van de stammen van Israel en de chef van de rechterlijke macht, moet ik mij vernederen om naar een gewoon burger te gaan?'. De midrasj knoopt aan het verhaal van Jiftach de uitspraak van Misjlee/Spreuken vast (11:30): ‘ De vrucht van de rechtvaardige is een boom des levens,en een wijs man vangt zielen ( lokeach nesjamot )' . Misschien mogen we nu vertalen als: een wijs man zorgt ervoor dat hij geen domme commitments maakt, zich niet door valse trots laat leiden en daardoor het leven van mensen niet in gevaar brengt. Zo zien we, dat de midrasj een eeuwig probleem van de mensheid aankaart: prestige, hoogmoed, valse trots, arrogantie, noem maar op.
Prestigestrijd heeft mensenlevens gekost en dat doet het nog steeds.

noten

(1) Zie voor meerdere commentaren op Matot en Masee mijn boek
REIZEN DOOR DE TORA , deel 2, Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium , Mastix Press, 2016

(2) Midrasj Tanchuma Buber Bechukotai 7:1

(4) Chronologisch gezien kan het Pinchas niet geweest zijn, het drama speelt zo'n driehonderd jaar later

(3) ‘ Wanneer men zich realiseert, dat het onmogelijk is om een gedane gelofte te vervullen, kan men naar een grote geleerde gaan of naar drie leken om de gelofte te laten opheffen. Men moet dan verklaren dat men op het moment van het afleggen van de gelofte niet volledig de implicaties daarvan realiseerde. Had men zich dat wél gerealiseerd, dan had men deze gelofte nooit afgelegd. Daarom is de gelofte in dwaling geschied en kan hij opgeheven worden' (ontleend aan rabbijn mr. Drs. R. Evers, commentaar Matot-Masee, NIK)

(5) Dezer dagen speelde bijv. de onmacht in de senaat van de Verenigde Staten om een Gezondheidszorgwet aan te nemen, te wijten aan het verlies van prestige, dat de Republikeinen zouden lijden als ze dat in samenwerking met de Democratische partij zouden aanpakken, wat de meest logische oplossing zou bieden.

Parasjat Balak Bamidbar / Numeri 22:2-25:9  
Bilam, een innerlijk tweestrijdige figuur

Altijd als ik de parasja Balak onder ogen neem, wordt ik weer gefascineerd door de figuur van Bilam, de om zijn effectieve vervloekingen befaamde sjamaan uit het oosten die wordt ontboden door koning van Edom, Balak, die doodsbang was dat zijn koninkrijk onder de voet zou worden gelopen door het volk van Israel; dat was bezig met een zegevierende opmars langs de oostelijke oever van de Jordaan. Bilam werd geprest om een effectieve vervloeking uit te spreken ten einde de militaire macht van de Israelieten te verlammen.

Op zich lijkt het verhaal van Bilam een Fremdkörper , een sage, die door de oerredacteur van Devariem kunstig in de tekst is ingevlochten. Om het verhaal heen heeft zich nog een heel weefsel van midrasjiem en legenden geweven. Daarin komt Bilam er bepaald bekaaid af. Gaan we het commentaar (vooral gebaseerd op de midrasj Tanchoema) van de middeleeuwse commentator Rasji bij de psoekiem (verzen) lezen, dan is Bilam vanaf het begin bezield van boze plannen, hij is een doorgewinterde slechterik en wat hij ook doet of zegt wordt in de commentaren uitgelegd als getuigend van zijn perverse intenties. Hij is een man die van diepe haat naar Israel is vervuld. Maar tegelijk is hij in de macht is van De Eeuwige die Bilams mond als een buikspreker bespeelt, iets dat beroemde sjamaan maar het liefst wil negeren, hopend op een moment, dat hij even aan deze macht ontsnappend zijn vervloekingen toch kan uitspreken. ‘Want Bil'am haatte hen (de Israelieten) meer dan Balak', zegt Rasji ad vers 11, hfst 22.

Toch, als we al die midrasjiem even tussen haakjes plaatsen en alleen met een neutraal oog de tekst lezen, kan er ook een ander beeld van de magier naar voren komen, een interessanter en minder zwart-wit beeld, het beeld van een man met ‘zwei Seelen in einem Brust'. Laten we aannemen, dat de man geobsedeerd was door professionele ambitie, rijkdom (de midrasj voegt toe: seksuele begeerte (1)). Mogelijk was hij een eerzuchtige professional, ijdel en niet wars van materiële beloning, gespitst om overeenkomstig zijn reputatie zijn opdrachten correct te vervullen. Op zich hoeft dat nog niet te betekenen, dat Bil'am de Israelieten haatte. Met dat al was hij tegelijk blijkbaar ook gevoelig voor een stem, die boven deze zaken uitsteeg, de stem, die hem steeds coachte om aan deze neigingen niet toe te geven, iets dat we nu misschien mogen omschrijven als een geweten of een diepe of hoge wijsheid van de ziel zouden, iets dat hij niet tot zwijgen kon brengen, zo u wil een Goddelijke stem. Dat zorgde voor een heftige tweestrijd, waarvan het verhaal een tragikomisch verslag doet, dat als een van de hoogtepunten kent de trialoog tussen gedreven Bilam, de wijze ezel, waarop hij naar het kampement van de Israelieten op weg was en de ambivalente God, die hem eerst tegenhield en dan weer leek toestemming te geven.
Ons even ontdoende van de taal van de legende zien we in de dialogen tussen Bilam en zijn God opeens ook ons alledaags marchanderen over hoe wetend wat het goede is we ten slotte genoegen nemen met het mindere. Opeens moet ik denken aan al die adviseurs, managers, consultants, spin doctors die, niet gedreven door idealen, liefde voor het hogere doel of bestrijding van misstanden, maar door opportunisme of louter financiele motivatie met een slecht geweten bereid zijn hun kunsten in dienst te stellen van de meest machtige baas of de hoogste bieder. 

In drie fasen – gemarkeerd door een enorm spektakel aan altaren en offers van stieren en rammen - spreekt de ziener in plaats van vervloekingen alleen maar uitgebreide zegeningen uit over het volk van Israel tot afgrijzen van zijn opdrachtgever Balak. ‘Zie een volk dat alleen woont en zich onder de volken niet rekent' is een van de uitspraken van de magiër in de eerste ronde, een uitspraak, die ver boven het gewicht van de tijd uitgaat. Er is veel te zeggen over Bilams profetieën, maar het derde visioen valt extra op, met name doordat dit wordt voorafgegaan door de woorden .'…daarom ging hij niet als de vorige keren op wichelarijen af maar richtte zijn blik naar de woestijn. Toen Bilam zijn ogen opsloeg en Jisraël daar naar zijn stamindeling gelegerd zag, kwam de geest van God over hem.' (Bamidbar 24, 1-2, vert. Dasberg). Ook zonder tovenarij en zwarte kunsten, maar juist met een houding van open en helder kijken naar de realiteit in al zijn gelaagdheid kan in iemand een dieper geïnspireerd schouwen plaats vinden in nog verborgen mogelijkheden en toekomstige potentie. Zo'n moment heeft beleeft kennelijk ook Bil'am bij deze derde visie, die wederom een reeks zegeningen en profetische uitspraken bevat: de krachtige uitstraling van de strijdbare massa's in het geordende legerkamp maakt ook zonder wichelarij indruk op de geïnspireerde ziener. ‘Hoe goed zijn uw tenten, Jaäkov, uw woningen, Jisrael!', roept hij uit en ook nu nog zingen wij hem deze uitroep na in het begin van het avondgebed. Het is moeilijk te begrijpen, dat na al deze ervaringen Bilam nog bezield zou zijn door een persoonlijke haat tegen het volk, dat hij zo intensief in al zijn glorie had geschouwd en bezongen. In de eerste visionaire sessie spreekt de magiër zelfs zijn verlangen uit tot dit gezegende volk te mogen behoren: ‘Moge ik sterven als die rechtvaardigen, moge ik heengaan zoals zij' (23:10). Je vraagt je bijna af, waarom hij zich niet voor aansluiting heeft aangemeld bij dit gezegende volk, zich niet heeft aangemeld voor een   gioer.

Ik had graag willen geloven dat in Bilam toch een zekere ommekeer had plaats gevonden. Hij had de almacht van de goddelijke stem ervaren en had aan den lijve gemerkt hoe door zijn mond een grotere kracht ten goede spreekt. Maar aan het slot van de parasja lezen we over de ontucht van het volk met de meisjes van Moäv. Dat bleek een veel effectievere politiek om het volk te ondermijnen dan de tussenkomst van een magiër. De sterfte van 24.000 mensen was het gevolg. Even verderop in de parasja Matot (Bamidbar 31:16) is te lezen dat op advies van Bilam het volk van Israël tot deze ontrouw werd verleid. 
Zo is de tweestrijd in de borst van Bilam beëindigd met een katastrofale uitkomst. De midrasj vertelt dat Bilam aan één oog blind was. Een man met Sjtoem ha-ajin (Pasoek 24:3) zegt Bilam van zichzelf, meestal vertaald met een man ‘met een open oog' ; met talmoedische logica zegt de Talmoed (2): het andere oog was dus niet open, dus blind (in het modern Hebreeuws betekent het trouwens ‘eenogig', zie Pimentels woordenboek). Misschien was aan de ene kant de man begaafd met helder zicht, maar aan de andere kant was zijn blik een en al Bemidbar / Numeri 22:2-25:9   blinde vlek. En zo eindigden zijn avonturen met een morele nederlaag (3) en tenslotte zelfs met een geweldadige dood (Bamidbar 31:8).

Noten
(1) Hij zou zelfs hebben gedacht of gedaan aan seksuele handelingen met zijn ezel…
(2)Talmoed Sanhedrin 105a
(3) Als een van de weinigen vertolkt Maimonides een genuanceerde visie op Bilam; hij zou wel degelijk een hoogstaand profeet zijn, maar raakt tenslotte moreel ‘aan lager wal' . Zie o.a. Maimonides' Guide to the Perplexed p. 242

Parasjat Choekat Bamidbar c
Het met te weinig respect afgedwongen waterwonder bij Meriwa leidt tot de aankondiging van de dood van haar twee broers; niet veel later bestijgt Aharon, ontdaan van zijn ambtskleren, de berg Hor om daar te sterven. Twee jaar later zal ook Mosjee op de berg Nevo tot zijn voorvaderen worden vergaderd.
Maar een vitale nieuwe generatie is opgestaan. Na de overwinning op de koning van Arad, trekt het volk verder en ook dan worden militaire successen geboekt. Am chaj!

Een eigenaardig intermezzo trekt de aandacht (Bamidbar/Numeri 21:4-9). Op hun tocht, zuidwaarts de woestijn in treffen droogte en andere ontberingen het volk. Het heft het morrend volk weer een oude klacht aan: er is geen water, het voedsel (manna) is minderwaardig, ‘waarom zijn wij uit Egypte gebracht, om hier in de woestijn te sterven?'
De Eeuwige is ‘not amused' en laat als respons op dit protest giftige slangen ( nechasjiem sarafiem ) los op het volk die de mensen bijten en velen sterven. Dat brengt de Israëlieten tot ommekeer en ze smeken de oude leider om een oplossing. Mosjee krijgt een merkwaardig idee ingegeven. Hij maakt een koperen slang ( nechasj nechosjet ) en houdt deze op een standaard ( nees ) omhoog; wie ernaar kijkt, zal worden genezen, en aldus gebeurt. Volgens de tekst heeft de Eeuwige het zelf overigens niet over een koperen slang, maar alleen over het maken van een ‘seraf', een (soort) engel, of ‘iets brandends' (van ‘saraf' branden). Het is Mosjee, die besluit, dat het een slang moet zijn en wel eentje van koper.

Begaat Mosjee met die koperen slang niet een brute overtreding van het tweede gebod van de Tien Woorden, het afbeeldingverbod (Sjemot 20:4 (1))? Talmoedische rabbijnen vragen zich dit af in deze vorm: kon de slang dood of leven brengen? (2) Nee, het ging erom de Israëlieten het hoofd te doen heffen, omhoog naar hun hemelse vader om hulp en als ze dat deden, begon de genezing, hieven ze het hoofd niet, dan trad de dood in. De slang was dus niet het doel, maar het middel dat omhoog wees naar de Allerhoogste. In de slang zelf is geen godheid geïnvesteerd, het is geen object dat verering verdient. Rituele voorwerpen in het Jodendom hebben geen inherente heiligheid en herinneren alleen aan en verwijzen naar mitswot, zoals A.J. Heschel (3) uitdrukkelijk stelt. Toen de vrome koning Chizkijahoe (Hizkia) de koperen slang zag, die eeuwen lang in de tempel werd bewaard, vond hij dat maar niks, ‘hij sloeg de koperen slang die Mosjee gemaakt had aan stukken. De Israëlieten hadden namelijk nog altijd de gewoonte voor deze slang, die de naam Koperslang ( Nechoesjtan ) droeg, wierook te branden' (2 Koningen 18:4). De verleiding om objecten als de slang tot doel te maken van verering en aanbidding is vaak onweerstaanbaar. Misschien goed om ons eens af te vragen: welke zaak hebben wij al te heilig verklaard?

Even een zijsprong naar het christendom; daar hebben christelijke theologen de Tenach (min of meer het Oude Testament) – tot ongenoegen van de rabbijnen - naarstig afgespeurd naar gebeurtenissen en beelden, die de geschiedenis en met name het lijden van Jezus en zijn rol als verlosser van zonden zou voorafschaduwen. In deze parasja zijn er twee van deze zaken, die vele christenen als zo'n voorafschaduwing zien. Zo is Jezus te zien als de ideale en perfecte Rode Koe die ons reinigt van de dood. De omhooggeheven en genezing brengende koperen slang is te beschouwen als een voorafschaduwend beeld van de gekruisigde Jezus, die de mensen van hun slangenbeetziekte – hun zonden – verlost. Het evangelie van Johannes heeft tot dat laatste beeld aanleiding gegeven, waar deze apostel meldt, dat Jezus zichzelf heeft vergeleken met de reddingbrengende koperslang (Joh. 3:14 ()).

Noten
(1) Sjemot/Exodus 20:4-5 U zult voor uzelf geen beeld maken,  geen  enkele afbeelding  van  wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de Eeuwige, uw God, ben een na-ijverig God, etc.

(2) Talmoed Rosj Hasjana 29a

(3) In ‘Man's quest for God', ch. 5

(4) Johannes 3:14-15: En zoals ?Mozes? de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

Parasjat Korach       Bemidbar/ Numeri 16:1–18:32
Een dwaze en een wijze vrouw  

In deze parasja lezen we over wat tijdens de veertigjarige woestijntocht wel de meest ernstige betwisting heeft betekend van de autoriteit van Mosjee en Aharon. Vier vooraanstaande mannen treden in de volksvergadering naar voren met een ernstige aanklacht, Korach van de stam van Levi. Datan, Aviram en On van de stam van Reöeven, die gelegerd is naast de clan van Kohatieten in het zuiden van het kamp. Wee de kwaadwilligen en hun buren, roept Rasji uit; als slechteriken je buren zijn ben je nog niet jarig. Waarmee komen ze? Mosjee matigt zich veel te veel macht aan, vinden ze. Waar haalt hij het recht vandaan over hen te beslissen, zich boven hen te verheffen? Ze stonden toch allemaal als gelijkwaardige burgers bij de Sinaj?
Als Mosjee dit hoort valt hij op de grond (16:4). Rasji zegt: uit wanhoop, het is al de vierde keer, dat er wordt gerebelleerd, en de oude leider vreest dat hij dit maal het volk niet meer zal kunnente redden van de woede van de Eeuwige.
Als psycholoog zou ik zeggen: het was een doodschrik, hij viel flauw, zoals wel gebeurt als een mens verschrikkelijk slecht nieuws hoort.
De chassidische rebbe Sjne'oer Zalman van Liadi (18 e eeuw) oppert: Mosjee sloot niet uit, dat middels Korach de Allerhoogste hem een boodschap wilde doorgeven met betrekking tot zijn leiderschap. Hij had tijd nodig om in zichzelf te onderzoeken of er inderdaad een spoor van zelfverheffing of trots in hem was. Daarvoor viel hij op de grond. Toen hem duidelijk was, dat dat niet het geval was, stond hij weer op en kon hij Korach zien voor wat hij was: een ruziezoeker. Ga altijd na of de boodschapper met zijn boodschap zijn eigen belang voor ogen heeft of dat hij werkelijk de intentie heeft iets van waarheid en waarde te onthullen.

De midrasj laat een onverwacht licht schijnen op de vrouwen. Achter de schermen van een mannenmaatschappij hebben ze vaak grote invloed, zijn ze ‘the brains behind pa'.  Ze kunnen je maken of breken, zoals Misllee (Spreuken) 14:1 zegt: ‘ Wijze vrouwen bouwen hun ? huis ? op, maar  een  die zeer dwaas is, breekt het met haar handen af'. Van beiden geeft de midrasj een voorbeeld in de personen van de vrouw van Korach en de vrouw van de Rubeniet On. (2)

Want naast Korach heeft zijn vrouw heeft een groot aandeel in de rebellie. Zij heeft hem flink aangestookt. Mosjee had hem, Korach, doodeenvoudig genegeerd bij de benoeming van hoge posten, zei ze, Mosjee deed aan nepotisme en benoemde zijn neefjes tot priester; de boeren moeten de priesters hun deel geven, maar de levieten krijgen niks en moeten gewoon belasting betalen, en hij Korach (='kale') had als gewonen leviet het vernederende afscheren van lichaamshaar moeten doorstaan. En ook andere voorschriften zoals de tsietstietplicht en het mezoeza voorschrift, belachelijk allemaal, zo ridiculiseerde zijn vrouw als een echte demagoog achter de schermen.  
Nee dan de vrouw van de Rubeniet On. De man On wordt na zijn introductie in vers 1 van hoofdstuk 16 niet meer vermeld; hij is kennelijk aan de rampzalige afloop van de rebellie ontkomen. Dat heeft hij volgens de midrasj aan zijn vrouw te danken. Die zag hem samenzweren met Korach en diens kornuiten. Ze raadde hem dringend aan uit te stappen, hij zou zelfs bij het slagen van de rebellie er toch niets wijzer van worden. Hou je gedeisd, zei ze, blijf in je tent, ik hou je uit de wind. Ze gaf hem wijn te drinken en ging voor de tent zitten. Daar ging ze uitgebreid heur haar kammen en tot een ingewikkelde en coiffure kappen, een langdurige procedure waar mannelijke ogen zich niet op mochten vestigen: die moesten uit de buurt blijven. Toen ze daar eindelijk mee klaar was waren was de rebellen al afgelopen. Korach, Datan en Aviram en hun familie waren al door de grond verzwolgen en door het vuur verteerd. Weet met wie je een (echtelijke of politieke) partij vormt.  

Maar de zonen van de rebel Korach werden gespaard (Bamidbar 26:11), ze waren het niet eens met hun vader of ze waren te jong. In de tijd van koning David vormden hun nazaten een koor van tempelzangers. Ze componeerden elf beroemde psalmen, waarmee ze wellicht iets van de slechte naam van hun voorvader hebben goedgemaakt.

Noten

(1) Gebaseerd op Sipurei Chassidim, vermeld op http://www.kabbalaonline.org/kabbalah/article_cdo/aid/683765

(2) Daät Zekeniem (selectie van commentaren uit de Tosafot, 13 e eeuw) op Numeri 16:1 op sefaria.org

Parasjat Sjelach Lecha Bemidbar/Numeri 13:1-15:41

Alternatieve feiten

Na de dood van Mirjam breken de Israëlieten hun kamp op en trekken verder. Met goedkeuring van de Eeuwige gebood Mosjee het land Kenaän, aan de grens waarvan zij na twee jaren zwerftocht door de woestijn waren aangeland te verkennen. ‘Sjelach Lecha' wordt vaak letterlijk vertaald met ‘zend voor jezelf' (Dasberg, vertaling Chabad.org). Dat ‘voor jezelf' duidt erop, dat het geen oorspronkelijk idee van de Eeuwige is om te verkennen, maar meer een hemels fiat achteraf van een menselijk verlangen, aldus de midrasj (1). De versie van het verhaal in Devariem 1:22 , als Mosjee terugblikt op deze gebeurtenis, bevestigt dat: het is een idee, dat de mannen uit het volk aan Mosjee hebben opdrongen. De leidsman gaf er aan toe en wees een groep van twaalf uitgelezen mannen aan, een uit iedere stam. De rabbijnse uitleggers neigen ertoe, dat deze verkenning niet had gehoeven in de ogen van de Almachtige, die immers vooral een beroep deed op het rotsvast vertrouwen van zijn volk in Zijn bescherming. Toch is het begrijpelijk, dat op rationeel menslijk niveau men graag vooraf informatie wilde krijgen over het land; is het inderdaad mooi en vruchtbaar en wat zijn de strategische mogelijkheden voor een succesvolle invasie.

Drie fasen in wat er vervolgens gebeurt zijn te onderscheiden. De eerste is opdracht van Mosjee: rapporteer hoeveel mensen er wonen, zijn ze sterk of zwak, is het land goed of slecht, wonen de mensen in open dorpen of in versterkte steden, is de grond vet of arm, zijn er bomen, neem wat vruchten van het land mee. Wees moedig. Een duidelijk omschreven instructie. Het gezantschap vertrekt en reist van zuid tot noord veertig dagen rond.
De tweede fase speelt zich af bij de terugkomst van de twaalf mannen. Ze geven ten overstaan van Mosjee en het volk een zakelijk verslag van wat ze hebben aangetroffen. Inderdaad vloeit het land over van melk en honing, en getoond worden de meegebrachte vruchten. De steden zijn versterkt en groot. De bevolking maakt een krachtige indruk en een overzicht van de etnische groeperingen wordt gegeven. Het is duidelijk, dat een moeilijke onderneming voor de deur staat.
Een logische stap zou nu zijn om al deze gegevens op een rij te zetten en een strategie te bepalen; misschien zou een bepaalde tactiek van de militaire underdog toch succes hebben. Misschien zou enig uitstel wat adem geven voor het opschalen van de krijgskunst.
Maar dat gebeurt niet, want in het schijnbaar objectieve verslag is toch een adder verborgen. Dat zit hem in het woordje èfès-ki , dat in vers 28 ‘echter' betekent (in modern Ivrit betekent èfès ook: nul),: ‘Het volk echter … is sterk etc'. (2) Dat zet een sombere ondertoon in en de omstanders voelen dit haarfijn aan, want kennelijk ontstaat er grote onrust onder hen, wat Kalev ertoe brengt om de gemeente kalmerend toe te spreken; hij en Jehosjoea geloven er nog heilig in, maar in de menigte zakt de moed in de sandalen. De andere tien mannen van het gezantschap bekennen nu openlijk: we redden het niet, die volken in het beloofde land zijn sterker dan wij. Er zou nu nog een beraad tussen de partijen kunnen volgen over pro's en contra's, een heftig maar realistisch debat, maar zover komt het niet.
Er breekt een derde fase aan, waarin emoties van angst en woede het heldere zicht gaan verduisteren. De tien mannen gaan de tenten van het kamp rond en verspreiden laster en kletspraat. Ze stoken het vuurtje op. Rijzige bewoners van Kenaän worden reuzen, het land is opeens een land dat zijn bewoners opeet en de Israelieten zijn machteloos als sprinkhanen (13:32). De harde feiten worden verdraaid, opgeblazen, uit hun verband gerukt We zouden tegenwoordig spreken van desinformatie of ‘alternative facts' . Angst maakt alles buiten ons groter en binnen ons kleiner. De angst heeft de tien mannen te pakken en ze besmetten met hun negatieve propaganda de massa van het volk ermee als met een besmettelijke ziekte. Het leidt tot rebellie tegen Mosjee en Aharon, tot een amper door Mosjee afgewende afschrijving van Israel door de Eeuwige, tot een onbezonnen en verloren veldslag tegen de Amalekieten en tenslotte tot het achtendertigjarig uitstel van de entree in het beloofde land,
We zien hier een proces zich afspelen, dat door vele psychologen en sociologen is beschreven (3) . Het is een bekend verschijnsel: de massa is enorm suggestibel. Soms pakt dat uit in de richting van nobele doelen, waar de massa zich met het vege lijf voor inzet, maar vaker vinden alternatieve feiten en leugens een welkome voedingsbodem in de menigte, wat leidt tot opgewonden meutes, waarin ook de meer verstandige zijn kritische vermogens verliest en wordt meegesleept in een neerwaartse roes op weg naar destructie van beschaving en eliminatie van vermeende zondebokken. Verschijnselen van alle tijden, die we ook nu nog steeds in onszelf kunnen bespeuren en om ons heen zich zien afspelen. Sinds kort (historisch gezien) is daar een nieuwe speelruimte bijgekomen: het internet, waar nieuwe massavorming zich adembenemend afspeelt. .
Even terug naar de parasja. Het belangrijkste euvel, dat aan de Israëlieten wordt voorgeworpen is hun gebrek aan geloof en vertrouwen, hetgeen uiteindelijk leidt tot de achtendertigjarige verlenging van hun woestijnzwerftocht. Het valt mij op hoe in deze parasja dit verval van geloof en vertrouwen gepaard gaat met een parallel loslaten van een rationeel nadenken en het prijsgeven van een moedige analyse van de problemen en hun mogelijke oplossingen. Het lijkt er sterk op dat een stevig spiritueel geloof een kalme analyse van de contingente feiten niet uitsluit en zelfs nodig heeft en omgeleerd het effect van een kalme analyse van de feiten en hun mogelijkheden duizendvoudig wordt versterkt door een sterk geloof in idealen, zinvolheid, bestemming, het goede of God, zo je wil. Het zijn twee handen van één lichaam.

Noten
(1) Rasji ad loc.
(2) Nechama Leibowitz, Studies in Bamidbar , p. 139
(3) Bijv. Sigmund Freud, Massenpsychologie; Ortega Y Gasset, Opstand der Horden; Elias Canetti, Massa en Macht

Parasjat Behaälotcha Bemidbar/Numeri 8:1 – 12:16
Eros en God

In de Tora is seksualiteit een niet bestaand begrip en spelen romantiek en sensuele genieting geen of een ondergeschikte rol. De oerkracht van eros is wel een onderliggende laag en wordt door regels en geboden onder het patronaat van de Eeuwige in geordende banen geleid (vooral in het boek Wajikra). Seksuele gemeenschap en procreatie zijn wel belangrijke onderwerpen; het samenleven van man en vrouw wordt door een flink aantal geboden gereguleerd. In latere tijden geven vele geboden en gebeurtenissen in de Tora wel aanleiding tot een voortdurend rabbijns discours over de rol van eros, dat tot in onze tijden resoneert. Heel pregnant gecomprimeerd gaat het om: eros en/of God (1)
In deze parasja zien we een goed voorbeeld van hoe de rabbijnen een passage in dat verband uitleggen.

De laatste episode in deze parasja beschrijft de aantijgingen van Mosjee's zuster en broer, Mirjam en Aharon, tegen Mosjee: Bemidbar 12:1   Mirjam nu sprak, en Aharon, tegen Mosjee, naar aanleiding van de vrouw, de Koesjitische, die hij genomen had; want hij had een Koesjietische tot vrouw genomen. 2 En zij zeiden: Heeft dan de Heere maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? En de Eeuwige hoorde het!  
Een gangbare rabbijnse verklaring van deze duistere passage is, dat de vrouw uit Koesj niemand minder is dan Tsipora, die dochter van Jitro, de Midjanitische priester, die Mosjee gastvrij opnam in zijn familie, toen laatstgenoemde van Farao's hof was weggevlucht. Als we de uitleg van de midrasj en Rasji (2) volgen dan betekende ‘vrouw uit Koesj' in het toenmalig taalgebruikgewoon ‘heel speciaal, schoon in uiterlijk en deugd' en dat wijst dus op Tsipora.
Het merkwaardige is, dat de mededeling, dat Mosjee een vrouw uit Koesj (volgens de rabbijnen dus Tsipora) had genomen niet betekent, dat er een nieuwe vrouw in het leven van de man is gekomen, maar geduid moet worden in de voltooid verleden tijd: hij was gehuwd en nu is hij van zijn gangbare vrouw gescheiden. De leidsman van Israel is blijkbaar overgegaan tot het celibaat! Het was Mirjam opgevallen – zo zegt de midrasj - , dat Tsipora zich niet meer opmaakte zoals de andere gehuwde vrouwen en toen ze haar schoonzuster vroeg waarom antwoordde deze: ‘je broer doet er niet meer aan' (bedoelend: aan seksuele gemeenschap). Een latere midrasj (Tanchoema) verhaalt in nog meer detail: Miriam stond naast Tsipora, toen ze hoorde hoe Eldad en Medad als profeten het kamp rondgingen (eerder in deze pararasja verhaald Bemidbar 11:26 ev). Tsipora zei toen: “Wee hun vrouwen, als ze de taak krijgen profeet te zijn, want ze zullen scheiden van hun vrouwen, net zoals mijn echtgenoot (Mosjee) van mij scheidde”. Profeet zijn is niet te combineren met seksuele omgang is de implicatie. Voortdurende communicatie met God en echtelijke vereniging met de vrouw gaat niet samen.

De rabbijnse uitleg uit de vroege middeleeuwen projecteert een belangrijke problematiek in deze scene, een problematiek omtrent de relatie tussen de ervaring van Gods nabijheid en seksualiteit. Sluiten die elkaar uit?
Staat seksuele activiteit spirituele ontwikkeling in de weg of is een combinatie mogelijk? Daarmee hebben de rabbijnen uit alle eeuwen zich intensief bezig gehouden. Het vermeende celibaat van Mosjee staat daarmee aan het ene extreem. Een man die constant in verbinding staat met de Eeuwige is boven de wereld van seks en gemeenschap uitgestegen. Dit ideaal is echter uniek en vrijwel voor niemand weggelegd. Bovendien is daar de onverbiddelijke mitswa om kinderen te krijgen en wel binnen het huwelijk. Het procreatie-gebod eist van de man om periodiek tot zijn vrouw te komen. Celibaat is in het Jodendom van alle tijden geen optie.
Even terug naar de Tora-tekst en Rasji. Volgens Mosjee's zuster Mirjam is die extreme abstinentie van haar broer ook niet nodig. Mirjam komt op voor de opvatting, dat om profeet te zijn je geen celibaat hoeft te beoefenen. Zij en Aharon zijn wel getrouwd en net zoals Mosjee zijn ook zij profeten met zienersgaven! Dat verklaart volgens Rasji hun uitroep in het tweede vers van hoofdstuk 12:  ‘ Heeft dan de Eeuwige maar alleen door Mozes gesproken? Heeft Hij ook niet door ons gesproken? ' Waaraan Rasjii toevoegt:  ‘ En wij hebben ons toch niet onthouden van echtelijke gemeenschap!'.
Tegelijk komt Mirjam daarmee op voor haar seksegenoot Tsipora en haar recht op echtelijke aandacht (later geformaliseerd in de mannelijke plicht periodiek tot zijn vrouw te komen, de mitswa ona )

In het rabbijnse discours door alle eeuwen blijft het spanningsveld van de kwestie ronddwalen; als een paal staat boven water, dat echtelijke gemeenschapp een plicht is, tegelijk komt daarmee de vraag:in hoeverre mag die gemeenschap gepaard gaan met genot. Mag je de lust ten volle ondergaan of moet eros binnen de perken gehouden worden, zo niet geheel onderdrukt worden om het contact me de hemel open te houden.
In talmoedische tijden zijn op dit gebied tamelijk milde geluiden te horen.
Zo onderwees Rabbi Josef (3): ‘haar lichaam vraagt direct lichamelijk contact, dwz dat hij haar niet zoals de Perzen behandelt, die hun echtelijke plichten gekleed verrichten. Dit bevestigt een regel van Rabbi Hoena, die verordende, dat een echtgenoot, die zei: “ik doe het niet tenzij zij haar kleren draagt en ik de mijne”, haar echtscheiding moet verlenen'.
In de middeleeuwen komen we een scala aan opvattingen tegen (deels ook door het christendom beïnvloed). Aan de ene kant ontmoeten we enige tamelijk ‘plezier-tolerante' geleerden als Inb-Ezra en Rabbi Abraham ben Yosef (Rabad) (4), welke laatste vier aspecten aan de echtelijke samenleving onderscheidt, die in de komende wereld worden beloond: de procreatie, het welzijn van de foetus, het tegemoet komen aan het genot van de echtgenote en het tegengaan van overspel. Het is zelfs de plicht van de man om zijn vrouw haar genot te bezorgen.
Daarentegen ontpopt Maimonides (5) zich als een strenge meester ten aanzien van lichamelijke genietingen. Deze kampioen van de geestelijke discipline ziet de erotische prikkelingen en sensuele ervaring als afleidend van het doel van het superieure geestelijk genot van het intellect, dat naar eenheid met het goddelijke streeft. Een sterke preoccupatie met zaadlozing buiten de geslachtsgemeenschap
kenmerkt vele middeleeuwse geleerden en ook deze middeleeuwse meester, die lof spreekt van de profeet Elisja, die volgens de Oude Wijzen nooit aan seks dacht en nooit werd betrapt op een nodeloze zaadlozing, terwijl aartsvader Jaäkov pas zijn eerste zaad stortte ter verwekking van zijn eerstgeboren zoon Reoeven.
De lijn van Maimonides heeft zich in de volgende eeuwen in diverse vormen doorgezet. Vele mystieke stromingen gingen behoorlijk tot sterk genotsvijandige tendenzen aanhangen. In de sfeer van de kabbala leek het wel of de eenwording met het goddelijke gelijkwaardig, zo niet superieur te achten was aan de seksuele gemeenschap. De echtelijke vereniging met de vrouw is weliswaar een mitswe – de ona , bij voorkeur te verrichten op sjabbat – maar dat moet dan maar snel en met zo weinig mogelijk lust worden volbracht. Opvallend is, dat het mannelijk spiritueel heil vooropstaat.
In het in de 18 e eeuw ontstane chassidisme heeft deze tendens zich in sterke mate voortgezet en in verschillende ultravrome stromingen die heden ten dage nog te vinden zijn zien we dat nog terug. Bij de gelijktijdige niet-chassidische meer op Tora-Tamoed studie gefocuste richtingen ( mitnagdiem ) in de 19 e eeuw zien we een gelijkvormige erotisering van de Tora, waarvan de bestudering verre superieur is aan de huwelijkse genietingen. Het sensuele Hooglied gaat niet over de aardse devotie van het minnespel, maar over de intellectuele vereniging met de goddelijke dimensie.
Grotendeels is het bovenstaande natuurlijk vooral een (wel heel ruwe) schets van de rabbijnse en geleerdenelite van het Joodse volk, dat over het algemeen wat betreft de seksuele mores een lossere mainstream praktijk volgde. Toch mogen we wel stellen, dat het chassidisme in het Oost-Europa van de 18 e , 19 e en een deel van de 20-ste eeuw een grote invloed had op de bevolking.

Natuurlijk opende voor velen de Verlichting de deuren naar een bevrijding uit de ook op seksueel gebied benauwende traditie. De vraag is of de vrijkomende eros rond de overgang van 19 e en 20 ste eeuw niet ongemerkt in de knellende banden kwam van het van de gojiem overgenomen bekrompen bourgeois-ideaal dan wel werd gesublimeerd in het ideaal van de fysiek competente ascetisch-zionistische landbouwpioneer (waarmee ik wel heel kort door de bocht een hoofdstuk uit David Biales boek (1) comprimeer). De angst voor een vrije seksualiteit bleef eigenlijk daarmee ook buiten de traditioneel religieuze grenzen gehandhaafd.
Tegelijk heeft Sigmund Freud, de Mozes van de psychoanalyse, de oerkracht van de seksualiteit in onze psyche in het licht gezet en tegelijk de onontkoombaarheid deze oerkracht in het leven zijn plaats te geven.
Intussen mag je zeggen, dat in tweede helft van de 20 ste eeuw de westerse wereld het grotendeels seculiere of liberale dan wel traditionele Jodendom terecht is gekomen in de mainstream van het burgerlijk huwelijk met een redelijk verlichte seksuele moraal.
De ambivalente relatie tussen de krachtige aandrift tot een vervullende ongebonden genieting van het lichamelijke en de nog steeds geldende dringende noodzaak deze te begrenzen, welke noodzaak vroeger op sacraal niveau tot uiting kwam in (vaak zeer benauwend uitgelegde) religieuze geboden, is van alle tijden.
In iedere generatie uit dit zich in nieuwe vormen.
Ook nu zijn mensen druk bezig met het zoeken naar seksuele vervulling en genieting van wat het aardse te bieden heeft. Het lijkt of – tenminste in het westen –na het verbreken van knellende banden in de 60-er jaren van de vorige eeuw - seksuele en materiële genieting het summum is. Maar evenzeer blijft hardnekkig – misschien vaak ondergronds, ongeweten – zich een behoefte voelen naar begrenzing en containment, niet uit angst voor de zonde, maar uit gepassioneerd verlangen naar overstijging van het eigen ik met zijn privé-belangen, begeerten en bezit naar een hoger niveau van beleving en zingeving (God, zo je wil).

In Israel hebben we enerzijds Tel Aviv, de “poel der zonden”, de samenballing van uitbundige vrijheid; daar wordt het leven in al zijn bonte uitersten gevierd, eros kent daar geen grenzen, anderzijds hebben we Jeroesjalajiem, het centrum van religieuze observantie, van vrome kuisheid, waar oude zeden nog opgeld doen. Mischien moeten we tussen Tel Aviv en Jeroesjalajiem een nieuw gouden midden vinden ergens in de buurt van Modi'ien, waar eros en God (6) zich eindelijk verzoenen.

Noten
(1) Dankbaar is gebruik gemaakt van Biale, David: Eros and the Jews : from Biblical Israel to contemporary America , Basic Books, Harper Collins, 1992. Passim
(2) Rasji ad loc, Sifrei Bamidbar 99 en 100
(3) Talmoed Ketoebot 48a
(4) Zie David Biale op cit, p. 95ev
(5 Maimonides, Moses: The Guide of the Perplexed (Moreh Nevuchim) , translated by M. Friedländer, New York, Dover Publications, deel III, hfst VIII
(6) Natuurlijk: God, zoals wij hem naar ons toe interpreteren

RC juni 2017

Parasjat Behar-Bechoekotai Wajikra/Leviticus 25:1-27:34
Een rouwperiode

In deze twee parasjot, in de meeste jaren samen gelezen, worden – heel kort samengevat - het sjabbat jaar en het Jowel jaar geïntroduceerd en verordend. Daarop volgen de zegen en de vloek: als de geboden worden nagekomen zal het het volk en zijn land goed gaan, maar als ze in de wind worden geslagen zullen de meest verschrikkelijke rampen plaatsvinden, van welke een flink aantal schrikwekkende voorbeelden beeldend worden geschilderd. Elders (1) ben ik daarop ingegaan.

Deze week wil ik terugblikken op een stukje rampgeschiedenis, dat in deze dagen wordt herdacht, ten minste in de meer orthodoxe kringen. De parasjot Behar en Bechoekotai worden gelezen middenin de periode van de zogenaamde Omertelling, die eigenlijk een tijd is van lichte rouw, alleen doorbroken door het zg Lag BaOmer feest op de 33 ste dag van de telling. Waarom die lichte rouw en waarom het feest?
Interessant om eens na te gaan.

Lag baOmer en Sjimon bar Jochai
 

Op Lag BaOmer, 18 Ijar (afgelopen zondag 14 mei), vond een positieve keer plaats in de Bar Kochwa opstand tegen de Romeinen (maar niet voor lange duur). Tegelijk is die datum de sterfdag van een van de grootste oude wijzen uit die eerste eeuwen van de gewone jaartelling Sjimon bar Jochaj.

Eigenlijk zijn de 49 dagen Omer-telling – oorspronkelijk een vreugdevolle periode op weg naar de graanoogst – een periode van lichte rouw geworden, die gedenkt, dat een vreselijke pestepidemie de 24 000 leerlingen van Rabbi Akiva wegvaagde in de tweede eeuw van de gewone jaartelling. De legende (in de Talmoed (2)) zegt, dat deze epidemie het gevolg was van hun gebrek aan respect voor en jaloersheid op elkaar. De leerlingen van Akiva, allen hoogbegaafd en fanatiek, verloren de grenzen van hun taak uit het oog, gingen vurig op in hun eigen brille en verdroegen de mening van hun collega's niet meer. Sommige oude wijzen hebben begrip voor de passie van de leerlingen, die alle grenzen uit het oog verloren in hun streven naar de opperste nabijheid bij God. Tegelijk destilleren uitleggers de les, dat fervente passie de kunst van de terughoudendheid broodnodig heeft.

Op historisch niveau bekeken lijkt me de veronderstelling niet ongerechtvaardigd, dat de dood van deze menigte studenten geplaatst moet worden in de oorlog tegen de Romeinen, die de Joden, geprest door de onbarmhartige verboden van keizer Hadrianus – o.a. om te besnijden - en zijn plan om een Romeinse tempel op de plaats van de in 70 verwoeste tempel te bouwen, in 132 waren begonnen onder militaire leiding van Sjimon bar Kochwa en onder spirituele leiding van Rabbi Akiva, die overtuigd was, dat Bar Kochwa de vurig verhoopte Masjieach was. Aanvankelijk boekten de opstandelingen successen. Aangenomen werd, dat het keerpunt in de opstand ten gunste van de Joden plaats vond op de achttiende van de maand Ijar, de dag die nu de rouwperiode even onderbreekt, de dag die we nu Lag baOmer noemen. Later zou men aannemen, dat op die datum het sterven van de Akiva-studenten gestopt zou zijn. Ruim twee jaar was er even weer een Joods Rijk, van 133 tot 135. Sjimon bar Kochwa werd door velen als Masjieach gezien en hij kreeg de titel ‘nassi', vorst. Maar de Romeinen rukten ten slotte met overmacht op en in de slag bij Betar, 135, werden de Joden verslagen. Rabbi Akiva werd gekruisigd.

De vele leerlingen van Rabbi Akiva, zouden die niet als toegewijde soldaten zich bij het leger van Sjimon bar Kochwa hebben aangesloten en zouden ze niet met passie hebben gestreden voor hun leraar en de Masjieach en tegen de Romeinen? Waarschijnlijk zijn ze dan als krijgers op het slagveld gesneuveld of door de Romeinen na de capitulatie geëxecuteerd, net zoals hun leraar. In de Talmoed is dan dit gebeuren, zou men kunnen zeggen, getransformeerd tot een verhaal in religieuze en morele sfeer. Dat de Omer-periode een rouwperiode is geworden is vermoedelijk door de Middeleeuwse rabbijnen bevorderd (3).

In ieder geval is één leerling van Rabbi Akiva aan de dood ontsnapt door zich voor de Romeinen verborgen te houden: Sjimon bar Jochaj. Rabbi Sjimon bar Jochaj was een van de belangrijkste leerlingen van de wijze Rabbi Akiva, die een van de grondleggers was van de Misjna. Sjimon bar Jochai bleef ook na de opstand onverzoenlijk en was wars van ieder compromis met de weer toenadering zoekende Romeinse autoriteiten. Bang voor verraad vluchtte hij met zijn zoon Elazar en zocht toevlucht in een grot, 13 jaar lang.  
De legende (4) verhaalt dat zij dronken uit een riviertje dat plotseling vlakbij ontsprong, aten van een carobeboom die vlakbij ontsproot en dat zij in de grot alleen kleding droegen bij het bidden en zich tussendoor met zand bedekten om hun kleding te sparen. Dertien jaren verdiepten zij zich in de geheimen van de Tora. Hier werden de kiemen gelegd voor de esoterische wijsheid van de ‘Zohar', die later in de dertiende eeuw werden opgeschreven door R. Moses de Léon. Na twaalf jaar stierf keizer Hadrianus en werd er een amnestie afgekondigd. Rabbi Sjimon en zijn zoon verlieten de grot. De eerste man die zij zagen was een boer die zijn koren maaide. Rabbi Sjimon kon na twaalf jaren diepgaande verzinking in de Tora niet begrijpen dat iemand zich met dergelijke wereldse zaken bezig hield. Zijn borende ogen verzengde de eenvoudige boer die in een hoop as en beenderen veranderde. De vertoornde stem van de Eeuwige, hij zij geprezen, riep: “Wil jij mijn wereld vernietigen? Ga terug naar je grot!”.   Weer een jaar van intense verdieping volgde. Nu konden zij zich wel verzoenen met de wereldse gang van zaken en het alledaagse gedoe van hun medemensen. Voor Tikoen Olam moet je echt de wereld in is de moraal.
Met grote blijdschap werden Rabbi Sjimon en zijn zoon verwelkomd. Vele wonderen zijn aan hem toegeschreven en vele anekdotes over wijze uitspraken zijn overgeleverd.   Verhaald wordt dat hij zo intensief Tora studeerde dat hij het bidden mocht overslaan.  
Op 18 Ijar stierf Sjimon bar Jochaj, op de 33ste dag van de Omer telling, dus Lag baOmer gedenkt ook vooral dat; de Hebreeuwse letters l en g vormen samen het getal 33. Omdat de Joodse wijze bepaald had, dat die gedenkdag een feestdag moest zijn, is er op die dag een onderbreking van de rouwperiode met allerlei vieringen. Gedurende de laatste eeuwen is de gewoonte ontstaan om de sterfdag van Rabbi Sjimon te gedenken door zijn graf te bezoeken. Vele duizenden met name chassidische joden bezoeken op deze dag zijn tombe op Mount Meron in het noorden van Israël, bij Tsfat. Grote vreugdevuren worden ontstoken, en driejarige jongetjes worden voor het eerst van hun leven geknipt, de zg ‘opsheren' ceremonie. In de Omer periode worden geen huwelijken gesloten behalve op deze dag.  
In de kabbala wordt aan deze dag een grote lichtkracht toegeschreven.

Noten

(1) Bijv. in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 2 , Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomiu, p. 80 ev  
(2) Talmoed Jevamot 62b, waarin de ziekte overigens vertaald wordt als kroep (difterie). Het aantal van 24.000 doet denken aan Bamidbar/Numeri 25:9, waarin 24.000 slachtoffers worden vermeld van de epidemie, die de Israelieten trof n.a.v. de omgang met de meisjes van Moäv en Midjan. De Talmoed vermeldt overigens 12.000 en de legende geeft dit aantal later verdubbeld.
(3) Zie ook het verhaal op Aish.com
(4) Talmoed Sjabbat 33b -34a

Parasjat Emor Wajikra/Levitivus 21:1-24:3

Brood en Woorden 

In de parasja Emor (‘spreek!') worden onder meer de drie pelgrimfeesten behandeld en beschreven, Pesach, Sjavoeot en Soekot. Opvallend is, dat Sjavoeot alleen als oogstfeest wordt beschreven en nog niet in verband wordt gebracht met het geven van de Tora, het is (nog) niet   chag matan Tora geworden, het feest waarop gevierd wordt, dat de Tora op Sinai aan het volk werd geopenbaard.   Hoe komt het, dat, blijkbaar in latere tijd, dat verband werd gelegd?  

Historisch bekeken lijkt het aannemelijk, dat na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in 70 van de gewone jaartelling een proces van de-agriculturisering van de rituelen is versneld. Het centrum van de offerdienst was vervallen en offers konden niet meer gebracht. Bovendien was er al een aanzienlijke diaspora buiten het heilig land. De Tora kon niet vernietigd of afgeschaft worden en reisde altijd mee.   Dat riep om een nieuwe interpretatie van deze hoogtijdag van de akkerbouw.  

De Rabbijnen begonnen eens goed te rekenen: de uittocht uit Egypte was begonnen op 14 Niesan, de dag van het Pesachoffer. De Tora schrijft voor daarna vanaf 15 Nisan zeven weken lang iedere dag te tellen tot het oogstfeest, het zg omer-tellen (21:15,16). Na zeven weken reizen in de woestijn moet het volk op de zesde van de Joodse maand Sievan dan dus aangeland zijn bij de Sinaj. Dat duidt op een verband tussen wat er op die datum op de Sinaj is gebeurd - de schenking van de Tora - en het op die zelfde datum voorgeschreven feest van de eerste graanoogst, Sjavoeot

Het verband brengt ons op een spiritueel ontwikkelingsproces tussen Pesach en Sjavoeot.   Op Pesach worden ongedesemde broden gegeten. Het zijn ‘matsot', ongerezen broden die nog niet ‘af' zijn.  De bevrijding is ook nog niet af. Zij zoekt nog naar een voltooiing. Op Sjavoeot worden twee gerezen broden aan de Eeuwige aangeboden, gebakken met zuurdesem (chameets), zoals uitdrukkelijk voorgeschreven (23:17). De broden zijn nu ‘af', gebakken van het graanmeel, dat de basis is voor het fysieke bestaan. Zo heeft de uittocht uit de verdrukking zijn afronding gevonden in de woorden van de Tora, de basis voor het spirituele bestaan. ‘Zonder meel geen Tora, zonder Tora geen meel' zegt Rabbi El'azar ben Azarja ( Pirkee Avot 3:17 ). Daarom worden op deze sjabbat de Tien Uitspraken in Sjemot 20 gelezen.

Als we de relatie tussen Pesach en Sjawoeot nog wat verder trekken kunnen we zien hoe vrijheid een bestemming nodig heeft en een vorm van begrenzing.   De Israëlieten reizen uit de slavernij niet zomaar de leegte van de woestijn in.   Ze worden geleid naar de Sinaj, naar de eerste bestemming, waar ze vernemen hoe hun vrijheid in te bedden in essentiële waarden en leefregels om een goede samenleving te vormen. (De tweede bestemming, het beloofde land, mogen we ‘ontgeografiseren' als een wereld van rechtvaardigheid en liefde, een messiaans beeld, dat ergens in ons als een vonk van verlangen blijft gloeien)

Ook de vrijheid, die we in ons eigen leven aan ons lot willen ontworstelen, heeft een bestemming nodig. Deze sjabbat, de 32 e dag van de Omer-telling, is misschien een goede gelegenheid om eens goed te luisteren of onze vrijheid goed is ‘afgestemd'.  

Olemesjolem. Ipv parasja vd week op 4 mei 2017

We hebben een periode van herdenken achter de rug, Jom haSjoa, Jom haZikaron, vandaag, dat ik dit schrijf is het 4 mei. We kijken terug op de Tweede Wereldoorlog, op de verschrikkingen, die alleen de ouderen onder ons nog aan den lijve hebben ervaren, op de systematische moord op aanvankelijk nietsvermoedende onschuldige Nederlandse burgers van Joodse signatuur. Sta mij toe om in deze week van herdenken iets van een persoonlijk herdenken met u te delen.

Ten tijde van de bevrijding in mei 1945 zaten mijn moeder en ik – toen vier jaar oud - nog in een Japans interneringkamp op Java en lag mijn vader ziek in een barak aan de Burma-spoorweg. Communicatie met Europa was afwezig. Mijn ouders hadden geen flauw idee van de catastrofe rond de Joden in Nederland.
Mijn vader kwam na de capitulatie van Japan terecht in een herstellingsoord in toenmalig Brits-Indie. Hij wist niets van de lotgevallen van onze familie in Nederland. Pas in november 1945 bereikte een eerste levensteken mijn vader in de vorm van een brief die de hele wereld was rondgezworven; zijn ouders – mijn grootouders - en zijn twee broers hadden na een levensgevaarlijke onderduik de oorlog overleefd.. In volgende brieven wordt voorzichtig iets onthuld van de dood van andere familieleden in Nederland. Mijn vader schrijft:aan zijn ouders in maart 1946: ‘Deze week ontvingen we jullie brief van 19 Januari met het ontstellende nieuws van Hetty's dood. Het heeft ons zeer zwaar getroffen en werd ik me weer eens duidelijk bewust hoe dierbaar jullie me bent, want het leed dat één van jullie treft, treft mij meer dan je kunt denken.''

Hetty was de dochter van een broer van de moeder van mijn vader, een pittig en muzikaal meisje. Ze was verloofd met zijn mijn vaders broer, maar ze was ook mijn vaders lievelingsnicht. Ze was ondergedoken, eerst samen met haar verloofde, later apart en toen verraden. Naspeuringen veel later leerden dat ze vermoedelijk is vermoord in het dwangarbeiderskamp Dorohucza in 1943, nog net geen 21 jaar oud. Ook haar moeder Esther (tante Es) en haar broertje Max David (Deetje) kwamen in dat jaar om in Sobibor. Vader Jacob Winkel (oom Jaap) was in 1941 aan een ‘gewone' hartaanval overleden.

Na een lange omweg uit Java werden mijn moeder en ik begin januari 1946 als een klein wonder met hem herenigd in Calcutta. Na veel administratieve rompslomp in mei 1946 werden wij herenigd met de familie in Nederland, precies op 5 mei 1946, de allereerste Bevrijdingsdag. Natuurlijk was er grote blijdschap; mijn hele kerngezin van grootouders, en ouders en ooms (broers van van mijn vader) was nog compleet, iets wat maar erg weinig Joodse kinderen konden zeggen. Maar er waren er natuurlijk grote verliezen geleden buiten de kernfamilie. Ik heb in de jaren na de oorlog en eigenlijk later ook nooit bewust de namen horen noemen van de omgekomen familieleden. Over hen werd voornamelijk gezwegen.

Tegenwoordig vinden we het essentieel om de namen van de nooit meer teruggekomenen niet te vergeten en juist wel te noemen. Zojuist heb ik op de gedenkplaats nabij de synagoge de bijna vijfhonderd namen horen noemen van de uit de Nijmeegse samenleving weggeplukte en naar de dood gevoerde Joden, hele gezinnen, van A tot Z
Daarom noem ik hierbij in dit stuk de vergeten namen van de vermoorde familieleden uit de generatie van mijn beide grootvaders: drie zusters van mijn grootvader aan vaderskant Ies Cassuto, t.w. Rachel Tas-Cassuto, Anna Waas-Cassuto en Simcha Danser-Cassuto; drie broers van mijn grootvader aan moederskant Albert van Zuiden: Samuel Heiman van Zuiden en zijn vrouw Bettij van Zuiden-Nathan, Abraham (Bram) van Zuiden en zijn vrouw Penina Duque, Bernard van Zuiden en zijn vrouw Sientje van Zuiden-Snijders; de zuster van Albert, Elisabet (Lize) van Zuiden; de zuster van Albert van Zuidens vrouw Betsy van Zuiden-van Praag – mijn oma - : Marie Kamerling-van Praag en haar man Isedoor Kamerling.

Op 4 mei heb ik stil gestaan bij het onvoorstelbare afgrijzen, dat zij moeten hebben gevoeld, toen hun moorddadig lot hen in het gezicht keek, zoals dat ook gebeurde met de ruim honderdduizend mede-Joden en de Sinti en de Roma en nog zovele anderen.
Wat ik me uit mijn kindertijd wel kan herinneren is dat mijn oma van moederskant vaak iets mompelde als ‘olemesjolem'. In mijn kinderoren klonk het als een soort toverspreuk, zoiets als ‘simsalabim'. Maar het was natuurlijk Jiddisj voor ‘alam ha-sjaloom', ‘zij mogen rusten in vrede' en dat zeg ik haar nu na: alam ha-sjaloom

Na tweeënzeventig jaar lijkt de vrede ons te omgeven als een vertrouwde jas. Vanzelfsprekend. De ijskou van de oorlog is voor de meeste niet eens meer een herinnering. Laten we de vrede niet verspelen aan onwijze waaghalzen, die in het kader van een zich hernieuwend nationalisme uit narcisme dit kostbare goed in de waagschaal stellen.

RC 4 mei 2017


Parasjat Tazria-Metsora
  Wajikra/Leviticus 12-14 en14-16)  
De plaag

De parasja Tazria (“zij die zwanger wordt”) handelt over de reinigingshandelingen die de vrouw na de geboorte van haar kind moet verrichten; vervolgens gaat het hoofdstuk verder grotendeels over procedures rond de huidziekte tsaraät , vermoedelijk een vorm van melaatsheid, soms vertaald als ‘huidvraat'. Het is aan de priester om te bepalen, wanneer daarvan sprake is; in het bevestigende geval is de lijder onrein en moet hij buiten het kampement verblijven tot de priester concludeert, dat genezing heeft plaats gevonden. In de volgende parsje Metsora volgen vergelijkbare voorschriften voor de aantasting van muren, gebouwen en kleden met tsaraät en tenslotte zijn er de regels voor onregelmatige vloeiingen uit de mannelijke en vrouwelijke geslachtsorganen en de bijbehorende reinigingshandelingen.  
Hoe men met de moderne wetenschappelijke kennis van nu hierover moge denken, men kan de Israëlieten van toen een intuïtie voor het belang van hygiëne voor gezondheid en welzijn niet ontzeggen.

Toch zien de meeste de oude wijzen tsaraät niet zozeer als een medisch-hygienisch verschijnsel als wel als een fenomeen, om te waarschuwen voor afdwaling van het rechte pad. Wat subtieler gezegd: als een uiting van een ‘innerlijke spirituele verstoring in de relatie tussen de lijder aan tsaraät en zijn Schepper' (1) . Met name wordt dan gedoeld op Lasjon Hara , letterlijk ‘kwade tong, kwade taal'. Hieronder verstaat men menselijke verbale uitingen over andere mensen, die geen bewuste aperte leugens zijn, maar die wel schade aan anderen kunnen toebrengen, bijv. laster, roddel, geruchten, achterklap, geklets, ongecheckte verhalen, verzinsels (2). We moeten tsaraät dan niet meer letterlijk opvatten als een lichamelijke ziekte, verschimmeling van kleden of ondermijning van muren, maar als een aandoening van het innerlijk (de ziel) of een ondermijning van de samenleving.
De Tora verbiedt liegen en laster ook uitdrukkelijk (3), maar vindt een rijke aanvulling in de rabbijnse uitleg van lasjon hara . De melaatsheid en de aantasting van kleden en huizen zien zij daarbij als een metafoor voor het effect van lasjon hara. Tezamen vormt dit een boodschap, die voor onze moderne tijd nog niets aan actualiteit heeft verloren.

Roddel, laster, kwaadspraak en de immer draaiende geruchtenmolen zijn van alle tijden, maar heeft sinds de drukpers een enorme versterking gekregen. Natuurlijk heeft de uitvinding en invoering van de drukpers een zegen betekend voor beschaving en vooruitgang, maar tegelijk heeft dit mooie medium het ook mogelijk gemaakt om op papier via propagandakanalen massaal strategisch leugens en halve waarheden te verspreiden. Sensatiebladen hebben via enorme oplagen op volle toeren geprofiteerd van eindeloze roddelverhalen en nog steeds. Intussen heeft het internet zijn intrede gedaan. Je kan wel raden wat ik ga beweren. Dat betekent naast het ontegenzeggelijk nut van dit inmiddels onmisbare medium een duizendvoudige verruiming van lasjon hara . Momenteel kan (en mag tot op grote hoogte) iedereen via sociale media laster, kwaadspraak, verzinsels over de hele wereld uitstrooien. Individuen en instituten in dienst van duistere belangen kunnen strategisch verzinsels de wereld insturen. Ik hoef de termen ‘alternative facts' en ‘fake news' (nepnieuws) niet meer te noemen.
Deze fenomenen betekenen een gevaarlijke ondermijning van de geloofwaardigheid van de maatschappelijke informatievoorziening. Wie en wat kan je nog als waarheid vertouwen?

Maimonides (4) signaleert de volgorde van het verval ten gevolge van lasjon hara: eerst begint de ziekte in de muren van het huis en als de getroffene niet tot inkeer komt gaat de plaag over naar zijn bed en huisraad en heeft ook dat geen effect, dan worden zijn kleren aangetast en tenslotte wordt zijn lichaam met ‘huidvraat' getroffen. Maar je kan het ook omgekeerd zien. De ziekte begint bij het individu, dat kwaadspreekt; als deze niet omkeert, besmet hij anderen en tenslotte de hele stad en zijn alle huizen met verval besmet.
Onlangs las ik ‘De Pest' van Albert Camus (5). Onvermijdelijk moest ik n.a.v. de parasja aan deze geweldige roman denken. De pest overvalt de Algerijnse stad Oran – toen nog onder Frans beheer – . Het is niet voor niets denk ik, dat Albert Camus deze ziekte als thema neemt. en de stad Oran, waar de plaag zich nestelt, als metafoor van de maatschappij. We lezen hoe de verschillende personages, de dokter dr. Bernard Rieux – min of meer de hoofdpersoon - , de rentenier, de ambtenaar, de journalist, de voortvluchtige crimineel en de priester – worstelend met Gods bedoeling met de plaag - omgaan met een samenleving, die complex en onbegrijpelijk is geworden. Ieder voor zich proberen zij betekenis te vinden in een wereld, die in de ban van een onbegrijpelijk lijden van zin ontdaan lijkt te zijn. Of proberen zij op zijn minst een reden te ontdekken om voort te gaan met handelen. Zeker kan je de roman opvatten een illustratie van het ‘humanistisch existentialisme' van de schrijver.(6). Maar bedenk ook, dat de schrijver het boek heeft geschreven vlak na de Tweede Wereldoorlog, waarin hij aan het Franse verzet heeft deelgenomen. De pest kan dan ook gezien worden als metafoor voor fenomenen, die kenmerkend zijn voor het nationaal socialisme, het systeem, waarin afwezigheid van moraal regel was en leugen, misleiding en propaganda de motor was die het voortdreef.(7)

Tegen het slot van de parasja Metsora wordt verordend, dat het huis, waar de plaag niet verholpen kan worden – ‘dan is het een kwaadaardige melaatsheid in het ?huis; het is ?onrein' (14:44) - moet worden afgebroken en buiten de stad worden gebracht. Dan heeft – in de sfeer van de metafoor - de waarheid het veld geruimd en heeft leugen en misleiding de fundamenten en de muren fataal aangetast.
Ik denk soms, dat een sluimerende plaag zonder dat we het merken – of willen weten - zich in kelders en muren nestelend klaarmaakt om ons te overvallen. En dat we moeten oppassen dat onze samenleving niet een huis wordt, dat steeds meer wordt ondermijnd door een inflatie van integriteit en feitelijke waarheid. En tenslotte moet worden afgebroken.
Camus besluit zijn boek met deze passage:
‘ Luisterend naar de vreugdekreten, die uit de stad opstegen – de pest is voorbij (RC) - , bedacht Rieux, dat deze blijdschap nog steeds bedreigd werd. Want hij wist, wat die menigte onbekend was en wat men kan leren uit boeken, dat de bacil van de pest nooit sterft of geheel verdwijnt, dat zij tientallen jaren kan blij­ven sluimeren in de meubels en het linnengoed, dat zij geduldig wacht in de kamers, de kelders, de koffers, de zakdoeken en paperassen en dat wellicht de dag zou komen waarop, tot onheil en lering der mensen, de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een geluk­kige stad'.
Zou Camus soms hebben gedacht aan het huis in deze parasja?

noten

(1)  Aldus het commentaar van Nechama Leibowitz op de parasja Tazria, Studies in Vayikra/Leviticus, WZO, p. 115 ev
(2) Dit is als leerstuk van Sjmirat Halasjon tot in de meest subtiele details uitgewerkt door
Rabbi Israel Meir HaCohen Kagan, de bijgenaamd Chafetz Chaim (eind 19 e eeuw).
(3) Sjemot/Exodus 20:16 U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.
Sjemot/Exodus 23:1 ‘U mag geen vals gerucht verspreiden'
Sjemot/Exodus 23:7 ‘Houd u ver van bedrieglijke zaken'
Wajikra/Leviticus 19:16 ‘U mag onder uw volksgenoten niet met lasterpraat rondgaan',
(4) Moses Maimonides, The Guide of The Perplexed , p. 370
(5) Albert Camus, De Pest, De Bezige Bij, 1953. Er is inmiddels een nieuwe vertaling.
(6) Zie o.a. het Tijdschrift Raster, #90, 2000 , http://tijdschriftraster.nl/camus/albert-camus-de-pest/
(7) Een bevestiging vond ik in deze op internet gevonden passages in het boek over Camus van Carina Gadourek, Albert Camus , Uitleg en Antekeningen bij zijn Werk , van Gorcum, 2000 p. 59 ev

RC april 2017

Parasjat Sjemini   Wajikra 9:1 - 12:1
Fanatisme en verontschuldiging

Nadat Mosjee zeven dagen lang Aharon en zijn vier zonen heeft voorbereid op hun priestertaak en geïnstrueerd heeft over de te brengen offers breekt de achtste dag aan – jom ha-sjemini - , de grote dag, dat de vijf mannen ter inwijding van de tabernakel de eerste offers gaan brengen. Nadat alles gereed is gemaakt en de menigte verzamelde Israëlieten in spanning afwacht daalt de presentie van de Eeuwige neer en een bliksemvuur verteert het brandoffer. Dit overweldigende gebeuren brengt het volk tot gejuich en het valt neer in heilig ontzag. Het is in deze sfeer, dat we zien hoe de twee oudste zonen van Aharon, Nadav en Avihoe, aangeraakt door grote geestdrift, impulsief ieder een vuurpan pakken en er wierook opleggen, daarmee het zorgvuldig uitgelegd ritueel doorbrekend. Dat betaalden ze met hun leven, een tweede vuur schiet neer en verteert de twee priesters.

De rampzalige dood van deze twee zonen van Aharon heeft menige lezer voor vragen gesteld. Wat heeft de Eeuwige aan hun zo toegewijd gebracht reukoffer niet behaagd? Wat hebben ze verkeerd gedaan? De moeilijkheid om een bevredigend antwoord te vinden wordt geïllustreerd door de menigte aan uiteenlopende oplossingen, die zijn aangedragen.   Een overzicht daarvan is te vinden in een ander commentaar van mij (1).

Een over brede linies gedeelde slotsom is wel, dat Nadav en Avihoe – overigens zeer gerespecteerde en vooraanstaande mannen – zich door een overstromende bezieling en blind enthousiasme geleid hebben gestort in een hyperindividuele daad, die het zorgvuldig opgezette systeem om heiligheid te benaderen, fataal heeft doorbroken. Nadav en Avihoe zijn als het ware opgebrand aan hun fanatieke vroomheid en – zoals sommige kabbalisten opperen (2) – zijn, net zoals in de Griekse mythe van Icarus te dicht bij de zon vloog, te dicht bij de Eeuwige genaderd.
Misschien moeten in deze trant de woorden van Mosjee begrepen worden, die hij na dit drama als bedoeling van de Eeuwige aan Aharon verklaarde: ‘In hen die tot Mij naderen, zal Ik ?geheiligd? worden' (Wajikra/Leviticus 10:3).
De twee zonen kunnen ook staan als archetypen voor fanatieke leidslieden, die in hun onvoorspelbaarheid en onberekenbaarheid tot en impulsieve daden kunnen komen met soms zegenrijke, maar meestal fatale gevolgen, als egomotieven voorop gaan staan. Volgens de kabbalisten zijn de onstuimige zielen van Nadav en Avihoe overgegaan op Pinchas en dan weer naar de profeet Elija (3). Als we rondkijken in onze wereld is het niet moeilijk politici te ontdekken, die aan deze archetypen beantwoorden en die met vuur spelen.

Laten we nog even kijken naar wat er volgt op de tragische dood van deze twee zonen van Aharon.
Als Mosjee in de woorden van pasoek 10:3 aan zijn broer heeft overgebracht, wat kennelijk de onderliggende grond van het drama is, geeft de beproefde vader geen antwoord. ‘En Aharon zweeg'.
Waren de woorden van Mosjee een schrale troost of zweeg Aharon uit onbegrip, of juist uit begrip en respect. In ieder geval rekent de midrasj hem zijn zwijgen als verdienste en dicht hem een beloning toe En inderdaad zien we in de pesoekiem 8 tot en met 11 van hoofdstuk 10, dat de eer aan Aharon toevalt, dat de Eeuwige het alleen tegen hem heeft en niet tegen Mosjee, zoals in vrijwel alle andere gevallen. Het gaat in dit geval om het aan de hogepriester meegedeelde verbod aan de priesters om wijn of sterke drank te drinken tijdens hun dienst, opdat zij het onderscheid tussen gewijd en ongewijd en rein en onrein kunnen maken. (4)
Duidelijk neemt de Tora (en in het algemeen de Joodse praxis) de positie in, dat in zaken van (religieus, maar ook ander) levensbelang drank en drugs niet passen. Waren Nadav en Avihoe soms dronken tijdens dat ongevraagde reukoffer vraagt de midrasj zich dan ook af en is dat de aanleiding geweest voor deze bepaling.

Priesters moesten zich verre houden van de dood en daarom werden de lijken van Nadav en Avihoe niet door hun broers, maar door verre verwanten weggehaald en buiten het kamp gebracht. Aharon en de twee jongere zonen Itamar en Elazar mochten ook geen rouw betonen, nu zij de zalvingsolie nog op zich hadden (de overige Israëlieten mochten wel rouwen). De ruw onderbroken inwijdingsplechtigheden moesten gewoon doorgaan. Die bestonden vooral uit het consumeren door de priesters van de gepleegde offers.

Aan het slot van de ceremonie vindt nog een merkwaardig incident plaats. Mosjee controleert of de consumptie van de offers door de priesters ook volgens de regels heeft plaats gevonden en constateert, dat het zondebokoffer niet is gegeten maar verbrand. Dat had naar de mening van de leider niet gemogen en hij vaart uit tegen Elazar en Itamar. Maar nu neemt Aharon het voor hen op en ditmaal zwijgt hij niet stil. Het komt erop neer – als ik de onduidelijke tekst en de complexe rabbijnse uitleggingen goed begrijp (4) -, dat in dit geval verbranding het juiste was, omdat het hier ging om priesters die net een bloedverwant hadden verloren.
Maar daar gaat het mij nu niet om; de rituele precisie, die het boek Wajikra (en de latere halacha) doordesemt heeft zijn relevantie in de moderne wereld verloren. Mij gaat het om de reactie van Mosjee: hij geeft Aharon gelijk (10:20). Rasji expliceert: de leidsman ‘gaf zijn vergissing toe en schaamde zich daar niet voor. In plaats van te zeggen “ dat heeft de Eeuwige niet gezegd”, zei hij “Hij heeft het gezegd, maar ik heb het vergeten”' (daarmee ook Aharons uitleg legitimerend). Populair gezegd: sorry broer, ik heb ongelijk, nu heb jij gelijk. Als Mosjee een vergissing toegeeft zonder zich te schamen, hoeveel te meer moet schaamte of trots ons niet weerhouden om een vergissing ruiterlijk erkennen…( kal we-chomer )
En op maatschappelijk en politiek niveau, hoe vaak zien we dat: een bewindsman of president uit vrije wil (dus zonder pressie of imago-overwegingen) een vergissing toegeeft en sorry zegt?

Noten
(1) Rob Cassuto, Reizen door de Tora , deel 2, Van de Berg naar de Rivier,  Leviticus, Numeri en Deuteronomium, p. 44 ev

(2) Shney Luchot HaBrit, Shmini, Torah Ohr, op Sefaria org

(3) Meer hierover in mijn commentaar op de parasja Pinchas, in Reizen door de Tora op cit., p. 132 ev

(4) Rasji ad loc

(5) Zie Talmoed Zevachiem 101a en b

RC 2017

Verhaal van de week  

Aan de seidertafel: Magied

door Rob Cassuto

Het bevrijdingsproces kan starten als we ons bewust worden in hoeverre we slaaf zijn geworden.  Daarom moeten we steeds het verhaal van de Uittocht uit Egypte, de Jetziat Mitsrajim , aan elkaar vertellen. Het is een geschiedenisverhaal, maar we kunnen het daarnaast vertellen als een allegorie van onze weg door het leven. Zoals het in de Hagada staat onder de titel Magied (1) is het een citaat uit Deuteronomium 26 (woorden die de aanbieder van de eerstelingen van de oogst uitspreekt tegenover de priester), aangevuld met aanhalingen uit voornamelijk Exodus.

Mijn vader was een zwervende Arameeër .
Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk.
Het verhaal begint met een geboorte. De geboorte van een volk, het volk Israël, dat zoekend naar overleving van hongersnood landt in de echte maatschappelijke politieke wereld van het Midden-Oosten van toen, in Egypte. De 70 mensen rond Jacob groeien voorspoedig uit tot een heel volk, een politiek belangrijke minderheid in dat land. Minderheden zijn kwetsbaar, bedreigend voor de meerderheid. Vatbaar om als zondebok te dienen.
Daarnaast zou je het verhaal kunnen zien als de allegorie van de geboorte van onze ziel in deze wereld, de incarnatie van onze essentie in de materiële wereld. Aanvankelijk is de ziel nog onbesmet en schoon. Ezechiël vergelijkt in zijn profetie Jeruzalem en daarmee het Joodse volk met een baby, een meisje, waarover God zich ontfermt en dat opgroeit tot een mooie vrouw, aanvankelijk nog helemaal naakt.

Maar de Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen.
Na een aanvankelijk voorspoedig uitgroeien en opgroeien begint de onderdrukking en steeds meer neemt zij toe. De sociale en politieke werkelijkheid – de materiele wereld - dringt zich steeds onvermijdelijker op met zijn eisen, druk, ontberingen en verleidingen. Steeds meer wordt het volk Israël – en allegorisch gezien onze essentie, onze ziel – in een nauwer fysiek en psychisch keurslijf gedwongen. Een scenario, dat steeds weer herhaald zal worden in de geschiedenis. De Joden als archetypische vreemdeling, als bedreigende minderheid.
Identificatie met de ons omringende wereld, het systeem van eisen en verwachtingen is eigenlijk onvermijdelijk. In de allegorie is het de weg van de ziel door de wereld van de noodzaak, het lot, de macht, het geld, de seksuele afleidingen, (de afgoden in het bijbelverhaal).

Toen klaagden we onze nood bij de Eeuwige, de God van onze voorouders.
Het kan er dan toe komen, dat – vaak onderhuids – de benauwenis ondraaglijk wordt, de pijn doorbreekt - ‘de kinderen van Israël schreeuwden het uit en hun hulpgeroep steeg op tot G-d' (Ex. 2-23). Na lange tijd was dit wellicht het eerste werkelijke gebed om hulp van de grotendeels aan de Egyptische afgoden gewend geraakte en geassimileerde Israëlieten. 
Helemaal vergeten en ontkennen van wie je in essentie bent is op den duur onmogelijk. Uiteindelijk is daar, op die plek de kern van ons levensbeginsel. We worden genoodzaakt onder ogen te zien, dat we gevangen zitten en dat we een uitweg willen zoeken.

En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte.
Die hulp komt door bemiddeling van Mozes. Hij realiseert zich dat hij niet thuis hoort bij de Farao en zijn staf, maar bij de onderdrukten, en hij besluit te kiezen voor hun bevrijding en de verlossing. In de Hagada wordt hij niet genoemd, om alle eer aan de Eeuwige te schenken, die Mozes als zijn spreekbuis heeft gekozen.
Allegorisch gezien is Mozes de innerlijke gids, die als krachtig brandpunt zich in ons openbaart en diep in ons weet wat het beste is om te doen:op weg gaan naar bevrijding uit onze oude beperkende gedachten en gedragspatronen. Als we open staan voor die stem - vaak hoor je hem nauwelijks, je moet je afstemmen om er contact mee te krijgen - dan krijg je een idee over de weg die te gaan is.
Soms zijn verliezen, ziekten, kortom: de plagen (in het hebreeuws de makot ) nodig om het ego (‘Farao') te brengen tot erkenning, dat niet hij maar G-d is te dienen. Dan pas komt Farao ofwel het ego ertoe om ons diepste verlangen vrij te laten, het verlangen om op weg te gaan naar wie we in wezen zijn.
Dan ligt de leegte van de woestijn open. De problemen zijn nog niet voorbij, maar het zijn onze eigen authentieke problemen. De zekerheid van de slavernij hebben we niet meer en iedere dag moeten we opnieuw vertrouwen schenken. 

(1) Zie o.a. de zogenoemde  ‘ Brede Hagada ' van het Verbond voor Progressief Jodendom onder 8 e.v.

RC 2017

Wilt u reageren op dit commentaar? Graag! Klik hier .

Parashat Tsav ,   Wajikra / Leviticus 6: 1-8:36
Offer

Evenals in de parasja Wajikra bevat de parasja Tsav (Draag op …) regels over het offeren. Tevens wordt beschreven, hoe Mosjee zijn broeder Aharon en diens zonen tot priester heeft gewijd.
Wij offeren dieren en graanproducten niet meer, sinds de tempel niet meer bestaat en het lijkt erop dat onze geestelijke ontwikkeling aan dierenoffers voorbij is.

Wel kunnen wij uit de beschrijving van de offerdienst soms allegorisch nog inzichten uitdiepen. In het Toracommentaar van Harvey Fields (1) worden een paar van die inzichten genoemd. Zo noemt hij Wajikra/Leviticus 6:5, het vuur op het altaar moet altijd brandende worden gehouden, het mag niet uitgaan. Zo moet onze toewijding, onze aandacht actief blijven en gericht op Tora leren, gebed en tsedaka en ik zou willen toevoegen: gericht op ontvouwing van het beste in ons op elk moment.

Het begrip offer zelf is niet verouderd. Het begrip offer in de zin van het afstaan en aanbieden van iets dierbaars of kostbaars voor een doel dat boven ons eigen belang uitgaat of voor het herstel van de verbinding tussen ons en de schepping om ons heen (of met de Schepper, als u daarin gelooft) heeft nog alle actualiteit.

Laten we eens proberen een lijstje van soorten “eigentijdse” offers te maken.   Als offer zou je kunnen worden aanmerken:
- het ophouden met verslavingen. Het offeren van de dierbare sigaretten, de onmisbaar geachte slok alcohol, overmatig eten, automatisch op de bank televisie kijken.
- het afstappen van telkens terugkomende negatieve gedachten over Zelf en Anderen
- het afstappen van gewoonten die schadelijk blijken te zijn voor het milieu. Denk aan de auto. Bewuster omgaan met energie in het belang van het milieu.
- het een keer niet uitspreken van een (zogenaamde) waarheid uit compassie met een ander, een keer niet je winst binnenhalen, je succesvolle act uitspelen e.d., het belang van het groeiproces van een ander laten wegen boven je eigen scoren.
- het afstaan van iets kostbaars voor een hoger doel, een flink deel van je inkomen of vermogen schenken aan een ander belang dan jezelf, je kind, je groep, een goed doel.

Het grootste offer is het offeren van je leven, kiddoesj Hasjem , zoals de dappere zioniste Hanna Senesh, die in 1943 vanuit Israël weer naar haar geboorteland Hongarije is gegaan om bij de partizanen mee te werken aan de redding van Joden uit de Duitse handen. Ze is opgepakt en na wrede martelingen, waarbij ze geen namen prijs gaf, geëxecuteerd.

Volgende week is het Pesach, het feest, dat wellicht is ontstaan uit het lentefeest van de herders, die de eerstgeboren lammetjes offerden, en dat nu het een feest is geworden van bevrijding, van uittocht uit de slavernij. Dat Pesach samengaat met de parasja Tsav lijkt niet zonder zin. Het offer wil de voorwaarden te scheppen voor verzoening en vernieuwing. Het offer beoogt om een innerlijke en tussenmenselijke plek te maken, die onbezoedeld is, ruim en open, waarin de gemeenschap zich kan vernieuwen tot een nieuwe etappe in de levensweg.

Noot
(1) Fields, Harvey J., Een Toracommentaar voor onze tijd , Vol. 2 Exodus and Leviticus, Stichting Sja'ar, 2003 .

Herzien 2017 RC

Parasjat Wajikra Wajikra/Leviticus 1:1 – 5:26
Roeping

et derde boek van de Tora – na Beresjiet en Sjemot - heet Wajikra (Leviticus). De eerste parasja heeft dezelfde naam: Wajikra – Hij riep - en bestaat uit de hoofdstukken 1-6.   een uitgebreide beschrijving van de verschillende soorten offers, brandoffers, vredeoffer, meeloffers, zondeoffers en schuldoffers. In talmoed en midrasj zijn de voorschriften over de offers, tempeldienst, de priesters en de levieten tot in detail verder uitgewerkt en becommentarieerd
Na de verwoesting van de tweede tempel is de offerdienst vervallen.
Voor de praktiserende - met name liberale - Joden hebben studie, gebed en goede daden de plaats van de animale offers ingenomen. Toch zijn in en onder de oude woorden onverwachte betekenissen te destilleren. Alleen al de eerste zin geeft aanleiding tot vele gedachten.

Die eerste zin van de parasja luidt (HSV):' De Eeuwige riep ? ( ??????????, Wajikra ) Mosjee en sprak tot hem ( jedaber ) vanuit de ? tent ? van ontmoeting: Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen etc.'
In de midrasj werd gesignaleerd, dat er eerst een roepen is en dan pas het spreken; kriya gaat voor dibboer .(1) Dat doet denken aan twee eerdere gevallen, waarin Mosjee eerst werd geroepen om dan pas te horen wat de Eeuwige hem te zeggen had. De eerste ‘roeping' vindt plaats als Mosjee, gevlucht uit Egypte, als herder in afgelegen streken zijn kudde hoedt en bij de brandende doornstruik kennismaakt met zijn levensopdracht, de Israëlieten uit Egypte te leiden. Sjemot 3:4:'Toen de Eeuwige zag dat hij (Mosjee) ging kijken (naar de brandende doornstruik), riep (wajikra) God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: ? Mosjee , ? Mosjee ! Hij zei: Zie, hier ben ik (Hinenni)!'
De tweede ‘roeping' klinkt als Mosjee wordt gemaand de berg Sinaj te bestijgen om daar de woorden van de Tora te ontvangen. Sjemot 19:3: ‘ De Eeuwige riep ( wajikra ) tot hem vanaf de berg: Zo moet u tegen het ? huis ? van ? Jaäkov ? zeggen en de Israëlieten verkondigen etc.'

Duidelijk gaat het bij dit roepen steeds om kardinale momenten in het leven van Mosjee en tegelijk om richtingbepalende openblikken in de ontstaansgeschiedenis van het volk van Israel, mijlpalen, die worden ingeluid door een roepen.
Zo ook bij de derde ‘roeping'. Wanneer de tabernakel is voltooid daalt de presentie van de Eeuwige is neer, zoals beschreven aan het eind van Sjemot/Exodus (40:34). In Wajikra/Leviticus wordt de draad meteen weer opgenomen en is er weer zo'n moment aangebroken: vanuit de net voltooide misjkan wordt - Mosjee geroepen. De midrasj zegt, dat dat met met dezelfde woorden gebeurde als in Sjemot 3:4, ‘Mosjee, Mosjee', beantwoord door de geroepene met Hinenni , hier ben ik'. Als Mosjee de tabernakel dan is binnengegaan klinkt de boodschap van de Eeuwige vanuit het binnenste van de misjkan en onthullen zich de vele voorschriften over offers en reinheid, maar ook geboden als ‘heb je naaste lief als jezelf'.

Dat roepen is een oproep om werkelijk met hart en ziel te gaan luisteren, een wake-up call om aan te geven, dat een belangrijke boodschap op het punt van doorbreken is. De middeleeuwse meester Rasji hoort in de oproep een toon van genegenheid ( chava ) doorklinken
Kunnen we dat nog transponeren naar ons eigen leven, in die roerige moderniteit, die zo anders is als het seminomadische leven in de steppen met zijn semitheocratische leiderschap?
Worden wij nog met onze naam geroepen vanuit een binnenste? Worden wij nog met genegenheid vanuit een hoogte of een diepte gemaand om met hart en ziel te luisteren naar dringende boodschappen, die gehoord willen worden om ons richting te wijzen in ons leven?

Noot
(1) Sifra, Vayikra Dibbura d'Nedavah, Chapter 1:1`

Wajakhel-Pekoedee   Sjemot 35:1- 40:38
De misjkan als blauwdruk

De parasjot Wajakhel en Pekoedee – in de meeste kalenderjaren tezamen gelezen – beschrijven hoe en met welke materialen de misjkan (tabernakel) wordt gebouwd en op welke wijze, met welke materialen en op welke wijze bewerkt de attributen daarin worden samengevoegd en gemaakt, zoals de altaren, de ark, de menora, de tafel met de toonbroden, het wasbekken etc. In de parasjot Teroema en Ki tisa zijn al de uitgebreide instructies beschreven die Mosjee op de Sinaj had ontvangen, nu wordt in grotendeels gelijke bewoordingen in detail beschreven, dat ze ook zo worden uitgevoerd onder leiding van de prototypische kunstenaar en ambachtsman Betsalel.
Dat de uitgebreide beschrijvingen in Teroema en Ki tisa in de onderhavige parasjot weer in detail worden herhaald (alles bij elkaar wel een derde van Sjemot) berust volgens Umberto Cassuto op de narratieve gewoonte uit die periode in het Midden-Oosten om wanneer een voorbereiding uitgebreid is beschreven niet te volstaan met een ‘en zo gebeurde het'.(1)
Er gaat een literaire en bijna sacrale kracht uit van deze repetitieve opzet: wat door de Ene zo is gewild is ook precies zo uitgevoerd. De triomf van wat met deze geweldige inzet is bereikt wordt nog eens in een sterke en mooie stijl onderstreept . Wat begonnen is als een zwerftocht van een berooide massa van net vrijgelaten slaven vindt zijn bekroning in deze artistieke en ambachtelijke krachttoer.

De misjkan bestond uit een grote omheinde ruimte, de voorhof, met achterin de tent der samenkomst (ohel moëed ), die weer bestond uit twee ruimten, de achterste ruimte was het heilige der heilige waar de ark stond en de voorruimte bevatte de menora, de tafel met de toonbroden en het gouden reukaltaar. In de voorhof stond het koperen hoofdaltaar.
In de sfeer van de kabbala wordt de misjkan ook opgevat als een soort spirituele blauwdruk van de kosmos en de mens. In een uileg van Rabbenoe Bachya (2) kunnen we deze drie ruimten zien als vertegenwoordigend de drie onderdelen van het universum: de wereld van de engelen (het heilige der heilige), de wereld van de hemellichamen (de voorste ruimte van de tent) en onze wereld (de voorhof). Het bestaan op aarde is eveneens onderverdeeld in drie onderscheiden afdelingen, resp. de schepselen die kunnen communiceren, de planten en dieren en de onbezielde natuur. Ook in de mens zijn drie lagen te bekennen, Corresponderend met het heilige der heilige in de mens is het hoofd, dat via de hersenen de toegang tot wijsheid bezit; corresponderend met de voorste ruimte in de ohel moëed is het levengevende hart en corresponderend met de voorhof is het onderlichaam, waaruit het leven voortkomt en waarmee dus ook de dood is gegeven.

Wat mij aanspreekt is de indeling van de misjkan te zien als een schema van de staat van existentieel bewust zijn. De voorhof is dan de sfeer van ons dagelijks bewustzijn, met zijn beslommeringen van alle dag, van de grotere en kleinere interacties met de omgevende wereld, met zijn zorgen en zijn vreugden, zijn eindeloos gepieker en zijn creatieve invallen. In de voorruimte van de tent begint de inkeer, het diepere schouwen, het is de plaats van gebed en meditatie, waarbij de focus op het licht van de menora, de rijkdom van het brood en de geurige adem van het gouden reukaltaar kan helpen. Dan is de stap in de ruimte van het heilige der heilige soms gegund, het oord van een blij vermoeden, van alomvattende vergeving, van het verticaal reikend contact met de bron van het bestaan, welke naam je er ook wel of niet aan wil geven..

In de midrasj wordt de creatie van de misjkan wel gesteld naast de schepping van de wereld, zoals beschreven in Beresjiet/Genesis 1-2:3.(3). De gelijkenissen klinken soms geforceerd, - zo wordt de inzameling van het water in de zee in Beresjiet/Genesis 1:3 vergeleken met de vervaardiging van het wasbekken. Maar zeker frappant is de parallel van Sjemot/Exodus 39:43 met Beresjiet/Genesis 2:2-3. Sjemot 39:43 (vertaling Dasberg): ‘Mosjee overzag het gehele werk; ja, zij hadden het tot stand gebracht! Zoals de Eeuwige het Mosjee bevolen had, zo hadden ze het gedaan. Toen zegende Mosjee hen'. In gelijksoortige woorden wordt de voltooiing van de schrapping van het universum beschreven: Beresjiet/Genesis 2:2-3 (NBV) ‘Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. Op de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte Hij van het werk dat hij gedaan had.  God zegende de zevende dag en verklaarde die ?heilig, want op die dag rustte Hij van heel zijn scheppingswerk'.
De zegen, die Mosjee uitsprak wordt uitgebreider beschreven in Bemidbar/Numeri 7:1: ‘Op de dag waarop ?M o zes? de laatste hand legde aan het opbouwen van de ?tabernakel, zalfde hij die, met alle toebehoren, en ook het ?altaar? en het altaargerei; zo heiligde hij alles'. 
Rasji ad locum verschaft ons de woorden, die de oude leider daarbij heeft gesproken; dat waren volgens deze bijbelcommentator de mooie woorden van psalm 90, pasoek 17 (HSV): ‘De lieflijkheid van de Eeuwige, onze God, zij over ons; bevestig het werk van onze handen over ons, ja, het werk van onze handen, bevestig dat.

noten

(1) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Exodus, The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998, p. 478
(2) Bv Daat Zkenim op Exodus 38:25:1
(3) Rabbenoe Bachya, parafrase van een citaat in Shney Luchot HaBrit, Terumah, Torah Ohr 34.op sefaria.org. Er zijn overigens twee Rabbeinu Bachya's in de geschiedenis: Rabbeinu Bachya Ibn Pakuda (11 e eeuw) en Rabbeinu Bachya ben Asher (14 e eeuw). Ik vermoed, dat de laatste hier is bedoeld.

Parasjat Ki Tisa Sjemot/Exodus 30:11-34:35

Een spoor

Alom bekend in deze parasja is het verhaal over de afvalligheid van een deel van het volk rond het gouden kalf. In de nasleep van deze traumatische gebeurtenis heeft Mosjee in een lang proces en met inzet van zijn eigen heil verzoening met de Ene zeker gesteld. Aangemoedigd door diens gunstige gestemdheid doet Mosjee een opmerkelijke stap. Hij vraagt hij om de goddelijke verschijning ( kewodècha ) te mogen zien (Sjemot/Exodus 33: 18).
Regelmatig heeft Mosjee de auditieve ervaring van de nabijheid van de Ene, die met zijn middelaar spreekt zoals iemand met zijn vriend spreekt' (Sjemot/Exodus 33:11). Maar nu vraagt Mosjee om een visuele ervaring van de essentie ( paniem ) van de Ene. Het zou hem een hart onder de riem steken als de Ene substantieel zichtbaar deel zou blijken uit te maken van de menselijke verschijningswereld. Hoe herkenbaar is dat: een zeker bewijs willen hebben van Gods bestaan. En de ogen zijn toch het meest zekerheid biedende zintuig. Misschien moeten we dit ‘willen zien' opvatten als: willen begrijpen van Zijn essentie.

Maar dat staat de Ene toch niet toe, ‘want geen mens kan Mij zien en in leven blijven'. Hij zal Mosjee op een rots zetten en aan hem voorbij gaan, maar het gezicht van Zijn vriend zal Hij bedekken. Dan volgt: ‘Als Ik dan Mijn handen wegneem, zal je zien wat achter Mij is. Maar Mijn aangezicht mag niet gezien worden' (Sjemot 33:23).

Een mysterieuze en intrigerende zin. In Zijn voorbijgaan is de Ene voor de zinnen afwezig – absolute kennis is niet mogelijk, mag je misschien zeggen - maar In wat achter Hem is, daar waar Hij voor altijd voorbij is, daar waar Hij niet meer is, daar is blijkbaar wel iets waar te nemen. Het is een paradox, die de poging dit met woorden te begrijpen hardnekkig uitdaagt. Dat ‘achter Mij' ( achoraj ), wat is daar dan te kennen?
Een vrome Talmoed Rabbijn zegt: Hij liet de knoop van de Tefillien op het achterhoofd zien (Berachot 7a). De middeleeuwse Rasjbam zegt: het gaat om Gods attributen. Over welke dat zijn (bijv. eenheid, almacht, wijsheid, compassie) is veel getheologiseerd. Een modern commentaar (1) zegt eenvoudig: ‘daden en acties die het bestaan en de aard van God openbaren'.

De Joodse filosoof Emmanuel Levinas ziet in deze raadselachtige zin een hoeksteen voor zijn filosofie. Levinas: ‘Hij toont zich alleen door zijn spoor, zoals in het boek van de Uittocht hoofdstuk 33' (2). Voor Levina is het begrip ‘spoor' een manier om de relatie tussen de onkenbare God en de wereld van de mens te benaderen. Waar deze filosoof zich ophoudt in het grensgebied van wat gedacht en gesproken kan worden, moet men mij ten goede houden als ik zijn behoedzame en eigenzinnige termen als volgt probeer samen te vatten. Dat ‘achter Mij' Mij' in Sjemot/Exodus 33:23 wil zeggen dat de Ene een spoor achterlaat. God als zelfstandig ervaarbare entiteit in de menselijke wereld afwezig. Hij is ‘voorbij gegaan'. Het spoor, dat Hij achterlaat wijst niet naar Hem, maar wel naar al de anderen. Zijn spoor verschuilt zich in het gelaat van de ander, het gelaat dat mijn zelfgenoegzame wereld doorbreekt en mij oproept tot een relatie van dienstbaarheid. Met deze eigenlijk onmogelijke samenvatting laat ik je achter, in de hoop dat een en ander je toch positief te denken geeft.

noten
1. The Torah, a modern commentary , editor W. Gunther Plaut , p. 601. Over deze ‘theofanie' zegt hij opmerkelijk genoeg verder niets.
2. Emmanuel Levinas, Het menselijk gelaat , (tweede deel: Filosofie van het menselijk gelaat), Ambo, 1969, 1987, p. 191.

RC 2017, bewerking uit Rob Cassuto . Reizen door de Tora Van het begin naar de berg: Genesis en Exodus , Mastix Press, 2016

Parasjat Tetsavee  Exodus/Sjemot 27:20 - 30:11
Sjabbat zachor, Amalek, Poeriem  en antizionisme

Vaak valt de parasja Tetsavee vlak voor Poeriem en er wordt dan gelezen uit een tweede sefer Tora. Het is 'sjabbat zachor', een van de vier speciale sjabbatot voor Pesach. Zachor (herinner!), omdat dan wordt opgeroepen niet te vergeten, dat er van de verraderlijke Amalekieten niets op aarde mag blijven herinneren. Gelezen wordt dan:
Deuteronomium: 25:17:   Vergeet niet wat de Amalekieten u hebben aangedaan tijdens uw tocht uit Egypte. 18  Toen u uitgehongerd en uitgeput was hebben ze gewetenloos, zonder enig ontzag voor God, de achterhoede overvallen, waar de zwaksten zich bevonden. 19  Vergeet het niet! En wanneer straks de Eeuwige , uw God, u vrede heeft gegeven in het land dat u als grondgebied van hem krijgt, door u te verlossen van de vijanden die u omringen, zorg er dan voor dat niets op aarde nog aan het volk van Amalek herinnert.  

De haftara (aanvullende profetenlezing) bij deze parasja is dan ook I Sjmoeël 15:2-34. De profeet Sjmoeël herinnert koning Sjaoel aan dit gebod en beveelt de koning oorlog te voeren tegen Amalek en alle Amalekieten inclusief hun vee om te brengen. Sjaoel voert deze order niet honderd procent uit en spaart na zijn overwinning op de Amalekieten hun koning Agag.   De profeet Sjmoeël is woedend. Radicaal en resoluut onthoofdt de spirituele leider de hem voorgeleide Agag.  
Zo komen we bij Poeriem. Er was toch nog een afstammeling van koning Agag overgebleven, die kans zag eeuwen later de Joden, die ooit uit het heilig land naar Babylonië weggevoerd en nu in het Perzenrijk levend, in het nauw te brengen, Dat was Haman, de grootvizier van de koning van Perzië, wiens snode genocidale plannen door Mordechai en Ester werden verijdeld; die uitredding wordt gevierd met Poeriem, het feest dat in deze tijd met veel vrolijkheid en lawaai wordt gevierd en in de toekomst gevierd zal worden, zelfs nog in de tijd, als de masjieach is gekomen.

In alle hilariteit van Poeriem beseffen we toch dat het hier gaat om verijdeling van de eerste poging – afgezien van die van de farao – de Joodse minderheid systematisch te elimineren. In mijn bewerking van het verhaal van Ester heb ik in de pleitrede van Haman bij de Perziche koning om de Joden uit te roeien passages van Luther, Hitler en Ahmedinejad ingevoegd, die daar naadloos passen.
Tegenwoordig is antisemitisme bepaald geen afnemend fenomeen. Actuele rapporten wijzen op alarmerende stijging, zoals het CFCA rapport over 2016 ..
Een relatief nieuwe manifestatie is antisemitisme, vemomd als antizionisme.
Nuttig is dan kennis te nemen van de voorbeelden daarvan uit de werkdefinitie van antisemitisme, zoal opgenomen op de website van het European Forum on Antisemitism :

het Joodse volk het recht op zelfbeschikking ontzeggen, bijvoorbeeld door te stellen dat het bestaan van de staat Israel een racistische onderneming is;

het meten met twee maten door van Israel gedrag te verlangen dat niet wordt verwacht of geëist van enig andere democratische staat;

het gebruiken van symbolen en beelden die verbonden zijn met klassiek antisemitisme (bv. beweren dat de Joden Jezus hebben vermoord, of het bloedsprookje) om Israel of Israëli's te typeren;

vergelijkingen trekken tussen het hedendaags Israëlische beleid en dat van de Nazi's;

Joden collectief verantwoordelijk houden voor de daden van de staat Israel. 

Echter, kritiek op Israel die vergelijkbaar is met kritiek tegen een ander land kan niet worden beschouwd als antisemitisch.

RC mrt 2017

Parasjat Teroema   Sjemot/Exodus 25 - 27:20
Een Grote Designer: de Menora  

Korte inhoud

In de parasja Teroema krijgt Mosjee opdracht om aan het volk te zeggen, dat het gaven ( teroema ) moet geven, allerlei kostbaarheden, ieder zoals zijn hart hem ingeeft. Van deze gaven zal een heiligdom gemaakt worden; verder wordt beschreven hoe de te vervaardigen heilige arke, ha-aron ha-kodesh , de rituele objecten en verder de tent der samenkomsten, de misjkan , eruit moeten gaan zien. Dit alles volgens de modellen zoals aan Mosjee op de berg getoond. In groot detail worden uiterlijk, soorten materialen en afmetingen bladzijden lang beschreven. Onder andere de tempelkandelaar of lampenstandaard, de menora.

De menora  

We lezen in de verzen 25 en verder, dat Mosjee de opdracht krijgt een lampenstandaard te doen maken van zuiver goud volgens de aan hem gegeven richtlijnen. De schacht moest zes zijarmen hebben: drie aan de ene kant en drie aan de andere kant, versierd met amandelbloesem, op elk van de zes armen en de schacht een aantal kelken en knoppen en bloemblaadjes. Zeven lampen moesten worden gemaakt om op de armen te zetten, de snuiters en bakjes moesten ook van zuiver goud zijn. De voet, de schacht, de kelken, knoppen en bloemen moesten uit één stuk worden gedreven.  
En zo werd het gemaakt door een bekwame kunstenaar, die met name genoemd wordt: Betsalel, het archetype van de Joodse kunstenaar. Zijn naam betekent ‘in de schaduw van God'. In Jeruzalem draagt de naar hem genoemde Betsalel kunstacademie zijn naam voort.  
Daarmee is een attribuut van grote schoonheid ontstaan. De lijnvoering van de stam en zijn armen is krachtig en bevredigt ergens diep een gevoel van harmonie. De uitwaaiering vanuit één fundament naar zeven eindpunten, die met licht bekroond worden, resoneert met een archetypisch beeld van groei en bloei naar het licht. Kennelijk is hier een Grote Designer aan het werk geweest.  

Spiritueel symbool

De overlevering wil, dat de kandelaar verwijst naar de zeven dagen van de week. Ook wordt van oudsher verteld, dat de zeven armen de zeven hemellichamen vertegenwoordigen, de zon, de maan, en de vijf planeten die in de oudheid bekend waren.  
En dan is er natuurlijk het licht van de lampen als verwijzing naar de goddelijke presentie. Even een kleine excursie in verband met de polariteit licht vs donker.  
De exoterische traditie stelt graag de dominantie van het divine licht centraal. Maar sommige Joodse mystici, kabbalisten, zien het krachtigste licht ontspringen uit de donkerte, waarin ongekende scheppende kracht wacht op transformatie. Zo wijzen ze op de dubbele betekenis van de naam Betsalel, de archetypische kunstenaar uit deze parasja, die de menora heeft vervaardigd. Betsalel kan zowel ‘In de schaduw van God' betekenen als ook ‘In de schaduw – in de donkerte – is God'. Het machtigst is het licht komt uit de duisternis, is hun overtuiging, zoals de ‘schitterende bloem met haar delicaat gekleurde blaadjes groeit uit donkere grond, gevoed door wormen, afval en verval. En zoals diamanten, die oorspronkelijk zwarte kool zijn, hun schoonheid danken aan intense druk' (1). Hier raken we aan de joodse esoterie, zo niet aan ketterse regionen, waar reguliere rabbijnen hun wenkbrauwen fronsen.  

De profeet Zecharja zag de menora in zijn droom (Zecharja 4:1–7). Zo beschrijft hij het: ‘De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt. Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. Hij antwoordde mij: dit is het woord van de Eeuwige : “niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest” zegt de Eeuwige van de heerscharen.'
En dat beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen is geworden tot een veel gebruikt meditatie object. Het wordt gecombineerd met de zin uit psalm 16 vers 8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', zeg maar een joodse mantra: Sjiviti Hasjem lenegdi tamied en zo wordt die afbeelding ook genoemd: een ‘Sjiviti', hij hangt als beeltenis in vele synagoges en het beeld wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor het tekenen en schilderen van meditatieve afbeeldingen en als object voor meditatie.  

Heilig attribuut en oorlogsbuit

Hoe verging het deze imposante tempelkandelaar met zijn pakkende zevenarmige vorm na zijn schepping verder? Vanaf zijn plaatsing in de tabernakel begon het heilige attribuut een grillige reis door de geschiedenis. In de tempel van Sjlomo haMelech kwam hij te staan en in de tweede tempel van Ezra en in de gerenoveerde tempel van Herodes, misschien niet steeds hetzelfde exemplaar, maar toch steeds in zijn rol als heilige lichtbrenger. Heel lang blijft hij onvermeld en onafgebeeld, tot hij opeens onmiskenbaar opduikt in de verhalen van geschiedschrijver Flavius Josephus over de Joodse oorlog in de eerste eeuw en op de triomfboog van keizer Titus, die hem na de verwoesting van de tempel in Jeruzalem in 70 van de westerse jaartelling in triomf naar Rome heeft gebracht.   
Daar verbleef hij vermoedelijk in de tempel van de vrede. Tot de Vandalen in de vijfde eeuw Rome plunderden en hem meenamen, overzee naar Carthago. En wat er toen mee gebeurde is speculatie en zou stof kunnen geven voor spannende romans à la Dan Brown. Eén versie luidt dat het vandalenschip is gezonken en dat de originele menora ergens op de bodem van de Middellandse zee rust.  

Herleving als nationaal symbool  

Is het unieke fysieke exemplaar niet meer onder ons, wel is de menora al die eeuwen het symbool van het Jodendom geworden, tezamen met de davidsster, in het hebreeuws mageen dawied , wat betekent schild van David en inderdaad zegt de legende dat koning David die ster op zijn schild had staan.  
Had aanvankelijk de menora als symbool terrein verloren aan de davidster, nieuw leven kreeg zij als symbool van het in de negentiende eeuw herlevende zionisme. Het zogenaamde Joodse Legioen, dat in de eerste wereldoorlog met opmerkelijke dapperheid voor de Engelsen meevocht tegen het Ottomaanse rijk had de menora op zijn baret staan met daaronder het woord kadima , voorwaarts! Veel bekende zionisten telde dat legioen, waaronder de stichter Zeëv Jabotinsky en Ben Goerion, de eerste premier van Israel. Nu staat de menora in het wapen van de staat Israel en staat de Davidsster op de vlag.   En voor het Israëlische parlement, de Knesset, staat een reusachtige menora van steen met in reliëf allerlei verbeeldingen uit de lange Joodse geschiedenis.  

De vorm van de Menora wordt heel vaak gebruikt als model voor de Chanoekakandelaar. Deze heeft echter 8 lichten en een 'aansteeklicht'. Strikt genomen is de Chanoekakandelaar geen menora en hij kan en mag ook een heel andere vorm hebben, naar inzicht van de kunstenaar die hem ontwerpt.  

RC herzien 2017

Parasjat Misjpatiem   Sjemot/Exodus 21:1–24:18
Een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf

Deze parasja wordt wel ‘het boek van het verbond' genoemd. Immers het grootste deel van de parasja bestaat uit allerlei belangrijke regels (Sjemot/Exodus 21-23), deels een uitwerking van de Tien Woorden. Achtereenvolgens komen aan de orde: regels betreffende slaven, kwetsuren en toebrenging van lichamelijk letsel, verantwoordelijkheid voor schade, diefstal, onrechtmatige begrazing en brandschade op het veld, regels rond bewaring, verleiding van maagden, goddeloze gewoonten, liefde voor en solidariteit met vreemdelingen, armen, weduwen en wezen, aanbod van eerstelingen, regels rond juist gedrag (m.n. inzake hulp aan de naaste, getuigenissen,  
omkoping), regels betreffende heilige tijd (joveeljaar, sjabbat, de drie pelgrimsfeesten).  
Na een brugstuk met waarschuwingen en beloften van de kant van de Eeuwige komt dan het ritueel van verbondssluiting in zijn verschillende fasen: de oprichting van een altaar en de twaalf stenen, voor ieder van de twaalf stammen een, het voorlezen van het verbondsboek, de ontmoeting van Mosjee, de zeventig oudsten van Israël, Aharon en zijn twee zonen Nadav en Avihoe met een goddelijke verschijning en een aansluitende sacrale maaltijd.

Die goddelijke verschijning is eigenlijk een mysterieuze en intrigerende passage. In hoofdstuk 24 pasoek 9, 10, lezen we (HSV: ‘Hierna ging Mozes de berg op, samen met Aharon, Nadav, Avihoe en zeventig oudsten van het volk, en zij zagen de God van Israël ‘ ( Elohee Jisrael staat er). ‘Onder zijn voeten was er iets als een plaveisel van saffier, helder stralend als de hemel zelf. ' Hebben d e Israëlitische oudsten daar werkelijk ‘de God van Israel' gezien?
Dat zou in tegenspraak lijken te zijn met Sjemot/Exodus 33:20, waarin de aanschouwing Gods niet levend kan plaatsvinden: ‘…want geen mens kan Mij zien en in leven blijven.'

Oude wijzen hebben zich daarover het hoofd gebroken. Velen hebben aangenomen, dat er werkelijk een met dodelijk risico opgedane zichtervaring door de oudsten heeft plaatsgevonden. Ze hebben deze paradox opgelost door dit zien van ‘Elohiem' op te vatten als een staaltje van overmoed, zeg maar choetspa . Rasji concludeert bijvoorbeeld: 'Zij keken bewust en staarden met aandacht en maakten zich zo vatbaar voor de dood.' Die dood komt niet onmiddellijk, maar later, want zo zegt de 11 e -eeuwse wijze: ‘G-d wilde de vreugde van (het ontvangen van) de Tora niet verstoren (…) en wachtte daarom om Nadav en Avihoe pas te straffen op de dag dat de Tabernakel werd ingewijd. (Wajikra/Leviticus 10:1, waarin deze twee vanwege ‘vreemd vuur' door Gods bliksem werden getroffen). Wat betreft de oudsten (wachtte Hij) tot wat is beschreven in Numeri/Bemidbar 11:1: ‘Het volk begon de De Eeuwige zijn nood te klagen. Toen de Eeuwige dat hoorde ontstak hij in woede, en het vuur van de Eeuwige laaide op en verteerde de uiterste rand van het kamp', en die rand zou dan betekenen: ‘de leiders van het kamp' (1). Rambam (Maimonides) volgt in zijn eigen bewoording deze kritische toon in de uitleg van Rasji (2).
Ik vind het erg onbevredigend dit ‘zien van Elohee Jisrael' zo negatief op te vatten. Verder krijgt je sterk de indruk, dat het kloppend maken van het strakke paradigma van de Eeuwige als straffer en beloner voor de middeleeuwse meester Rasji belangrijker is dan het in overweging nemen van de mogelijkheid, dat het verhaal een werkelijk mystiek inzicht wil vertolken.
Overigens wordt geen enkele clue gegeven over het aanzicht van de Godheid. Wel geeft pasoek 10 een poëtische beschrijving van wat er onder Zijn voeten was: ‘ iets  als plaveisel van ?saffier, zo helder als de hemel zelf (k-maäseh livnat ha-sappir ). Rasji associeert dit plaveisel met het metselwerk van stenen uit de slaventijd van Egypte: ‘een herinnering aan de onderdrukking van Israël, want ze werden onderworpen aan het doen van metselwerk'. In meer mystieke richting gaat de uitleg, die deze gemetselde plaveiselstenen van helder saffier ziet als een stolling van Gods inleving (mee-beleving) in de geleden pijn van Israël, een pijn die, als hij gezien is, getransformeerd wordt naar verlossing en immense vreugde, als ware het een heldere en stralende hemel (3)

Martin Buber in zijn boek over Mosjee (4) tracht door te dringen tot de werkelijke ervaring van de zeventig oudsten; hij oppert dat hier niet de Ene werkelijk gezien is maar wel een overweldigende uitstraling – onder woorden gebracht als die hemels-heldere tegels of plaveiselstenen van saffier- die met de goddelijke presentie gelijkgesteld en als zodanig ervaren werd. Die ervaring is begrijpelijk als we beseffen door welke diepingrijpende ervaringen het volk is heen gegaan. En zonder twijfel is die de ervaring van straling ondersteund door de plechtige rituelen en offerplechtigheden die hadden plaatsgevonden te midden van de overweldigende natuur en onder bijzondere atmosferische omstandigheden. Het gaat om een mystieke ervaring zonder welke een religie een loos omhulsel blijft.
Ik denk, dat wij mensen – uitzonderingen daargelaten - im Gründe een onderstroom van verlangen hebben naar een transcendente ervaring, een sublieme ervaring van licht, een onthulling van alomvattend weten, dat ons klein individueel bestaantje te boven gaat. De atheïst annex rationalist heeft besloten dit verlangen radicaal te onderdrukken of te negeren, de agnost heeft besloten maar geen moeite te doen om dit verlangen te onderzoeken, de fundamentalistisch gelovige houdt te vroeg op dit verlangen te onderzoeken ten faveure van een staalvaste waarheid, de ‘vrije religieuze mens' – als ik het zo mag zeggen – omarmt dit verlangen als een essentieel bestanddeel van zijn mens zijn, onderzoekt het, twijfelt, wanhoopt, veert weer op, vuurt het aan en houdt hoofd en hart open voor wat hem daarin tegemoet kan komen.

Pasoek 24:11 bevat het slotakkoord van deze diepe collectieve en lotsbepalende ervaring, de slotmaaltijd: ‘Hij strekte Zijn hand niet uit naar de aanzienlijken van de Israëlieten. Nadat zij God gezien hadden, aten en dronken zij.'   Scherpslijpende rabbijnen zien hier een grove ongemanierdheid in van mannen, die op het spirituele pad nog veel te onervaren waren (5). Maar de passage wil m.i. alleen maar zeggen: ze behielden ondanks deze grootse grens-belevenis het leven, want een intense spirituele ervaring is niet zonder gevaren. Maar ook: de grootste mystieke beleving sluit de volstrekt aardse genieting niet uit en heiligt deze juist. Dat heeft het Joodse volk met vele andere gemeen: heiligheid en een goede maaltijd gaan vaak samen.

noten

(1) commentaar van Rashi op vers 24:10 (in navolging van Midrash Tanchuma Behaälotcha 16), uit het Engels vertaald van   www.chabad.org  
(2) Guide for the Perplexed, Part 1 5:3
(3) aldus een passage van Rav Simcha Zissel hierover, zoals geciteerd en uitgelegd door Rabbi Ira Stone in zijn boek over Mussa: Ira F. Stone, A Responsible Life: The Spiritual Path of Mussar , Aviv Press, 2006
(4) Martin Buber, Mozes, Servire, 1970, p.122 ev
(5) Zoals de opvolgers van Rasji in Akeidat Yitschak bij een beschrijving van de slechte invloed van alcohol op rechters en wetgevers: ' De Tora heeft kritiek op de oudsten, die terwijl ze een visoen van God hadden, intussen aten en (wijn) dronken. Ze worden beschreven als mensen, die hun broodje eten terwijl ze op audentie zijn bij de koning ( Exodus Rabbah 15 )

RC feb 2017

Parasjat Jitro  
Sjemot/Exodus. 18:1 – 20:23
Een goed advies 

De parasja Jitro begint met het bezoek van de schoonvader ( choten ) van Mosjé, en beschrijft daarna de eerste fasen van de wonderlijke gebeurtenissen op en rond de berg Sinaj, waaronder de uitroep van de Tien Woorden (tien geboden). (1)  

Het gedeelte over het bezoek van Jitro (Sjemot 18:1-27) valt op als een aparte story, die ingevlochten is vlak na de slag met de Amalekieten en vlak voor het grote gebeuren rond en op de heilige berg Sinaj. Volgens Rasji en andere oude rabbijnen (2) vond het bezoek van Jitro plaats nadat Mosjee de Tora had ontvangen en had gepresenteerd aan het volk. Immers in Bemidbar/Numeri 10:29, als de Israëlieten van de Sinaj na twee jaar verblijf aldaar op het punt staan weg te trekken, is Jitro – nu genoemd met zijn andere naam Chovav (3) – er nog, als Mosjee hem, zijn schoonvader,vraagt om te mee op te trekken (wat hij niet doet).
Umberto Cassuto beschrijft hoe de redacteur van de Tora waarschijnlijk – niet zozeer historisch of chronologisch gemotiveerd als wel compositorisch artistiek - het verhaal subtiel heeft geplaatst na de oorlog met de Amalekieten om te benadrukken, dat het naburige volk van de Kenieten, waartoe Jitro behoorde, Israel juist goed gezind was en als het ware in vrede verwelkomde als nieuwe natie in de kring der volken.(4)
De Midjanitische priester heeft gehoord van de uitredding van Israël, de wonderbaarlijke doortocht door de Rietzee en de overwinning op Amalek. Hij reist naar Mosjee en neemt Tsipora en de twee zonen van Mosjé met zich mee. Kennelijk had Mosjé deze drie leden van zijn gezin uit Egypte teruggezonden naar zijn schoonvader, uit veiligheid mogen we aannemen.(5) We horen hoe de twee zonen heten, Gersjom en Eliezer; verder spelen zij geen rol van betekenis in de komende geschiedenissen.

Wat opvalt is het respect, waarmee Jitro wordt ontvangen en de zorgzaamheid, waarmee hij zijn schoonzoon behandelt. De Tora neemt de tijd om het bezoek van Jitro uitgebreid te beschrijven, de aankomst, het vertellen van de uittochtverhalen met hun wonderlijke uitreddingen, de gezamenlijke plechtige maaltijd in de tent van Mosjee en het offer, dat Jitro brengt aan ‘ Elohiem ' – een in dit geval diplomatieke term, want de andere naam JHVH was nog te vreemd voor deze niet-Israelitische bezoeker.(5)
De liefde en zorgzaamheid van Jitro wordt vooral geïllustreerd, als de schoonvader de lange rijen van de Israëlieten ziet die wachten op hun beurt om voor Mosjee te verschijnen om hem om advies of oordeel te vragen over hun problemen of inzake hun zorgen voorspraak te doen bij de Eeuwige; van de ochtend tot de avond staan ze daar in de brandende zon. Dat kan zo niet duren. Tegelijk ziet hij hoe de schoonzoon vermoeid raakt en bijna bezwijkt onder de grote last, die op zijn schouders rust. De ervaren priester verstaat de kunst om niet alleen te kijken maar ook achter de verschijnselen te schouwen en hij komt met een oplossing voor wat hij met zijn heldere blik waarneemt. Hij adviseert Mosjé structuur en organisatie aan te brengen om zo zijn taken te verlichten; alleen de grote zaken moet hij behandelen, de kleinere moet hij overlaten (Sjemot 18:21-23 HSV): ‘Je moet ? leiders ? over duizend, ? leiders ? over honderd, ? leiders ? over vijftig en ? leiders ? over tien over hen aanstellen. Zij moeten altijd over dit volk oordelen. Maar laat het   zo   zijn dat zij elke grote zaak bij jou brengen, en zelf over elke kleine zaak oordelen. Maak het zo voor jezelf lichter en laat hen   die last samen   met je dragen'. Daarmee is zowel het volk gediend als de leider gespaard.
Het is een ervaringsfeit, dat wie een lastige taak moet volbrengen onder grote verantwoordelijkheid, maar alles alleen wil doen, een grote kans loopt te bezwijken onder de stress en een burn-out staat voor de deur. Jitro's advies klinkt nog door alle eeuwen heen tot de overbelaste leiders van nu: organiseren, structureren, taken verdelen, uitvoering delegeren.

Dat Jitro zich werkelijk bekeerd heeft tot de Joodse ‘Adonai' zou waarschijnlijk kunnen zijn als hij het geweldige spektakel op de berg Sinaj mede aanschouwd en gehoord heeft of in ieder geval de kersverse getuigenissen erover gehoord heeft.   Als Kenieten zijn de nakomelingen van Jitro en zijn clan herhaaldelijk vermeld in het boek Sjemoeel (Samuel). Zo werden ze in de genocidale oorlog van koning Sjaoel (Saul) tegen de Amalekieten gespaard omwille van Jitro's hulp aan Mosjee, hoewel ze in Sjaoels tijd als stam met de Amalekieten nauw verwant waren en te midden van hen woonden. Volgens Rasji vestigden Jitro's nakomelingen zich later in Israel ‘om Tora te leren'. (6) De ‘heidense' profeet Bilam voorspelde, dat ze weggevoerd zouden worden door de Assyriers (7); dat is misschien wel ook gebeurd en zo verdwenen ze in de geschiedenis.

noten
(1) In mijn commentaar op Jitro in mijn boek ‘Reizen door de Tora, Genesis en Exodua' (p.137 ev) ga ik in op de Tien Woorden
(2) Aldus ook Rasji en Mechilta de Rabbi Yishmael ad Sjemot 18:13
(3) Rasji ad Sjemot 18:2
(4) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Exodus, The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998, p.222
(5) Aldus ook Buber, Buber, Martin: Mozes, Servire, 1970, hfst 12
(6) 1 Koningen 14:6 en zie Rasji ad loc.
(7) Bemidbar/Numeri 24:21

Parasjat Besjalach
Sjemot/Exodus 13:16-18
De vleespotten van Egypte

In het begin van de parasja Besjalach is het allereerste Pesach net achter de rug en de Benee Jisraël doen hun eerste ervaringen op als onafhankelijk volk. De parasja beschrijft een aantal uiterst benarde situaties die gepaard gaan met wanhoop, klachten, protesten, bijna-rebellie.
De farao begint met zijn leger een levensbedreigende achtervolging. Als door een wonder geeft de Rietzee doortocht en ontsnapping aan de Egyptenaren. Reden voor grote vreugde en een een epische lofzang. Dan kwelt dagen lang de dorst; door de ingreep van Mosjee wordt met Gods hulp het gevonden bitter water bij Mara zoet. Daar krijgen de Israelieten hun eerste voorschriften gegeven plus de belofte, dat als ze die houden ze niet de plagen zullen ervaren, die de Egyptenaren over zich heen hadden gekregen.
Er volgt een kort oponthoud in de oase van Elim met twaalf waterbronnen – voor iedere stam één zegt de midrasj – en zeventig dadelpalmen. Dat moet voor korte tijd een enorme luxe zijn geweest.

Maar de weldadige rust blijft niet. De volksmassa gaat verder en een maand na de uittocht belanden de trekkers in de dorre woestijn van Sin. Het proviand van de uit Egypte meegenomen matzot is op en de honger slaat toe. Het volk jammert en klaagt bij zijn leiders, Mosjee en Aharon. ( Sjemot 16:3 HSV): ‘ De Israëlieten zeiden tegen hen: Och, waren wij maar   door de hand van de Eeuwige gestorven in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot verzadiging toe! Want u hebt ons uitgeleid naar deze woestijn om heel deze ? gemeente ? van honger te laten sterven'.
Die omschrijving van hun nood is merkwaardig. Hebben we niet vernomen in het eerste hoofdstuk van Sjemot hoe zwaar de slaven het hadden? Viel het leven in Egypte toch wel mee en kregen ze toch wel voldoende te eten, zoals sommige midrasjiem opperen (1). Maar psychologisch is het waarschijnlijker, dat ze in hun door honger aangedreven fantasie het karige rantsoen, dat ze kregen opbliezen tot de verzadigende vleespotten en broden. Het slavenbestaan wordt geïdealiseerd. Ze hoefden zich in hun dwangarbeidersbestaan tenminste geen zorgen te maken over eten en drinken, dat kregen ze iedere dag wel in bepaalde mate van hun meesters en opzichters.

Maar nu zijn de meesters en opzichters verdwenen.
Bevrijd te zijn van de onderdrukkers moet de Israelieten toch wel een enorm gevoel van opluchting en vreugden hebben bezorgd. Dat komt vooral tot uiting in het lied van Mosjee na de doortocht door de rode zee en de reidans van de vrouwen onder leiding van Mirjam. Zoiets als opluchting, geluk of (tijdelijke) euforie kunnen we zelf ook nu ervaren als we ons ontdaan hebben van het knellende juk van onze eigen verslavingen aan overwerk, autoriteiten, drugs, bazen of andere negativiteit.
Maar over het algemeen is de Tora scheutiger met het beschrijven van situaties van deprivatie en tegenslag en stemmingen van onvrede, ongenoegen en rebellie. Tijden van crisis en wanhoop maken onlosmakelijk deel uit van de vrijheid. Terugval lijkt in oude patronen lijkt onvermijdelijk. Nadrukkelijk beschrijven de teksten in deze parasja die momenten van tegenslag, terugval en wanhoop,

We kunnen het verhaal van het slavenbestaan van Israel , de bevrijding daaruit en de wederwaardigheden in de woestijn zien als een metafoor voor de spirituele gang door het leven. Wie op zoek gaat naar vrijheid zal eerst bespeuren hoe hij of zijn vastzit in een slavenbestaan. Op die tocht kunnen vele beproevingen zich voordoen. Tegenslagen als ziekte, relatieproblemen, werkeloosheid, noem maar op, die ons in ons luxe leven in het westen van de laatste zeventig jaar psychisch diep kunnen treffen. (Om nog niet te spreken van oorlog, honger en verwoesting door natuurrampen). Wat was vroeger alles beter, is vaak de gedachte dan, ook al was het vaak een beperkt, oppervlakkig en routineus slavenbestaan.

Telkens test de weerbarstige werkelijkheid vrije mensen met perioden van nood en crisis. De beproevingen leren van tijd tot tijd, dat vrijheid niet betekent dat we zomaar alles zelf kunnen regelen en bepalen. Die situaties kunnen ons ertoe brengen om te erkennen, dat we onze vrijheid pas werkelijk kunnen genieten als we begrenzing aanvaarden en kunnen accepteren, dat we voorschriften nodig hebben, om persoonlijk en als samenleving te leven. Het proces vraagt ook telkens de erkenning, dat je het als mens het niet alleen kan en dat uiteindelijk de Allerhoogste voor- en tegenslag draagt met zijn aanwezigheid.

Maar laten we ook de momenten en perioden in het oog houden, waarin we blijdschap, ontspanning en genieting mogen ervaren, zoals de Israëlieten zich in de oase van Elim konden laven aan de bronnen en zich tegoed konden doen aan de dadels van de palmen, waaronder ze beschutting konden vinden, de oase, die ieder moment in ons leven kan opdoemen, wie weet als een voorproef van Gan Eden.

noten
(1) Bv Mechilta de Rabbi Yisrael, perek 16:3

feb 2017

Parasjat Bo Sjemot/Exodus 10:1-13:16
Het point of nu return

Tot het begin van de parasja Bo hebben zeven plagen Egypte geteisterd en steeds is de Farao bij zijn voornemen gebleven – ondanks in het geval van de latere plagen aanvankelijke aarzelingen - het volk van Israel niet te laten gaan uit het Egypteland, waar zij als slaven werden onderdrukt. Bij de eerste zes plagen heeft de heerser steeds zijn hart ( lev ) verhard. In het Hebreeuws staat er letterlijk zoiets als ‘zijn hart sterk gemaakt' (met de stam chazak , sterk) of ‘zijn hart zwaar gemaakt' ( met de stam chavod , zwaar). Maar na de zesde plaag, de zweren, staat er voor het eerst dat het de Eeuwige is, die het hart van Farao ‘sterk maakte'. Desondanks lijkt er een ommekeer plaats te vinden bij de Egyptische koning, hij bekent ( HSV 9:27): ‘Ik heb deze keer gezondigd. De Eeuwige is de Rechtvaardige. Ik daarentegen en mijn volk zijn de schuldigen.' Dat lijkt op de gewenste ommekeer, hoewel Mosjee sterke twijfels heeft over de waarachtigheid van dit statement (9:30). Inderdaad, als door tussenkomst van Mosjee de ramp van de zweren weer is opgehouden, gaat de Farao toch door met zondigen. Het volk mag toch niet gaan. Als de parasja Bo begint verklaart de Eeuwige aan Mosjee nu nogmaals, dat Hij het is die het hart van Farao heeft verhard ( hichwadti , ‘Ik heb zwaar gemaakt').
Deze actie van de Ene heeft zowel bij de oude rabbijnen als bij de niet-Joodse lezers een belangrijke vraag opgeroepen: kan de Egyptische vorst verantwoordelijk worden gehouden, als niet hijzelf, zoals de eerste vijf keer, zijn hart heeft verhard, maar als deze verharding het werk is van een hogere macht?
Het is een hoeksteen van het Joods gedachtegoed, dat de mens in principe een vrije wil heeft, hij kan kiezen tussen het goede en het kwade, en hij kan verantwoordelijk worden gehouden voor zijn daden, zoals met name Maimonides benadrukt in zijn Regels van Boete en Berouw (1). Maar hier, op het moment van het begin van de zevende plaag, lijkt de Farao geen keus te hebben, de mogelijkheid van een positieve reactie op de nu aan de orde zijnde catastrofe van de sprinkhanen is hem van Hogerhand ontnomen. Maimonides ziet dit probleem en gaat er uitgebreid op in. In zijn model van straf en verzoening redenerend komt de uitleg van de middeleeuwse geleerde erop neer, dat, de verkeerde daden zich zozeer kunnen opstapelen, dat zij de halsstarrigheid van de dader als het ware verabsoluteren. Ommekeer en boetedoening – die volgens de twaalfde-eeuwse meester overigens voor allen royaal steeds openstaat - onmogelijk maken. Wanneer de farao zo hardnekkig zoveel gelegenheden laat voorbijgaan om berouw te tonen en ommekeer ( tesjoeva ) te doen– vijf keer, vijf plagen lang had hij de kans – dan is de maat vol en de straf, die hij zo op zijn hals haalt, is als het ware de principiële afsluiting van de weg van ommekeer met als gevolg de onvermijdelijke ondergang.
De laatmiddeleeuwse geleerde Shelah (2) vat het bondig samen: ‘de Eeuwige waarschuwt iemand tot drie keer toe. Als iemand drie zulke waarschuwingen in de wind slaat en geen berouw toont, maakt God het hart van zo iemand ontoegankelijk voor gedachten van berouw om hem dan zijn verdiende loon uit te betalen'.
Als we het strakke paradigma van straf en beloning, dat Maimonides hanteert en vrij nauwkeurig uitwerkt, wat loslaten, ontdekken we daaronder toch wel een daarmee gerelateerde behoorlijk plausibele psychologische wet of taaie tendens: wie steeds de verkeerde keuzes maakt, maakt het zich steeds moeilijker om het stuur te wenden. Hoe langer op het verkeerde pad, hoe moeilijker om te keren. Hoe meer misdaden gepleegd, hoe onwaarschijnlijker, dat de misdader op zijn heilloze weg terugkeert. Is het nu zo, dat voor sommige ‘veelplegers' van zware vergrijpen een punt bereikt wordt dat ommekeer, boetedoening en verzoening (psychologisch, theologisch) onmogelijk wordt? Dat is een vraag die ik graag aan de lezers overlaat om te overdenken, bijvoorbeeld aan de hand van concrete gevallen. Kan een mens voorgoed en definitief verloren zijn? Zonder alles te willen psychologiseren komt de term psychopaat of hardnekkige narcist in mij op.
Ook op het gebied van maatschappij en samenleving is de vraag relevant. Kunnen in sommige samenlevingen gepleegd onrecht, leugen en bedrog en misdaden tegen de menselijkheid zich ophopen tot zulk een kritische massa, dat terugkeer op de rechte weg niet meer mogelijk is en dat alleen een catastrofe kan volgen, waarna pas na veel geweld, ontwrichting en slachtoffers de ruimte kan ontstaan voor een nieuw en beter samenleven. Omdat deze overdenking zich enigszins los van de waan van de dag wil houden en ook na langere tijd nog actueel laat ik het weer aan de lezer over om deze vraag aan concrete voorbeelden uit de vorige eeuw en ook in het heden te toetsen. Laten we alert blijven op hardnekkige ‘Egyptische' onderdrukkers in deze wereld.

noten

(1) Maimonides, Regels van Boete en Berouw, hfst VI.
(2) Isaiah Horowitz (1555 –1630), Shney Luchot HaBrit, Vaera, Torah Ohr 77, op sefaria.org

Jan 2017

Parasjat Sjemot   Sjemot/Exodus 1:1–6:1  
vreemdelingen  

Wanneer het boek Sjemot/Exodus begint springen we van de familiekroniek van Avraham, Jitschak, Jaäkov en Joseef opeens naar de geschiedenis van een volk, een ‘ am benee Jisrael' , zoals de bevreesde farao het betitelt (1:9). En die geschiedenis begint al meteen als de geschiedenis van een onderdrukte minderheid, van benarde vreemdelingen in een vreemd land.  
Historisch en archeologisch zijn er geen bewijzen te vinden voor het verblijf van de Israëlieten in Egypte. Sommige bijbelwetenschappers veronderstellen, dat er wellicht ooit een vrijheidstrijd van Israelieten in het land Kenaän werd gevoerd in de tijd dat Egypte als machtig imperium Kenaän en een groot deel van Klein-Azië omvatte (1), een strijd die aanleiding gaf tot een lang episch gedicht, dat later is omgezet in de verhalen van Sjemot/Exodus. (2)
Maar ook is het mogelijk, dat de bevrijding en de uittocht van een groep voormalige slaven uit Egypteland een zo betrekkelijk kleine gebeurtenis was in het imperium, dat het boekstaving in de annalen niet haalde.

Los daarvan is het verhaal van de ontworsteling aan de Egyptische overheersers en de tocht naar de bevrijding de kern geworden van de identiteit van het Joodse volk, een bepalend narratief en een onmisbaar bestanddeel van het Joods bewustzijn. Zo is het van epos of sage toch geschiedenis geworden, een geschiedenis die zoals gezegd begint met vreemdelingen in een vreemd land.  

De nakomelingen van Avraham worden ook aangeduid als Hebreeën , ‘ Ivriem ' , in Sjemot/Exodus voor het eerst bij de episode van de vroedvrouwen(1:15). De populaire etymologie verbindt dit woord met het werkwoord ‘ avar ', voorbijgaan, overtrekken (van een rivier), en ‘ ivri ' zou dan betekenen, ‘hij die (de rivier) overtrekt', zoals Avraham op zijn weg naar Kenaän de rivier is overgetrokken en een Ivri - ‘een overganger' - wordt genoemd.  
Umberto Cassuto (in zijn Commentary on the book of Exodus) (3 legt ) echter het verband met een andere woordstam die ook in het Akkadisch en in Egyptische documenten wordt teruggevonden en die de betekenis heeft van vreemdeling in een vreemd land die slavenarbeid verricht. Het is hem opgevallen, dat de term   Ivri(em)   vooral in de Tora gebruikt wordt in de context van vreemdelingschap of nieuwkomer in een vreemd land. Voor de vrije Israëlieten wordt de term   Benee Jisrael   gebruikt.  

Al in Sjemot/Esodus lijkt er een script te worden neergelegd voor een geschiedeniscyclus van onderdrukking die vrijheid najaagt, van de balling die verlangt naar zijn land van herkomst, van de vreemdeling die ver verwijderd is van zijn thuisland, een scenario dat zich in alle verdere eeuwen steeds weer opnieuw zal afspelen.   Voor de Joden is het besef vreemdeling te zijn vertrouwd geworden. Eenmaal uit Egypte ontkomen herinnert de Tora herhaaldelijk aan dit vreemdelingschap, bijv. in Wajikra/Leviticus 19:33,34: ‘Behandel vreemdelingen die bij jullie wonen als geboren Israëlieten. Heb hen lief als jezelf, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte'. En als de Israëlieten in de eeuwen dat ze woonden in het land dat hun beloofd was de eerstelingen van de oogst aan de Tempel aanboden , deden ze dat met de woorden (Devariem/Deuteronomium 26:5): ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol
mensen etc. ', een zin die nog steeds deel uitmaakt van de Hagada, het tekstboek dat ieder jaar wordt doorgewerkt tijdens de seider (de Pesach= maaltijd).
Hoeveel eeuwen diaspora ( galoet ) zijn daarna nog gevolgd met vreemdelingschap in bijna alle landen van deze wereld. Ik denk, dat je mag stellen, dat de meeste Joden, oo k als ze al vele jaren in het land wonen, ergens binnenin een plek hebben, waar ze nog voeling hebben met het vreemdeling zijn.
De Joden zijn daarin exemplarisch voor de menselijke conditie in meerdere opzichten.
Exempl arisch als belichaming van het vreemdelingschap, dat ieder mens potentieel kan overkomen, als de politieke of economische omstandigheden hem hebben gedwongen huis en haard te verlaten om zijn toevlucht te zoeken in een ander land. De Joden zijn de universele vreemdelingen, zou je kunnen zeggen. Ze zijn als archetypische minderheid gemakkelijk de prooi geweest voor projectie van economische, psychologische en spirituele frustraties van de autochtone populatie. En ze zijn op mogelijke ontwikkelingen in die richting altijd alert. Ook nu nog als ze als Israeli's weer in een herboren natiestaat wonen.
Maar in nog andere zin verwijzen ze naar het existentiële vreemdelingschap van ieder mens. Want zijn we deep down niet allemaal – Joden en niet-Joden – vreemdelingen op deze aardbol, geworpen – zeggen de existentialisten – , gezonden – zeggen de meeste religies – in het bestaan. waarin je de bestemming zelf moet ‘ontwerpen' – zeggen de existentialisten – of waarvan je de in de kiem meegegeven bestemming moet ontdekken – zeggen de meergelovigen, dit alles op een reis die naarmate je ouder wordt maar een korte tijd in beslag lijkt te nemen.

noten
(1) Zie hierover The Torah, a modern commentary , editor W. Gunther Plaut, Union for Reform Judaism, New York, 2005; een herziene uitgave van 1981, p.327-328

(2) De hypthese van een epos voorafgaand aan Sjemot is het uitgangspunt van Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Exodus, The Magness Press, Hebrew University, Jeruzalem, 1998, p.2

(3) Cassuto, op cit , p. 13 ev

RC jan 2017

Parasjat Wajechi       Beresjiet/ Genesis 47:28-50:26
Woede   

In deze laatste parasja van Beresjiet/Genesis ligt Jaäkov op zijn sterfbed. Hij roept zijn zonen bij elkaar om hen te vertellen, wat in ‘ latere dagen zal gebeuren' . Meer dan voorspellingen lijken het karakterschetsen, die de door het leven getekende oude vader van zijn weerbarstige zonen geeft in een stroom van in koortsdroom voortijlende poëtische beelden.   H ij houdt de zonen als het ware een spiegel voor, een confrontatie in soms lovende, soms snijdende bewoordingen. Met name Sjimon en Levi krijgen het flink voor hun kiezen.
(HSV 49:5-7)     Sjimon en Levi zijn broers,  
hun wapens zijn werktuigen van geweld.  
Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,  
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen; 
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;  
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden. 
Vervloekt zij hun woede, want die is hevig, 
en hun verbolgenheid, want die is hard.  
Ik zal hen verdelen over Jaäkov 
en hen verspreiden in Israël     .   

Uit deze krachtige statements blijkt, hoe Jaäkov op zijn oude dag nog allerminst is vergeten, hoe destijds onder leiding van Sjimon en Levi de inwoners van Sjechem (Sichem) zijn misleid en afgeslacht. (Beresjiet/Genesis 34) Niet alleen hebben zij daardoor het leven van hun familie in de waagschaal gesteld en blootgesteld aan de wraak van de omwonende volken, zij hebben daardoor ook de reputatie van de Eeuwige beschadigd. Ook al is hun zuster Dina door de prins van Siechem verkracht geweest – dit riep om wraak, zo verdedigden de broeders zich tegenover hun vader - , dit kan deze meedogenloze gewelddaden niet rechtvaardigen. Op zijn sterfbed vervloekt de oude vader dit nietsontziende fanatisme; ‘ hij zal hen (dwz de stammen van Sjimon en Levi) verdelen over Jaäkov (d.i. de andere stammen) en hen verstrooien in Israël' .

Inderdaad schijnt in de loop van geschiedenis van de twaalf stammen in het land Kenaän de stam van Sjimon betrekkelijk gauw verdwenen te zijn, opgegaan in de stam van Juda.
De middeleeuwse meester Rabbi David Kimchi (Radak) brengt dit in zijn commentaar op deze passage in verband met de 24.000 mannelijke slachtoffers die het gevolg waren van de verboden seksuele gemeenschap van de Sjimonitische prins Zimri met de Midjanitische prinses (1). De weduwen uit de stam van Sjimon werden verdeeld over de andere stammen, waar zij bedelend rondgingen, zo vermeldt Radak . Een andere lezing - vermeld door Rasji ad loc - vermeldt dat de Sjimonieten arme schrijvers werden, die de voor hun brood het hele land moesten rondreizen. Hoe het ook zij, wat we hier gedemonstreerd zien is hoe van fanatisme en extremisme over lange perioden hun negatieve doorwerking hebben,
De afstammelingen van Levi, de Levieten, kwamen er beter af. Dat zij zulke vrome dienaren van de heilige ark en de tempel zouden worden is uit Jaäkovs woorden niet af te leiden.   Maar ook hun lot was toch ook niet te benijden, zegt Rasji; weliswaar hadden ze recht op tienden van de oogst,maar daarvoor moesten ook zij het hele land rondreizen, van dorsvloer tot dorsvloer. Zo werden ook zij verstrooid.

Een meer morele draai aan deze voorspelling van Jaäkov geeft de laatmiddeleeuwse Isaac ben Arama (2): De fanatieke woede van de twee broers is zeker te laken, maar in gedoseerde hoeveelheid stimuleert de eigenschap van woede ( af ) de mensen om hen uit apathie te wekken en te brengen tot noodzakelijke actie. Daarom had het zin om de passies van Sjimon en Levi te als het ware te ‘verdunnen' door deze stammen te verspreiden over heel het volk van Israel. We naderen hier de inzichten van de Mussar om in alle karaktereigenschappen de extremen te vermijden en het uitgebalanceerde midden te zoeken.

noten

(1) Bemidbar/Numeri 25:4 ev. Zie ook Talmoed Sanhedrin 82a en b en mijn commentaar op de parasja Pinchas
(2) in zijn Akedat Jitschak, gate 33, waarin hij refereert aan de Ethica van Aristoteles, die op vele middeleeuwse rabbijnen – ook Maimonides – veel invloed had

Parasjat Wajigasj  Beresjiet/Genesis 44:18 - 47:27.  
Voorzienigheid  

Als Joseef na de emotionele pletrede van Juda de overtuiging heeft gekregen, dat zijn broeders werkelijk ten goede zijn veranderd, kan hij zich bekend maken als de broer, die zij ooit verkocht hebben aan de karavaan van de Midjanieten. De broeders zijn eerst verbijsterd en bang, maar de onderkoning Joseef stapt als het ware van zijn troon af en laat de geschrokken schare dichtbij hem komen. Hij bezweert hen niet bang of boos te zijn. Niet met zoveel woorden vergeeft hij de mannen hun schuld – maak jezelf niet langer verwijten, zegt hij – en hij plaatst de hele keten van gebeurtenissen, die hebben geleid tot de hoge en machtige positie die hij nu heeft in een ander perspectief, dat van de Goddelijke voorzienigheid:  
Beresjiet Genesis 45: 7 (NBV) ‘God heeft mij voor jullie uit gestuurd om jullie voortbestaan op aarde veilig te stellen; zo wilde hij veel levens redden'. 

Die Goddelijke voorzienigheid is in de laatste eeuwen van verlichtingsdenken en moderniteit nogal in discussie gekomen, zo niet door de meeste moderne denkers als idee verlaten.  
In de 18e eeuw deden de vaak nog christelijk georiënteerde filosofen een poging om het beeld van een God die een goede wereld heeft geschapen en een voortreffelijk plan heeft uitgestippeld te verenigen met enerzijds de onloochenbare feiten van de natuurrampen en het morele kwaad en anderzijds met de steeds verfijndere concrete wetenschappelijke feiten van een wereld die voor de verklaring van de verschijnselen geen God nodig heeft. In veel van hun redeneringen werd het kwaad gezien als een door God ingestelde onvermijdelijke omweg naar de uiteindelijke goede eindbestemming. (1)
Later werden door moderne filosofen en wetenschappers deze soort pogingen geheel gestaakt en gingen vele (existentialistische) denkers de menselijke positie zien als eenzaam in de kosmos en opgezadeld met de uitdaging het beste ervan te maken. Hij moet zijn eigen levensontwerp maken, enige vooraf gegeven zin is in de schepping niet ingebouwd. Moedig en opstandig bepaalt hij zijn eigen lot.   Sterk wordt de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid voor het eigen leven en de vrijheid om vorm te geven aan dat leven, dat in grote mate maakbaar is.
In die sfeer kan Joseef gezien worden als een schoolvoorbeeld van iemand die er het beste van heeft gemaakt. Hij heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn lot. Hij had een helder verstand, een prima intuïtie, een vermogen om te schouwen en dromen in hun essentie te begrijpen. Die gaven heeft hij uitstekend gebruikt. De misdaad die zijn broers aan hem gepleegd hadden heeft hem uitgedaagd zijn talenten tot het uiterste uit te buiten. De hele reeks gebeurtenissen rond Joseef kunnen prima geduid worden als bepaald door de acties van een man, die verantwoordelijkheid neemt, zelfvertrouwen heeft en vastbesloten is. Zò is hij opgeklommen uit het dal naar de top, misschien een beetje geholpen door gelukkig toeval.   Waar is er die superviserende Voorzienigheid voor nodig?  

En bovendien: een Goddelijke voorzienigheid, die misdaden nodig heeft om zijn voorziene doelen te bereiken, is die wel te verdedigen? Het is opvallend hoe vaak de aanvankelijke menselijke verkeerdheden, dwalingen, vooruit: zeggen we ‘zonden', de geschiedenis juist essentieel vooruit hebben helpen duwen. Met het eten van de boom der kennis begint de geschiedenis van de mensen; de jaloersheid van zijn broers brengen Joseef - en uiteindelijk de Israëlieten – in Egypte; de zonde van Juda met Tamar brengt het nageslacht voort dat zal leiden tot koning David en diens zonde met Batsjeva en de moord op haar man brengen de grootste koning van Israel voort, Sjlomo ha-melech, koning Salomo.   ‘Overtredingen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israel; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit om het fortuin van zijn uitverkoren volk te bevorderen'. (2)
Het blijft een lastige kwestie. Hoe het ook zij, Joseef zelf had de ervaring, dat hij instrument was van een Goddelijke hand. Had hij dat verkeerd? Hoe kunnen we dat in ons hedendaags denken rijmen?
Mijn indruk is, dat in het beste van het Joods gedachtegoed de paradox geduld kan worden, dat er als het ware twee bestaanswijzen naast elkaar kunnen bestaan, twee lagen van bewustzijn, waarin de wereld en het menselijk bestaan gepercipieerd en onderzocht kan worden.  (3)
De eerste laag is de laag van het contingente en concrete gebeuren in de wereld, waarin de mens tot op grote hoogte de vrije wil ervaart om binnen gegeven voorwaarden beslissingen te nemen en zijn leven en omgeving vorm te geven. Het is goed te doen om in deze laag te leven zonder idee van voorzienigheid; er is geen vooraf ingebouwde voorzienigheid of zin.   De wetenschap is de meest rationele uitbouw van deze bestaanswijze.
De met hoe dan ook met enige reflectie (misschien mogen we zeggen met religiositeit in de meest ruime zin) behepte mens is daar toch niet tevreden mee. Hij vermoedt een tweede laag, een hogere of diepere laag, die zich stelt boven (of onder) alle contingente fenomenen en menselijke onderscheidingen zoals bijv. goed en kwaad, een laag waarin iets gewaar of vermoed kan worden omtrent onder- of bovenliggende richting, sturing, bestemming.   Wat je als mens kan doen is je daarvoor trachten open te stellen en proberen te zien of te luisteren naar wat de weg is die hem wordt aangeboden vanuit een volstrekt andere dan de vertrouwde dimensies.
In die termen is de kwaliteit van Joseef geweest om in de nood van het moment open te staan voor die diepere/hogere laag en voor de tekenen, die de noodzakelijke richting aangaven; wie weet geeft een dergelijke openstelling voor die andere dimensie (God zo je wilt, maar je mag het ook ongenoemd laten) de gelegenheid zich te openbaren met de noodzakelijke weg die te gaan is. Dat inzicht over hoe dat bij hem het geval was moet bij Joseef ten volle ingedaald zijn, toen hij zijn broeders na ruim twintig jaar weer voor zich zag.  (4)

Een mooie passage uit de Talmoed ()breng ik hiermee in verband;
‘Als een mens begint te zondigen worden de deuren voor hem wijd geopend, maar als hij zich wil zuiveren wordt hij geholpen. In de school van Rabbi Ishmael leerde men: het is als de verkoper van olie en balsem. Als de koper (gewone) olie komt kopen zegt de winkelier: hier is de maatkan, meet het zelf maar af. Maar als de koper balsem komt kopen zegt de winkelier: wacht, ik meet je balsem samen met jou af, zodat we beiden van de geur genieten.' (5)
Dat spreekt aan: God als de winkelier, die als voor de foute weg kiest jou niet tegenhoudt, maar als je de goede weg kiest een handje helpt.   Voor de seculiere lezer: als je voor de foute weg kiest houdt niets je tegen; maar als je voor de goede weg kiest krijg je een duwtje vanuit de kosmos mee.  
Overigens kwam ik ook de uitlegging tegen, dat als de klant iets duurs kiest - zoals balsem - de winkelier onder het voorwendsel dat hij wil meegenieten (om zijn wantrouwen te maskeren) er beter met zijn neus op kan staan om erop toe te zien, dat hij niet benadeeld wordt; dat is de cynische uitleg, die ik niet deel, zo multi-interpretabel kan het vaak zijn…

(1) Een overzicht in Susan Neiman, Evil in modern thought , Princeton University Press, 2002
(2) Citaat uit David Biale's boek, Eros and the Jews, Basic Books, Harper Collins, 1992
(3) Verwante opvatting kwam ik tegen in Andreas Burnier, Ruiter in de Wolken, uitgeverij Augustus, 1955, p. 275 ev
(4) Van de Oude Wijzen vindt ik merkwaardig weinig uitspraken over de betreffende passage. Als ik Maimonides goed begrijp, zegt deze middeleeuwse meester zoiets als: God heeft alles geschapen, de natuurwetten, de driften en de menselijke vrije wil, en de gebeurtenissen zijn dus een samenspel van deze drie door God geschapen oorzaken, dus dan kan je ook zeggen, dat God Joseef heeft vooruit gezonden. Moses Maimonides, Guide for the Perplexed , Part 2 48:2
(5) Reesj Lakiesj (plm 200) in het Talmoedtractaat Joma 39a

Parasjat Mikeets
 
Beresjiet/Genesis 41-44:18  
Over de menora

Deze week is het de week van Chanoeka. De parasja Mikeets (1) valt tegen het eind van de week en omvat de sjabbat Chanoeka. Na de Toralezing komt altijd de lezing uit de Profeten ( Neviïem ) en in dit geval is dat een stuk uit de profeet Zecharja (Zacharia) 2:14-4:7.

In deze passages is het thema van Chanoeka sterk aanwezig in het daar beschreven visioen, dat de profeet had van de gouden zevenarmige gouden Menora omgeven door twee olijfbomen (2). 
Het was een spannende tijd (6 e eeuw voor de gewone jaartelling) van overgang van vele ballingen vanuit Babylonie terug naar Jeroesjalajiem en de tweede tempel stond op het punt herbouwd te worden onder leiding van de gouverneur Zeroebavel, mede dank zij de royale giften en protectie van de Perzische koning Darius.

Zo beschrijft de profeet Zacharja de menora in zijn droom (4:1 – 7) : (NBG)‘een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. Hij antwoordde mij: Dit is het woord van de Eeuwige : niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest ( be-roechi )! zegt de Eeuwige van de heerscharen.'

Die laatste regel niet door ‘kracht noch geweld' is waarschijnlijk duidelijker vertaald met ‘niet door militaire kracht ( chajiel ) noch door fysieke kracht ( koach )' (3). Rasji annoteert bij deze regel in de historische sfeer, dat het visioen van de menora een ‘hart onder de riem' van de ondernemende Zeroebavel betekende en dat de Geest van de Eeuwige sloeg op de royale schenkingen, die hij Darius deed geven.

Wijder gezien zie ik een markant en inspirerend contrast tussen deze regels en de herinwijding van de tweede tempel. De tweede tempel is gebouwd en ingewijd in vreedzame omstandigheden, niet tot stand gekomen met militaire macht, maar dank zij de Geest.
De herinwijding – de chanoeka – is mogelijk gemaakt en tot stand gekomen door een wrede oorlog (van de Makkabeen) na veel wapengeweld en veel slachtoffers.
Die eerste inwijding maakt de indruk een superieure methode te zijn. Militair geweld kan misschien de onontkoombare enige optie zijn maar oplossingen die geïnspireerd zijn door de Geest – van verstand, vertrouwen, compassie, vastberadenheid, generositeit (zoals dat wellicht bij Darius het geval was) - verdienen toch verre de voorkeur, laten we dat toch nooit uit het oog verliezen.
Telkens worden de wereldleiders verlokt tot de greep naar militaire oplossingen en eenmaal gemaakt is de geweldspiraal bijna niet meer terug te draaien. Leiderschap ‘vanuit de Geest' is zo zeldzaam en zo broodnodig ook in deze tegenwoordige wereld.

Dat spanningsveld van militaire macht en geweld enerzijds en vertrouwen op de geest anderzijds wordt weerspiegeld in de geschiedenis van de menora als zowel politiek als spiritueel symbool.
De menora kreeg nieuw leven als symbool van het in de negentiende eeuw herlevende zionisme. Het zogenaamde Joodse legioen, dat in de eerste wereldoorlog voor de Engelsen met opmerkelijke dapperheid meevocht tegen het Ottomaanse rijk, had de menora op zijn baret staan met daaronder het woord kadima , voorwaarts! Veel later bekend geworden zionisten telde dat legioen, waarvan de bekendste Ben Goerion is, de eerste premier van Israel. Nu staat de menora in het wapen van de staat Israel en als sculptuur voor het Israëlisch parlement, de Knesset.
Aldus is de menora het symbool geworden voor een democratische staat. Dat het ook vatbaar is voor usurpatie door rechts-messianistische kringen is een heel onwenselijke tendens. (4)

Zecharja's beeld van de menora, geflankeerd door twee olijfbomen, is ook geworden tot een veel gebruikt meditatie object. Het wordt gecombineerd met de zin uit psalm 16 vers 8: ‘Ik stel mij de Eeuwige voortdurend voor ogen', dat we gerust een joodse mantra mogen noemen: Sjiviti Hasjem lenegdi tamied en zo wordt die afbeelding van de menora met de twee olijfbomen ook genoemd: een ‘Sjiviti', hij hangt als beeltenis in vele synagogen en het beeld wordt nog steeds gebruikt als inspiratie voor het tekenen en schilderen van meditatieve afbeeldingen en als object voor meditatie. 

Chanoeka sameach en een jaar met veel kracht, vrede en geest, koach , sjalom we-roeach

Noten
(1) Voor een commentaar op de parasja Mikeets zie o.a. mijn commentaren in mijn boek REIZEN DOOR DE TORA, deel 1, van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus, p.88 ev
(2) die de hogepriester Jehosjoea en de politieke leider Zeroebavel representeren. 
Zie ook Ezra 6 en 7
(2) Zo ook op chabad.org
(4) Nu net nam ik kennis van het verschijnen van een boek The Menorah: From the Bible to Modern Israel door Steven Fine, die hiervoor waarschuwt

Parasjat Wajesjev
  Beresjiet/Genesis 37:1-40:23
Boze broers

In deze en de volgende parasjot Mikets, Wajigasj en Wajechi volgen we Jaäkov en zijn zonen tot hun aankomst en vestiging in Egypte. Centraal staat de figuur van Joseef. De geschiedenis speelt zich om hém af, vanaf zijn jongelingschap, als hij – lieveling van zijn vader – door jaloerse broeders als slaaf wordt verkocht tot zijn opklimmen tot Egyptische onderkoning, die zijn door hongersnood geteisterde vader en broers in het rijke Egypte een woonplaats biedt, waarna na zijn dood het voorspel tot de Exodus een aanvang neemt.
We focussen op het begin van de parasja en zien daar een iconisch fenomeen zich afspelen: ( Beresjiet/Genesis 37:3-4 HSV) ‘ Israël  (dat is dus Jaäkov) had   Jozef   meer lief dan al zijn   andere   zonen, want hij was voor hem een zoon van zijn ouderdom. Ook liet hij een veelkleurig gewaad voor hem maken.  Toen zijn broers zagen dat hun vader hem meer liefhad dan al zijn broers, haatten zij hem en konden niet vriendelijk     tot hem spreken'.
De jaloerse broers die de hele dag in hun eenvoudige plunje het zware werk doen, voelen zich ongeliefd als ze hun jongste broer zien rondlopen met zijn veelkleurige mantel, het bewijs van opperste vaderliefde, de knaap die hen ook nog eens als een soort werkmeester controleert en allerlei praatjes over hen aan hun vader overbrengt over wat ze allemaal niet goed zouden doen. (37:2) Als toppunt vertelt dat arrogante mannetje ook nog eens over dromen die hij heeft over hoe hij de baas wordt van de hele familie, broers incluis.(37:5 ev.)

Het is een verhaal over jaloersheid en haat. Het is eigenlijk heel invoelbaar, dat de broers deze haat hebben. Het is nooit goed als de vader één van zijn zonen voortrekt door bijvoorbeeld hem zo'n mooie mantel te geven, daar begint het proces van opklimmend ongenoegen mee. (1)
Lange tijd gedogen de broers de situatie, maar ‘ze konden niet met hem spreken in vrede', staat er letterlijk , lo jochloe dabro le-sjalom . Rasji annoteert (2 )zoiets als: het is niet goed, dat ze dat deden, maar je moet toegeven, dat ze met hun mond niet iets anders zeiden dan ze in hun hart voelden .
Ze hebben van hun hart geen moordkuil gemaakt. Ze potten hun gevoelens niet op, maar gaven er lucht aan.
Wat deden ze dan wel? Hebben de broers Joseef met reden terechtgewezen, geconfronteerd met zijn arrogantie? (3) Of hebben ze hem gewoon bespot, belachelijk gemaakt, gepest, uitgemaakt voor alles wat lelijk was, uitgescholden. Misschien moeten we denken aan al die moderne boze burgers – vergeef me de generalisatie - , die de'elite' met scheve ogen aankijken, die bevoorrechte klasse met haar mooie huizen, baantjes en auto's en die met veel mooie woorden zegt het beste voor te hebben met de gewone mensen. Tegenwoordig pot ook de meute ze zijn ongenoegen niet op en storten boze burgers hun ressentiment uit op de moderne digitale media, net as Joseefs broers kunnen ‘ze niet spreken in vrede'.
Hoe het ook zij, met beide partijen kon het op den duur niet goed gaan.
Joseef heeft, nog jong als hij was en naïef, de boosheid en de haat van zijn broers genegeerd of misschien niet eens goed tot zich laten doordringen.
De broers konden geen goede oplossing voor hun haatgevoelens vinden. Toen de jongeman hen in het afgelegen grasland kwam opzoeken, met weer die prachtige kaftan aan, om hen weer eens te inspecteren ontlaadde de haat zich en besloten ze hem te doden. Uiteindelijk doodden ze hemniet en – een idee van Jehoeda – verkopen ze hem als slaaf aan een passerende handelskaravaan op weg naar Egypte .
Wat zou er gebeurd zijn als Joseef gevoeliger was geweest voor de boosheid van zijn broers. Wat zou er gebeurd zijn, als de broers meer begrip hadden gehad voor de jeugdige overmoed van de puber Joseef en meer compassie voor Jaäkov en zijn speciale gevoelens voor de zoon van zijn zozeer gemiste overleden Rachel?
We zullen het niet weten, net zomin als wij in de toekomst kunnen kijken van onze wereld, die nu zo in de greep raakt van het opgestapelde ressentiment van groepen van boze en ontevreden burgers.

Wat we wel uit de komende parasjot in de Tora weten is, dat ongeweten de broers toen met de verkoop van Joseef als slaaf naar Egypte hun redding uit de ooit komende hongersnood vooruit hebben gezonden. Maar de prijs was hoog. En dat de geschiedenis niet lineair verloopt en volgens ethische paden maken deze verhalen maar al te zeer duidelijk

noten

(1)Beresjiet Rabba 84:9: Resh Lakish, in de naam van R Elazar ben Azaria zei : je moet een van je zonen niet anders behandelen , want om de ketonet passim (het kleurig gewaad) dat Jaäkov voor Joseef maakte haatten ze hem.
(2) Rasji ad loc
(3) Dat is op te maken uit het commentaar op deze pagina van de Shelah (plm 1600) Shney Luchot HaBrit, Kedoshim, Torah Ohr 63

Parasjat Wajisjlach
  Beresjiet /Genesis 32:4 – 37
Samael

Jaäkov trekt zijn broer Esav (Ezau) , die hij tweeëntwintig jaar geleden ontvlucht was, tegemoet. Beiden zijn welvarend geworden. Met angst en beven ziet Jaäkov de ontmoeting naderen en hij vreest het ergste. Vlak voor de ontmoeting overnacht hij in zijn eentje aan de overkant van de rivier en vecht met een onbekende man.
Vele commentatoren hebben zich gebogen over de vraag wie de ‘man' ( iesj ) in het gevecht is geweest. Een niet gering aantal identificeert de man met Esav. Esav – ook wel genoemd Edom – is in vele uitleggingen de verpersoonlijking van slechtheid geworden. Vele vijanden van Israel zijn later betiteld met ‘Edom' , met name het rijk van de Romeinse onderdrukkers.  

De middeleeuwse bijbelgeleerde Rasji volgt de vele Oude Wijzen die menen dat het ging om de beschermengel van Esav. Die wordt dan weer geassocieerd met Samael, de prins der demonen, de koning van de duisternis, de engelachtige manifestatie van Satan, die al in de eerste eeuwen van de gewone jaartelling zijn intree deed in de midrasj (1) en later regelmatig in de commentaren van middeleeuwse geleerden voorkomt als Radak en Maimonides en menigmaal in de oude legenden, beurtelings als verleider tot de zonden, dan weer als aanklager voor het hemels gerechtshof, dan weer als engel des doods. Ambivalent als hij is, als ‘slechte' engel is hij tevens in dienst van de Allerhoogste. Eva heeft hij (als berijder van de slang) verleid van de verboden vrucht te eten; Sara's dood heeft hij veroorzaakt door over het offer van haar zoon Jitschak te berichten.
En nu speelt hij zijn rol als belager van Jaäkov.

Om ons met de Joodse uitlegtraditie vertrouwd te maken volgen we even de kabbalistisch georiënteerde rabbijn en geleerde Isaiah Horowitz (1564-1630) die als gedegen kenner van de kabbalistische ‘bijbel', de Zohar, uitgebreid ingaat op de rol van Samael. (2) Hij beschrijft hoe Samael zich voorziet van een menselijke gedaante met de trekken van Esav. Hij is als het ware even de hemelse afspiegeling van de verdorven tweelingbroer. Zo gaat hij het nachtelijk gevecht aan met Jaäkov. In de complexe en verfijnde, maar ook gekunstelde redeneringen van Horowitz rond het gebeuren licht opeens de passage op, waarin deze 17 e -eeuwse mysticus beschrijft, hoe na Jaäkovs overwinning op de engel Samael deze ‘besluit zijn slechte kant te verbergen en een “goede” engel te worden. In die laatste hoedanigheid bevestigt hij, dat Jaäkov Jitschaks zegen had verdiend en toen zegende hij (Samael) zelf hem. Zodra dat was gebeurd werd de vrede tussen Jaäkov en Esav op aarde hersteld.' Dan zegt Horowits – ook genoemd de Shelah - : ‘Er is nog een andere mystieke dimensie in de liefde tussen Esav en Jaäkov of in de liefde in het algemeen. Onder bepaalde condities kan het gevoel van liefde kwaad in goed transformeren en de onwaardige uiterlijke schil ( klipa ) kan worden veranderd in iets heiligs' , aldus de kabbalist. Opmerkelijk: kwaad kan verkeren in goed.
Die passage zou zelfs de moderne lezer troost kunnen bieden, waar hij beseft hoe Edom (Esav) vaak geassocieerd wordt met de vijanden van Israel, als volk en als natie. Opeens wordt vijandschap, haat vatbaar voor transformatie.

Overigens wordt met name in de kabbalistische sfeer Samael (of Satan) vaak geassocieerd met seksualiteit en lust en heeft de angst voor zijn welhaast onweerstaanbare verleiderskunst deze ‘soul snatcher' Samael door de eeuwen heen tot demonische proporties opgeblazen en vele rabbijnen en ultraorthodoxe mannen gebracht tot een aan ascetische en preutse obsessie grenzende vroomheid. Samael wordt de demonische versie van de jetser ha-ra – de neiging tot verkeerd handelen – die vaak een sterk erotische lading kreeg, waar eigenlijk toch de jetser ha-ra als ethisch concept nog steeds hanteerbaar is voor de levenspraktijk, een kompas om de goede keuzen te maken. Een obsessie met de immer loerende Samael kan niet aders dan hypocrisie kweken.
We moeten oppassen de jetser ha-ra - laat staan Samael - gelijk te stellen met het concept van het ego, wat in bepaalde spitituele kringen gebeurde en nog steeds gebeurt. Je hoeft om de jetser ha-ra in je leven te hanteren niet je ego te ontkennen of prijs te geven. Het ego is im Gründe een positief begrip: een innerlijke plek van realistisch zelfbewustzijn, die nodig is voor zelfhandhaving in een complexe wereld. (3) Met een goed ontwikkeld ego kan de mens verdergaan, voorbijgaan aan strikt eigenbelang en zich dienstbaar opstellen. Egoloos willen zijn is een illusie. Het ego leren kennen en hanteren, dat kan. Eventueel het ego opzij zetten, ontstijgen maar dan moet je het eerst wel hebben ontwikkeld. Met een goed ontwikkeld ego kan je Samael – de duistere kant van jezelf, je zwarte bladzijden - ontmoeten. Om aan je ego te ontstijgen moet je moet Samael wel in de ogen hebben gekeken en niet weggedoken zijn. Dan kan de demonische donkerte in de mens transformeren tot kracht ten goede.

Misschien is dat wat gebeurt is in het gevecht tussen Jaäkov en de engel/man/Samael.
Jaäkov vocht met oude schuldgevoelens over het bedrog, dat hij gepleegd had tegenover zijn broer en zijn blinde vader (4), hij vocht met oude angsten en schuldgevoelens (5), die hij belichaamd voelde in zijn nameloze tegenstander. Toen hij die overmeesterd had was – mogen we zeggen ‘tesjoeva' had gedaan? – was hij klaar om zijn broer te ontmoeten en regisseerde hij een omzichtig ritueel om een snaar van verzoening bij zijn onstuimige broer te raken.
Al eerder in andere commentaren heb ik gesteld, dat ik Esav niet zie als verpersoonlijking van het kwaad en als voorloper van alle latere vijanden van Israël.   (6)
Hoewel de broeders elkaar gehaat hebben betekent de kus van Esav een echt moment van verzoening. Rabbi Sjimon bar Jochaj (2e eeuw) bevestigt dit graag: ‘Is het niet alom bekend dat Esav Jaäkov haatte? Maar op dat moment was zijn compassie echt gewekt en hij kuste hem met heel zijn hart'. (7) Dat die mogelijkheid tussen vijanden gegeven is is een signaal voor alle tijden, zeker voor deze tijden waar de haat en vijandschap in het middenoosten tussen al die verre nakomelingen van de twee kleinzonen van Avraham in al zijn hevigheid woedt.

noten
(1) Bijv. Sjemot Rabba 18:5
(2) mijn vertaling uit de Engelse vertaaling van: Shney_Luchot_HaBrit ,_Vayishlach,_Torah_Ohr, op sefaria.org
De Shelah gaat ook uitgebreid in op alle kosmische conseguenties, die de na aanraking van de engel verwrongen heupzenuw ( de gied ha-nase waardoor Jaäkov voortaan mank zou lopen) ontstonden. Zie daarvoor de uitgebreide behandeling door Rabbi Simon Jacobson
op zijn website.
(3) Zo ook bijv. Andreas Burnier, Ruiter in de wolken, Uitgeverij Augustsus, Amsterdam-Antwerpen, 2015, p. 206
(4) Zo ook Gunther Plaut in zijn uitgave van de Tora met commentaar
(5) Zo ook Elie Wiesel zoals vermeld in ‘Een Toracommentaar voor deze tijd' (p. 91) van Harvey Fields
(6) in: Rob Cassuto, Reizen door de Tora, Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus, Mastix Press, 2016, p.75 ev
(7) Sifrei Bamidbar 69:2

Parasjat Wajetsee Beresjiet /Genesis 28:10 – 32:4
De ladder

De parasja Wajetsee begint met de reis van Jaäkov naar Charan en de beroemde droom over de ladder naar de hemel (28:10 ev): ‘ Op zijn tocht kwam hij bij een plaats waar hij bleef overnachten omdat de zon al was ondergegaan. Hij pakte een van de stenen die daar lagen, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats liggen slapen. Toen kreeg hij een droom. Hij zag een ladder die op de aarde stond en helemaal tot de hemel reikte, en daarlangs zag hij de engelen van Elohiem omhoog gaan en afdalen. En zie daar stond De Eeuwige boven hem, die zei: "Ik ben de Eeuwige , de God van je vader Avraham en de God van Jitschak. Het land waarop   j e nu ligt te slapen zal ik aan jou en je nakomelingen geven."'

Die droom heeft aanleiding gegeven tot vele uitleggingen, van letterlijke, tot allegorische en mystieke.  
Rasji (1) viel het op dat de engelen eerst omhoog gaan en dan de ladder afdalen, terwijl je het omgekeerde zou verwachten. Hij verklaart dit door de engelen te zien als gebonden aan het land dat zij beschermen. De engelen van het ‘binnenland' verlaten Jacob op dit punt waar hij zijn buitenlandse reis begint en stijgen ten hemel; de engelen van het ‘buitenland' dalen op hem neer.  De midrasj ziet Jacobs slaapplaats graag als de berg van Avrahams bijna-offering van Jitschak, de berg Moria.
Een andere midrasj ziet drie stenen, waaruit Jaäkov zijn hoofdkussen gaat kiezen ruzie maken. Wie zal zijn hoofdkussen mogen zijn? Volgens een rabbijnse geleerde uit de vroege renaissance (2) gaat de ruzie om wie het fundament zal vormen voor Jaäkovs komende wijsheid; de drie stenen zijn dan als het ware als vertegenwoordigers van de drie disciplines, de theologie (metafysisch aspect), de wetenschap (materiële aspect) en de wiskunde (abstracte theorievorming). De vraag is of die ruzie al beslecht is. De laatstgenoemde twee stenen lijken wel aan de winnende hand…

Mij lijkt een goede uitleg zeker ook de engelen die naar boven stijgend de ladder opgaan te zien als Jacobs smeekbeden, in de eerste plaats smeekbeden om bescherming in het barre buitenland (zoals in vers 20 wel wordt bevestigd) maar in een meer transcendente laag tevens ook als de uiting van zijn diepste verlangen om openbaring van de zin van zijn leven en onthulling van zijn missie.   De dalende engelen zijn als het ware tegemoetkomende reacties vanuit de transcendentie (goddelijke dimensie). Ze brengen hem een besef van kracht en bescherming. Maar ook een inzicht in en intuïtie omtrent zijn unieke missie.  
Dat zou kunnen blijken uit de bewoordingen: eerst wordt gesproken over de ‘engelen van Elohiem ', het meer neutrale woord voor de goddelijke dimensie. Een zin later staat er: ‘En zie daar stond De Eeuwige boven hem, die zei: ‘Ik ben de De Eeuwige, de God van je vader Avraham en de God van Jitschak'   Nu wordt opeens het tetragrammaton JHWH – meestal uitgesproken als ‘Adonaj' - gebruikt, het woord voor de Eeuwige als degene die zich bekommert om het lot van Israël.  
Jacob maakt hier op een diepe bewustzijnslaag kennis met een ver boven hem uitgaande macht die zijn lot richting geeft in het verlengde van de sturing die zijn vader en grootvader al heeft geleid. De ladder is de expressie van het verlangen naar ontmoeting met De Ene, een verlangen dat vanuit de diepte in fasen vormkrijgend opstijgt. ‘En zie daar stond De Eeuwige boven hem' ( we-hinee Adonai nitsav alav ). In welke vorm dan ook ontmoeten de opstijgende engelen de neerdalende engelen, er komen antwoorden, bevestigingen, tekenen, krachten uit de transcendentie.  
In de kabbalistische visie – voorzover ik die begrijp - wordt de ladder gezien als een patroon van de sefirot, waarbij Jaäkov geplaatst wordt gezien als midden tussen Avraham, de rechterstijl, die Chesed – stroom, liefde, genade - symboliseert, en Jitschak, de linkerstijl, die Gevoera – begrenzing, bedding, stabiliteit, oordeel - belichaamt.   In de droom maakt de Eeuwige Jacob, als het ware in een soort mystieke dialectiek, tot de fusie van de eigenschappen Chesed en Gevoera, dat wil zeggen tot de sefira Tif'eret – schoonheid, harmonie, ziel, essentie - in de middenzuil. Zo wordt als het ware contact gelegd tussen de hogere werelden en de lagere wereld van Malchoet – daar waar het goddelijke inwoont, de Sjechina - , vanwaaruit onze materiële wereld zin en betekenis krijgt.  

De ladder is de verticale as van de coördinaten van ons bestaan, waarvan de horizontale as onze werkzaamheid in de wereld is. In ieder van ons staat die ladder klaar om daarlangs tree voor tree ons verlangen en ons gebed en onze daden omhoog te sturen.  
Jacob heeft dit met volle kracht gedaan. Niet lang daarna zou deze verlegen huismus en moederszoon bij de ‘Jacobsbron' de vrouw van zijn leven ontmoeten en ook nog meteen kussen, een zware putdeksel oplichten, die een hele troep herders nog niet van hun plaats kregen, later met wijze tolerantie ten opzichte van zijn sluwe oom te werk gaan, een groot gezin stichten en een enorm vermogen verzamelen in moeilijke omstandigheden om toch dan de stem te horen die hem terugriep naar zijn familie en zijn missie.  

noten
(1) Rasji ad Beresjiet/Genesis 28:11
(2) Isaac Arama, Akeidat Yitzchak 25:16

Parasjat Toldot   Beresjiet/Genesis 25:19-28:9
Een gezinsdrama met een spirituele strekking  

Er is in de parasja Toldot duidelijk sprake van een familie met flink wat disharmonie. De vader heeft zijn favoriete zoon en de moeder heeft háár favoriet. De twee zonen zelf zijn totaal verschillend van aard.
Esav – ‘de harige' – is een kundig jager en een man van het veld. Hij is de lieveling van zijn vader Jitschak, die graag het gebraden wild van zijn jagende zoon eet.
Jaäkov – ‘die op de hielen zit' – is in alles zijn tegenhanger, een gladde tengere jongen, die het liefst bij de tenten blijft bij zijn moeder (de oude vrome rabbijnen wisten zeker dat hij daar al Tora studeerde). Hij is de oogappel van zijn moeder Rivka. Al in de baarmoeder is de strijd begonnen met zijn tweeling- broer, die als eerste ter wereld kwam en die hij bij de hiel vasthad in een poging hem in het geboortekanaal al voorbij te streven.
De jongste van de tweeling lijkt een huismus, maar blijkt behept met grote ambities en niet terug te schrikken voor list en bedrog ten aanzien van zijn broeder en zijn vader.
Esav is een impulsieve, hartstochtelijke man, zoals blijkt uit de onstuimigheid waarmee hij vermoeid na de jacht de rode linzen- soep van zijn broeder opeist. De ambitieuze en slimme Jaäkov maakt hem in ruil voor de soep het eerstgeboorterecht – zeer belangrijk in het toenmalige Midden-Oosten – afhandig. Daarbij komt het verraad van Rivka aan haar echtgenoot Jitschak. Rivka is – mede door een voorspellende droom tijdens haar zwanger- schap van de tweeling – vastbesloten om tegen de traditie en wil van haar man Jitschak haar oogappel Jaäkov in het zadel te hijsen als hoofd van de clan; als Jitschak oud, blind en doodziek op sterven lijkt te liggen en te kennen geeft aan Esav de vaderzegen te willen geven, nadat Esav een bokje heeft geschoten en lekker voor hem heeft klaargemaakt, instrueert zij Jaäkov om zich aan zijn vader voor te doen als vaders favoriet Esav, gekleed in diens kleren, de armen omrold met geitenhuid, om diens harigheid te veinzen, en voorzien van het gevraagde lekkere gebraad. Aldus gebeurt, een spannende scène: zal de wantrouwige Jitschak het bedrog ontdekken? Hij twijfelt, maar geeft zijn zegen. Jitschak moet later trillend van boosheid of angst aan zijn oudste zoon Esav de misleiding opbiechten. Esav brult van woede en zweert zijn broeder te zullen doden. Moeders plannen met haar lieve- lingszoon zijn gelukt. Maar het gezin is verscheurd, boosheid en bitterheid zijn het gevolg. Met dat alles rust Avrahams erfenis voortaan op de schouders van Jaäkov.

Om de woede van zijn broeder te ontlopen (en om naar de wens van zijn moeder een vrouw uit de stam te zoeken) vlucht Jaäkov naar zijn oom Lavan in het land Aram.
Rivka en Jaäkov hebben met listen en lagen hun doel bereikt. Hebben we dat niet vaker gezien in legenden, drama en literatuur, de moeder die haar favoriete zoon op de troon wil en daar alles voor doet? Was het de hogere bedoeling dat het zo zou gaan?
De schoonheidsprijs verdient het niet. Bepaald geen voorbeeld voor in het handboek ‘goede gezinsverhoudingen'. De televisie- schrijver zou spreken van een adembenemend gezinsdrama, de psycholoog van een broken home. Maar het is vaak wel de wer- kelijkheid die zo zich afspeelt, vroeger en nu. Er staan veel meer laakbaarheden in de Tora. Het absurde is dat laakbare daden het grote verhaal van Israël niettemin vaak juist verder brengen (wie wilmag er nog een paar noemen…).

We kunnen het verhaal ook proberen te hervertellen vanuit een meer spirituele optiek. Misschien licht dan een andere laag op. Is Rivka in de gezinspsychologie de slechte moeder met haar eenzijdige voortrekken van haar oogappel, in de spirituele geschiedenis is zij degene die de dramatische constellatie voorvoelt als zij zwanger is en (Beresjiet/Genesis 25:23) de stem hoort die voorzegt dat er twee naties in haar schoot zijn en dat de oudste de jongste zal dienen.(1) Ze moet bij het opgroeien van de kinderen haar voorgevoel bevestigd hebben gezien en in de jonge Jaäkov de kwaliteiten hebben opgemerkt die hem waardig maakten de erfenis van Avraham op zich te nemen.

In de wildheid, de impulsiviteit, het gebrek aan overleg van Esav lag tegelijk zijn onvermogen om boven de passie of de begeerte van het moment uit te kijken, om te luisteren naar diepere of hogere boodschappen, om de essentie van dingen en mensen te peilen, kortom om een geestelijke dimensie te be- treden, in meer religieuze termen: om contact te voelen met de Eeuwige. Daarmee was Esav geen kwaadwillige, geen slechterik, geen crimineel, hij was eenvoudig alleen maar ongeschikt. Hij was zoals u of ik meestal zijn, als we niet boven onze emotionele impulsen uit kunnen stijgen en niet verder dan de aandriften van het moment kunnen kijken, en dat doen we meestal niet.(2)
Rivka voelde zich instrument om de herschikking van de opvolging van Avraham te helpen realiseren. Het lijkt wel of zij de drager van inzicht was, terwijl Jitschak geen gevoel had voor de meer spirituele laag van werkzaamheid in zijn familie. Hij was blind voor de meer subtiele kwaliteiten van Jaäkov en genoot van de wilde kracht van Esav en zijn gebraden wild, Esav, in wie hij waarschijnlijk meer zichzelf herkende.(3) (4)

In de boezem van Jitschaks familie kunnen we zich een strijd zien afspelen tussen kracht (Esav, gesteund door Jitschak) en geest (Jaäkov, gesteund door Rivka); een fundamentele strijd, die de ontwikkeling van het volk van Israël en meer algemeen de mensheid zal stempelen, fundamenteel omdat hij ‘in de baar- moeder van de menselijke ontwikkeling' (als we de baarmoeder van Rivka als metafoor zien) al is begonnen. Uiteindelijk is het onvermijdelijk om in te zien dat kracht en geest niet zonder elkaar kunnen; kracht en geest zullen moeten erkennen elkaar nodig te hebben. Die momenten zijn zeldzaam, maar het is aan Jaäkov om tot die feitelijke erkenning te komen in de nog te beschrijven latere verzoening met Esav.

Dit is een publicatie uit Rob Cassuto, Reizen door de Tora, deel 1, Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus , verkrijgbaar in de webshop van Stichting Pardes

Noten
1. Beresjiet/Genesis. 25:23: ‘De Eeuwige zei tegen haar: “Twee volken zijn er in je schoot, volken die uiteengaan nog voor je hebt gebaard. Het ene zal machtiger zijn dan het andere, de oudste zal de jongste dienen.”' Ik vat deze uitspraak op als een – zo je wilt transcendent – voorgevoel van Rivka. Vat je deze regels op als een absolute Godspraak, dan heeft dat veel theologische en filosofische implicaties. Zo hebben deze regels veel theologische discussies – met name in het christendom, bijvoor- beeld Augustinus – veroorzaakt over predestinatie, uitverkiezing, verlossing en genade: als God al weet wat er gaat gebeuren, wat betekent dat dan voor de vrije wil en de toerekenbaarheid van daden, goede en slechte?

2. In midrasj en legende heeft Esav of Edom een wel heel slechte naam gekregen. Hij is het toonbeeld van de bedrijver van het kwaad geworden en men meende Edom te herkennen in de Romeinen en in vele andere groepen tot en met de nazi's. Maar niets in de Tora duidt daarop of geeft aanleiding tot een dergelijke demonisering. In de parasjja Devariem lezen we hoe Mosjee gebiedt dat de binnen- trekkende Israëlieten het land van Esavs nakomelingen, het gebied van Edom, niet mogen binnenvallen.

3. Gunther Plaut (The Torah, a modern commentary p.186) die ik voor deze parasja heb geraadpleegd, werpt de interessante vraag op of Jitschak toch niet ergens halfbewust heeft geweten dat Jaäov de meer geschikte was. Alles in de pesoekiem (verzen) 27:18-27 – lees het nog eens na – wijst op de twijfel die de bijna blinde vader ervoer al vanaf de binnenkomst van de als Esav zich voordoende en geklede Jaäkov. De vraag rijst: wilde Jitschak misschien misleid worden, omdat hij zelf niet de moed had om de beslissing te nemen die Rivka wel had genomen? Speelde Jitschak misschien het spelletje mee om te laten gebeuren waarvan hij ook diep in zijn hart wist dat het zou moeten gebeuren?

4. Een veel verdere uitwerking van de spirituele strekking, mede aan de hand van de sefirot, treffen we aan in het commentaar van rabbi Simon Jacobson, www.meaningfullife. com/social/toldot-the-plot- thickens-jacob-esau-two-nations/ .


Parasjat Chajee Sara
  Beresjiet/ Genesis 23:1–25:18
Gelukkige ontmoetingen

De parasja Chajee Sara bevat dat het prachtige verhaal over hoe Awrahams vertrouweling, de knecht Eliezer, opdracht krijgt een vrouw voor Jitschak te zoeken en hoe hij deze opdracht volbrengt. Het verhaal wordt in geuren en kleuren verteld, het is een staaltje van de beste Tora-vertelkunst.  
Degene die deze regels heeft geschreven moet een begaafd schrijver of dichter zijn geweest. De spanning van de knecht Eliezer wordt subtiel weergegeven, als hij wacht bij de waterput totdat de meisjes van de stad de poort uit zullen komen om het kleinvee te gaan drenken. Hij bidt op een goede afloop en krijgt ingegeven aan welke test de toekomstige vrouw van de zoon van zijn meester zal moeten voldoen: ze zal hem op zijn verzoek onmiddellijk te drinken geven uit haar kruik en uit haarzelf aanbieden ook voor zijn kamelen water uit de put te halen om de beesten te drenken. En daar komt Rivka, jong mooi en maagd. Het lijkt wel of de oude knecht subsidiair voor Jitschak verliefd wordt op de knappe herderin. Op zijn verzoek om een slok geeft ze die onmiddellijk en inderdaad drenkt daarna de kamelen, snel en efficiënt.
Opvallend in deze passage over Rivka's handelingen is hoe een aantal keren woorden met de stam ‘snel' en ‘rennen' – maher , rats – voorkomen; het tekent de houding van achting en respect van de jonge vrouw voor de vreemdeling. We zijn deze woorden ook tegengekomen in de houding van Avraham als hij voor zijn tent de drie boodschappers ontvangt en een maaltijd bereidt.(1).
De verraste knecht ziet in stille verbijstering aan hoe het meisje haar diensten voor hem verricht en als ze klaar is hakt hij de knoop door: God moet hem hebben verhoord, dit is de ware. Hij geeft haar de bedoelde geschenken een gouden neusring en twee gouden armbanden van tien sjekels goud zwaar. Twee armbanden, dat verwijst naar de twee stenen tafelen en tien sjekel verwijst naar de tien uitspraken (geboden) weten de Oude Wijzen (2)
Dan pas vraagt Eliezer naar haar afkomst.en dan pas blijkt zij tot de familie van Avraham te behoren. Dat was wel een gok. Blijkbaar waren de schoonheid en de uitmuntende eigenschappen van vriendelijkheid en hulpvaardigheid van Rivka zo overweldigend dat zij voorrang kregen boven status en afkomst, zaken die toch wel van eminent belang plachten te zijn. Als Avrahams afgezant later het verhaal doet aan de familie draait hij in zijn verslag wijselijk de volgorde van de gebeurtenissen om, lees het maar na. (Beresjiet/Genesis 24:47)(3)
Meer saillante details verschillen in het mondeling verslag van de knecht aan de familie van Rivka. Want eigenlijk worden de gebeurtenissen tweemaal verhaald, eerst als vertelling in de derde persoon en dan als verslag van de knecht aan Rivka's broer Lavan, . Een stijlvorm die wij in onze moderne verhaalkunst niet zo zeer kennen, maar die hier op een of andere wijze bijzonder sterk werkt. Bij voorbeeld: in Beresjiet/Genesis 24:3 laat Avraham de knecht zweren bij ‘de Eeuwige, de God van de hemel en de God van de aarde'; in het verslag van de knecht over deze eed ( Beresjiet/ Genesis 24:37) vermeldt de man geen Eeuwige. Dit zou hij dan bewust in zijn verslag hebben weggelaten omdat Avrahams familie natuurlijk niet het Abrahamitische monotheïsme (om het mooi theologisch te zeggen) kende, maar hun eigen godendienst hadden; de knecht wilde dit natuurlijk respecteren en hen niet nodeloos kwetsen. Een zin later vertelt de bediende dat hij de opdracht had gekregen naar het vaderlijk huis en de familie van Avraham te gaan om een vrouw te zoeken. Avraham had het echter alleen over zijn ‘land en geboorteplaats' ( Beresjiet/Genesis 24:4). De knecht dacht strategisch en heeft het in zijn verslag maar iets toegespitst tot de familie, waar hij door dat (schijnbare?) toeval is aangeland.

Hij voert Rivka mee terug naar de tenten van Avraham en Jitschak.  
Rivka heeft kennelijk een scherpe intuïtie over haar lotsbestemming en de vastbeslotenheid om daar onvoorwaardelijk naar te luisteren en te handelen: ondanks de pogingen van de familie haar nog een tijdje te houden zegt ze op de vraag of ze onmiddellijk mee wil gaan: ‘Ja, ik wil gaan'.  
Jitschak zal meer dan voldaan zijn geweest: de man ‘bracht haar naar de tent van Sara, hij nam haar tot vrouw, hij beminde haar en troostte zich met haar na Sara' ( Beresjiet/Genesis 24:67).

Hiermee bereikt dit verhaal een happy end. Idyllische momenten zijn er ook in de Tora. Gelukkige ontmoetingen bij een put, daar zijn er meer van in. Tenslotte is de put een archetypische ontmoetingsplaats in de samenleving van herders en kleine landbouwers. We denken aan Jaäkov, die zijn grote liefde Rachel ontmoette bij de waterput, misschien wel dezelfde als waar Rivka haar vee drenkte. De meest romantische scene in de Tora. Ook Mosjee ontmoette Zippora bij een waterput in de streek van Midjan. Waar het water vloeit zijn de condities voor geluk in de zin van geestelijk en lichamelijk welzijn aanwezig. (4)

Noten
(1) zo ook Sforno ad loc
(2) Rasji ad loc,
(3) meer hierover in mijn boek ‘Reizen door de Tora. Van het Begin naar de Berg, Genesis en Exodus', p. 61 ev
(4) Ik moet ook denken aan de ontmoeting van Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de waterput – de Jakobsbron - , Joh. 4:5, waarin opvalt hoe Jezus over 2 taboes heenstapt: hij spreekt met een Samaritaanse, waar ‘Joden niet mee omgaan' en hij spreekt met een vrouw, waarover de discipelen hun verbazing uitspreken.

 
Parasjat Wajera
Beresjiet/Genesis18 – 23
Lust en nieuw leven

Vaak treft het mij hoe de verhalen van de Tora doordrenkt zijn van de spanningen tussen lust en procreatie. Het gaat over het kanaliseren en vaak over het buiten de oevers treden van die machtige menselijke drijfveer, die toch nodig is om het volk (de mensheid) te laten voortbestaan. Lust was volgens vele vroege rabbijnen de onvermijdelijke drijfveer, die de Schepper in de mens had geplant om tot het verwekken van nageslacht te komen. Als de lust wordt beheerst en ervaren in de binnenhuwelijkse procreatie is het oké. Dit is altijd de mainstream van het Jodendom geweest, overigens meestentijds geflankeerd door stromingen waar het paradoxale begrip jetser ha-ra - neiging ten kwade waarmee vaak de seksuele aantrekkingskracht werd bedoeld - demonische trekken kreeg en in vrijwel alle eeuwen delen van de rabbijnse elite drong tot ascetische praktijken.

Met name in de parasja Wajera speelt het aspect van lust en procreatie een grote rol. Het begint al met de aankondiging door de drie mannen/engelen aan Sara van de geboorte van een zo lang al begeerde zoon. Sara vraagt zich af: ‘zal ik nog edna hebben nu ik oud ben geworden en mijn heer is oud'. Edna wordt vertaald met ‘liefde' (NBV), ‘liefdesgenot' (HSV) en ‘wellust' (SV1977). Dasberg vertaling: ‘bevrediging'. Het lijkt mij verantwoord om als gemiddelde betekenis ‘lust' te nemen. De lust was Sara vergaan. Na de toezegging dat zij zal baren is aan haar blijkbaar weer meer lust toegedeeld evenals ook aan Avraham kennelijk meer potentie is geschonken. Het valt op, dat Sara hoewel dus al op leeftijd in een latere fase in dit verhaal niettemin de begeerte van Avimelech, de koning van Gerar, heeft opgewekt en dat Avraham na Jisjmael en Jitschak bij zijn latere vrouw Ketoera nog zes zonen heeft verwekt.

In Sedom heeft het onbegrensde uitleven van een overmaat aan lust voorrang gekregen boven de waarden van gastvrijheid, menselijkheid en de integriteit van het lichaam. Dat beleeft zijn toppunt als de mannen van Sedom -   ‘van jong tot oud, het huis, heel het volk, niemand uitgezonderd' - aan Lot de uitlevering van zijn twee goddelijke boodschappers/bezoekers eisen om hen seksueel te gebruiken ( we-neda otam ). Lot gaat zo ver, dat hij liever zijn maagdelijke dochters aanbiedt dan de waarde van gastvrijheid te schenden.
Waar de lust is losgeslagen en ontgrensd en alleen zichzelf dient staat de weg naar het kwade open. Hier zijn de mannen van Sedom het iconische voorbeeld van. Het kenmerk van deze losgeslagen dominantie van de lust is dat superieure waarden van gastvrijheid, waardigheid en integriteit met voeten worden getreden. Het tegendeel is de bijbelse ‘vrees voor God' – jirat Elohiem - , waar deze waarden juist boven alles komen. Een paar passages verder als Avraham in de stad Gerar verblijft is hij bang, dat hij die vrees voor God daar niet zal aantreffen en dat Sara zal worden verkracht.

De twee bezoekers/engelen redden Lot, zijn vrouw en zijn twee dochters (niet zijn twee ongelovige schoonzonen) uit de penarie en brengen hen buiten de stad voordat de vernietiging de stad zal treffen. Als Lot uiteindelijk met zijn twee dochters zijn toevlucht heeft gevonden in een grot (zijn vrouw heeft tegen het gebod toch omgekeken en is geworden tot de befaamde zoutpilaar) dringt zich een prangende vraag op: hoe moet de familie zich nu voortzetten als er geen mannen meer zijn om daarvoor te zorgen? Er is alleen nog een vader. De twee dochters van Lot zien maar één oplossing: incest.
Dat is nogal wat. Het is immers een van de grootste taboes, ook buiten de kring van de Abrahamitische ethiek. Lot zelf zou hier in bewuste staat nooit in toestemmen.
De oudste dochter neemt het voortouw: Ze voert haar vader dronken. Zo kan zijn bewustzijn worden gedempt en zijn lust kan worden ontremd om zijn procreatieve werk doen. Dan heeft ze gemeenschap met hem. De volgende nacht volgt de jongste dochter haar na. Ze worden inderdaad beiden zwanger en baren ieder een zoon. De oudste dochter noemt haar zoon Moav – ‘van een vader' - en de jongste dochter noemt haar zoon Ben Ammi – ‘zoon van mijn volk' - .
Moav wordt de voorvader van het volk van de Moabieten en Ben Ammi van het volk van de Ammonieten; beide volken zullen nog een grote rol spelen in de geschiedenis van de Israelieten.

Sommige vroege rabbijnen uit de eerste eeuwen van de gewone jaartelling hebben moeite om een oordeel te vellen over de moraliteit van dit gebeuren in zo'n extreme omstandigheid. De dochters dachten, dat de wereld was vergaan door vuur, zoals eerder water de wereld had overstroomd. Geen mannen waren er meer beschikbaar. De vraag waarmee die oude schriftgeleerden mee worstelden was zoiets als: wat was nu het belangrijkste motief om dit ontzaglijke incest taboe te doorbreken: pure lust of overleving van de familie, respectievelijk de mensheid. (1)
Tot op zekere hoogte kunnen we ons verplaatsen in de situatie van de dochters. Stel dat – God verhoede – een geweldige katastrofe de mensheid van nu zou uitroeien op één vader en dochter na. Stel dat jij de dochter zou zijn. wat zou je doen. Zou je wanhopig zijn en zelfmoord plegen of zou je uiteindelijk besluiten nieuw leven te scheppen? Het is de premisse van een roman of film, die vermoedelijk vast wel al gemaakt is (2).
De 16 e -eeuwse geleerde Sforno (3) kiest ervoor om de dochters een nobele intentie ( kavana ) toe te dichten en hij wijst op het positieve gevolg van hun daad, twee volken zijn uit hen voortgekomen, de Moabieten en de Ammonieten, die beiden een mooi stuk land bezijden de rivier de Jordaan beërfden, dat later de Israëlieten bij de verovering van Kenaän met rust moesten laten. .
Wat minder is, dat. Later toen de Israelieten tegen het einde van hun veertigjarige zwerftocht onder Mosjee bij de Jordaan waren aangeland, de jonge vrouwen van Moav de Israëlitische mannen hebben verleid tot ongeoorloofde seksuele handelingen met rampzalige gevolgen (Bamidbar/Numeri 25). Maar daar staat weer tegenover dat weer veel later een andere Moabitische juist een heel positief effect heeft gehad in de geschiedenis van het oude Israel; ze verleidde met haar charme de rijke Israelitische grootgrondbezitter Boaz op de dorsvloer en werd via haar zoon met Boaz de overgrootmoeder van koning David. Die vrouw heette Roet (Ruth) en over haar is een heel bijbelboek geschreven.
Sforno meldt bij zijn aantekening bij het verhaal van Lot en zijn dochters een citaat uit Misjlee (Spreuken): ‘Ken God in al je wegen, dan zal Hij je paden rechtmaken' en voegt daaraan toe: ‘zelfs als het een zonde betreft'. Blijkbaar kan ook het begaan van een zonde vallen onder het gaan van Gods wegen. Voor mij betekent dit niet, dat het doel alle middelen heiligt. Wel, dat er noodsituaties denkbaar zijn waarin een inbreuk op geheiligde regels gerechtvaardigd of zelfs vereist is. De voortgang van de geschiedenis kan blijkbaar niet zonder. (4)

Noten
1. Zie Beresjiet Rabba 51:8 ev
2. Ik moet denken aan de roman van Bernard Malamud, ‘God's grace'.
3. Ovadja Sforno (plm, 1470-1550) ad Beresjiet/Genesis 20:37 op Sefaria.org
4. ‘misstappen werken heimelijk positief uit op het lot van het oude Israël; God, zo lijkt het, werkt aan beide zijden van de legaliteit' , David Biale: Eros and the Jews : from Biblical Israel to contemporary America 1992, p 20


Parasjat Lech Lecha
 
  Beresjiet/Genesis 12-18   
De universele Abraham

Verscheidene passages in de Tora houden in, dat in Abraham de volken van de wereld zullen zijn gezegend (zoals in de eerste zegening in Genesis 12:3, niwrechoe bechá kol misjpachot ha-adama ). Bijbelprofessor Umberto Cassuto signaleert: ‘we hebben hier de eerste toespeling op het concept van universaliteit dat inherent is in het geloof van Israel, dat verder ontwikkeld zou worden in de leringen van de profeten'. (1)
Niet alleen voor de joden, ook voor andere religies is Abraham een voorbeeld van geloof en een inspiratie voor levenswandel. Zowel in het Christendom als in de Islam wordt hij boven zijn Joodse context uitgetild.

De apostel van het christendom, Paulus, wijdt een bij theologen befaamde passage aan Abraham. In zijn brief aan de Romeinen legt hij de nadruk op het onwankelbare geloof van Abraham in de Altijdzijnde. (2) Als ik het goed begrijp komt het op het volgende neer. Niet omdat Abraham zulke goede daden heeft verricht werd hij door God gerechtvaardigd, niet om zijn verdiensten, maar louter doordat hij op God vertrouwde, dat godsvertrouwen was al genoeg. En omdat hij al gerechtvaardigd werd toen hij zich nog niet had besneden en er sowieso toen nog geen geheel van wettische voorschriften bestond, is ook voor hen die niet besneden zijn – lees de niet-joden c.q. de christenen - het geloof in God – en natuurlijk voor de christenen in Jezus - voldoende en het is voor rechtvaardiging niet nodig, dat je je aan allerlei voorschriften – lees de Joodse wet – houdt.

In de Koran speelt Abraham een belangrijke rol, in vele passages treedt hij op. Uit een artikel van prof. Karl Josef Kuschel (3) haal ik een belangrijk citaat uit de Koran: ‘O, mensen van het Boek, waarom redetwist gij over Abraham, wanneer de Tora en het Evangelie eerst na hem werden geopenbaard? Wilt gij dan niet begrijpen? Ziet, gij twist over hetgeen, waarvan gij kennis hebt. Waarom twist gij dan (eveneens) over hetgeen, waarvan gij geen kennis hebt? Allah weet en gij weet niet. 
Abraham was noch een Jood, noch een Christen, maar hij was een oprecht Moslim. En hij behoorde niet tot de afgodendienaren.' (4)
Het blijkt te staan in het hoofdstuk (soera) Al Imraam, o.a. een voor joden weerbarstige verhandeling over ‘het volk van het Boek'. Maar in bovengeciteerd vers ligt wel een helder statement: Abraham ging vooraf aan Tora, Evangelie en ook aan de Koran. Hij was ‘een vriend van God'.

Prof Kuschel neemt deze soera als uitgangspunt voor zijn pleitrede voor een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene. In zijn interreligieuze werk vindt hij zijn grondslag in de verhalen van Abraham, zoals zij verteld worden in de Tora, in het Nieuwe Testament en in de Koran. In de verhalen over Abraham komt – zo stelt hij – iets tot uitdrukking dat als grondhouding van mensen tegenover het heilige, het Absolute, tegenover God ook in andere religies te vinden is: de kracht om op grond van radicaal vertrouwen op God op te breken en iets nieuws te wagen. Dit ziet hij als Abrahamitische spiritualiteit, het radicaal vertrouwen om ondanks de deprimerende geschiedenis van conflict en geweld tussen de religies en tegen de verleiding van berusting in, vol te houden en met erkenning van verschillen steeds te zoeken naar gemeenschappelijke grond.

Biedt de Tora in het verhaal van Abraham nog andere episoden, die inspireren tot een vredelievend samengaan van mensen van verschillende religies? Een late midrasj (5) verhaalt hoe een bezorgde Avraham na jaren tot tweemaal zijn zoon Ismael in de woestijn weer opzoekt en een derde keer zich met hem verzoent. Dit verhaal is in de islamtraditie in een aangepaste vorm overgenomen als basisuitleg voor de in de Koran vermelde bouw van de Kabaä door Abraham en Ismaël. Ismaël kreeg twaalf zonen. In Beresjiet/Genesis 25 wordt de laatste episode in het leven van Abraham beschreven. Hij neemt na de dood van Sara waarachtig nog een tweede vrouw, Ketoera – de midrasj zegt: dat is een teruggekeerde Hagar – en krijgt nog zes zonen bij haar. Inderdaad, een vader van vele volken is hij. (6)
Hij wordt begraven door zijn twee oudste zonen, Isaac en Ismaël (Beresjiet/Genessis 25:9). Aan het graf van hun vader ontmoeten de twee rivalen elkaar weer, dat is een hoopgevend metafoor.

Al eerder is in het leven van Abraham een signaal van een vreedzame oplossing van conflicten gegeven. Als de nog ‘jonge' Abram met zijn neef Lot is vertrokken uit Charan ontstaat er een conflict over de weidegrond voor hun vee. (Beresjiet/Genesis 13). De herders maken ruzie met elkaar. Er is te weinig levensruimte voor beiden. Dan zegt Abraham zoiets als: laten we toch geen ruzie maken, wij zijn immers mannen die broeders zijn! Ligt heel het land niet voor je open? Er is ruimte genoeg voor ons beiden, ga jij naar links dan ga ik rechts en ga jij rechtsaf, dan ga ik linksaf.
Dat kan ook dienen als metafoor: er is ruimte genoeg voor allen, als we dat maar zien en elkaar dat gunnen. Eerst moeten we als joden, christenen en moslims ophouden ruzie te maken en elkaars waarheden aan elkaar op te dringen, stoppen met elkaar te onderdrukken en zelfs te doden. Dan kunnen we elkaar de ruimte gunnen, elkaars verschillen respecteren, dan kan een ontmoeting en werkelijke kennismaking zich ontwikkelen. 
Misschien gloort er dan iets als een oecumenisch gebeuren onder het patronaat van Abraham.
De laatste tijden lijkt dat nog ver weg.

noten

(1) U. Cassuto (1883-1951), A commentary on the book of Genesis, part two, from Noah to Abraham, Magnes Press, Jerusalem, 1977, p. 315
(2) Romeinen hfst 4
(3) Karl Josef Kuschel , ‘ Op weg naar een Abrahamitische spiritualiteit en oecumene' in : In de voetsporen van Abraham, vele bijdragen aan symposia 2003 en 2004 te Nijmegen, Damon 2004
(4) Koran, Soera 3 (Al Imraan) 65-68
(5) Pirkee de Rabbi Eliezer, hfst. 30 e.v.
(6) Zie ook: Marcel Poorthuis, ‘Hagar's Wanderings: Between Judaïsm and Islam' (https://marcelpoorthuis.wordpress.com/publicaties/wetenschappelijke-publicaties/journal-articles/)

Parasjat Noach   Beresjiet Genesis 6:9-11:32
Een tweede schepping

De parasja Noach vertelt het overbekende drama van de zondvloed, beter gezegd grote vloed (maboel ha-majiem). Noach wordt als enige rechtvaardige gespaard van de vernietiging van de verdorven mensheid en krijgt de opdracht een ark te bouwen en met hem zijn familie en van alle diersoorten paren op die ark mee te nemen. Na vele maanden op de overstroomde aarde te hebben rondgedreven land de ark op de droogvallende aarde en stelt De Eeuwige zijn regenboog aan de hemel als teken dat Hij niet wederom deze radicale sanctie op zijn schepselen zal toepassen. 
In de volgende episode wordt het incident rond de dronkenschap beschreven van de inmiddels landbouwer en wijngaardenier geworden Noach, die naakt zijn roes ligt uit te slapen: zijn zoon Cham zag zijn vader open en bloot en deed er niets anders aan dan het aan zijn broers, Sjem en Jefet, te vertellen, die wél met het nodige respect en met afgewend gelaat hun vader benaderden om hem te bedekken met de mantel der liefde. 
Dan volgt het verhaal van de nakomelingen van Noach en hun verstrooing over de aarde, nadat zij met hun project van de toren van Bawel De Eeuwige toch wat ongerust hadden gemaakt over de ambities van de schepselen, die zijn evenbeeld droegen. 
Tenslotte wordt gefocused op de nakomelingen van Sjem, die in tien geslachten uitmonden in Avraham. 

De algehele indruk die het verhaal van de grote vloed maakt is die van een “herschepping”. 
Een grote schoonmaak van de eerste versie van de schepping naar een tweede, die letterlijk met een schoongewassen lei mag beginnen met een soort nieuwe Adam in de persoon van Noach.
In het begin van paragraaf 6 komen die merkwaardige passages voor over de benee Elohiem en de dochters der mensen en over de reuzen, anakiem , die de aarde bevolkten. (1)
Scheppingsverhaal-achtig doet aan de beschrijving van de dieren (b.v. 7, 14-15), die doet denken aan Beresjiet 24-25, de uittocht uit de ark, die doet denken aan de uitstroom van een nieuwe creatie van levende wezens over de door het vernietigende maar ook schoonwassende water gerenoveerde aarde, afgesloten met opnieuw een: Peroe oereboe oemil'oe et ha-arets , ‘weest vruchtbaar, vermeerdert je en vul de aarde' (zoals in Beresjiet 1, 28). Even daarna wordt, zoals in Beresjiet 1, 29, het voedsel voor de mensen aangegeven, maar was in Beresjiet alleen het fruit en het gewas aangewezen – en dus eigenlijk het vegetarisme verordonneerd - nu is naast het groene gewas ook al wat beweegt en leeft potentieel voedsel: het vlees, maar niet het bloed. 

Nog een parallel zie ik in de assertieve daden van de mens en een zekere angst van De Eeuwige voor de kennis en kracht van zijn schepselen. Zie enerzijds: Beresjiet 3, 22: ‘Zie, de mens is geworden tot één van ons doordat hij weet van goed en kwaad. Als hij nu maar niet zijn hand uitsteekt en ook van de boom des levens neemt en eet zodat hij eeuwig leeft.' Volgt de verdrijving uit het paradijs. 
In Beresjiet 11, 6 sprak de tot de toren van Bawel afgedaalde Eeuwige tot zichzelf: ‘Ziet één volk is het en één taal hebben ze allen, indien dit het begin is van wat ze willen doen, zal hun niets, wat ze ook van plan zijn om te doen, meer te moeilijk zijn.'
En weer voelt zich De Eeuwige enigszins bezorgd over de macht van de mens – bijna als een vader die zijn te snel opgeschoten zoon zijn plaats wijst - , en neemt hij actie door het volk te verstrooien.
Eigenlijk is deze bezorgdheid de enige motivatie die in de Tora zelf wordt gegeven voor de verstrooiing. Zo letterlijk te lezen voeren de bouwers van stad en toren niets ongerechtigs uit. 
In een ander commentaar werk ik het verhaal van de toren van Bavel verder uit. Ik vermeld nog alleen deze verklaringen:
De verstrooing is een sanctie op de overmoed van de mensen. Dit is de meest populaire opvatting.
Iets verder zoekt men, als men de verstrooiing ziet als een zet van de Schepper aan de mens om niet symbiotisch op één plek van de aarde te blijven 'plakken', maar om de hele aarde te verkennen en te vullen. Een uitgebreide midrasj voert koning Nimrod in als de dictator, die op Brave New World-achtige manier zijn mensen heeft gedrild tot een uniforme werkmachine; achter de ogenschijnlijke eenheid schuilt dwang, indoctrinatie en onmenselijkheid (2). De verstrooiing is dan de bevrijding uit deze dwangsituatie en de talenverscheidenheid een welkome erkenning van creatief noodzakelijke verschillen.

noten
(1) De Benee Elohiem in dit vers. Daarmee zijn ‘voorname mensen, de elite' mee bedoeld, aldus de Radak (Rabbi David Kimchi, 13 e eeuw, vgl Ex. 22:27), die meldt dat Rabbi Sjimon bar Jochaj zei, dat wie vertaalde ‘zonen van God' vervloekt moest worden; hopelijk is dat de vertalers van de NBG niet overkomen
(2) O.a. Josephus, Antiquities of the Jews

Parashat Bereshiet   Bereshiet/Genesis 1:1-6:8 okt 2015  
Er zij licht en er was licht 

Met de oproep van het licht creëert de Schepper de noodzakelijke voorwaarde voor het vervolg van het scheppen. Bereshiet/Genesis 1: 3-4 ‘ God zei: ‘Er zij licht ' en er was licht . (wa-jomer Elohiem: jehi or)  God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis'
Volgens de letterlijke lezing mogen we aannemen, dat bedoeld is het fysieke licht, dat wij zien. Filoloog en bijbelwetenschapper Umberto Cassuto neemt dit als vanzelfsprekend aan. (1) Hoe is dit te rijmen met de latere schepping van zon en maan (1, 14-19), die toch ook bron van licht zijn en de taak krijgen dag en nacht te markeren? Cassuto in parafrase: eerst is er het fysieke licht zonder meer en worden de dag en nachtfasen in het leven geroepen, later worden het licht en de functie van dag- en nachtmarkering overgedragen op de hemellichamen.
Cassuto meent, dat de traditionele rabbijnse uitleg dat het allereerste licht verborgen werd ten gunste van de rechtvaardigen in de komende wereld niet overeenkomt met de bedoeling van het vers. Inderdaad zal de redacteur van het vers deze interpretatie vermoedelijk niet voor ogen hebben gehad. Toch mogen we onze ogen er niet voor sluiten, dat deze gebeitelde pregnante bijbelwoorden latere generaties geïnspireerd hebben er veel meer in te zien dan het zichtbare licht.

Het woord ‘licht' alleen al roept associaties op, die weliswaar gebaseerd zijn op de eigenschappen van het fysieke licht, maar daar verre boven uitgaan. Licht is het metafoor voor inzicht, wijsheid, inspiratie, liefde. Neem in het Nederlandse spraakgebruik uitdrukkingen als ‘het licht zien', ‘een lichtend voorbeeld' en de term ‘verlichting', die - naast de letterlijke betekenis van ‘voorzien van lichtbronnen (bv straatverlichting)' - merkwaardigerwijs zowel een religieuze betekenis kan hebben en dan duidt op een staat van verheven vrede en diep inzicht, alsook een min of meer antireligieuze strekking heeft als ze duidt op 18-eeuwse omarming van het principe dat de ratio en rationele analyse de enige manier is om waarheid te vinden. Altijd al heeft het begrip ‘licht' een centrale plaats ingenomen in het weergeven van essentiële menselijke ervaring van een sprong naar dieper inzicht en wijsheid. 

Zo hoeft het geen verbazing te wekken, dat het monumentale bijbelvers over de creatie van het licht al bij de vroege rabbijnen ook allegorische en esoterische uitleg heeft gevonden. Het licht van het ‘Er zij licht' is dan niet het fysische licht, want daar zorgt de Eeuwige later voor als hij zon en maan schept op de vierde scheppingsdag. De oude wijzen – met name ook in het kabbalistische grondgeschrift, de Zohar - zagen het ligt van vers 3 als het goddelijke licht van mystieke wijsheid en fundamenteel inzicht, dat de Hij heeft verborgen voor de ‘gewone' mensen en bewaard tot de laatste dagen. (2)
De kabbalisten hebben zeer uitgewerkte uitleggingen over het goddelijk licht. Gangbaar is de opvatting geworden (van R. Isaac Luria) dat dat licht in een aantal dramatische fasen neerdalend grotendeels verborgen is geraakt in omhullende schillen: de materiele wereld zoals die zich manifesteert in onze daagse belevingswereld. (3)
De goddelijke lichtvonken zijn omhuld geraakt door schillen van donkerte. Maar dit licht is niet helemaal verborgen. Het is meer als het zaad, dat in ieder mens kan ontkiemen. De schrijver van de Zohar laat een van zijn personage Rabbi Judah zeggen: 
Als het (licht) volledig verborgen zou zijn zou de wereld geen moment kunnen bestaan! 
Eerder is het verborgen en gezaaid als zaad 
dat zaad laat ontstaan en fruit. 
Zo wordt de wereld bewaard. 
Iedere dag schijnt een straal van dit licht in de wereld 
en zo houdt hij alles in leven, 
want met deze straal voedt de Eeuwige, gezegend zij Hij, de wereld
.(4)
De kabbalist wil deze vonken weer bevrijden en ze opheffen, zodat ze zich weer zich kunnen verenigen met het oorspronkelijk goddelijk geheel. Dit wordt genoemd Tikoen Olam . Op allerlei niveau kan de bevrijding van dit oorspronkelijke licht uit de duistere omhulling gebeuren, van het meest mystieke, individuele, tot het relationele, zelfs materiële globale niveau.
Het licht van Genesis 1, 3 was volgens de Zohar het licht dat David tot zijn psalmen inspireerde, dat Mozes omstraalde toen hij van de Sinai neerdaalde, het licht dat Mozes in staat stelde het hele land Israël van Gilead tot Dan te zien voor hij stierf, het licht dat is gereserveerd voor de rechtvaardigen.
Een ander mystiek commentaar suggereert dat het licht, dat van de brandende doornstruik in Sjemot/Exodus (3, 1-5) naar Moses uitging het oerlicht was van de eerste scheppingsdag, het vuur dat zijn aanhangers verlicht en niet verteert. In die passage wordt het woord doornstruik ( sneh ) vijf keer gebruikt, in Beresjiet (1, 1-5) komt het woord licht ( or ) vijf keer voor; het geschrift stelt die vijf keer doornstruik gelijk met de vijf boeken van de Tora, die op dat moment al aan Mozes werden geopenbaard.(5)

Het krachtigste licht ligt vaak in het diepste donker opgesloten, dat is de paradox. 
In een geestig verhaal uit de moslimtraditie is de wijze dwaas Moella Nasroeddin zijn huissleutel kwijtgeraakt en hij is hem aan het zoeken in het licht van een lantaarn. Iemand komt hem helpen zoeken. Als deze na lang zoeken aan Nasroeddin vraagt
- Heb je de sleutel werkelijk hier verloren? luidt zijn antwoord:
- Nee, maar in het licht zoekt het makkelijker… (6).
We kunnen dit ook op ons zelf betrekken. Ook in onszelf is het sterkste licht, krachtigste energie is opgeslagen en gebonden in het donker, in onze schaduwkant. Het vraagt moed om op weg te gaan om deze schaduwkant te betreden en die donkere kanten (vaak geassocieerd met ‘het slechte', ‘het kwaad') te accepteren, te leren kennen en de daarin gebonden lichtkracht eruit vrij te maken. Vele mythen en sprookjes zijn daaraan gewijd. De lagere weg is de schaduw te bestrijden (St, Joris), de hogere is hem te omarmen en hem te transformeren (de prinses die de draak kust). De lagere weg betekent het tackelen van de primaire passies en driften, de hogere weg vereist het betreden van het donkere innerlijke terrein van de schaduwenergie en het herintegreren van wat daar gaandeweg naar toe is verdrongen en verwrongen. Daar in het donker zoek je liever niet, maar juist daar kan de essentie zijn te vinden.
De grote kunstenaar en architect van de tabernakel heet Betsalel, een naam die meestal vertaald wordt als ‘in de schaduw ( tsel ) van God'. De kabbalist leest er ook in: ‘in de schaduw is God'. 

In wat je zou kunnen noemen wijsheidspoëzie kom je die intuitie, dat wijsheid en waarheid in de donkerte is te vinden herhaaldelijk tegen. Juist waar de oppervlakte van de realiteit barsten vertoont, onze alledaagse doen en laten ons pijnlijk falen openbaart, daar waar we in de donkerte lijken te vallen, daar kan onverwacht licht ontstaan.
De Engelse dichter W.H. Auden dicht in ‘One Evening' (‘As I Walked Out One Evening') (7), dat hij op een mooie avond door de stad loopt als hij door klokgelui in een sombere stemming wordt geworpen:
The glacier knocks in the cupboard,
The desert sighs in the bed,
And the crack in the tea-cup opens
A lane to the land of the dead.
De barst in het theekopje opent een laan naar het duistere land van de doden, een land, waarin blijkens het volgende vers de kinderwereld is verandert in een harde en bizarre realiteit van desillusie. De dichter ziet zijn wanhoop in de spiegel en komt niettemin tot het pijnlijk inzicht, dat hoewel hij geen zegen ervaart het leven toch een zegen is:
You shall love your crooked neighbour With your crooked heart .

Your pain is the breaking of the Shell that encloses your understanding - Jouw pijn is het breken van de schelp, die jouw inzicht bevat – onderwees de poetische Libanese Profeet van Kahlil Gibran (8)

Een niet lang geleden zong dichter/zanger Leonard Cohen nog in de song ‘Anthem':
There is a crack in everything
That's how the light gets in
(8)

Noten

(1) Cassuto, Umberto: A commentary on the book of Genesis, part one, from Adam to Noah , The Magness Press, Hebrew University, Jerusalem, 1998, p. 26 ev

(1) Rasji ad Beresjiet 1:4 en Beresjiet Rabba III:6

(2) Uitgebreid hierover de controversiële Marc Gafni, die als men critisch leest toch wel behartenswaardige inzichten onder woorden brengt
http://www.marcgafni.com/blog-post-two-light-from-darkness-marc-gafni/

(3) Zohar1: 31b-32a geciteerd in bloemlezing van teksten uit de Zohar met commentaar, ' Zoha  ', translation and introduction by Daniel Chanan Matt, Paulist Press, 1983 ,

(4) Een stelling geopperd in Yalkut Reuveni, geciteerd door Rabbi Judith Abrams z.l. op haar website www.maqom.com, die helaas van internet is verwijderd

(5) ‘De sleutel in het donker', bewerkt door Wim v.d. Zwan, Altamira-Becht, Haarlem, 2000

(6) W.H. Auden, a selection by the author, Penguim Books, 1958, p.33
https://www.poets.org/poetsorg/poem/i-walked-out-one-evening

(7) Kahlil Gibran (1883-1931), The Prophet, Alfred A. Knopf, New York , 2004, p. 52

(8) ‘Anthem' op de CD ‘The Future', 1992
https://www.youtube.com/watch?v=mDTph7mer3I


Ve-zot ha-beracha
Devariem/Deuteronomium 33 en 34
gelezen op Simchat Tora

De parasja We-zot ha-beracha is de laatste parasja van de Tora. Op het komende feest van Simchat Tora wordt deze laatste parasja over de dood van Moshé gelezen en meteen daarna de eerste parasja van de Tora .
De sjabbat die valt in de week van Soekot is een bijzondere sjabbat, sjabbat Chol Hamoed Soekot. Dan wordt in plaats van de te verwachten parsje van de week een paar stukken uit de parasha Ki Tisa gelezen, Exodus/Sjemot 33:12 - 34:26 met als Haftara de beroemde passage uit Jechezkel/Ezechiel over de vallei vol beenderen die weer levend lichaam worden. 
In vele gemeenten wordt ook Kohelet/ Prediker gelezen. 
Vreemd is het dan eigenlijk, dat juist het boek Prediker/Kohelet wordt gelezen, waarin de schrijver – naar men zegt de oude Sjlomo Hamelech (koning Salomo) – zijn vaak sombere visie op het leven geeft. Al naar gelang de eigen geaardheid van de lezer kan men hem een cynicus, een pessimist, een melancholicus, een depressieveling, een relativist of een realist noemen, maar een blije optimist die toch beter bij Soekot zou lijken te passen, is hij toch niet.
Lees daarover verder op mijn website .
Nu verder over de parasja.

de dood van Mosjee

De beschrijving van de laatste gang van Mosjee (Devariem/Deuteronomium 34), weg van het volk, de berg Nevo op, raakt mij altijd weer als ik het lees. Waar hem dat in zit, ik weet het niet. Ik ben sowieso al gevoelig voor sterfscenes en dit is wel de meest klassieke. Buber moet denken "aan een van de edele dieren, die zich van hun kudde verwijderen om alleen te kunnen sterven". Dat zit er ook in, ja.

Het is ook de combinatie van kracht - de laatste wandeling alleen, niet wazig was zijn blik en niet geweken zijn frisheid" (Devariem/Deuteronomium34,7) - en de menselijke smart van het afscheid. De grootsheid van zo'n vol leven, dat een einde neemt. De eenzaamheid die hem zijn hele leven moet hebben omgeven die hier in zijn volheid en naaktheid onthuld lijkt. Het is ook de menselijkheid ondanks de heroieke enscenering van de eenzame bergbeklimming. Mosjee was geen mens zonder zonden, zoals Jezus, hij was toornig als de God van de Tora zelf, geduldig en ongeduldig, bescheiden en autoritair, een welsprekend man met een spraakgebrek, moedig met bange momenten, een profeet maar niet heilig.

Hij stierf al pi Hashem , wat vertaald wordt als ‘volgens het woord van de Eeuwige', ‘op bevel van de Eeuwige', ‘aan de mond van de Eeuwige' etc.
Zijn graf werd geen heilige plek of bedevaartsoord, want niemand wist en weet waar hij begraven is.

Jaarcyclus en historische voortgang

Met de parasja Ve-zot ha-beracha uit het boek Devariem/Deuteronomium is de jaarlijkse lezing van de Tora rond. Maar dit is niet het einde. De cyclus gaat altijd maar door. Meteen begint er een nieuwe ronde met het lezen van de parasja Beresjiet, waarmee de Tora en het boek Beresjiet/Genesis aanvangt.  In de synagoge wordt dat gedaan op de speciale feestdag van Simchat Tora , ‘Vreugde der Wet'. Twee personen uit de gemeente worden uitgekozen om deze twee lezingen te doen. Dat is een speciale koved , eer. De zogenoemde chatan Tora (‘bruidegom van de Tora') leest het laatste stuk uit Devariem en de kalla Tora (‘bruid van de Tora') leest het begin van Beresjiet/Genesis. Op het feest, dat met simcha (blijdschap) wordt gevierd,  haalt men de Torarollen uit de aron hakodesj (heilige ark) en danst ermee rond.

Die altijd maar doorgaande cyclus geldt ook voor de uitleg en commentaren op het boek en zijn parasjot. Het volgend Joodse jaar zullen rabbijnen, voorgangers, geleerden, leergroepen en studenten weer nieuwe interpretaties en commentaren geven, zoals dat in vorige eeuwen is gebeurd en zoals dat in volgende eeuwen ook zal mogen plaats vinden, jaar in jaar uit. In ieder epoch zal in die beschouwingen en uitleggingen weer de geest des tijds en de context van andere omstandigheden doorklinken en zullen nieuwe aspecten oplichten,

In de geschiedenis gaat het verhaal van de Israëlieten ‘longitudinaal' door: het volk staat aan de rivier Jordaan en onder Jehosjoea zullen zij de rivier oversteken. De oversteek over de rivier betekent het verlaten van de mythische grond van de Tora naar het gebied van de concrete geschiedenis. In het boek Jehosjoea begint het geschiedenisboek, het relaas over de omgang van het volk met zijn bijzondere lot, met zijn Tora en met zijn vrienden en vijanden van het politieke moment. Het is een verhaal van dieptepunten en hoogtepunten, van voorspoed en ellende, van hoogtij en laagtij, van opkomst, bloei en verzinken, maar nooit van volkomen teloorgang.
Het volk dat aan de rivier staat, vóór de oversteek naar onbekend gebied en de overgang naar een ongewisse toekomst heeft een prototypische sfeer, die terug te vinden is in alle gemeenschappen die voor een belangrijke lotswisseling staan, voor kardinale beslissingen, die toekomstbepalend zijn.

‘Weest sterk en moedig' – chazak ve-emats – voegt de Eeuwige de nieuwe leider tot driemaal toe (1). Daarmee herhaalt Hij de aanmoediging die eerder Mosjee aan zijn volk en aan zijn opvolger heeft gegeven (2). Een aanmoediging die zich spiegelt aan gelijke woorden, die veel later koning David op zijn oude dag sprak tot zijn zoon Sjlomo (Salomo): ‘Wees sterk en moedig; vrees niet en wees niet verschrikt'. In hoeveel tijden en hoe vaak zullen deze en dergelijke woorden niet innerlijk zijn herhaald of naar anderen zijn uitgesproken?

Het is een aanmoediging, die we eigenlijk allemaal ter harte kunnen nemen, wanneer we in het leven grote stappen moeten nemen of voor de overgang staan naar een nieuwe levensfase:'wees sterk en moedig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, de Eeuwige, je God, staat je bij.' (4). Of voor hen die het godswoord liever vermijden: 'wees sterk en moedig, laat je door niets weerhouden of ontmoedigen, want waar je ook gaat, een grotere kracht dan jij draagt je en staat je bij'. Als je je er voor openstelt, zou ik eraan willen toevoegen.

noten

(1) Jehosjoea 1:6 en 8 en 9
(2) Devariem/Deuteronomium 31:7 en 31:23.
(3) 1 Divree Hajamiem/Kronieken 22:13 and 28:20
(4) Jehosjoea 1: 9, vrij naar NBV



Parashat Haäzinoe
Devariem/Deuteronomium 32:1–52
Een poëtische laatste oproep

De parasja

In de vorige parasja Wajelech heeft Mosjee een vergezicht gehad op de ooit komende afvalligheid van de Israëlieten; in verband daarmee kreeg hij een gedicht ingegeven met de bedoeling om het aan het volk voor te dragen, een epische vermaning om de catastrofe van de verre toekomst te keren, een machtige dichterlijke poging van de terminale leider om over zijn graf heen invloed uit te oefenen op de koers van zijn geliefde maar lastige volk. De parasja Ha'azinoe (‘Hoort!')bestaat grotendeels uit deze poëtisch getoonzette laatste lering van Mosjé, zijn zwanenzang. Die bestaat uit vijf episoden (1).
De eerste is een korte aanhef, waarbij hemel en aarde als getuigen worden aangeroepen.
De tweede episode brengt in herinnering dat de Eeuwige Israël als Zijn volk heeft gekozen en dat Hij dit volk Zijn bijzondere bescherming zal geven: ‘Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven, zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt'. Daarna volgt in de tekst dan een schets van een fase van voorspoed waarin Jesjoeroen (=Israël.(2)) vadsig en vet wordt, het verzadigd raakt, dik en rond wordt.
Dan volgt de derde episode: het volk, vadsig en vet geworden, loopt weg van zijn schepper, versmaadt zijn stut en steun, zijn rots. De vertoornde en vergeten God brengt rampen over het volk. Ballingschap ( galoet ) en diaspora zullen zich gaan afspelen Eerder in Devariem/Deuteronomium werd eveneens het beeld van de arend gebruikt, in dat geval als agressieve aanvaller: (28:49): 'Zoals een arend onverwacht opdoemt, zo zal uit de verste uithoek van de wereld een volk op u afkomen. De Eeuwige stuurt een volk dat een onverstaanbare taal spreekt'. Maar eerder zagen we weer de zorgzame arend in Sjemot Exodus 19:4: ‘Jullie hebben gezien hoe ik ben opgetreden tegen Egypte, en hoe ik je op adelaarsvleugels gedragen heb en je hier bij mij heb gebracht'. (3)
Als het volk is verzwakt en bijna tot niets is geworden breekt een vierde episode aan, waarin de Eeuwige zich nu keert naar de vijanden van Israël en in opperste vergelding wraak op hen uitoefent, in lyrische beelden beschreven. Het motief dat voor deze wending wordt geschilderd is niet zozeer een hernieuwde compassie met het geteisterde Israel als wel de aantasting van de reputatie van de Eeuwige, die op het spel staat. De vijanden van Israël mogen niet misleid worden en hun overwinning op het arme volk aan zich zelf toeschrijven, blind voor het feit, dat hier sprake is van de wil en de hand van de God van Israël. De redenering doet denken aan het argument waarmee Mosjee God weet te vermurwen om Zijn volk na het gouden kalf geen prooi van vernietiging te laten worden: (Ex 32: 12) "Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: 'Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen?"' In andere passages in Dewariem/Deuteronomium wordt als motivatie genoemd de compassie van de Eeuwige als antwoord op ommekeer, Dat spreekt mij en misschien ook u meer aan (4).
Ten slotte, in de vierde episode wordt de almacht van de Eeuwige nog eens breed uitgemeten.
Als de recitatie van het gedicht is afgelopen krijgt Mosjee te horen, dat hij nu de berg Nevo zal moeten gaan beklimmen om er te sterven; daarmee eindigt de parasja.

Wie heeft de schuld?

In het hele boek Deuteronomium klinkt steeds de keuze door die het volk heeft om God aan te hangen en de geboden te volgen of God en zijn geboden af te vallen, waarbij aan de eerste keuze de rijkste zegeningen worden gehecht en aan de keuze voor afval de vreselijkste rampspoeden, die herhaaldelijk en ook nu weer in geuren en kleuren beschreven worden. Steeds is Mosjee 's boodschap daarbij, dat, als het verkeerd gaat, het niet aan God ligt. De termen en beelden van het leerdicht ‘Ha'azinoe', zijn straf en krachtig als koppige wijn, extreem en ernstig. Wanneer we door de epische terminologie van God als almachtige oorlogsvorst – in die tijd gebruikelijk – heenkijken en zo ons best doen om een betekenis voor ons te ontwaren, dan horen we een oproep, die steeds weer opnieuw klinkt - de laatste dag van Mosjee is steeds de dag van nu, vandaag, hajom - : een herinnering, gekleed in heftige lyriek, een herinnering aan de mogelijkheid tot vrijheid die de mens heeft en een oproep die vrijheid te gebruiken voor verantwoordelijkheid.
Rabbijn Jonathan Sacks zegt (4) iets belangrijks; daarbij vraag ik aan de niet-God-gelovigen en aan de meer het woord God liever vermijdenden (zoals ik) de ‘Gods-taal' van de rabbijn voor lief te nemen en naar de essentie te gaan (vertaling door mij, cursief in origineel):
‘Het is de macht van de hoop, die geboren wordt, als Gods liefde en vergiffenis zich verbinden met de menselijke vrijheid en verantwoordelijkheid. Het is die macht, die het Jodendom heeft gemaakt tot de morele kracht, die het altijd is geweest voor mensen met een open hart en geest. Maar die hoop, zegt Mosjee met een passie die ons bijna zeer doet, als we die opnieuw op ons in laten werken, die hoop gebeurt niet zomaar. Er moet voor gewerkt worden, hij moet worden gewonnen. De enige manier, waarop dat wordt gerealiseerd is door  niet God de schuld te geven . Als wij een betere wereld willen, moeten wij die maken. God onderwijst ons, inspireert ons, vergeeft ons wanneer wij falen en tilt ons op als wij vallen, maar wij moeten het doen. Het is niet wat God doet voor ons, dat ons transformeert; het is wat wij doen voor God.'

noten
(1) Zie ook: Gunter Plaut (ed),The Torah, a modern commentary, Union of Reform Judaism, New York, 1981, p
(2) Jesjoeroen, poetische naam voor Israel, hier voor het eerst genoemd; volgens Ibn Ezra afgeleid van ‘jashar', recht(op), rechtvaardig
(3) Zie de aantekening van Rasji bij de arend van Devariem/Deuteronomium 32:11; hij verklaart, dat het unieke van de arend is dat hij als enige vogel de jongen niet in zijn klauwen draagt maar op zijn rug, want de enige dreiging voor het hoogvliegende dier komt van beneden, van de pijlen van de mens. Hij meent dan dat dit speciaal slaat op de wolk van de Eeuwige, die zich beschermend plaatste tussen de pijlen van de achtervolgende Egyptenaren vlogen naar de Israelieten op weg naar de Rietzee. Zie ook Mechilta de Rabbi Yishmael perek 19:4. Overigens is het biologisch gezien niet bewezen dat de arend de jongen op zin rug draagt, mogelijk is het gezichtsbedrog als in de verre hoogten de arend beschermend over zijn jongen zweeft bij hun eerste vlucht.
(3)Bijv. Devariem/Deuteronomium 30:2 ev. (NBG): ‘(...) dan zal de Hasjem, uw God, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen', we sjav Hasjem elochecha et sjewoetcha we rachamecha.
(4) http://www.rabbisacks.org/haazinu-5774-leaders-call-responsibility/
Lees ook zijn discussie in zijn commentaar van 2015/5776

Parasha Wajelech   Devariem/Deuteronomium 31:1-30
Tesjoeva 

Deze sjabbat wordt Sjabbat Sjoeva (terugkeer) genoemd en valt in de week tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer. Het zijn de dagen van inkeer, waarin je rekenschap geeft over je daden en nalaten van afgelopen jaar.  Kan je door ommekeer – tesjoeva – je verleden beïnvloeden?

Als je kon tijdreizen, wat zou u dan vertellen aan de jongen, het meisje, de adolescent, die jongeman of jonge vrouw dat je ooit was?  Welk verhaal zou je hem of haar vertellen? Fijne dingen, vreselijke dingen, hoogtepunten, dieptepunten? Ligt dat verhaal vast en nemen gedane zaken geen keer?

In boek en film is het geen probleem, tijdreizen en ingrijpen in het verleden. Het fenomeen heeft ons altijd gefascineerd. Science fiction bloeit dank zij dit thema en films die de tijd  als bereisbaar medium exploiteren zijn heel populair, denk maar aan Back to the future, The Terminator. 

Maar in feite kan het natuurlijk niet. Niet in fysieke zin.

Toch is er wel een mogelijkheid om de tijd te omzeilen. En op een bepaalde manier in te grijpen in het verleden. Dat kan via het wonderlijke proces van Tesjoeva. Tesjoeva brengt met zich mee, dat ik in de geest op bezoek ga in het verleden.

Het verleden is hier en nu vooral bij mij in de vorm van het verhaal, dat ik mijzelf over mijn leven vertel.  Dat verhaal is niet onveranderlijk en het varieert naarmate de levensloop vordert. Maar vaak bevat het constanten, die het leven innerlijk en in de omgang met anderen belemmeren. Het proces van Tesjoeva begint met een krachtig wilsbesluit om afstand te nemen van de verhalen die ik steeds maar aan mijzelf herhaal. Ik ga de stellingen bekijken, waarin ik me heb ingegraven, de harde oordelen onderzoeken, die ik gekoesterd heb naar mijzelf en niet zelden ook naar anderen. Ik ga de pijnlijke wendingen in het verhaal nog eens bekijken, de emotionele episodes, de terugkerende impasses, punten waarin ik steeds vastloop, de gebeurtenissen waarin ik heb gefaald, of waarvan ik vind dat een ander heeft gefaald. Hoe pijnlijk kan dat verhaal zijn? De vraag is: kan ik boven mezelf uitstijgen, boven dat verhaal uit komen? Kan ik het oude verhaal im frage stellen, kan ik het loslaten en ben ik in staat te vergeven en vergeving te ontvangen? Ja, be-ezrat Hasjem , is het mogelijk in een diepgaande wending van de ziel voorbije gebeurtenissen, daden, instellingen onder ogen te zien, te onderzoeken en te berouwen en te vergeven. In dat proces van afstand, berouw, vergeving en verzoening kunnen aan zaken uit het verleden nieuwe betekenissen ontspruiten. Lichtpunten komen op. Andere definities gaan opdoemen, een nieuw verhaal ontstaat, dat doorwerkt in het heden op een nieuwe manier, dat openingen biedt, je toekomst een nieuwe perspectief geeft en je daden een nieuwe richting.  Je weet weer wat je te doen staat. 

In de Talmoed zijn uitspraken te vinden die die krachtige mogelijkheid om de betekenissen en de waarderingen uit het verleden te veranderen illustreren en ondersteunen. 

In het tractaat Joma (1) discussiëren de Rabbijnen over de grootheid van Tesjoeva. Rabbi Resj Lakisj - een van de wijzen uit de derde eeuw van de westerse jaartelling - zegt: 
Groot is Tesjoeva: zelfs de verkeerde daden, die met opzet zijn gedaan worden dan beschouwd als niet opzettelijk. Even later gaat hij zelfs nog een stap verder: groot is Tesjoeva, zo zelfs dat opzettelijke daden als verdiensten beschouwd gaan worden. Dat is opmerkelijk: wat ooit verkeerde daden waren worden bij ommekeer met terugwerkende kracht in een nieuw licht beschouwd en ze worden niet meer aangerekend, maar zelfs getransformeerd tot verdiensten. Die laatste grote sprong geldt overigens alleen voor wie ommekeer doet uit liefde. 

Rabbi Resj Lakisj mag daarover meepraten, want voor zijn ommekeer en transformatie tot een der grootste Talmoedrabbijnen was hij  - zo zegt de overlevering - gladiator en struikrover. 

Hoe kan dat alles, hoe kan het verleden van gedaante veranderen? 

De midrasj zegt: voordat de Schepper de wereld schiep was er al Tesjoeva. De Eeuwige kon de wereld niet laten bestaan zonder eerst de mogelijkheid van Tesjoeva in het leven te hebben geroepen. Misschien is Tesjoeva op te vatten als een dimensie die buiten de tijd staat. Ergens in ons wezen, via de ziel, de nesjama , hebben wij toegang tot die buitendimensionele plek - misschien mag je zeggen: tot een transcendente ruimte - , waar de hervormende kracht van Tesjoeva werkzaam is. Als een gouden draad loopt hij eigenlijk door ieder moment van ons leven. Wanneer we onszelf onderzoeken en heroriënteren op ons leven staat die mysterieuze beschikbaarheid, die ons te boven gaat, open en hebben wij de kans om het verleden als het ware te herschikken en te herlezen tot een nieuw verhaal.

Dan begrijp ik opeens deze passage van de 20ste-eeuwse Joodse filosoof Emmanuel Levinas, die ik weergeef in een vrije bewerking: 

Vergeten raakt niet de werkelijkheid van het vergeten gebeuren. Maar er is een kracht, sterker dan het vergeten en dat is vergeving: krachtiger dan vergeten werkt vergeving in op het verleden. Het herhaalt op een of andere manier de gebeurtenis in een loutering er van. Het vergeten vernietigt de relaties met het verleden, terwijl de vergeving het vergeven verleden in het gelouterde heden bewaart. Het schepsel dat vergeven is, is niet een onschuldig schepsel. De onschuld is niet te stellen boven de vergeving. Het verschil tussen onschuld en vergeving is waar te nemen in het vreemde geluk van de verzoening, wat men wel noemt: de felix culpa , ‘gelukkige schuld', een dagelijks ervaringsfeit. Aldus Levinas (3).

noten
(1) Talmoed Joma 86a
(2) Talmoed Pesachiem 54a
(3) Emmanuel Levinas, De totaliteit en het Oneindige, Ambo, p. 345

Parasjat Nitsaviem Devariem/Deuteronomium. 29:9–30:20     
Ommekeer 

Meestal wordt de parasja Nitsaviem gecombineerd met de volgende parasja Vajelech in verband met de eigenaardigheden van de Joodse kalender. Dit jaar is een Joods schrikkeljaar en dan biedt de gang van de kalender ruimte voor een aparte lezing. Die valt nu op de sjabbat vlak voor het begin van het Joodse Nieuwjaar, Rosj Hasjana

Naast de zwarte paragrafen over de komende kwellingen en verbanningen zoals vooral in de vorige parasja Ki tavo, staan in deze parasja Nitsaviem ook enkele gouden pesoekiem , die uiteindelijk een messiaans vergezicht beloven. Onze twijfel over een predestinerende en regisserende almachtige godheid zetten we even opzij om ons te laten meevoeren door de messiaanse noot die hier wordt aangeslagen (nog versterkt door het begin van de haftara, Jeshajahoe 61:10 ev). Devariem 30 1-3: ‘Wanneer alles werkelijkheid is geworden wat ik u beschreven heb, zegeningen en vervloekingen, en wanneer u ten slotte, door de Eeuwige, uw God, uiteengejaagd en verstrooid onder alle volken, daar lering uit getrokken hebt en samen met uw kinderen naar de Eeuwige, uw God, terugkeert en hem weer met hart en ziel gaat gehoorzamen – daartoe heb ik u vandaag aangespoord –, dan zal de Eeuwige, uw God, in uw lot een ommekeer brengen: hij zal zich over u ontfermen en u, na u eerst verstrooid te hebben, weer uit al die landen bijeenbrengen.  We laten de brisante vraag of deze passage een geopolitieke betekenis heeft graag voor dit moment in het midden. We richten ons op de spiritueel-psychologische dimensie.

De grote ommekeer, is dat niet wat we in ons hart steeds wensen? Spiegelt dat niet diep in ons een verlangen, dat een grote ommekeer ook in ons eigen leven zal plaatsvinden? Iedere dag doen we al of niet onze geringe pogingen om dat naderbij te brengen. Laten we de kijker eens richten op het persoonlijk niveau van ons dagelijks leven.  
De tijd tussen Rosj Hasjana en Jom Kipoer is daar speciaal aan gewijd: een samengebalde onderneming om Tesjoeva, een grote ommekeer teweeg te brengen in ons zelf en wie weet in de kringen om ons heen.  
Een van de grote thema's daarbij is vergeving. We vragen aan onze familieleden, vrienden, collega's en misschien wel vijanden vergeving om wat we hun hebben aangedaan. En we smeken vergeving af aan de Altijdzijnde. Maar het is mij opgevallen dat er weinig gezegd wordt en geschreven is over vergeving dóór ons aan anderen naar aanleiding van wat ons door die anderen is aangedaan. Feitelijk is dit – het vergeven door mij aan anderen – toch ook een vorm van navolging van de Eeuwige (imitatio Dei). Mozes Cordovero heeft dit uitgewerkt in zijn ‘Palmboom van Devora', waarin hij oproept tot een uiterste vergevingsgezindheid als navolging van de vergevingsgezindheid zoals die beschreven is als attribuut van de Eeuwige in Exodus 34:6,7, regels die wij deze dagen meerdere keren zingen.

Wat ons is aangedaan door anderen: dat kan veel zijn. We kunnen ons slecht behandeld, benadeeld, verraden voelen door onze ouders, partners, kinderen, bazen en collega's.  
”Mijn moeder heeft me niet echt gezien”. “Mijn partner heeft me verraden”. Ga zo maar door. Een half leven lang kan je met wrok blijven rondlopen. Soms was de behandeling of daad aan jou gedaan inderdaad onterecht, soms kan er sprake zijn van projectie van jouw gevoelens van boosheid of verdriet op anderen als gevolg van kwetsuren opgedaan in eerdere misstanden. In beide gevallen kunnen we door onze wrok, kwaadheid of door ons lijden terechtkomen in een slachtofferpositie. De pijn die eronder ligt schrikt ons af. Die zee van pijn, daar willen we niet aan. Toch is dat nodig.  
De fasering is: je losmaken van je wrok of lijden of boosheid, er een onthechtende sprong vanaf gaan staan, schouwen in jezelf en de pijn aangaan. Want dan is er ruimte geschapen voor de volgende stap: om de mens in de ander te zien en hem of haar vergeving te schenken. Dan ontstaat er nieuwe ruimte waarin weer het licht kan binnenvallen. Die ander hoeft het misschien niet eens te weten, dat je hebt vergeven. Vergeven doe je voor jezelf in de eerste plaats en de anderen in je omgeving zullen er volop van mee profiteren, als jij je hebt ontdaan van een zware last. Je wordt een lichter mens en onbespreekbare zaken worden wellicht bespreekbaar.  
Deze dagen van inkeer en ommekeer zijn bij uitstek de dagen om in jezelf te duiken en te kijken welke stukken van wrok, slachtofferschap, onverzoenlijkheid er in jou schuilen, die vernieuwing en verlichting van geest en ziel tegenhouden.  
Moge een goed en zoet jaar voor jou zijn weggegelegd; sjana tova oemetoeka tichtevoe!

Parasjat Ki Tavo Devariem/ Deuteronomium /  26:1–29:8
Een sterk narratief

Voorpublicatie uit   REIZEN DOOR DE TORA , DEEL II,  
LEVITICUS, NUMERI EN DEUTERONOMIUM  


Het grootste deel van de parasja Ki Tavo beslaat uit de lange reeks vervloekingen over rampen, die over Israël zullen komen, als het volk niet naar de stem van de Eeuwige en zijn voorschriften luistert. De reeks heeft de naam Tochacha gekregen, ‘vermaning'. We zouden bijna vergeten, dat de parasja ook essentiële zegeningen bevat (Devariem/Deuteronomium 28:1-15) en heel feestelijk begint met de ceremoniële aanbieding van de eerste opbrengsten van het land aan de tempel te Jeruzalem (Devariem/ Deuteronomium 26:1 ev).
Pasoek (vers)26: 1:  ‘En wanneer u in het land komt dat de Eeuwige, uw God, u als erfelijk bezit geeft, en u dat in bezit neemt en erin woont, moet het zó zijn dat u van de eerstelingen neemt van alle vruchten van het land, die u binnenhaalt van uw land, dat de Eeuwige, uw God, u geeft; en u moet die in een korf leggen en naar de plaats gaan die de Eeuwige, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen'  (die plaats is dus Jeruzalem).
In de Misjna, in het tractaat Bikkoeriem, ‘eerstelingen', staan de plechtigheden uitgebreider beschreven, een tafereel dat speelde in de eerste eeuw van de gewone jaartelling (1):
‘Wie dichtbij woonde bracht verse vijgen en druiven, zij die ver weg woonden brachten gedroogde vijgen en rozijnen mee. Een os met horens bekleed met goud en een krans van olijven op zijn kop liep vooruit. Voor hen uit werd de fluit bespeeld tot ze bij Jeruzalem kwamen. En als ze vlakbij Jeruzalem waren zonden ze boodschappers vooruit en versierden ze hun eerstelingen. De gouverneur en de hoofden en de schatbewaarders (van de tempel) gingen naar buiten  hen tegemoet. Overeenkomstig de rang van de aankomers gingen ze uit. Alle bedreven ambachtslieden van Jeruzalem stonden dan voor hen op en begroetten hen: “Broeders, mannen van die en die plaats, we zijn verheugd jullie welkom te heten”. De fluit speelde voor hen uit tot ze bij de tempelberg kwamen. En als ze bij de tempelberg kwamen nam zelfs koning Agrippa  een mand op zijn schouders en liep mee tot de tempelhof. Bij de nadering van de hof zongen de levieten het lied: “Ik prijs u , O Heer, want u hebt mij opgeheven en hebt niet toegelaten, dat mijn vijanden zich over mij verheugden”'.
Stel je eens voor, die optocht over de heuvels van Judea, stoeten mensen met mooi gedecoreerde korven met vruchten op de schouders of op het hoofd, de stoere os voorop met gouden horens en de kop met bloemenkransen gekroond, samen met de fluitspelers, terwijl de imposante  muren van Jeruzalem in zicht komen.
Na het overhandigen van de korven met fruit aan de priesters bij de tempel  moest de overhandiger zeggen (Devariem/ Deuteronomium 26:4-11):  ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. Toen klaagden we de Eeuwige, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. En de Eeuwige bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen.   Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing.  Eeuwige, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.'
Daarna volgde een feestelijke maaltijd.
Deze formule, de  widoei bikkoerim ,  is eigenlijk heel bijzonder. Waar van oudsher de omwonende volkeren de vruchten van het land wijdden aan vruchtbaarheidsgodinnen en mythologische godheden, memoreert de Israëlitische landbouwer de geschiedenis van zijn volk, de kennismaking met die ene onzichtbare God en de uitredding door Zijn machtige interventie;  de geschiedenis is hier samengevat in een notendop, een kernachtiger formulering is niet denkbaar. Het is één van de vele reminders, die in Devariem en de Tora in zijn geheel zijn ingebouwd om het volk van Israël te herinneren aan zijn afkomst, aan het proces van slavernij naar bevrijding en zijn roeping een samenleving te vormen, die geordend is naar principes van gerechtigheid en omzien naar de ander, zoals geschreven  en geopenbaard in de woorden van de Ene.
Israël wordt wel genoemd het volk van het boek; het zijn de woorden van een boek, de Tora, de Tanach, die het volk door de geschiedenis heen heeft bijeengehouden en gedragen. In moderne bewoordingen gesteld zou je kunnen zeggen dat het Joodse volk een sterk ‘narrative' (narratief)heeft, anders gezegd: een verhaal, dat een kader van samenhangende betekenissen heeft, die een basis vormen onder en zin geven aan het bestaan van een volk, en in potentie aan ieder lid van dat volk.
De nadruk ligt dan ook niet voor niets op de plicht om van ouders op kinderen, van generatie op generatie, le-dor wa-dor , de kern van dat narratief door te geven.
Zij die de seider (rituele maaltijd op Pesach) vieren herkennen deze woorden van Devariem 26:4-11; zij vormen het centrale gedeelte van het dan hervertelde Pesachverhaal over de uittocht uit Egypte, zoals samengevat in het speciale tekstboek voor die Pesach maaltijd, de Hagada . Al eeuwen worden ieder jaar in duizenden Joodse gezinnen en gezelschappen deze woorden, die beginnen met de zwervende Arameeër (naar mijn stellige idee wordt geduid op: Avraham) en zijn geschiedenis, weer gesproken. (2)

noten
(1) Misjna Bikkoeriem 3:3 en 4
(2) Voor dit commentaar heb ik mij mede laten inspireren door het commentaar van Rabbijn  Jonathan Sacks  (www.rabbijsacks.org) uit het jaar 2013 en enkele passages uit Simon Schama: De geschiedenis van de Joden, Deel 1: De woorden vinden, Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen, 4 e druk, 2014, passim

Parasjat Ki Tetsee Devariem/Deuteronomium 21:10 tot 26  
Verafschuw de Egyptenaar niet!  

Deze parasja Ki Tetsee gaat verder met de ordening van maatschappij en samenleving en bevat een grote hoeveelheid bepalingen op uiteenlopende gebieden als oorlog, familie- en eigendomsverhoudingen, moraliteit in seksuele zaken. Daarnaast zijn nog tal van andere zaken aan de orde. 74 van de 613 mitswot stammen uit deze parasja, de meeste van alle parasjot.  
Het is goed te beseffen: het zijn bepalingen die drieduizend jaar geleden zijn geschreven, in de grond weliswaar ingegeven door een diepgaande inspiratie en de omliggende Semitische wereld ver vooruit, maar toch ook getekend door de situatie van een semi-nomadische maatschappij van zoveel eeuwen her.  Er zijn passages die ons verlicht aandoen. De loonarbeider die zijn loon dezelfde dag nog dient te krijgen. Het royale overlaten van het niet geoogste voor de behoeftige. De bepaling, dat je de gevonden eieren in een vogelnest mag meenemen maar de moedervogel moet laten vliegen, één van de bepalingen die zijn uitgewerkt tot het leerstuk over diervriendelijkheid ( Tzaär baälee chajiem) . Anderen roepen vanuit het huidige tijdsgewricht bij de moderne humanistisch georiënteerde mens weerstand op. De bepalingen omtrent huwelijk, verkrachting, overspel, de positie van de vrouwen. De wrede, in moderne ogen disproportionele sancties.

Latere rabbijnse uitleggingen hebben vele scherpe kanten van striktheid en wreedheid er vanaf geslepen, maar de vraag blijft iedere generatie: hoe moeten we er in Gods naam de dag van vandaag mee omgaan? Hoe begrijpen wij het intrinsieke eeuwige moment van de inspiratie, waarmee ook aan ons nog steeds iets gezegd en geboden wil zijn en hoe kunnen wij het drieduizend jaar oude stof van geschiedenis en de contingentie van het menselijk psychisme van het zo lang geleden moment ervan af schudden?

Ik denk, dat het helpt om de diverse bepalingen te zien, niet zozeer naar hun letterlijke inhoud als wel naar de intrinsieke waarden, waaruit zij voorvloeien en waarvan zij een door de historie gedetermineerde ‘operationalisatie' zijn.  
Zo getuigen de – voor die tijd revolutionair vooruitstrevende - bepalingen rond de mooie vrouw, die door de man als krijgsgevangene wordt meegevoerd en begeerd, van het streven impulsieve wreedheid aan banden te leggen en respect voor de weerloze mens te tonen ( Devariem/Deuteronomium 21:11-14). Het zijn regels die in vele regionen van de wereld ook nu nog hun nut zouden hebben.  
Opmerkelijk zijn de geboden om de Edomiet en de Egyptenaar niet te verafschuwen ( Devariem/Deuteronomium 23:8, 9). Het derde geslacht mag zelfs tot de gemeenschap van Israel toetreden. De Egyptenaar heeft ondanks alle latere wrede onderdrukking het volk van de hongersnood gered en woonplaats gegeven en de Edomiet is een afstammeling van de broer van Jaäkov, Esav. Als we de bepalingen uit Devariem hfst. 2 in herinnering brengen, dan waren ook de Moabieten en Ammonieten gevrijwaard van de veroveringsdrang van de Israëlieten; ze waren immers afstammelingen van Esav, respectievelijk Lot, de neef van Avraham.   Rabbijn Sacks   wijst er in zijn commentaar op, dat deze geboden oproepen tot een houding van verzoening met de onderdrukker van ooit en tot een wil niet te volharden in haat tegenover de vroegere vijand. Ook inzake non-discriminatie van huidskleur bevatten de geschriften opmerkelijke bepalingen. Zo neemt Mosjee een Koesjitische (andere vertaling NBV Nubische) tot vrouw. Mosjee's zuster Mirjam is daar niet gelukkig mee (Bemidbar/Numeri 12:1) en wordt bestraft wegens haar vooroordeel (volgens een mogelijke uitleg), over deze donker getinte (trouwens ook niet Israelitische) vrouw. De grenzen waren toen nog niet zo nauw getrokken. In Sjier Hasjiriem (het Hooglied) is de verliefde vrouwelijke zanger zelfs ‘zwart en mooi', sjechora ani ve-nava (Sjier Hasjieriem 1:5).  
Rabbijn Sacks ziet in de Mosjee van deze parasja een voorstander van het opgeven van haat en een oproeper tot vrede en verzoening. Binnen de grenzen van de Tora is deze leider tolerant, ruimhartig en verzoeningsgezind. Graag ga ik daarin met de rabbijn mee, zeker als ik vermoed, dat hij daarbij de toestand in het Midden-Oosten rond Israel daarbij in gedachte had. Wil je nog meer tot verzoening oproepende voorbeelden uit de Tora, denk dan aan de iconische verzoeningsscene van Jaäkov en Esav, die Jaäkov haatte, maar Esav snelde hem tegemoet, omarmde hem, viel hem om de hals en kuste hem; en zij huilden   (Beresjiet/Genesis 33:4). Een generatie daarvoor hadden Jisjmaël, de voorvader van de Arabieren, en zijn halfbroer Jitschak samen hun vader Avraham begraven in de grot van Machpela (Beresjiet/Genesis 25: 9).  

Dat alles neemt niet weg, dat de parasja besluit met een slotakkoord van juist onverzoenlijkheid.  
Het volk van Amalek, dat verraderlijk ooit de achterhoede van vrouwen en verzwakten aanviel toen het net aan de Egyptenaren ontsnapte volk van Israel de woestijn had betreden ( Sjemot /Exodus17:14-16   )   , dat volk moet worden vernietigd, de gedachtenis aan Amalek moet van onder de hemel worden uitgewist. Vergeet het niet!(Devariem/Deuteronomium 25:19). Amalek zal de eeuwige vijand van alle generaties en alle tijden zijn. Of dat nu nog geldt? Het is één van de bepalingen die tegen zich zelf is gaan werken, hoe daar ben ik elders op ingegaan (zie   Amalek, eeuwige vijand, stereotype of archetype   ).  

Een groot deel van de bepalingen getuigen van waarden als naastenhulp, burgerzin, omzien naar de armen, veiligheid, respect voor dieren en zo meer.  
Veel is gereguleerd – vaak met strenge of zelfs kapitale bestraffingen - omtrent moraliteit in het huwelijk, binnen- en buitenechtelijke seksuele omgang en de positie van de vrouw daarin. Het wekt de indruk, dat eer, taboe op de geslachtsorganen en het belang van procreatie een prominente rol spelen, een rol, die in westerse zo sterk veranderde industriële, kapitalistische en technologisch ontwikkelde samenlevingen, waarin het begrip seksualiteit zijn intrede heeft gedaan, niet meer aanspreekt en geen toepassing meer vindt (koranistische, vaak nog strengere, varianten worden in (ultra)orthodoxe islamistische kringen nog wel degelijk letterlijk genomen en gepraktiseerd). Toch zouden de onderliggende waarden van loyaliteit in het huwelijk, een zekere mate van schaamte en terughoudendheid in uiterlijk erotisch vertoon een woordje meer mogen meespreken. In een   ander commentaar   op deze parasja heb ik daar meer over geschreven.  

Herzien sept 2016

Voorpublicatie uit REIZEN DOOR DE TORA , DEEL II,
LEVITICUS, NUMERI EN DEUTERONOMIUM


Parasjat Sjoftiem   Devariem / Deuteronomium 16:18 - 21:9  
Rechtvaardigheid

De parasja start met voorschriften rond recht en rechtvaardigheid, Devariem 18-20: 
De maatschappij staat of valt met een stabiel rechtssysteem en een integere rechtspraak; niet voor niets luidt Devariem 20: ‘rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven, opdat je zal leven en het land zal bezitten', tsedek, tsedek tirdof 

We gaan dieper in op deze uitspraak . 
Rechtvaardigheid, rechtvaardigheid moet je nastreven,  tsedek, tsedek tirdof
Waarom staat er tweemaal tsedek?
De Dasberg vertaling luidt: 'Alleen maar rechtvaardigheid moet je nastreven.' Dit doet de herhaling geen recht en is ook niet helemaal juist, lijkt mij. Rasji beschouwt deze zin als geschreven voor de procesvoerders en leest erin: zoek het best denkbare college op, het beste beet din
Op zich spreekt dat wel aan: voor jouw zaak wil je de beste advocaten en de beste rechters, voor jouw operatie het beste ziekenhuis. Maar met alle respect voor de heldere en nuchtere Middeleeuwse meester: er zit in dit tsedek tsedek tirdof toch méér.

Dit citaat, uit de Talmoed, Sanhedrin 32b werpt een origineel licht: 
(vertaald uit het Engels) 
‘ Er is geleerd: rechtvaardigheid, rechtvaardigheid zal je nastreven. 
De eerste rechtvaardigheid duidt op een beslissing gebaseerd op het strikte recht. 
De tweede rechtvaardigheid duidt op een compromis. Hoe dat zo?
Als twee boten elkaar op de rivier tegenkomen en ze allebei tegelijk willen passeren zullen allebei zinken. Als er een ruimte maakt voor de ander kunnen ze beiden verder. 
Evenzo als twee kamelen elkaar ontmoeten bij het beklimmen van de helling naar Beet Horon. 
Als ze beiden tegelijk willen klimmen, zullen ze vallen. Maar als de een na de ander klimt, kunnen ze beiden veilig naar boven. Hoe moet dat dan? Als de één is beladen en de ander onbeladen, moet de laatste de een voor laten gaan. Als de één dichter bij huis is dan de ander, moet de eerste de laatste voor laten gaan. Als ze allebei even ver van huis zijn, maak dan een compromis, waarbij degene die voorgaat de ander compenseert'.

Wat deze passage onder meer goed illustreert is dat rechtvaardigheid een essentiële waarde is, die zijn oorsprong vindt in de menselijke ontmoeting. Rechtvaardigheid ontstaat in relatie en maakt haar ook mogelijk. De kapiteins op de twee boten en de twee kamelendrijvers kunnen of alleen vóór zich zelf gaan of oog hebben voor elkaars belang. Ze moeten elkaar letterlijk in de ogen hebben gezien en hebben gesproken en misschien hebben ze een gebaar gemaakt, signalen gewisself; ze hebben iets afgesproken. 
Al lang geleden is ons samenleven geformaliseerd in een sociaal contract en een rechtssysteem, maar daar houdt het natuurlijk niet op; ook daarbuiten ons is ons samenleven doortokken van de opdracht rechtvaardigheid na te streven.

Zonder rechtvaardigheid kan het samenleven met elkaar niet bestaan, veilig zijn en niet tot bloei komen. Rechtvaardigheid heft ons op uit het geweld, de anarchie, de willekeur, de chaos, in zekere zin de hel zou je kunnen zeggen. 
Misschien kunnen we meegaan met Levinas en ik waag mijn poging tot begrip van deze moeilijke maar essentiële en intense Joodse filosoof onder deze woorden te vatten: 
Rechtvaardigheid gaat vooraf aan alle filosofie en wetenschap; het is niet het product van rationeel overleg of de conclusie van een gedegen sociale analyse. Het gaat daar aan vooraf. Als ik afzie van mijn vruchteloze pogingen de wereld en de ander te domineren, te manipuleren en te controleren dan komt de rechtvaardigheid mij tegemoet uit het gelaat van mijn naaste als een onontkoombaar appel, zeg maar een gebod. Daar - op dat tussenmenselijke veld - begint het uiteindelijk allemaal.

Zoiets bespeur ik ook in de woorden Tsedek, Tsedek, die herhaling maakt deze uitspraak ook tot een dringend appel, zo moeten we het denk ik ook opvatten. Streef rechtvaardigheid na bóven alles. Als een van de weinige geboden vermeldt de uitspraak in Devariem meteen een positieve consequentie, zeg maar voor het moment even: een beloning: ‘zodat je zal leven en het land zal bezitten'. 
Als we het appel van de rechtvaardigheid niet horen, zal het uiteindelijk uitlopen op ontworteling, vervreemding, ontheemding, geweld, oorlog. En dat misschien van het meest innerlijke, persoonlijke niveau tot het maatschappelijke, zelfs internationale en mondiale niveau. Het geldt voor onze relaties, onze familie, voor Nederland, voor Israël, voor de wereld.

Ik kwam dit vers van Jesaja (32, 17-18) tegen, dat een gelijke strekking heeft alleen met een meer profetische, zeg maar utopische aankleding: ‘ Het gevolg van rechtvaardigheid zal vrede zijn en de uitwerking van rechtvaardigheid zal rust zijn en vrede voor altijd. En mijn volk zal wonen in oorden van vrede en in veilige woningen en op onbekommerde rustplaatsen'.
Moge dat zo zijn en worden

Parasjat Reëe Devariem /Deuteronomium 11:26–16:17&